Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:4585

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-10-2021
Datum publicatie
28-10-2021
Zaaknummer
18/009427-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor ontucht met een vrouw.

Tijdens zijn werkzaamheden als sportverzorger/masseur heeft hij de schaamlippen van de vrouw aangeraakt.

De rechtbank legt aan verdachte een taakstraf op. Daarnaast legt de rechtbank een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf

op waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk staat aan 1 dag gevangenisstraf.

Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf wordt de bijzondere voorwaarde verbonden dat verdachte gedurende drie jaar

niet mag werken als sporterverzorger/masseur.

Verdachte wordt vrijgesproken voor ontucht met een andere vrouw,

nu de rechtbank niet kan bewijzen dat de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden in de ten laste gelegde periode.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 246
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/009427-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 oktober 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

14 oktober 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.L.P. Fauser, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.P. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 6 november 2018 te Groningen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit het masseren/betasten, althans aanraken, van de vagina en/of schaamlip(pen) van die [slachtoffer 1] , en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met
geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hieruit dat verdachte opzettelijk als sportmasseur/verzorger in het kader van een behandeling/massage die [slachtoffer 1]
in een afhankelijkheidsrelatie met hem, verdachte, heeft gebracht
en/of (vervolgens) (zo) plotseling en/of onverhoeds en/of onvoorzien en/of tegen de wil van die [slachtoffer 1] haar vagina en/of schaamlippen heeft gemasseerd/betast/aangeraakt;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 november 2018 te Groningen, terwijl hij werkzaam was als sportmasseur/verzorger in de gezondheidszorg en/of
maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 1] , die zich als
patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd,
immers heeft hij, verdachte, tijdens een behandeling/massage de vagina en/of
schaamlip(pen) van die [slachtoffer 1] gemasseerd/betast, althans aangeraakt;

2.
hij in of omstreeks de periode van 18 april 2018 tot en met 30 juni 2018 te
Groningen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van
een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit het masseren/betasten, althans
aanraken, van de vagina en/of schaamlip(pen) van die [slachtoffer 2] ,
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met
geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hieruit dat verdachte opzettelijk
als sportmasseur/verzorger in het kader van een behandeling/massage die [slachtoffer 2]
[slachtoffer 1] in een afhankelijkheidsrelatie met hem, verdachte, heeft gebracht
en/of (vervolgens) (zo) plotseling en/of onverhoeds en/of onvoorzien en/of tegen de wil van die [slachtoffer 2] haar vagina en/of schaamlippen heeft gemasseerd/betast/aangeraakt;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 18 april 2018 tot en met 30 juni 2018 te
Groningen, terwijl hij werkzaam was als sportmasseur/verzorger in de gezondheidszorg en/of
maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2] , die zich als
patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd,
immers heeft hij, verdachte, tijdens een behandeling/massage de vagina en/of schaamlip(pen) van die [slachtoffer 2] gemasseerd/betast, althans aangeraakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 primair en 2 primair. De verklaringen van aangeefsters zijn betrouwbaar en ondersteunen elkaar in voldoende mate.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair en subsidiair.

Ten aanzien van feit 1 heeft zij aangevoerd dat er tegenstrijdigheden zitten tussen de verklaring van aangeefster en de verklaringen van andere getuigen in het dossier. De verklaring van aangeefster is daarmee onbetrouwbaar. Daarnaast is de verklaring van aangeefster te onduidelijk als het gaat om waar verdachte aangeefster precies zou hebben aangeraakt.

Voor zover de rechtbank bewezen acht dat verdachte wel de schaamlippen van aangeefster heeft aangeraakt, dan geldt dat het ontuchtige karakter van deze handeling ontbreekt. Die aanraking heeft dan immers plaatsgevonden in het kader van een lymfedrainagebehandeling.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat van dwang of onverhoeds aanraken geen sprake kan zijn, nu aangeefster met de lymfedrainagebehandeling heeft ingestemd.

Oordeel van de rechtbank

Betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster

De rechtbank stelt vast dat in de wijze waarop de verklaring van aangeefster tot stand is gekomen geen onregelmatigheden zitten. Bovendien is de verklaring van aangeefster gedetailleerd en consitent. Zij verklaart gedetailleerd over de behandeling van verdachte en over waar verdachte haar zou hebben aangeraakt. De verklaring komt op hoofdlijnen overeen met de verklaring van [slachtoffer 2] . Bovendien vindt de verklaring van aangeefster ook steun in de verklaring van verdachte zelf.

De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster. De omstandigheid dat deze verklaring niet op ieder punt overeenkomt met andere (getuigen)verklaringen in het dossier maakt nog niet dat deze niet betrouwbaar is.

Vrijspraak

De rechtbank acht feit 2 primair en subsidiair niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft op grond van de stukken in het dossier de overtuiging bekomen dat het strafbare feit, zoals weergegeven onder 2 primair, wel degelijk heeft plaatsgevonden en dat er dus op verschillende tijdstippen grensoverschrijdende seksuele gedragingen hebben plaatsgevonden ten aanzien van [slachtoffer 2] .

De rechtbank ziet evenwel onvoldoende wettige aanknopingspunten voor de conclusie dat verdachte zich specifiek in de ten laste gelegde periode, te weten de periode van 18 april 2018 tot en met 30 juni 2018 heeft schuldig gemaakt aan het hem ten laste gelegde. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom de officier van justitie bij het opstellen van de tenlastelegging niet heeft aangehaakt bij de periode die aangeefster in het informatieve gesprek heeft genoemd (april tot en met augustus 2018), maar die periode aan de achterkant met twee maanden heeft verkort.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van feit 1 primair redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van verklaring, voor zover inhoudend:

Ik was werkzaam bij voetbalvereniging [naam vereniging] in Groningen als sportverzorger. Ik deed onder andere aan lymfedrainage. Het klopt dat ik [slachtoffer 1] in november een lymfedrainagebehandeling heb gegeven. Tijdens die massage lag ze zonder kleding op de tafel. Je komt heel dichtbij het schaambeen en de schaamlippen, omdat je wel in de liesplooi moet komen. Als [naam vereniging] zegt dat ik na de massage iets heb verteld over een vriendin die ik explosieve orgasmes gaf, dan kan dat wel kloppen. Achteraf was dat niet professioneel van mij. Het klopt dat ik klanten soms een knuffel geef na de massage.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 16 november 2018, opgenomen op 115 e.v. van het dossier van de politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019336071 d.d. 19 dec 2019, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :
Op 7 november 2018 ging [verdachte] tape op mijn rug doen. Het gesprek kwam toen op lymfedrainage. Hij gaf aan dat mijn slip uit moest. Hij had al eerder verteld dat hij mogelijk mijn geslachtsdeel zou aanraken tijdens de drainage. Hij begon gelijk bij de dijen en in de liezen en vervolgens voelde ik dat hij zelfs aan mijn schaamlip kwam. Hij maakte met twee vingers kleine rondjes op mijn lichaam. Hij is naar de knie gegaan en vervolgens drukte hij weer in de liezen. Toen zat hij plotseling zowat op mijn clitoris. Daar maakte hij dezelfde beweging. Het was er vlak boven. Ik denk dat het een minuut duurde. Daarna heb ik mij aangekleed. Hij vertelde toen dat hij een vriendin had waar zijn vrouw niets van wist. Ze spraken soms af en omdat hij de goede plekken wist te vinden waren er explosieve orgasmes die zij bij haar man niet kon krijgen. [verdachte] vroeg of hij me een knuffel mocht geven, vanwege het vertrouwen dat ik aan hem had gegeven. Hij gaf mij ook echt een knuffel. Toen ik later naar huis liep, kwam bij mij het besef dat er iets was gebeurd wat ik niet wilde. Ik voelde me vies, misbruikt. Toen ik thuiskwam heb ik gehuild, gehuild en gehuild.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 22 februari 2019, opgenomen op pagina 133 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam] :
Op een donderdag in november 2018 belde [naam vereniging] mij. Ik hoorde dat ze van slag was. Ze begon te huilen. Ik zei: "wat is er?" toen zei ze: "ik wil het eigenlijk niet vertellen." Ik zei: "Doe nou maar." Ze vertelde dat ze bij [verdachte] was geweest en dat ze haar slip uit moest doen en dat ze dat ook had gedaan. Ze zei: "Hij heeft aan mij gezeten, aan mijn prutje, clitje of weet ik veel? Ze was op dat moment van slag. Ze zei: "Ik vertrouwde hem".

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens het tweede lid van art. 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze zogeheten 'unus testis, nullus testis'- bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen.

In deze zaak heeft aangeefster ten aanzien van de feiten en omstandigheden waaronder de ontuchtige handelingen plaatsvonden verklaard dat deze plaatsvonden tijdens een lymfedrainagebehandeling door verdachte. Verdachte masseerde de benen en de lies van aangeefster en raakte op een gegeven moment haar schaamlip aan en kwam met zijn handen in de buurt van haar clitoris. Nadat aangeefster zich had aangekleed vertelde verdachte haar over zijn vriendin en hun seksleven. Daarna gaf verdachte aangeefster een knuffel. Toen aangeefster thuiskwam voelde zij zich vies en moest zij huilen.

Naar het oordeel van de rechtbank vinden de door aangeefster genoemde feiten en omstandigheden voldoende steun in ander bewijsmateriaal. De rechtbank wijst daarbij ten aanzien van de zogenoemde ‘disclosure’ op de verklaring van getuige [naam] . Deze getuige heeft verklaard dat zij aangeefster vlak na het gebeuren telefonisch heeft gesproken en dat aangeefster toen van slag was en huilde.

De verklaring van aangeefster vindt bovendien op essentiële punten ook bevestiging in de verklaring van verdachte zelf. Zo heeft verdachte onder andere verklaard dat hij aangeefster in haar lies heeft gemasseerd, terwijl zij naakt op de tafel lag. Na de massage heeft verdachte opmerkingen gemaakt over zijn vriendin en hun seksleven. Tot slot heeft verdachte verklaard dat hij aangeefster een knuffel heeft gegeven.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of de bewezen verklaarde handelingen kunnen worden aangemerkt als ontuchtige handelingen. De rechtbank overweegt het volgende.

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte tijdens de behandeling haar schaamlip heeft aangeraakt en haar heeft betast in de buurt van haar clitoris. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij tijdens een behandeling nog nooit het geslachtsdeel van een cliënt heeft aangeraakt. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de ten laste gelegde aanrakingen handelingen van seksuele aard zijn die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm.

Gelet op de verklaring van verdachte ter zitting hebben de bewezen verklaarde handelingen in ieder geval niet in het kader van een behandeling plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan ook niet anders dan dat de handelingen van verdachte een ontuchtig karakter hebben gehad.

Tot slot overweegt de rechtbank dat het zonder toestemming of aankondiging plotseling aanraken van de schaamlippen dwang oplevert in de zin van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht, gelet op het onverhoedse karakter daarvan.

De rechtbank acht feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.
hij omstreeks 6 november 2018 te Groningen, door een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, bestaande uit het masseren/betasten van de schaamlippen van die [slachtoffer 1] , en bestaande die andere feitelijkheid hieruit dat verdachte opzettelijk als sportmasseur/verzorger in het kader van een behandeling/massage plotseling en onverhoeds de schaamlippen van die [slachtoffer 1] heeft gemasseerd/betast.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1 primair. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair en 2 primair wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf moet de bijzondere voorwaarde worden verbonden dat verdachte niet meer het beroep van sportmasseur mag uitoefenen.

Daarnaast heeft officier van justitie een taakstraf voor de duur van 100 uren gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van een vrouw.

In het kader van zijn werk als sportverzorger bij een [voetbalvereniging] heeft verdachte tijdens het uitvoeren van een lymfedrainagebehandeling aangeefster onzedelijk betast. Verdachte heeft, door zijn onverhoeds en grensoverschrijdend handelen, het in hem gestelde vertrouwen als sportverzorger ernstig beschaamd en hij heeft geen oog gehad voor de gevolgen die zijn gedrag zou kunnen hebben voor aangeefster. Hij heeft inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit als gevolg waarvan zij, gezien haar slachtofferverklaring, nog altijd last heeft van psychische problemen.

Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 september 2021 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het reclasseringsrapport d.d. 23 februari 2021 en van hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht.

De reclassering adviseert om verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Daarnaast heeft de reclassering een beroepsverbod op grond van artikel 28 van het Wetboek van Strafrecht geadviseerd, waarbij verdachte maximaal vijf jaren niet mag werken als verzorger/ sportmasseur en/of een vergelijkbaar beroep.

Gelet op het feit dat de rechtbank minder bewezen heeft verklaard dan de officier van justitie, acht de rechtbank het niet nodig om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur op te leggen, zoals geëist door de officier van justitie.

De rechtbank is van oordeel dat dit een te zware straf zou zijn. De rechtbank zal daarom gebruik maken van de wettelijke mogelijkheid een taakstraf (voor de duur van 80 uren) op te leggen gecombineerd met een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, waarvan het onvoorwaardelijk deel is beperkt tot één dag.

Deze voorwaardelijke gevangenisstraf legt de rechtbank met name op als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Daarnaast zal de rechtbank aan deze voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte het beroep als sportverzorger/masseur niet mag uitoefenen gedurende de proeftijd van drie jaren.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 385,- ter zake van materiële schade en € 5000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

2. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 417,76 ter vergoeding van materiële schade en

€ 5000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van beide benadeelde partijen toewijsbaar is, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van beide benadeelde partijen moet worden afgewezen, nu zij vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair heeft zij naar voren gebracht dat de vorderingen te summier zijn onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij

[slachtoffer 1] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 primair bewezen verklaarde. De rechtbank zal de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid begroten op een bedrag van € 1000,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 6 november 2018.

In het overige deel van de vordering zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren, nu dit mede gelet op de betwisting ervan onvoldoende gemotiveerd is onderbouwd.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] acht de rechtbank het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 29 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd van 3 jaren niet werkzaam zal zijn als sportverzorger/masseur.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

een taakstraf voor de duur van 80 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van 18/009427-20, feit 1 primair

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.000,-(zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 november 2018.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 1.000,- (zegge duizend euro), te verhogen met de wettelijke rente vanaf 6 november 2018. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 20 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/009427-20, feit 2

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en

mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 oktober 2021.

Mr. E.P. van Sloten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.