Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:509

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-01-2021
Datum publicatie
17-02-2021
Zaaknummer
C/17/176909 / FT RK 21/40 en C/17/176914 / FT RK 21/41
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

WHOA zaak. Niet-ontvankelijk verklaring van een verzoek om een algemene afkoelingsperiode en opheffing van beslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2021-0064
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie: Leeuwarden

algemene afkoelingsperiode en opheffing beslagen

rekestnummers: C/17/176909 / FT RK 21/40 en C/17/176914 / FT RK 21/41

uitspraakdatum: 29 januari 2021

beschikking op het ingekomen verzoekschrift met bijlagen van

[A] en [B],

beiden wonende te [plaats],

beiden handelend onder de naam V.O.F. [handelsnaam],

zaakdoende te [plaats],

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer],

hierna te noemen: [A] en [B],

advocaat: mr. K.E. Wielenga, kantoorhoudende te Leeuwarden.

1 De procedure

1.1. [

A] en [B] hebben op 18 januari 2021 ter griffie van deze rechtbank een startverklaring als bedoeld in art. 370 lid 3 Fw gedeponeerd.

1.2.

In de openingsbeslissing d.d. 29 januari 2021 zijn de bevoegdheid van deze rechtbank en de keuze voor een besloten akkoordprocedure vastgesteld.

1.3.

Tegelijk met de deponering van de startverklaring hebben [A] en [B] een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot het afkondigen van een algemene afkoelingsperiode voor de duur van 4 maanden, en het opheffen van conservatoire beslagen die door [verhuurder] (hierna: [verhuurder]) zijn gelegd op de bankrekeningen en een tweetal woningen van [A] en [B].

1.4.

Het verzoek is op 25 januari 2021 in raadkamer behandeld. Daarbij zijn door middel van een videoverbinding gehoord:

- [ B], schuldenares;

- [ C], werkneemster, tevens dochter van [A] en [B];

- mr. K.E. Wielenga.

2 De beoordeling

2.1. [

A] en [B] zijn woonachtig in [plaats] en exploiteren aldaar [bedrijfsactiviteit]. Het bedrijfspand wordt gehuurd van [verhuurders], die tevens een lening hebben verstrekt aan [A] en [B]. [verhuurder] heeft een pandrecht op de inventaris. Door [verhuurder] is conservatoir beslag gelegd op de woningen en bankrekeningen van [A] en [B], en is tevens een bodemprocedure gestart waarin betaling van een bedrag van € 492.366,60 wordt gevorderd. Dit bedrag wordt door [A] en [B] niet betwist. [A] en [B] verwachten daarom op korte termijn toewijzing van de vordering van [verhuurder] in een verstekvonnis, waarna [verhuurder] kan uitwinnen ten koste van de andere schuldeisers. De algemene afkoelingsperiode en het opheffen van beslagen zijn volgens [A] en [B] nodig om deze uitwinning te voorkomen. [A] en [B] hebben hun verzoek mede gegrond op art. 379 Fw voor zover opheffing van beslagen niet onder de reikwijdte van de afkoelingsperiode valt.

2.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Zowel de gevraagde algemene afkoelingsperiode als de gevraagde opheffing van beslagen valt blijkens art. 376 lid 2 Fw onder de reikwijdte van een afkoelingsperiode. Op grond van art. 376 lid 1 Fw kan de schuldenaar om de afkondiging van een afkoelingsperiode verzoeken indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

  • -

    er is door de schuldenaar een akkoord aangeboden als bedoeld in art. 370 lid 1 Fw;

  • -

    er is door de schuldenaar toegezegd dat binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een dergelijk akkoord zal worden aangeboden;

  • -

    er is door de rechtbank overeenkomstig art. 371 Fw een herstructurerings-deskundige aangewezen.

2.3.

De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de behandeling van het verzoek geen herstructureringsdeskundige is aangewezen, nog geen akkoord is aangeboden en dat niet expliciet is toegezegd dat binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een dergelijk akkoord zal worden aangeboden. Dit betekent dat [A] en [B] niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun verzoek.

2.4.

Ten overvloede merkt de rechtbank met het oog op art. 376 lid 4 Fw nog op dat voor geen van de goederen waarvan opheffing van het beslag wordt gevorderd is gesteld of anderszins gebleken: (1) waarom de opheffing van dat beslag noodzakelijk is om de onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten, en (2) dat de beslaglegger door de opheffing van dat beslag niet wezenlijk in zijn belangen wordt geschaad.

3 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart [A] en [B] niet-ontvankelijk in hun verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Idzenga, voorzitter, mr. M.C. Bosch en

mr. M. Wouters, rechters, en in aanwezigheid van mr. M. van den Heuvel, griffier, in het openbaar uitgesproken door mr. H.J. Idzenga op 29 januari 2021.