Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:4802

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-11-2021
Datum publicatie
17-11-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2857
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2018 leidt tot een individuele en buitensporige last. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit het geval is. Eiser en zijn partner beschikken over een vermogen van € 1,3 miljoen en betalen samen effectief € 10.451 belasting in box 3. De werkelijke gerealiseerde inkomsten in box 3 bedragen € 26.427. Eiser en zijn partner hebben geen inkomsten in box 1 en 2. Het besteedbaar netto inkomen van eiser en zijn partner komt, na aftrek van de box 3 belasting, onder de bijstandsnorm. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever niet bedoeld kan hebben dat de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de box 3-heffing te voldoen. De rechtbank bepaalt het box 3 inkomen en de verdeling daarvan tussen eiser en zijn partner en wijzigt de aanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-11-2021
V-N Vandaag 2021/2745
FutD 2021-3557 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/2857

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 november 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [partner] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2018 met dagtekening 2 april 2020 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.933.

Bij uitspraak op bezwaar van 24 augustus 2020 heeft verweerder overwogen dat het bezwaar dat ziet op de in het kader van de massaal bezwaarprocedure aangewezen rechtsvraag over de houdbaarheid van de box 3-heffing over 2018 wordt aangehouden. Verder heeft verweerder de overige bezwaren van eiser afgewezen.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [medewerker Belastingdienst] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Op 9 maart 2019 heeft eiser aangifte IB/PVV gedaan voor het jaar 2018. Eiser heeft in zijn aangifte een bedrag aangegeven van € 426.418 aan bank- en spaartegoeden van eiser en zijn partner gezamenlijk. Daarnaast heeft eiser in zijn aangifte aangegeven samen met zijn partner te beschikken over beleggingen met een waarde van € 879.117. De totale waarde van de bezittingen van eiser en zijn partner zijn in 2018 volgens de aangifte € 1.305.535.

1.2.

Eiser drijft in 2018 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Uit deze onderneming heeft eiser in 2018 een belastbare winst genoten van € 2.199. Dat is tevens het belastbaar inkomen box 1 vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. Eisers partner heeft in 2018 geen belastbaar inkomen box 1.

1.3.

Eiser heeft in 2018 een persoonsgebonden aftrek van € 2.558, bestaande uit aftrekbare specifieke zorgkosten (€ 2.210) en aftrekbare giften (€ 348). De persoonsgebonden aftrek overtreft het belastbare inkomen box 1 met € 359.

1.4.

Eiser heeft gedurende heel 2018 een (fiscaal) partner ( [partner] ) en woont het gehele jaar 2018 samen met zijn partner in een eigen woning. De WOZ-waarde van deze woning is voor het jaar 2018 € 306.000. De woning is vrij van hypotheek.

1.5.

Eiser heeft in 2018 recht op een bedrag van € 2.311 aan heffingskortingen, te weten algemene heffingskorting (€ 2.265) en arbeidskorting (€ 46). Eisers partner heeft in 2018 recht op de algemene heffingskorting van € 2.265.

1.6.

Eiser en zijn partner hebben in 2018 geen inkomen in box 2 en hebben geen toeslagen ontvangen over 2018.

1.7.

De IB/PVV 2018 vóór aftrek van buitenlandse bronbelasting en Nederlandse dividendbelasting is voor eiser vastgesteld op € 5.079 (= 30 % x het belastbaar inkomen box 3). De aftrek van buitenlandse bronbelasting is vastgesteld op € 743 en de verrekening van Nederlandse dividendbelasting op € 1.979.

1.8.

Bij het opleggen van de aanslag is de aanslaggrens van artikel 9.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) toegepast. Het saldo te betalen IB/PVV was € 46, de aanslag bedroeg nihil.

1.9.

In de bezwaarfase zijn de volgende bedragen bij beschikking met dagtekening 29 juli 2020 vastgesteld:

Eiser

Partner

Aandeel in grondslag sparen en beleggen

437.555

807.980

Voordeel uit sparen en beleggen

17.290

33.314

Box 3-belasting (vóór verr. bronbel./voorheff./heff.korting)

5.079

9.994

Geschil

2. In geschil is of zich ten aanzien van eiser als gevolg van de vermogensrendementsheffing over 2018 een individuele en buitensporige last voordoet in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP EVRM).

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een individuele en buitensporige last. Ter onderbouwing daarvan voert eiser aan dat, hoewel hij en zijn partner in 2018 per saldo een verlies hebben geleden op hun beleggingen van € 53.772, zij desondanks samen effectief € 10.451 inkomstenbelasting in box 3 betalen. Eiser is van mening dat verliezen op het geheel van het box 3-vermogen op zichzelf al een exceptionele last vormen en verwijst daarvoor naar een conclusie1 van Advocaat-Generaal Niessen (A-G Niessen). Eiser voert verder aan dat het vermogen van hem en zijn partner mede bedoeld is als pensioen-, arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsvoorziening. Zij hebben verder geen andere inkomstenbron. Daarom laat de last zich volgens eiser in hun geval sterker voelen dan in het algemeen.

4. Verweerder heeft bestreden dat er sprake is van een individuele en buitensporige last in het geval van eiser. Volgens verweerder heeft eiser geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit valt af te leiden dat er sprake is van een buitensporige last. Daarvoor moet volgens verweerder eerst gekeken worden naar de positie van de belanghebbende binnen een vergelijkbare groep belastingplichtigen en vervolgens moet gekeken worden naar de totale inkomens- en vermogenspositie. Verweerder stelt dat als er voldoende inkomen is of na het interen nog voldoende vermogen is, er geen sprake is van een individuele en buitensporige last. Dat is alleen zo als eiser zwaarder zou worden getroffen dan mensen met wat de omvang en samenstelling betreft vergelijkbaar vermogen. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat eiser een bedrag van € 23.162 aan inkomen heeft genoten in de vorm van een privéonttrekking uit de onderneming. De inkomstenbelasting kan daarnaast volgens verweerder volledig worden voldaan uit het behaalde gerealiseerde rendement uit het vermogen van € 26.427 (rente plus dividenden). Verweerder acht het inherent aan het feit dat men leeft vanuit het vermogen dat men daarop dan ook inteert.

5. Partijen zijn het erover eens dat er aan werkelijk rendement uit de aangehouden saldi en beleggingen is ontvangen: € 3.250 aan rente en € 23.177 aan dividenden. Totaal € 26.427.

6. Verweerder heeft op de zitting toegezegd dat ten aanzien van de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last en de gevolgen daarvan, het oordeel van de rechtbank in deze procedure van overeenkomstige toepassing zal zijn voor de partner van eiser. Partijen zijn het er verder over eens dat de beoordeling van de individuele en buitensporige last op het niveau van beide partners gezamenlijk moet plaatsvinden.

7. De rechtbank stelt vast dat naast de aanslag inkomstenbelasting 2018 (dagtekening 2 april 2020) ook de beschikking verzamelinkomen 2018 voorligt. Wat betreft de laatstgenoemde beschikking geldt dat deze is gewijzigd met dagtekening 29 juli 2020. Het verzamelinkomen is uiteindelijk vastgesteld op € 16.931.

8. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder het bezwaar van eiser heeft gesplitst. Voor zover het bezwaar van eiser de vraag betreft of de box 3-heffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP EVRM of artikel 14 EVRM loopt het bezwaar mee in de massaal bezwaarprocedure. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 20212 is de splitsing terecht. In deze procedure is dus alleen in geschil of er sprake is van een individuele en buitensporige last.

Beoordeling

9.1.

Bij de beoordeling of sprake is van een individuele en buitensporige last stelt de rechtbank het volgende voorop. Belastingheffing is te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 EP EVRM. Artikel 1 EP EVRM brengt mee dat een inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom slechts is toegestaan indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist het bestaan van een redelijke verhouding (‘fair balance’) tussen het algemene belang en de bescherming van individuele rechten. Van een redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe.3 Een keuze van de wetgever binnen die beoordelingsvrijheid kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen.4

9.2.

Bij de beoordeling of de belastingplichtige door de box 3-heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, moet de rechter die heffing bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene.5 Naar het oordeel van de rechtbank gaat het dan om de financiële situatie van de belastingplichtige en zijn (fiscaal) partner gezamenlijk.6 Verder is het inkomen uit werk en woning en uit aanmerkelijk belang hierbij een belangrijk aanknopingspunt.7 De rechter moet bij zijn onderzoek of de heffing een individuele en buitensporige last vormt, alle relevante feiten en omstandigheden in zijn oordeel betrekken. In zijn arrest van 2 juli 2021 heeft de Hoge Raad8 het volgende geoordeeld:

Bij de beoordeling of de belastingplichtige door de box 3-heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, moet de rechter die heffing bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene. De rechter moet bij zijn onderzoek of de heffing een individuele en buitensporige last vormt, alle relevante feiten en omstandigheden in zijn oordeel betrekken. In een geval als dit, waarbij de vraag voorligt of de heffing van IB/PVV leidt tot een individuele en buitensporige last indien de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen hoger is dan het werkelijke rendement, moet ook in aanmerking worden genomen of en in hoeverre een belastingplichtige een zodanig laag inkomen heeft dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen. In het algemeen kan immers worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. Daarom kan de omstandigheid dat de belastingplichtige door de heffing inteert zoals hier bedoeld, een aanwijzing zijn dat hij door die heffing wordt geconfronteerd met een buitensporige last.

9.3.

Uit de geciteerde overweging leidt de rechtbank af dat de Hoge Raad heeft willen zeggen dat de enkele omstandigheid dat het werkelijke rendement lager is dan de box 3-belasting nog niet een buitensporige last oplevert. Als het werkelijke rendement lager is, moet worden bekeken of de belastingplichtige – gelet op zijn inkomen – moet interen op zijn vermogen om de box 3-belasting te kunnen betalen. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de rechtbank alle relevante feiten en omstandigheden in zijn oordeel moet betrekken. Hieronder somt de rechtbank de relevante feiten en omstandigheden van dit geval op en als partijen daarover van mening verschillen, hakt de rechtbank daarover de knoop door.

Algemene opmerking

9.3.1.

De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om de heffing van een inkomstenbelasting waarbij de wetgever het draagkrachtbeginsel nadrukkelijk als uitgangspunt heeft genomen. De rechtbank zal daarom zoveel mogelijk aansluiten bij begrippen en definities zoals die binnen het kader van de Wet IB 2001 gelden.9

Huishouden als geheel

9.3.2.

Partijen zijn het erover eens dat bij de beoordeling de positie van eiser en zijn fiscale partner als geheel moet worden beschouwd. Dat vindt de rechtbank ook, al was het maar omdat de rendementsgrondslag volgens artikel 2.17 Wet IB 2001 vrijelijk mag worden verdeeld (de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen). Ook afgezien hiervan is de rechtbank van oordeel dat de financiële positie van het hele huishouden meetelt, aangezien de gehele financiële positie relevant is en het geen betoog behoeft dat mensen die een gezamenlijke huishouding voeren, ook hun financiële positie op de een of andere manier delen.

Privéonttrekking is geen inkomen

9.3.3.

Verweerder stelt dat voor de beoordeling een privéonttrekking uit de onderneming gezien moet worden als inkomen waaruit de box 3-belasting kan worden betaald. Dat ziet de rechtbank anders, want een onttrekking aan de onderneming vergroot als zodanig niet de draagkracht. Zo’n onttrekking is ook niet belast. De rechtbank wijst erop dat de winsten waaruit onttrekkingen plaatsvinden eerder (namelijk: op het moment van realisatie) wel als inkomen hebben te gelden en worden belast. Andersom geldt hetzelfde: ook een privéstorting in de onderneming verlaagt het inkomen van de belastingplichtige niet. De rechtbank volgt dus het standpunt van verweerder niet.

Koersverliezen

9.3.4.

Eiser heeft gesteld € 80.199 aan koersverliezen te hebben geleden. Het werkelijke rendement bestaat volgens eiser niet alleen uit de lopende kasstroominkomsten, maar ook uit koersresultaten (gerealiseerd en ongerealiseerd). Volgens eiser bedraagt het daadwerkelijke, totale rendement op het vermogen over 2018 daarom € 53.772 negatief. De rechtbank is van oordeel dat onder het werkelijke rendement dat in het kader van deze beoordeling moet worden vastgesteld, moet worden verstaan: de nominale inkomsten uit het vermogen. Ter onderbouwing wijst de rechtbank erop dat de Wet IB 2001 alleen inkomsten belast en niet het bestaan van vermogen als zodanig, de aanwas van vermogen of de (ongerealiseerde dan wel gerealiseerde) winst behaald op het vermogen.

9.3.5.

Eiser verwijst verder in dit verband naar een conclusie van A-G Niessen waarin de

A-G kort gezegd verdedigt dat in een jaar waarin de belastingplichtige niet het wettelijke, forfaitaire rendement kan behalen, het lijden van een verlies op het vermogen een exceptionele last vormt voor de betrokken belastingplichtige. De rechtbank wijst erop dat de A-G deze opmerking heeft gemaakt in het kader van de behandeling van het tweede cassatiemiddel in die zaak. Uit het arrest van de Hoge Raad kan, wat betreft dit tweede cassatiemiddel, niet meer worden afgeleid dan dat de Hoge Raad van oordeel is dat de gehele financiële situatie van belang is. Verder constateert de rechtbank dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het cassatiemiddel niet tot cassatie kan leiden en dus in ieder geval niet de conclusie van de A-G heeft gevolgd (namelijk: wél cassatie en verwijzing om te onderzoeken of en tot welk bedrag vermogensverlies was geleden).10 Kortom: in het arrest dat is gevolgd op de conclusie vindt de rechtbank geen steun voor het standpunt van eiser. Dat betekent dat de rechtbank alleen zal kijken naar de nominale11 inkomsten uit het vermogen. In dit geval bedragen deze € 26.427 (zie 5.).

Leven van vermogen/ontbreken box 1-inkomen

9.3.6.

Kort gezegd bevindt eiser zich in een positie waarin hij en zijn partner in ieder geval in 2018 nauwelijks inkomsten genieten, behalve de inkomsten uit het vermogen. In het verlengde daarvan heeft eiser gezegd dat dit vermogen ook dient als pensioen-, arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsvoorziening. Andere belastingplichtigen met andere vormen van inkomsten kunnen de box 3-belasting makkelijker opvangen. De rechtbank leidt uit het door de Hoge Raad voorgeschreven beoordelingskader af dat bij de beoordeling de gehele financiële situatie en alle relevante feiten en omstandigheden moeten worden meegewogen. Daarbij is in ieder geval het box 1- en box 2-inkomen van belang. De rechtbank zal daarom ook het ontbreken van box 1-inkomen in dit geval in de beoordeling betrekken. De rechtbank zal dit hieronder verder uitwerken.

Concrete toepassing: uitgangspunten

9.4.1.

De rechtbank gaat aan de hand van de volgende uitgangspunten berekenen of er sprake is van een individuele en buitensporige last in dit geval. Het gaat steeds om de effectieve belastingdruk op het nominale rendement uit het vermogen, dat wil zeggen: de pijn die eiser daadwerkelijk voelt in de vorm van box 3-belasting.

Voorheffingen, heffingskortingen en voorkoming van dubbele belasting

9.4.2.

De Nederlandse dividendbelasting bepaalt als voorheffing op de inkomstenbelasting mede de effectieve belastingdruk. Anders gezegd: een voorheffing is ook een heffing (het woord zegt het al). Het gaat dus niet alleen om het bedrag aan uiteindelijk nog te betalen belasting dat na verrekening onder aan de streep op het aanslagbiljet staat, maar om het belastingbedrag zoals dat uit de Wet IB 2001 voortvloeit. Datzelfde geldt voor de buitenlandse bronbelasting. Dat er in het kader van de voorkoming van dubbele belasting een aftrek van Nederlandse belasting plaatsvindt, betekent immers niet dat de belastingplichtige die buitenlandse belasting niet voelt.

9.4.3.

Dit geldt uiteraard ook andersom. De aftrek van het restant van de persoonsgebonden aftrek verlaagt in eisers geval het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen12 en dus de effectieve belastingdruk.13 Een eventuele heffingskorting en vrijstelling voor groene beleggingen (hier niet van toepassing) verlagen evenzeer de effectieve belastingdruk. Dat geldt ook voor het heffingvrij vermogen in box 3. In dit geval, waarin er alleen belastbaar inkomen in box 3 is, geldt hetzelfde voor de toepassing van de aanslaggrens. Ook de (overige) heffingskortingen verminderen in dit specifieke geval de effectieve box 3-belasting.

9.4.4.

Met inachtneming van al deze uitgangspunten komt de rechtbank tot het volgende overzicht:

Rente

3.250

Dividenden

23.177

+

Werkelijke inkomsten box 3

26.427

Inkomsten bruto partner

-

Inkomsten bruto eiser

2.199

Af: Persoonsgebonden aftrek

2.558

Besteedbaar inkomen box 1

-359

Besteedbaar inkomen box 1

-359

+

Besteedbaar inkomen bruto

26.068

Box 3-belasting partner

9.994

Af: heffingskortingen partner

2.265

Effectieve heffing box 3 partner

7.729

Box 3-belasting eiser

5.079

Af: heffingskortingen eiser

2.311

Af: aanslaggrens

46

Effectieve heffing box 3 eiser

2.722

Gezamenlijke effectieve box 3-heffing

10.451

-/-

Besteedbaar netto inkomen

15.617

Bijstandsnorm gehuwden 1-1-2018 (6 mnd)

8.504

Bijstandsnorm gehuwden 1-7-2018 (6 mnd)

8.542

Totaal bijstandsnorm 2018

17.046

-/-

Verschil t.o.v. bijstandsnorm

-1.429

9.5.

Op zichzelf kan de effectieve box 3-belasting van € 10.451 betaald worden uit het daadwerkelijk door eiser en zijn partner behaalde rendement uit het vermogen, want het besteedbaar netto inkomen is dan nog € 15.617. De rechtbank is echter van oordeel dat de wetgever ook in dit geval (waarin het rendement hoger is dan de box 3-belasting) niet bedoeld kan hebben dat de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de box 3-heffing te voldoen. Daarvan zou volgens de rechtbank in ieder geval sprake zijn als het netto besteedbaar inkomen onder bijstandsniveau zakt, zoals hier het geval is. Uit de opstelling blijkt dat de box 3-heffing er in dit geval dus toe leidt dat eiser en zijn partner op hun vermogen moeten interen om de box 3-belasting te voldoen.

9.6.

De rechtbank is daarom van oordeel dat hier sprake is van een individuele en buitensporige last. Dat betekent dat de rechtbank rechtsherstel moet bieden.14 De rechtbank leidt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad af dat het niet de bedoeling is dat de rechtbank op eigen houtje gaat sleutelen aan het bouwwerk van box 3 zoals het er ligt. Waar het om gaat, is dat de individuele en buitensporige last in eisers geval wordt afgewend. De rechtbank zal de omvang van het rechtsherstel schattenderwijs bepalen.

9.7.

De rechtbank is van oordeel dat de individuele en buitensporige last in eisers geval wordt afgewend als het bedrag aan effectief te betalen box 3-belasting, na toepassing van de heffingskortingen maar vóór verrekening van dividendbelasting en voorkoming van dubbele belasting, voor eiser en zijn partner op in totaal € 3.250 uitkomt. In zoverre moet de aanslag naar beneden worden bijgesteld.

9.8.

De box 3-belasting moet over de beide partners worden verdeeld. Voor zover de rechtbank kan overzien, zou een voor eiser en zijn partner optimale verdeling bereikt kunnen worden door:

1) bij eisers partner € 7.703 aan voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking te nemen, hetgeen aan bruto box 3-belasting (30 %) € 2.311 oplevert,

waardoor na aftrek van de heffingskorting (€ 2.265) en toepassing van de aanslaggrens (€ 46) een aanslag van € nihil voor eisers partner resteert;

2) bij eiser een bedrag van € 18.896 aan voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking te nemen, zodat na aftrek van het restant van de persoonsgebonden aftrek van € 359 een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 18.537 ontstaat, hetgeen aan bruto box 3-belasting (30 %) € 5.561 oplevert,
waardoor na aftrek van de heffingskortingen (€ 2.311) een bedrag aan belasting van € 3.250 voor eiser resteert, waarop vervolgens de aftrek van buitenlandse bronbelasting en de verrekening van Nederlandse dividendbelasting in mindering komen.

De rechtbank merkt op dat het bedrag van € 18.537 hoger is dan het (laatst) vastgestelde bedrag aan belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (zie 7.). Normaal gesproken kan dat niet, omdat eiser door beroep in te stellen niet slechter af mag zijn. Dat laatste is in dit geval echter niet zo, omdat de positie van eiser en zijn partner ook wat dit betreft samen moet worden bekeken (zie ook 6.). Eisers verzamelinkomen gaat door deze procedure dus weliswaar omhoog, maar per saldo worden de aanslagen van eiser en zijn partner flink verlaagd.

Conclusie

10. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar. De rechtbank wijzigt de aanslag in een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 18.537.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Op de zitting is tussen partijen afgestemd dat deze bestaan uit € 5,50 aan reiskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- wijzigt de aanslag in een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 18.537;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 5,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier, op 9 november 2021. De beslissing wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

w.g. griffier de rechter is verhinderd te ondertekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

1 Conclusie A-G Niessen 27 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:186.

2 Hoge Raad 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:963.

3 Vgl. Hoge Raad 3 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BC2816.

4 Vgl. Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511, r.o. 3.2.

5 Vgl. Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831, r.o. 2.5.2.

6 Vgl. de zaak die heeft geleid tot Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1115.

7 Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, r.o. 2.4.4.

8 Hoge Raad 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047, r.o. 4.3.3.

9 Vgl. Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:994.

10 Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831, r.o. 2.5.1-2.6.

11 Zie Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, r.o. 2.6.2 en 2.10.2.

12 Artikel 6.2, tweede lid, Wet IB 2001.

13 Vgl. Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:994

14 Zie Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511, r.o. 3.5.2-3.5.3.