Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:485

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-01-2021
Datum publicatie
16-02-2021
Zaaknummer
LEE 19/4211
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank constateert dat de bezwaarschriftenadviescommissie mede een doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het feit dat er op het platte dak van het pand van eiseres zonnepanelen zijn aangebracht zodat, volgens de commissie, de voorheen onbelaste kanaalplaten naderhand zijn blootgesteld aan extra belasting, ten gevolge waarvan de platen ten opzichte van elkaar zijn doorgebogen. De geraadpleegde deskundigen hebben in hun rapporten dit verband niet gelegd. Omdat de bezwaarschriftenadviescommissie niet specifiek deskundig is op dit gebied had verweerder naar het oordeel van de rechtbank zijn besluit niet op deze conclusie van de commissie kunnen baseren zonder nader onderzoek te laten doen door een deskundige naar de vraag of de belasting die het gevolg is van de plaatsing van de zonnepanelen inderdaad tot extra doorbuiging van de kanaalplaten zou kunnen leiden. Daarom beroep gegrond.

In stand laten van rechtsgevolgen want met deskundigenrapporten in een voldoende hoge mate van zekerheid vast komen te staan, dat de in geding zijnde schade andere uitsluitende oorzaken heeft dan bodembeweging door gaswinning, zodat het bewijsvermoeden ex artikel 6:177a, eerste lid, van het BW overeenkomstig de door verweerder gehanteerde maatstaf is weerlegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8444
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/4211

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 januari 2021 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres,

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, als rechtsopvolger van de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Winterink)

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om vergoeding van schade aan haar woning, afgewezen.

Bij besluit van 30 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Eiseres heeft op 6 december 2019 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2020. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Winterink en S.C. Goldbohm.

Van de kant van verweerder is als deskundige L. Nabben verschenen.

Op 1 juli 2020 is de Tijdelijke wet Groningen in werking getreden. Op grond van artikel 2, eerste lid, van deze wet is er een Instituut Mijnbouwschade Groningen (hierna: het Instituut). Op grond van artikel 21, eerste lid, van deze wet worden de besluiten die zijn genomen door de deelcommissie mijnbouwschade en de deelcommissie bezwaar aangemerkt als besluiten van het Instituut. Op grond van het vierde lid van artikel 21 neemt het Instituut de zaken over in de staat waarin ze zich bevinden. De rechtbank duidt in deze uitspraak daarom zowel de minister als het Instituut als verweerder aan.

Feiten en omstandigheden.

1. Eiseres is woonachtig aan de [adres] te [plaats]. Haar woning aldaar is in 2013 gebouwd en eiseres is sinds 2015 eigenaar van deze woning. Op een later moment heeft eiseres zonnepanelen op het dak laten installeren.

2. Op 14 januari 2018 heeft eiseres bij het Centrum Veilig Wonen melding gedaan van schade aan haar woning, die naar haar overtuiging het gevolg is van trillingen van de bodem door de aardbeving bij Zeerijp op 8 januari 2018. Deze aardbeving had een kracht van 3.4 op de schaal van Richter.

3.1.

Op 31 januari 2018 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat het Protocol mijnbouwschade Groningen vastgesteld en besloten tot instelling van de Tijdelijke commissie mijnbouwschade Groningen (TCMG).

3.2.

In het Besluit mijnbouwschade Groningen (hierna: het Besluit) heeft de minister de TCMG aangewezen als instantie die verantwoordelijk is voor het afhandelen van mijnbouwschade. Schade is daarbij gedefinieerd als fysieke schade aan gebouwen en werken die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg, en materiële schade die het gevolg is van deze fysieke schade.

3.3.

In het Besluit is bepaald dat schademeldingen die in de periode van 31 maart 2017, 12:00 uur tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn voorgelegd aan het Centrum Veilig Wonen (CVW) en bij het CVW in behandeling zijn, worden geacht aanvragen tot vergoeding van schade als bedoeld in het Besluit te zijn. Eveneens is bepaald dat de TCMG de behandeling van deze zaken overneemt.

4.1.

Op 26 juli 2018 is eiseres in haar woning bezocht door een schade-expert, in dit geval

A. Warnaar (hierna: Warnaar). Tijdens dit bezoek heeft Warnaar de gemelde schade, te weten scheurvorming in het plafond van de eerste verdieping, opgenomen en beoordeeld.

4.2.

Warnaar heeft zijn bevindingen opgenomen in een rapportage van 26 juli 2018. Volgens Warnaar is de schade niet ontstaan door mijnbouw. Warnaar geeft aan dat de scheurvorming een bestaande krimpnaad is tussen twee kanaalplaten in het plafond van de overloop en de naast gelegen badkamer.

4.3.

Het rapport van Warnaar is op 20 augustus 2018 aan eiseres toegezonden. Eiseres heeft bij mail van 11 september 2018 aangegeven dat zij het niet eens is met de stelling van Warnaar dat de schade geen mijnbouwschade zou zijn. Eiseres herhaalt haar stelling dat de scheur is ontstaan door de aardbeving bij Zeerijp van 8 januari 2018.

4.4.

Op 2 februari 2019 heeft verweerder de schade opnieuw laten beoordelen. De deskundige P. Venema (hierna: Venema) stelt in een ongedateerd addendum dat het aangetroffen gebrek niet kan zijn ontstaan als gevolg van de aardbeving op 8 januari 2018. De scheur is volgens hem ontstaan door krimp in het spackwerk ter plaatse van de stuiknaad van de twee aangesloten betonelementen en is het gevolg van verschil in werking van materialen en/of bouwdelen onder invloed van wisselingen in temperatuur en in mindere mate van luchtvochtigheid. Indien de beide betonelementen/vloerelementen zouden zijn gaan wijken of anderszins in beweging zouden zijn gekomen door een aardbeving, dan hadden hiervan ook de gevolgen zichtbaar moeten zijn geweest op de plaatsen waar deze elementen zijn opgelegd op muren en wanden en niet alleen in het stucwerk. Daarvan is echter geen sprake. Daarnaast had die wijking een na-effect moeten hebben gehad op de naastgelegen betonelementen, maar nergens anders in het plafond is een gebrek waargenomen. Ook ter plaatse van de separatie naar de badkamer is geen gebrek ontstaan, aldus Venema.

4.5.

Bij mail van 16 maart 2019 heeft eiseres aangegeven dat zij ontevreden is over het proces. De door verweerder geraadpleegde deskundigen en zaakwaarnemer beschikten niet over alle gegevens en eiseres zelf heeft zich onvoldoende op het bezoek van de deskundigen kunnen voorbereiden. Bovendien is post voor eiseres gezonden naar een adres waar zij, voor de melding aan het CVW, heeft gewoond. Dit adres was bekend bij de NAM, zodat verweerder de gegevens van de NAM moet hebben gekregen. Eiseres is van mening dat verweerder het bewijsvermoeden niet heeft ontkracht.

4.6.

Bij besluit van 15 april 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om vergoeding van schade afgewezen.

4.7.

Eiseres heeft bij brief van 26 mei 2019 daartegen bezwaar gemaakt, de brief is voorzien van een frankeerstempel dat gedateerd is op 28 mei 2019. Hiertoe uitgenodigd door verweerder heeft eiseres aangegeven dat zij te laat is met het indienen van het bezwaarschrift omdat zij als mantelzorger een aantal dagen in het ziekenhuis heeft verbleven voor de verzorging van haar broer.

4.8.

Verweerder heeft bij brief van 2 juli 2019 aan eiseres bericht het bezwaarschrift in behandeling te nemen.

4.9.

Op 15 oktober 2019 heeft de bezwaaradviescommissie een hoorzitting gehouden. Op verzoek van de bezwaaradviescommissie heeft een deskundige van het NIVRE, de heer L. Nabben (hierna: Nabben) zijn oordeel gegeven over de schade. Nabben heeft toegelicht waarom er ook naar zijn oordeel geen sprake is van schade die door mijnbouw is ontstaan of verergerd. Nabben heeft daarbij onder meer aandacht besteed aan de gemeten trillingen ten gevolge van de aardbeving bij Zeerijp op 8 januari 2018 op de locatie van de woning van eiseres. Die trillingen zijn naar zijn mening zo gering dat deze niet kunnen hebben geleid tot de schade zoals die zich heeft voorgedaan in de woning van eiseres. Nabben geeft aan dat anders de gehele verdiepingsvloer in beweging zou zijn gebracht en wijst er in dit verband op dat verder geen schade bij de opleggingen van de verdiepingsvloeren op de wanden is aangetroffen. Nabben heeft op de hoorzitting aangegeven dat hij zich achter de uitleg van Warnaar en Venema schaart.

4.10.

Bij brief van 28 oktober 2019 heeft de bezwaaradviescommissie aan de deelcommissie bezwaar geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren. De adviescommissie heeft hierbij overwogen dat door Nabben, de vertegenwoordiger van het adviesbureau NIVRE die aanwezig was tijdens de hoorzitting, is verklaard dat uit metingen van TNO blijkt dat op 8 januari 2018 geen trillingen zijn waargenomen die de schade verklaren. Deze vaststelling berust op de gegevens van een meetpunt op ongeveer 500 meter afstand van de woning van eiseres. Bovendien heeft eiseres op de hoorzitting verklaard dat het dak boven de schade belast is met zonnepanelen. Dit zorgt ervoor dat de voorheen onbelaste kanaalplaten naderhand zijn blootgesteld aan extra belasting, ten gevolge waarvan de platen ten opzichte van elkaar zijn doorgebogen. Dit tezamen met de adviezen van de door verweerder geraadpleegde deskundigen maakt volgens de bezwaaradviescommissie dat het wettelijk bewijsvermoeden wordt ontzenuwd.

4.11.

Bij het bestreden besluit heeft de deelcommissie bezwaar het bezwaar van eiseres, onder overneming van het advies van de bezwaaradviescommissie, ongegrond verklaard.

Het karakter van het primaire besluit

5. Met betrekking tot het karakter van het primaire besluit verwijst de rechtbank naar overwegingen 3. tot en met 3.6. van haar uitspraken van 18 mei 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:1935) en van 25 september 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:3324). Met inachtneming van die overwegingen stelt de rechtbank vast dat verweerders beslissing van 28 maart 2019 dient te worden aangemerkt als een besluit, waartegen eiser ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) bezwaar kon maken.

Inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit: de ontvankelijkheid van het bezwaar

6.1.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt op grond van artikel 6:7 van de Awb zes weken. De termijn vangt op grond van artikel 6:8, eerste lid van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. In artikel 6:9, eerste lid van de Awb is vervolgens bepaald dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor afloop van de termijn is ontvangen.

6.2.

Niet in geschil is dat verweerder het primaire besluit aan eiseres heeft toegezonden en daarmee bekend gemaakt op 15 april 2019. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift liep tot en met 27 mei 2019. Het bezwaarschrift van eiseres is echter gedateerd 26 mei 2019 en de frankeerstempel op de envelop is van 28 mei 2019. Het bezwaarschrift is op 29 mei 2019 door verweerder ontvangen. Gelet op de datum van de frankeerstempel gaat verweerder er naar het oordeel van de rechtbank terecht vanuit dat het bezwaarschrift op 28 mei 2019 is verzonden. Dit betekent dat het bezwaarschrift te laat is ingediend.

6.3.

In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaarschrift dat te laat is ingediend, achterwege moet blijven wanneer redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest. Eiseres heeft aangegeven dat zij als mantelzorger een aantal dagen in het ziekenhuis heeft verbleven voor de verzorging van haar broer. Haar broer is op de avond van de 23e mei met spoed opgenomen in het ziekenhuis vanwege een vergiftiging door een bijtende stof. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de termijnoverschrijding hierdoor verschoonbaar moet worden geacht.

Inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit: de totstandkoming

7.1.

Eiseres heeft zich beklaagd over de gang van zaken tijdens de hoorzitting. De vriendin die eiseres had meegebracht naar de zitting kreeg niet de mogelijkheid om het woord te voeren. Eiseres voelt zich daardoor beperkt in de mogelijkheden die zij had om haar stellingen naar voren te brengen.

7.2.

Naar de mening van verweerder heeft eiseres ruimschoots de gelegenheid gehad om haar bezwaarschrift toe te lichten en haar punten aan te dragen, al dan niet na overleg met haar vriendin. Volgens verweerder is al hetgeen eiseres aan de orde wilde stellen ter sprake geweest.

7.3.

Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de vriendin van eiseres aan het einde van de hoorzitting heeft verzocht om het woord te voeren en dat haar dit door de voorzitter is geweigerd. Los van de vraag of dit een gewenste gang van zaken is, is de rechtbank, ook uit het verdere verloop van de onderhavige procedure, niet gebleken dat daardoor belangrijke gronden van eiseres niet aan de orde zijn gekomen. De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat deze -wellicht voor eiseres teleurstellende- gang van zaken tot een onzorgvuldig of onjuist besluit heeft geleid.

Inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit: het bewijsvermoeden

8.1.

Eiseres is van mening dat de schade het gevolg is van de aardbeving bij Zeerijp op 8 januari 2018 en daarmee van de gaswinning in het Groningenveld. Verweerder is er dan ook niet in geslaagd het bewijsvermoeden te ontzenuwen. Volgens eiseres is schade in de aansluitingen en wanden niet zichtbaar omdat de hele woning is behangen met glasvezelbehang. Dit wil niet zeggen dat die schade er niet is. Bovendien is tijdens de hoorzitting door deskundige Nabben, die naar zeggen van eiseres haar woning niet heeft bezocht, verklaard dat de scheur zou zijn ontstaan door belasting. Eiseres voert aan dat het gedeelte van het dak waar de scheur zich bevindt niet wordt belast omdat dit het platte gedeelte van het dak is waar geen zolder is en waar slechts de zonnepanelen zijn geplaatst. De schade kan volgens haar niet veroorzaakt zijn door plaatsing van zonnepanelen. De meting van TNO zegt voorts niets over een trilling in de woning van eisers, de waarneming is gedaan op 500 meter afstand van de woning, aldus eiseres.

8.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij op grond van de adviezen van onafhankelijk deskundigen terecht tot de conclusie is gekomen dat het bewijsvermoeden is weerlegd. Verweerder verwijst naar hetgeen de deskundigen hierover hebben opgemerkt. Voorts heeft verweerder bij het verweerschrift een memo gevoegd van deskundige J. Nagtegaal (hierna: Nagtegaal) van 8 juni 2020 waarin deze het standpunt van de overige deskundigen onderschrijft.

8.3.

De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het wettelijk bewijsvermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het BW van toepassing is omdat de schade naar haar aard redelijkerwijs veroorzaakt zou kunnen zijn door bodembeweging als gevolg van gaswinning in het Groningenveld. De thans te beantwoorden rechtsvraag is of verweerder het bewijsvermoeden heeft weerlegd. Met betrekking tot deze vraag overweegt de rechtbank als volgt.

8.4.

Bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld zou kunnen zijn, wordt op grond van artikel 6:177a, eerste lid, van het BW vermoed, dat die schade veroorzaakt is door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk. Zoals door de rechtbank in haar hierboven genoemde uitspraken van 18 mei 2020 en van 25 september 2020 is overwogen acht de rechtbank het bewijsvermoeden toereikend weerlegd indien -overeenkomstig de vaste gedragslijn van verweerder - met een voldoende grote mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door gaswinning is aangewezen.

8.5.

De rechtbank constateert dat verweerder zich in het bestreden besluit baseert op het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie. De commissie baseert zich op het rapport van Warnaar, en het addendum daarop, het rapport van Venema en de verklaring van Nabben op de hoorzitting. Doorslaggevend acht de adviescommissie daarbij ten eerste dat in de buurt van het pand op 8 januari 2018 geen trillingen zijn waargenomen die de schade verklaren. Ten tweede acht de adviescommissie doorslaggevend dat eiseres op de hoorzitting heeft verklaard dat het dak boven de schade belast is met zonnepanelen. Dit zorgt ervoor dat de voorheen onbelaste kanaalplaten naderhand zijn blootgesteld aan extra belasting, ten gevolge waarvan de platen ten opzichte van elkaar zijn doorgebogen. Dit tezamen met de adviezen van de door verweerder geraadpleegde deskundigen maakt volgens de bezwaaradviescommissie dat het wettelijk bewijsvermoeden wordt ontzenuwd.

8.6.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 18 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4250), mag een bestuursorgaan, indien in een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze verslag is gedaan van het door de deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk/

concludent zijn, bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

8.7.

De rechtbank constateert dat de bezwaarschriftenadviescommissie mede een doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het feit dat er op het platte dak van het pand van eiseres zonnepanelen zijn aangebracht zodat, volgens de commissie, de voorheen onbelaste kanaalplaten naderhand zijn blootgesteld aan extra belasting, ten gevolge waarvan de platen ten opzichte van elkaar zijn doorgebogen. Noch Warnaar noch Venema hebben in hun rapporten dit verband gelegd. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat Nabben weliswaar nader ingaat op de doorbuiging van de kanaalplaten als oorzaak van het ontstaan van de krimpnaad maar uit de stukken blijkt niet dat hij daarbij het verband legt met de plaatsing van de zonnepanelen. Eiseres heeft in haar beroep gesteld dat het gedeelte van het dak waaronder zich het plafond met de schade bevindt juist niet wordt belast door bewoning omdat zich daar niet de zolder bevindt maar slechts een plat dak waarop slechts de zonnepanelen zijn gesitueerd. Dit is door verweerder niet weersproken.

Omdat de bezwaarschriftenadviescommissie niet specifiek deskundig is op dit gebied had verweerder naar het oordeel van de rechtbank zijn besluit niet op deze conclusie van de commissie kunnen baseren zonder nader onderzoek te laten doen door een deskundige naar de vraag of de belasting die het gevolg is van de plaatsing van de zonnepanelen inderdaad tot extra doorbuiging van de kanaalplaten zou kunnen leiden. Deze grond van eiseres slaagt. Het beroep is in zoverre gegrond.

Inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit: het gelijkheidsbeginsel

9.1.

Eiseres heeft aangevoerd dat dezelfde schade bij haar buren wel is vergoed. Zij doet om die reden een beroep op het gelijkheidsbeginsel en meent dat haar schade ook dient te worden vergoed. Dit derhalve los van de hier voren door de rechtbank beantwoorde vraag of het bewijsvermoeden door verweerder is weerlegd.

9.2.

Verweerder erkent dat ten aanzien van de woning aan de [adres] te [plaats] een vergoeding is toegekend voor schade aan het plafond op de eerste verdieping. Verweerder stelt zich op het standpunt, onder verwijzing naar een toelichting van Nagtegaal van 8 juni 2020 dat deze schade ten onrechte is toegekend. Van schade ten gevolge van bodembeweging door gaswinning was geen sprake, aldus verweerder. Verweerder stelt dat een gemaakte fout niet hoeft te worden herhaald ten faveure van eiseres.

9.3.

De rechtbank kan onder verwijzing naar de in deze uitspraak eerder gegeven overwegingen de stelling van verweerder volgen dat, indien het een identieke scheur betreft, een fout is gemaakt bij de beoordeling van die schade. In dit verband komt dan betekenis toe aan vaste jurisprudentie van de AbRS, namelijk dat het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat gemaakte fouten moeten worden herhaald. Dit blijkt bijvoorbeeld uit uitspraken van de AbRS van 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:293 en 15 november 2017 ECLI:NL:RVS:2017:3122. Deze beroepsgrond van eiseres kan dan ook niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden.

Inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit: bijkomende kosten

10. Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van bijkomende kosten verwijst de rechtbank naar artikel 7, vierde lid, van het Protocol mijnbouwschade Groningen. Hierin is bepaald dat de Commissie, indien aan de orde, een vergoeding zal toekennen van de door de schade veroorzaakte bijkomende kosten op basis van door de Commissie vast te stellen richtlijnen. Hieruit blijkt naar het oordeel de rechtbank dat bijkomende kosten enkel vergoed worden indien deze het gevolg zijn van mijnbouwschade. Aangezien daarvan bij eiseres

-zoals hierna onder 12.1 tot en met 12.3 wordt overwogen- geen sprake is, is terecht geen vergoeding toegekend.

11. Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond.

12.1.

Hoewel het bestreden besluit zal worden vernietigd is de rechtbank van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. De rechtbank overweegt daartoe dat de door verweerder geraadpleegde deskundigen Warnaar en Venema hebben aangegeven en onderbouwd dat er ter plaatse van de schade sprake is van een krimpnaad ten gevolge van het verschil in werking van materialen en/of bouwdelen onder invloed van wisselingen in temperatuur en luchtvochtigheid. In de bezwaarfase heeft deskundige Nabben daaraan toegevoegd dat deze werking -mede- is ontstaan door de doorbuiging van de kanaalplaten. Verder is toegelicht dat deze krimpnaad niet kan zijn ontstaan door de aardbeving bij Zeerijp op 8 januari 2018 aangezien de trilling van de bodem ter plaatse van de woning van eiseres niet zo sterk was dat dit de kanaalplaten in beweging kan hebben gebracht en dat, wanneer dit wel het geval zou zijn geweest, dit ook zichtbaar had moeten zijn in de vorm van andere schade in de overgang van de kanaalplaten met de muren. Door Nabben is ter zitting een en ander nog uitgebreid toegelicht.

12.2.

Door eiseres zijn naar het oordeel van de rechtbank geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die twijfel aan de juistheid of volledigheid van de rapporten van voornoemde deskundigen rechtvaardigen. Eiseres heeft in feite slechts gesteld dat zij er persoonlijk zeker van is dat de scheur is ontstaan ten gevolge van de aardbeving bij Zeerijp op 8 januari 2018. Eiseres heeft naar haar zeggen de schade na die aardbeving geconstateerd en is er van overtuigd dat die schade er voor die beving nog niet was. Deze verklaring van eiseres, die verder niet met objectieve en deskundige gegevens is gestaafd, is ontoereikend voor de rechtbank om aan de juistheid van de deskundigenrapporten te twijfelen.

12.3.

Met de rapporten van Warnaar en Venema en hetgeen door Nabben tijdens de hoorzitting en ter zitting van de rechtbank is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank in een voldoende hoge mate van zekerheid vast komen te staan, dat de in geding zijnde schade andere uitsluitende oorzaken heeft dan bodembeweging door gaswinning, zodat het bewijsvermoeden ex artikel 6:177a, eerste lid, van het BW overeenkomstig de door verweerder gehanteerde maatstaf is weerlegd. De rechtbank zal daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten.

13.1

Niet gebleken is van kosten die op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

13.2.

Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard dient verweerder het griffierecht aan eiseres te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,-- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, voorzitter, en mrs. T.F. Bruinenberg en S.M. Schothorst, leden, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra, griffier. De beslissing is genomen op 29 januari 2021 en de eerstvolgende maandag daarna in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.