Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:5228

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-12-2021
Datum publicatie
20-12-2021
Zaaknummer
18/234610-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Mensensmokkel. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel door het in de auto meenemen van een persoon vanuit Frankrijk naar Nederland om hier te lande asiel aan te vragen.

Beroep op psychische overmacht is afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 197a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie Groningen

parketnummer 18/234610-21

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 december 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1949 te [geboorteplaats] , wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 december 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 7 december 2020 tot en met 9 december 2020 te Ter Apel, in de gemeente Westerwolde, althans in Nederland, een ander, te weten [betrokkene] , behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland en/of België en/of Frankrijk of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door voornoemde [betrokkene] te vervoeren vanaf Frankrijk naar Nederland en/of door Nederland in een door haar, verdachte, bestuurde auto en/of (aldus) het transport van voornoemde [betrokkene] gefaciliteerd, terwijl zij, verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het feit gevorderd. De officier van justitie acht het feit te bewijzen op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

  1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 december 2021;

  2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 9 december 2020,opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van de Koninklijke Marechaussee

Landelijk Tactisch Commando, Brigade Oostgrens-Noord, met nummer PL27NN/21-000379 d.d. 28 maart 2021, inhoudend het relaas van verbalisanten;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 10 december2020, opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [betrokkene] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

zij in de periode van 7 december 2020 tot en met 9 december 2020 in Nederland, een ander, te weten

[betrokkene] , behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door

Nederland, door voornoemde [betrokkene] te vervoeren vanaf Frankrijk naar Nederland en door Nederland in een door haar, verdachte, bestuurde auto, terwijl zij, verdachte, wist dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op:

Mensensmokkel.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw is een beroep gedaan op psychische overmacht als gevolg waarvan verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsvrouw heeft daartoe - samengevat - het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft zichzelf evenwel in een situatie gebracht waarin zij geconfronteerd werd met de ellende in het vluchtelingenkamp in Duinkerken (verder: het kamp), maar de situatie waarin [betrokkene] , die in het kamp verbleef en voor haar een speciaal persoon was geworden, terecht was gekomen, is haar uiteindelijk toch teveel geworden. Nadat [betrokkene] tweemaal had geprobeerd zelfmoord te plegen en te kennen had gegeven dat hij dat weer ging proberen omdat hij het leven in het kamp niet meer vol kon houden, heeft verdachte besloten hem mee naar Nederland te nemen, zodat hij daar asiel kon gaan aanvragen. Het handelen van verdachte was op dat moment ingegeven door de enorme ellende die zij daar zag, de uitzichtloosheid, haar persoonlijke band met [betrokkene] en het zware appel dat hij op haar deed door zijn zelfmoordplannen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het beroep op psychische overmacht moet worden verworpen, nu verdachte zichzelf aan de situatie in het kamp heeft blootgesteld.

Oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake was van een zodanige druk. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op grond van de verklaringen die verdachte heeft afgelegd bij de politie en ter terechtzitting leidt de rechtbank de volgende gang van zaken af.

Verdachte werkte al dertig jaar als vrijwillig hulpverlener voor vreemdelingen die verblijf als vluchteling willen, waarvan sinds augustus 2018 in het kamp in Duinkerken. Verdachte reed maandelijks vanuit Nederland met hulpgoederen naar Duinkerken en was getuige van de erbarmelijke omstandigheden waaronder vreemdelingen in het kamp verbleven. Voordat verdachte die bewuste keer naar Duinkerken was afgereisd, had zij al van een collega-vrijwilliger vernomen dat [betrokkene] een zelfmoorpoging had ondernomen. In het kamp heeft [betrokkene] haar gevraagd of hij asiel kon aanvragen in Nederland waarop verdachte, ontdaan door de psychische nood waarin [betrokkene] verkeerde en bang dat hij opnieuw een zelfmoordpoging zou gaan ondernemen, heeft besloten hem mee te nemen naar Nederland. De nacht voordat verdachte en [betrokkene] naar Nederland zijn gereden, heeft zij [betrokkene] onderdak verleend in de hotelkamer waar zij in Frankrijk in de buurt van het kamp verbleef. De daarop volgende dag is zij met [betrokkene] naar Nederland gereisd. Vervolgens heeft zij [betrokkene] meegenomen naar haar eigen woning en heeft zij hem de dag daarna naar Ter Apel gebracht om asiel aan te vragen.

De rechtbank overweegt dat goed voorstelbaar is dat verdachte aan [betrokkene] hulp wilde bieden.

Dat betekent echter niet dat zij niet anders kon dan [betrokkene] mee naar Nederland te nemen. Verdachte had een jarenlange ervaring als vrijwillig hulpverlener en onderhield contacten met collegavrijwilligers. Verder was zij, voordat zij die bewuste keer naar Duinkerken afreisde, in Nederland al op de hoogte van de psychische nood waarin [betrokkene] kennelijk verkeerde en was zij in zoverre voorbereid op de schrijnende situatie waarin zij hem in Duinkerken zou kunnen gaan aantreffen. Verdachte wist ook dat zij zich schuldig zou maken aan mensensmokkel als zij [betrokkene] zou meenemen naar Nederland. Onder deze omstandigheden mocht van verdachte worden verwacht dat zij weerstand zou bieden aan de wens van [betrokkene] om hem mee te nemen naar Nederland en hem, bijvoorbeeld, zou hebben aangeboden hulp voor hem te zoeken in Frankrijk. Dat zij dat in redelijkheid niet heeft kunnen doen is niet aannemelijk geworden.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft daarbij in het bijzonder rekening houden met de omstandigheden die de verdediging aan het beroep op psychische overmacht ten grondslag heeft gelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ervoor gepleit de zaak af te doen zonder oplegging van straf of maatregel, als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting het reclasseringsrapport en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel door het in de auto meenemen van een persoon vanuit Frankrijk naar Nederland om hier te lande asiel aan te vragen. Door mensensmokkel wordt het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in en illegale toegang tot Nederland en andere landen van de Europese Unie doorkruist en wordt bijgedragen aan het in stand houden van een illegaal circuit.

Gelet hierop alsmede op de straffen die voor soortgelijke feiten door rechters plegen te worden opgelegd en het signaal dat daarvan uit het oogpunt van generale preventie dient uit te gaan, acht de rechtbank de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend.

De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om daar in haar voordeel van af te wijken. Verdachte die zich al vele jaren inzet voor de hulp aan vluchtelingen heeft puur op humanitaire gronden gehandeld. Sprake lijkt te zijn van een ondoordachte vriendendienst jegens gesmokkelde met wie zij al langere tijd een goede band onderhield en die zij meende te moeten helpen nadat op haar een moreel appel werd gedaan.

De rechtbank heeft ook gelet op de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank zal gelet op het vorenstaande de officier van justitie volgen in zijn strafeis en zal aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

Een afdoening als bepleit door de raadsvrouw doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van het feit en het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 197a van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma, voorzitter, mr. G. Eelsing en mr. R.B. Maring, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 december 2021.