Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:5223

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-07-2021
Datum publicatie
20-12-2021
Zaaknummer
8771850
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Dexia; waiver; vordering tot verklaring voor recht toegewezen; geen sprake van advisering door een onafhankelijke tussenpersoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak/rolnummer: 8771850 CV EXPL 20-6763

Vonnis van de kantonrechter van 6 juli 2021

inzake

de besloten vennootschap

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te (1082 LZ) Amsterdam, Parnassusweg 819,

eiseres, hierna Dexia te noemen,

gemachtigde USG Legal Professionals te Amsterdam (Parnassusweg 819, 1082 LZ).

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde, hierna [gedaagde] te noemen,

gemachtigde mr. G. van Dijk, werkzaam bij Leaseproces te Amsterdam (postbus 22990, 1100 DL).

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de conclusie van repliek met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek met producties.

1.2.

Dexia heeft zich, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet uitgelaten over de bij dupliek overgelegde producties.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald. De uitspraak daarvan is (nader) vastgesteld op heden.

2 De feiten

2.1.

Dexia is rechtsopvolgster van Dexia Bank Nederland N.V., Bank Labouchere N.V. en Legio Lease B.V. Waar in het navolgende wordt gesproken over Dexia, wordt hieronder mede verstaan haar rechtsvoorgangsters.

2.2.

[gedaagde] heeft op 18 februari 1999 een effectenleaseovereenkomst met Dexia gesloten (genaamd: Direct Rendement Effect), onder contractnummer [contractnummer], met een leasesom van € 25.515,00 en een looptijd van 180 maanden (verder te noemen: de overeenkomst).

2.3.

De overeenkomst is tussentijds geëindigd en daarbij is een restschuld ontstaan van € 3.711,44. Deze restschuld heeft [gedaagde] betaald.

2.4.

Vanaf omstreeks medio 2002 zijn de effectenleaseproducten van Dexia onderwerp geweest van meerdere juridische procedures. Onder meer door het aanbieden van het zogenaamde "Dexia Aanbod" en door de zogenaamde "Duisenberg regeling" heeft Dexia geprobeerd de geschillen met haar afnemers minnelijk te regelen.

2.5.

Op 25 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam de zogenoemde Duisenberg regeling verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). [gedaagde] heeft door middel van een zogenoemde

opt-out-verklaring aangegeven niet aan die regeling gebonden te willen zijn.

2.6.

Dexia heeft op 13 januari 2012 een bedrag van € 3.467,47 aan [gedaagde] betaald op grond van het zogenoemde hofmodel. Dit betreft een in de rechtspraak ontwikkeld model, bedoeld voor de beoordeling van zaken als de onderhavige.

2.7.

Bij brief van 19 augustus 2020 heeft Dexia onder meer aan [gedaagde] bericht:

"In vervolg op onze brief van 20 mei hebben we telefonisch contact met u opgenomen en besproken of we alsnog een afspraak met u mogen maken. Wij hebben aangegeven dat wij het liefst in een goed gesprek met u onderzoeken of we de oude nog openstaande effectenleasedossiers samen kunnen afronden.

(…)

U heeft in ons telefoongesprek aangegeven definitief geen afspraak te willen maken. Dit betekent dat wij het dossier nu uit handen zullen geven aan onze juridische partner, USG Legal, voor een afwikkeling via de rechter.".

3 De vordering en het verweer

3.1.

Dexia vordert, samengevat, voor recht te verklaren dat zij aan haar verplichtingen uit de overeenkomst heeft voldaan en derhalve niets meer verschuldigd is aan [gedaagde]. Aan haar vordering legt Dexia, samengevat, ten grondslag dat zij zich geconfronteerd ziet met de situatie dat [gedaagde] pretendeert een vordering op haar te hebben, maar die vordering niet (nader) motiveert of aan de rechter voorlegt. Dexia heeft er daarom recht en belang bij dat in rechte wordt vastgesteld dat [gedaagde] geen vordering (meer) op haar heeft. Dexia is van oordeel dat zij aan haar verplichtingen jegens [gedaagde] heeft voldaan. Ook gaat Dexia ervan uit dat [gedaagde] geen vordering op haar heeft, gebaseerd op een onaanvaardbare financiële last (bij het sluiten van de overeenkomst, zodat Dexia haar had moeten ontraden de overeenkomst aan te gaan). Dexia beroept zich slechts op de stellingen dat zij de overeenkomst met [gedaagde] heeft gesloten, aan haar daaruit voortvloeiende verbintenissen heeft voldaan en in januari 2012 tweederde deel van de voorheen door [gedaagde] betaalde restschuld heeft gerestitueerd, vermeerderd met wettelijke rente. Indien [gedaagde] zich bij wijze van verweer op andere stellingen beroept, draagt zij op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), alsmede het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590), hiervan onverkort de bewijslast.

3.2.

[gedaagde] voert, samengevat, het volgende verweer. Primair voert [gedaagde] aan dat de zaak moet worden aangehouden, omdat verschillende geschilpunten op het terrein van effectenleaseovereenkomsten die ook in deze procedure van belang zijn nog niet zijn uitgekristalliseerd. Hierover lopen procedures bij de Hoge Raad en de uitkomst hiervan zou, wat [gedaagde] betreft, moeten worden afgewacht. Subsidiair voert [gedaagde] tot zijn verweer aan dat er sprake is van ondeugdelijke producten, dat er sprake is van advisering door een tussenpersoon, dat Dexia aansprakelijk is voor het optreden van die tussenpersoon en dat Dexia geen cliënten had mogen accepteren van de tussenpersoon en ook geen effectenorder. Deze omstandigheden leiden volgens [gedaagde] tot de conclusie dat de standaardvergoeding die Dexia heeft betaald, geen toereikende schadevergoeding is. [gedaagde] meent tot slot recht te hebben op vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen zal bij de beoordeling, voor zover van belang voor de uitkomst van deze zaak, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

Geen aanhouding

4.1.

De kantonrechter ziet geen, althans onvoldoende, aanleiding om de zaak aan te houden, zoals primair bepleit door [gedaagde]. De omstandigheid dat de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot effectenleasezaken nog niet op alle punten is uitgekristalliseerd, acht de kantonrechter daarvoor, onder verwijzing naar het door Dexia aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, meer bijzonder de door Dexia bij repliek geciteerde overweging 4.1.3, onvoldoende. Voor zover [gedaagde] met zijn primaire verweer het oog heeft op misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW, verwijst de kantonrechter naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 februari 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:1377). Daarin is uitgemaakt dat een dergelijke omstandigheid op zichzelf geen misbruik in vorenbedoelde zin oplevert. [gedaagde] heeft in deze zaak geen bijkomende feiten of omstandigheden gesteld, die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

De gevorderde verklaring voor recht

4.2.

Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rusten de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de door Dexia gevorderde verklaring voor recht op haar. Op [gedaagde] rust vervolgens de verplichting om, teneinde te voorkomen dat de vordering bij gebrek aan verweer wordt toegewezen, de stellingen van Dexia gemotiveerd te betwisten. [gedaagde] kan er in dat verband, onder verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 maart 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:1865), mee volstaan duidelijk te maken op welk punt/welke punten hij nog een vordering stelt te hebben. Van [gedaagde] kan, onder verwijzing naar datzelfde arrest, niet worden geëist dat hij die vordering in reconventie daadwerkelijk instelt (op straffe van ontzegging van de mogelijkheid om op een later moment zelf een procedure aanhangig te maken). Dat volgt ook niet uit (overweging 4.1.3 van) het door Dexia aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019. [gedaagde] heeft diverse punten aangevoerd, op basis waarvan hij meent een vordering te hebben op Dexia. Hieronder zal op die punten separaat worden ingegaan.

Beleggingstechnische gebreken

4.3.

[gedaagde] stelt in de eerste plaats dat de overeenkomst wordt gekenmerkt door beleggingstechnische gebreken, in de zin van gebreken in de structurering van het product. Als gevolg hiervan was het beleggingsproduct uitzonderlijk risicovol volgens [gedaagde] en was het maken van rendement nagenoeg onmogelijk. Volgens [gedaagde] geldt sowieso een uitzondering als het gaat om een effectenleaseovereenkomst met een optieconstructie, onder verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Den Bosch van 5 juni 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:2423) en waren de door hem ingelegde bedragen bij voorbaat (vrijwel) kansloze investeringen. Ook heeft de Hoge Raad bepaald dat de door Dexia in de overeenkomsten ingebouwde boete oneerlijk is, waarover door verschillende gerechtshoven prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Europese Hof van Justitie. Ook dit is een aspect dat het beleggingsproduct gebrekkig maakt, volgens [gedaagde].

4.4.

De kantonrechter overweegt dat dit punt al in veel vergelijkbare procedures aan de orde is geweest, waaronder een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam. Die procedure heeft geleid tot het arrest van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135), waartegen geen cassatie is ingesteld. In die procedure is – verkort weergegeven – geoordeeld dat de risicovolle eigenschappen van effectenleaseproducten waar [gedaagde] het oog op heeft duidelijk kenbaar waren uit de overeenkomst en de bijzondere voorwaarden, zodat Dexia niet gehouden was haar wederpartij daarvoor indringend en in niet mis te verstane bewoordingen te waarschuwen, voor of bij het sluiten van de overeenkomst. De kantonrechter neemt deze overwegingen over en maakt deze tot de hare. Verkort weergegeven komt het er op neer dat uit de bewoordingen van de overeenkomst (productie 2 bij dagvaarding) en de bijzondere voorwaarden (productie 3 bij dagvaarding) voldoende duidelijk blijkt dat er met geleend geld in specifieke aandelen werd belegd, dat de overeenkomst een onafgebroken looptijd had van 180 maanden en dat over het geleende bedrag een aanzienlijk bedrag aan rente moest worden betaald. Dat rentepercentage was zodanig dat de beurskoersen aanmerkelijk moesten stijgen om eerst de inleg van [gedaagde] terug te verdienen en vervolgens winst te kunnen maken. Aan het verweer van [gedaagde] dat deze risicovolle eigenschappen voor hem niet kenbaar waren, gaat de kantonrechter derhalve voorbij. [gedaagde] had als gemiddeld geïnformeerde en oplettende consument op basis van de verstrekte informatie kunnen en moeten begrijpen dat hij een zeker risico liep met betrekking tot zijn inleg en eventueel rendement. De stukken (van professor Damm en professor Koelewijn) waar [gedaagde] uit heeft geciteerd en naar heeft verwezen, zijn niet door hem overgelegd en zal de kantonrechter derhalve niet bij de oordeelsvorming betrekken. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt aan de zijde van [gedaagde], valt niet in te zien dat een eventuele oneerlijke boete het beleggingsproduct als zodanig gebrekkig maakt. Gesteld noch gebleken is voorts dat er ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, anders dan in het door [gedaagde] aangehaalde arrest van het Gerechtshof Den Bosch, sprake was van een sterk dalend koersverloop van de aandelen waarin belegd zou worden. Dat er zich derhalve vrijwel direct na het sluiten van de overeenkomst al verliezen hebben voorgedaan, is niet aannemelijk geworden. Bovendien ging het in dat arrest om een betrekkelijk korte looptijd van 3 jaar, terwijl het in deze zaak gaat om een looptijd van 180 maanden. De in dit arrest aangenomen waarschuwingsplicht mist in dit geval derhalve toepassing.

Advisering tussenpersoon

4.5.

[gedaagde] stelt zich voorts op het standpunt dat hij nog een vordering op Dexia heeft. [gedaagde] voert daartoe aan dat (een medewerker van) Spaarkrediet Centrale hem zodanig heeft geadviseerd dat zij haar vrijstelling te buiten is gegaan en dat Dexia - nu zij dit wist of behoorde te weten - in strijd met artikel 41 NR 1999 heeft gehandeld door hem desondanks als cliënt te accepteren. De kantonrechter overweegt met betrekking tot dit punt als volgt.

4.6.

Wanneer een aanbieder van een effectenleaseovereenkomst zoals Dexia haar precontractuele zorgplicht niet is nagekomen door niet te waarschuwen voor het restschuldrisico en geen onderzoek te doen naar de inkomens- en vermogenspositie van de particuliere afnemer, heeft zij onrechtmatig gehandeld tegenover de afnemer die bedoelde overeenkomst is aangegaan. De aanbieder is om die reden tegenover de afnemer verplicht de schade die deze lijdt te vergoeden. Die schade is echter mede een gevolg van een omstandigheid die aan de afnemer kan worden toegerekend. Daarom geldt als uitgangspunt dat de vergoedingsplicht van de aanbieder moet worden verminderd door deze op de voet van artikel 6:101 BW over de afnemer en de aanbieder volgens bepaalde in de rechtspraak ontwikkelde maatstaven (het hiervoor genoemde hofmodel) te verdelen.

4.7.

Indien echter de (particuliere) afnemer als potentiële cliënt bij de aanbieder is aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995), tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en de aanbieder hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, dient te worden afgeweken van de in de rechtspraak ontwikkelde maatstaven voor de verdeling van de schade, in die zin dat de billijkheid dan in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten betreft. Wanneer vast staat dat de betrokken cliëntenremisier het leaseproduct van de aanbieder heeft geadviseerd, is de inhoud van het advies niet van belang en ook niet het eventuele eigen inzicht van de afnemer in het aan te schaffen product. De aanbieder had de afnemer (in beginsel) hoe dan ook moeten weigeren (ook bij een goed advies en/of eigen inzicht van de afnemer in het product). De beoordeling of een dergelijk advies is gegeven en of de aanbieder dit wist of behoorde te weten, geschiedt aan de hand van alle omstandigheden van het geval.

4.8.

De eerste vraag die moet worden beantwoord is of Spaarkrediet Centrale, die destijds niet over een vergunning ex artikel 7 lid 1 Wte 1995 beschikte, buiten haar vrijstelling als cliëntenremisier is getreden. Daarover wordt het volgende overwogen.

4.9.

Voldoende vast staat dat [gedaagde] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst (twee keer) telefonisch contact heeft gehad met een adviseur van Spaarkrediet Centrale. Het initiatief voor dit gesprek is uitgegaan van [gedaagde] en gesteld noch gebleken is dat deze adviseur zich anders presenteerde dan als medewerker van Spaarkrediet Centrale (en derhalve niet als een onafhankelijk(e) (tussen)persoon). Uit de stellingen van [gedaagde] volgt dat de adviseur van Spaarkrediet Centrale het desbetreffende product bij hem heeft aangeprezen, hetgeen ook niet wordt betwist door Dexia. Gelet hierop is de kantonrechter, in navolging van het Gerechtshof Amsterdam in het arrest van 25 juni 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:2131) van oordeel dat [gedaagde] moet hebben begrepen dat een commerciële organisatie als Spaarkrediet Centrale haar producten zal aanprijzen, maar dat dit iets anders is dan een deskundig advies van een onafhankelijke tussenpersoon over de vraag of de aanschaf van een leaseovereenkomst past bij zijn persoonlijke financiële situatie. De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 mei 2020 (ECLI:NL:EBMNE: 2020:4260) waarnaar [gedaagde] heeft verwezen leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak heeft gedaagde zich – anders dan in de onderhavige zaak – gewend tot Spaarkrediet Centrale omdat hij een lening wilde afsluiten. De vergelijking met die zaak gaat daarom naar het oordeel van de kantonrechter mank. Van de in het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:CA1725) beschreven uitzondering, advisering door een onafhankelijke tussenpersoon, is in het onderhavige geval derhalve geen sprake. De eventuele advisering door Dexia zelf als aanbieder moet worden geacht te zijn verdisconteerd in de schuldverdeling zoals die is ontwikkeld in de rechtspraak en is neergelegd in het hofmodel (zie ook het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019). Nu Dexia reeds heeft voldaan aan haar schadevergoedingsverplichtingen jegens [gedaagde] overeenkomstig het hofmodel heeft hij op dit punt geen vordering (meer) op Dexia.

Buitengerechtelijke kosten

4.10.

Het is vaste rechtspraak dat de door Leaseproces voor [gedaagde] verrichte werkzaamheden – advisering over de kansen en mogelijkheden van een schikking of procedure in verband met de Duisenberg-regeling, de arresten van het gerechtshof Amsterdam en van de Hoge Raad uit 2009 en de relevante rechtspraak nadien en het opstellen en versturen van de opt-out verklaring, een sommatiebrief en brieven ter stuiting van de verjaring – niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen (zie meergenoemd arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019). Datzelfde geldt ook voor de overige door [gedaagde] genoemde werkzaamheden, nu ook dat werkzaamheden zijn die moeten worden verricht ter voorbereiding van een procedure en die derhalve onder artikel 6:96 lid 2 BW (oud) en artikel 241 Rv vallen. Ook uit hoofde van buitengerechtelijke kosten heeft [gedaagde] derhalve geen vordering op Dexia.

Conclusie

4.11.

Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat de gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

Proceskosten

4.12.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van Dexia worden vastgesteld op:

- dagvaarding € 102,96

- griffierecht € 124,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (2 punten × € 200,00)

Totaal € 626,96.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomst van effectenlease met nummer [contractnummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Dexia tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 626,96;

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna, kantonrechter, en op 6 juli 2021 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: 692