Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:4543

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-10-2021
Datum publicatie
01-11-2021
Zaaknummer
C/18/206004 / FA RK 21-1483
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De rechtbank gaat bij het berekenen van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie uit van een verbleking van de behoefte van de vrouw en stelt de behoefte van de vrouw opnieuw vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rekestnummer: C/18/206004 / FA RK 21-1483

beschikking van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2021

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna ook te noemen "de man",

advocaat: mr. J.P. van der Werf, kantoorhoudende te Groningen,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna ook te noemen "de vrouw",

advocaat: mr. O.J.C. Toxopeus, kantoorhoudende te Veendam.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift van de man, ontvangen door de rechtbank op 4 juni 2021;

- het verweerschrift van de vrouw, ontvangen door de rechtbank op 27 juli 2021;

- de aanvullende stukken van de vrouw, ontvangen door de rechtbank op 20 september 2021;

- de aanvullende stukken van de man, ontvangen door de rechtbank op 20 september 2021;

- de aanvullende stukken van de vrouw, ontvangen door de rechtbank op 28 september 2021;

- de brieven van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] , ontvangen door de rechtbank op 29 september 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2021. Daarbij zijn verschenen en gehoord partijen, bijgestaan door hun advocaten, en [naam 1] , als vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook te noemen "de Raad").

1.3.

De (kinder)rechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling met [de minderjarige 1] over het verzoek gesproken.

1.4.

Ten slotte is bepaald dat deze beschikking zal worden gegeven.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten.

2.2.

Partijen zijn op 15 januari 2011 met elkaar gehuwd. Het huwelijk is op 26 september 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

2.3.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren [de minderjarige 1], op [geboortedag 1] [geboortemaand 1] 2009 in [geboorteplaats] , en [de minderjarige 2], op [geboortedag 2] [geboortemaand 2] 2011 in [geboorteplaats] .

2.4.

De man heeft [de minderjarige 1] erkend en partijen oefenen gezamenlijk het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

2.5.

Bij beschikking van 17 februari 2015 is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook te noemen "zorgregeling") vastgelegd, inhoudende dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in de ene week van donderdag na het werk van de man tot zondag 17:00 uur bij de man verblijven en in de andere week van donderdag na het werk van de man tot vrijdag 19:00 uur. Daarnaast verblijven de kinderen een deel van de vakanties en feestdagen bij de man.

2.6.

Ten aanzien van [de minderjarige 1] wordt geen uitvoering meer gegeven aan voornoemde zorgregeling. [de minderjarige 1] verblijft sinds een aantal maanden één keer per twee weken op vrijdagmiddag bij de man.

2.7.

In voornoemde beschikking van 17 februari 2015 zijn tevens de door de man aan de vrouw te betalen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook te noemen "kinderalimentatie") en in het levensonderhoud van de vrouw (hierna ook te noemen "partneralimentatie") vastgelegd. Op grond van deze beschikking dient de man een (geïndexeerd) bedrag van € 425,06 per kind per maand aan kinderalimentatie en een (geïndexeerd) bedrag van € 1.582,67 bruto per maand aan partneralimentatie aan de vrouw te voldoen.

2.8.

De man heeft een nieuwe partner: [naam 2] . De man woont niet samen met [naam 2] . [naam 2] heeft een zoon uit een eerdere relatie: [naam 3] .

3 Het (aangevulde) verzoek

3.1.

De man verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

(I) de beschikking van 17 februari 2015 te wijzigen, in die zin dat de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van de datum waarop het verzoekschrift is ingediend te bepalen op een bedrag van € 25,00 per kind per maand, althans op een bedrag en/of met ingang van een dag als de rechtbank juist acht, en dat de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 mei 2021 op nihil wordt gesteld, althans op een bedrag en/of met ingang van een dag die de rechtbank juist acht,

(II) een zodanige beslissing te nemen ten aanzien van de zorgregeling als de rechtbank juist en in het belang van [de minderjarige 1] wenselijk acht, eventueel met verwijzing van de ouders naar een passend hulpverleningstraject dan wel na onderzoek van de Raad, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, dan wel dagdeel dat de vrouw geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft om de zorgregeling na te komen;

(III) kosten rechtens.

3.2.

De man voert hiertoe, samengevat weergegeven, het volgende aan. De omstandigheden zijn sinds de beschikking van 17 februari 2015 gewijzigd doordat de enige opdrachtgever van de man is weggevallen sinds 1 mei 2021. De man heeft de vrouw hiervan tijdig op de hoogte gesteld. Het inkomen van de man uit zijn onderneming is daardoor gedaald tot nihil zodat de beschikking vanaf 1 mei 2021 niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De man heeft sindsdien geen draagkracht meer. De man is verder van mening dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij in haar eigen onderhoud kan voorzien. Volgens de man dient de behoefte van de vrouw te worden begroot op het bedrag dat de vrouw sinds het uiteengaan van partijen in 2012 in totaal aan inkomen heeft, zijnde ongeveer € 1.750,00 netto per maand. De man stelt dat de behoefte van de vrouw niet meer dient te worden gebaseerd op het inkomen van partijen ten tijde van het huwelijk. Volgens de man is de behoefte van de vrouw 'verbleekt' omdat zij al lange tijd met minder inkomen rond kan komen. De man is bovendien van mening dat de vrouw zelf in deze behoefte kan voorzien als zij haar verdiencapaciteit benut. Met betrekking tot de zorgregeling geeft de man aan dat er een incident heeft plaatsgevonden tussen de man en [de minderjarige 1] , als gevolg waarvan [de minderjarige 1] niet meer bij de man wil komen. Er is een kindercoach benaderd om met [de minderjarige 1] te praten. Het contact met deze kindercoach is echter beëindigd, waardoor het contact nog niet is hersteld.

3.3.

De man heeft hier later aan toegevoegd dat hij sinds 15 juni 2021 een opdracht heeft voor gemiddeld 27 declarabele uren per week. Hij heeft daardoor (na aftrek van de bedrijfslasten en rekening houdend met 46 werkweken per jaar) een bedrijfsresultaat van

€ 87.658,00 bruto per jaar. De man heeft een draagkrachtberekening overgelegd.

3.4.

De man heeft zijn verzoeken tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht en een nieuwe draagkrachtberekening overgelegd. De man heeft met betrekking tot de zorgregeling aangegeven dat hij samen met [de minderjarige 1] in therapie is gegaan om te praten over de gevoelens van [de minderjarige 1] en de opmerkingen van de man die zij als negatief ervaart. De man heeft de indruk dat [de minderjarige 1] en de man elkaar niet altijd goed begrijpen. De man bedoelt zijn opmerkingen niet negatief. De man erkent dat hij onhandige uitspraken heeft gedaan en dat hij het introduceren van zijn nieuwe partner bij de kinderen anders had moeten aanpakken. De man begrijpt ook dat het niet handig is dat hij [de minderjarige 1] heeft verteld dat hij haar minder zakgeld zal geven als ze minder komt en ook dat het niet handig is dat hij - omdat [de minderjarige 1] niet wilde dat de man kwam kijken - gestopt is met het betalen van de paardrijlessen van [de minderjarige 1] . De man is bereid om deze paardrijlessen wel weer te gaan betalen. De man weet niet goed hoe hij zijn fouten en/of onhandige uitspraken kan herstellen. De man is erg geschrokken van de inhoud van de brieven van de kinderen en wil overal aan meewerken om het contact te verbeteren. De man is bang dat de drempel voor [de minderjarige 1] steeds hoger wordt om naar de man te gaan, als er een beperkte omgangsregeling is van slechts één vrijdagmiddag per twee weken. Hij verzoekt daarom om een (iets) ruimere zorgregeling vast te stellen. Met betrekking tot de alimentatie merkt de man op dat hij nu een werkweek heeft van 27 declarabele uren, daar is zijn reistijd van en naar Enschede niet in meegenomen. De man moet minimaal twee keer per week naar Enschede, dat kost hem vier uur per dag. Het is voor de man daarom niet mogelijk om een tweede opdracht te zoeken om zijn inkomen aan te vullen. Namens de man is verder toegevoegd dat het redelijk is om bij het berekenen van de kinderalimentatie rekening te houden met een zorgkortingspercentage van 35%, ook ten aanzien van [de minderjarige 1] , omdat de man, naast de maandelijkse bedragen die hij aan kinderalimentatie betaalt, ook andere kosten van de kinderen voor zijn rekening neemt, zoals de paardrijlessen van [de minderjarige 1] en de aanvullende ziektekostenpremie.

4 Het verweer

4.1.

De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man. De vrouw verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bij beschikking van 17 februari 2015 vastgelegde zorgregeling ten aanzien van [de minderjarige 1] te wijzigen in die zin dat [de minderjarige 1] eenmaal per veertien dagen een vrijdagmiddag tot 19:00 uur bij de man zal verblijven.

4.2.

De vrouw voert hiertoe, samengevat weergegeven, het volgende aan. De vrouw betwist dat de man geen draagkracht meer heeft. Volgens haar is er sprake van een voor herstel vatbaar inkomensverlies en heeft de man vanwege zijn werkervaring een grote kans op een nieuwe baan. Volgens de vrouw heeft de man bovendien voldoende financiën om een langere tijd zonder inkomen te overbruggen. Met betrekking tot haar eigen verdiencapaciteit geeft de vrouw aan dat zij na de echtscheiding veelvuldig heeft gesolliciteerd, maar dat haar gebrek aan werkervaring haar steeds parten heeft gespeeld. De vrouw heeft de man van deze sollicitaties en afwijzingen op de hoogte gesteld. De vrouw is bovendien van mening dat er geen reden is om haar behoefte te wijzigen naar een netto inkomen van € 1.750,00 per maand. Er dient, volgens haar, te worden vastgehouden aan de behoefte die eerder door de rechtbank is vastgesteld in het kader van de voorlopige voorzieningen. Verder gaat de man, volgens de vrouw, voorbij aan het feit dat de vrouw een bedrag van € 416,67 per maand aan de man betaalt in verband met de onderwaarde van de aan de man toebedeelde eigen woning van partijen. Tot slot geeft de vrouw aan dat zij vanaf 1 augustus 2021 gedeeltelijk zelf in haar behoefte kan voorzien omdat zij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft gesloten. Met betrekking tot de zorgregeling voor [de minderjarige 1] geeft de vrouw aan dat er meer heeft voorgevallen dat de man in zijn verzoekschrift benoemt. De vrouw wil graag rust voor [de minderjarige 1] en verzoekt daarom om een beperktere zorgregeling vast te leggen, zodat de man nakoming van de eerder vastgelegde uitgebreide zorgregeling niet kan afdwingen.

4.3.

De vrouw heeft haar verzoek tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht. De vrouw geeft aan dat [de minderjarige 1] een kwetsbaar meisje is dat emotioneel heel gevoelig is. Volgens haar werkt het averechts als [de minderjarige 1] gedwongen wordt om meer tijd bij de man door te brengen. De vrouw kan instemmen met het advies van de Raad om hulpverlening in te schakelen van het sociaal team van de gemeente. De vrouw heeft aangegeven dat zij meteen na de mondelinge behandeling stappen zal ondernemen om deze hulpverlening voor [de minderjarige 1] en de man in te schakelen. Namens de vrouw is met betrekking tot de draagkracht van de man ten behoeve van de alimentatie gesteld dat rekening moet worden gehouden met 52 weken per jaar waarin de man 27 uur kan declareren. Verder stelt de vrouw dat de man ten tijde van het huwelijk meer uren per week werkte dan 27 uur en dat van de man verwacht mag worden dat hij een aanvullende opdracht zoekt. Met betrekking tot de kinderalimentatie stelt de vrouw dat het niet redelijk is om rekening te houden met een zorgkortingspercentage van 35%, zeker niet ten aanzien van [de minderjarige 1] . De vrouw kan wel instemmen met dit percentage, indien de man - naast de paardrijlessen van [de minderjarige 1] en de aanvullende zorgverzekering van de kinderen - ook de orthodontiekosten van de kinderen zal gaan betalen.

5 Het advies van de Raad

5.1.

De Raad constateert dat de communicatie tussen partijen als ouders van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] goed lijkt te verlopen. Het is mooi om te zien dat de ouders elkaar een hoop gunnen en met elkaar mee willen denken. De Raad schrikt wel van de uitspraken van [de minderjarige 1] . Haar ervaringen met de man roepen hele heftige gevoelens bij haar op. Volgens de Raad moet er voor [de minderjarige 1] iets in de relatie met de man hersteld worden. Daarvoor is het belangrijk om haar serieus te nemen en te erkennen wat zij voelt en als waarheid aan te nemen wat zij beleeft. De Raad adviseert partijen om daarbij begeleiding te vragen vanuit het WIJ-team/sociaal team van de gemeente. [de minderjarige 1] wordt daarbij dan ook betrokken. Partijen kunnen zich zonder verwijzing van de rechtbank aanmelden bij deze hulpverlening, de Raad verwacht daarbij geen wachtlijsten. De Raad adviseert verder om voorlopig aan te sluiten bij wat [de minderjarige 1] aangeeft en genoegen te nemen met wat zij op dit moment wenst: minder tijd bij de man doorbrengen. Op het moment dat de omgang voor haar weer fijn verloopt en zij zich gezien en gehoord voelt, ligt het voor de hand dat zij het contact met de man weer wil uitbreiden. De moeder lijkt [de minderjarige 1] daarin goed te stimuleren. Indien blijkt dat bepaalde gebeurtenissen traumatiserend zijn geweest voor [de minderjarige 1] , dan zullen de ondersteunende gesprekken bij het WIJ-team/sociaal team niet voldoende zijn. Het WIJ-team/sociaal team kan dan een inschatting maken van of (en zo ja: welke) vervolghulp is geïndiceerd. De Raad adviseert de rechtbank om de zorgregeling ten aanzien van [de minderjarige 1] te wijzigen, in die zin dat [de minderjarige 1] één keer per twee weken een vrijdagmiddag bij de man verblijft. Tijdens de gesprekken met het WIJ-team kan vervolgens worden gekeken of het mogelijk is om de regeling weer uit te breiden.

6 De beoordeling

6.1.

Met betrekking tot de zorgregeling

6.1.1.

Indien ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen kunnen zij een geschil over de gezagsuitoefening aan de rechtbank voorleggen. De rechtbank zal dan een beslissing nemen in het belang van het kind (artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).

6.1.2.

De rechtbank overweegt dat partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben afgesproken dat zij met behulp van hulpverlening de band tussen de man en [de minderjarige 1] willen gaan herstellen en opbouwen. De rechtbank is van oordeel dat één middag per twee weken onvoldoende is om een verbetering van de band tussen de man en [de minderjarige 1] te kunnen bewerkstelligen. De rechtbank is echter ook van oordeel dat een uitgebreide weekendregeling, in ieder geval op dit moment, niet in het belang van [de minderjarige 1] is, gelet op haar brief en mondelinge toelichting daarop. De rechtbank zal daarom bepalen dat [de minderjarige 1] :

- in de week dat [de minderjarige 2] conform de eerder vastgestelde zorgregeling het hele weekend bij de man verblijft, van vrijdag uit school tot 20:30 uur bij de man zal verblijven, en

- in de week dat [de minderjarige 2] van donderdag tot vrijdag bij de man verblijft, van vrijdag uit school tot 19:00 uur bij de man zal verblijven.

6.1.3.

De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de man met deze regeling meer mogelijkheden heeft om tijd door te brengen met [de minderjarige 1] en deze positief in te vullen zodat de band tussen [de minderjarige 1] en de man niet (verder) verwatert. De rechtbank neemt tevens in overweging dat het voor [de minderjarige 2] leuk is als hij wekelijks een moment samen met zijn zus bij de man verblijft. In samenwerking met het WIJ-team/sociaal team en in het belang van [de minderjarige 1] , kunnen partijen vervolgens werken aan een uitbreiding van deze regeling.

6.1.4.

De rechtbank geeft de man daarbij mee dat het goed is om aandacht te besteden aan de uitdrukkelijke wens van beide kinderen om meer tijd met de man alleen, zonder [naam 2] en/of [naam 3] , door te brengen. Beide kinderen hebben in hun brief aangegeven dat zij graag meer aandacht van de man zouden willen op de momenten dat zij bij hem verblijven. [de minderjarige 2] heeft daarbij aangegeven dat hij het gevoel heeft dat [naam 2] belangrijker voor de man is dan hij.

6.1.5.

De rechtbank zal het verzoek van de man om een dwangsom te verbinden aan nakoming van de zorgregeling met betrekking tot [de minderjarige 1] afwijzen. De rechtbank overweegt daartoe dat niet is gebleken dat de vrouw aan het contact tussen de man en [de minderjarige 1] in de weg staat, maar dat de gevoelens en ervaringen van [de minderjarige 1] de reden zijn voor het niet nakomen van de zorgregeling in de afgelopen periode. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij er alles aan wil doen om het contact tussen de man en [de minderjarige 1] te stimuleren en dat zij daartoe hulpverlening zal inschakelen. Naar het oordeel van de rechtbank is het daarom niet passend om een dwangsom te verbinden aan de in de in deze beschikking bepaalde zorgregeling.

6.2.

Met betrekking tot de wijziging van de kinder- en partneralimentatie

6.2.1.

Op grond van artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

6.2.2.

De rechtbank stelt vast dat zowel de man als de vrouw inmiddels een nieuwe baan heeft, waardoor er sprake is van een wijziging van omstandigheden en de eerdere rechterlijke uitspraak waarin de door de man aan de vrouw te betalen bijdragen ten behoeve van kinder- en partneralimentatie zijn vastgesteld is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De rechtbank zal de kinder- en partneralimentatie daarom opnieuw berekenen.

6.3.

Met betrekking tot de kinder- en partneralimentatie

6.3.1.

Bij het berekenen van de kinder- en partneralimentatie gaat de rechter uit van de rekenregels die alle rechtbanken en hoven hanteren. Die regels worden wel de Tremanormen genoemd en zijn gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. De rechter is niet verplicht om de in die rekenregels gegeven aanbevelingen (steeds) te volgen, maar doet dat in principe wel. De rechter vindt het belangrijk dat in alimentatiezaken gelijke zaken op gelijke wijze worden behandeld. De rekenregels borgen dat.

6.3.2.

Met betrekking tot de kinderalimentatie overweegt de rechtbank als volgt.

6.3.3.

Partijen zijn het eens over de behoefte van de kinderen: deze kan worden gesteld op (geïndexeerd) € 705,00 per kind per maand.

6.3.4.

De rechtbank zal met betrekking tot de draagkracht van de man ten behoeve van de kinderalimentatie uitgaan van de te verwachten winst uit onderneming, te weten: € 87.658,00 bruto per jaar. De rechtbank overweegt daartoe dat de man onbetwist heeft gesteld dat hij gemiddeld 27 uur per week werkt en daarnaast nog 8 uur per week moet reizen voor zijn werk. De rechtbank is van oordeel dat de man zijn verdiencapaciteit daarmee voldoende benut. Uit de stukken van de man volgt dat de man uitgaat van 46 werkweken per jaar, waarin hij 27 uur kan declareren voor een uurtarief van € 75,00. De man houdt daarbij rekening met bedrijfslasten van € 5.492,00 per jaar. De vrouw heeft ingestemd met de door de man gehanteerde bedrijfslasten. De rechtbank volgt de stelling van de vrouw dat uitgegaan moet worden van een hoger inkomen dat gebaseerd is op 52 werkweken per jaar niet. De rechtbank acht de door de man gemaakte inschatting van 46 werkweken per jaar realistisch, aangezien de man vanwege de werkweken van zijn opdrachtgever gebonden is aan een aantal vakantieweken in de zomer en rondom kerst. De man zal naar verwachting in die weken niet kunnen werken voor zijn opdrachtgever en derhalve geen uren kunnen declareren in die weken. Daar komt bij dat ook de man vakantie nodig heeft.

6.3.5.

Het netto besteedbare maandinkomen (hierna ook te noemen "NBI") van de man bedraagt, gelet op het voorgaande, een bedrag van € 4.762,00. Zijn voor kinderalimentatie beschikbare draagkracht bedraagt daarom (afgerond op hele euro's) € 1.633,00 per maand (70% van (NBI à € 4.762,00 - (0,3 * NBI à € 4.762,00 + 1.000,00)). De berekening van deze draagkracht is aan deze beschikking gehecht en maakt daar deel van uit.

6.3.6.

De rechtbank zal de draagkracht van de vrouw ten behoeve van de kinderalimentatie berekenen op basis van het inkomen dat zij sinds 1 augustus 2021 ontvangt. Uit de arbeidsovereenkomst van de vrouw volgt dat haar inkomen op basis van een 36-urige werkweek een bedrag van € 2.623,34 bruto per maand bedraagt en dat de arbeidsduur van de vrouw 32 uur zal zijn. De rechtbank zal daarom uitgaan van een inkomen van € 2.331,86 bruto per maand (€ 2.623,34 / 36 * 32).

6.3.7.

De vrouw ontvangt daarnaast nog een Individueel Keuze Budget (hierna ook te noemen "IKB") van 16,3% van haar inkomen. De vrouw heeft gesteld dat zij met haar IKB extra vrije dagen zal kopen zodat zij voldoende ruimte heeft om voor de kinderen te zorgen. De vrouw is van mening dat er bij het bepalen van haar draagkracht geen rekening dient te worden gehouden met haar IKB, omdat zij dit budget niet (financieel) laat uitbetalen. De rechtbank volgt deze stelling van de vrouw niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende aangetoond dat zij haar IKB volledig in wil zetten voor het aanvullen van haar vakantiedagen. De rechtbank is echter van oordeel dat er bij het bepalen van haar draagkracht rekening kan worden gehouden met het gebruikelijke percentage van 8% aan vakantiegeld. De rechtbank overweegt daartoe dat het een keuze van de vrouw is om haar IKB niet uit te laten betalen en dat niet van de man verwacht kan worden dat hij de financiële gevolgen van deze keuze volledig zal dragen. Daarbij neemt de rechtbank tevens in overweging dat de man heeft aangegeven dat hij zijn uren flexibel in kan richten en de vrouw vaker kan (en graag wil) helpen als de kinderen opgevangen dienen te worden in de werktijden van de vrouw.

6.3.8.

Volgens de vrouw dient er verder rekening te worden gehouden met het bedrag van € 416,67 per maand dat zij aan de man betaalt ter aflossing van een schuld in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank begrijpt de stelling van de vrouw als een beroep op het bepaalde in hoofdstuk 7, paragraaf 7.2.1, van de Tremanormen. De man heeft deze stelling niet betwist zodat de rechtbank deze maandelijkse aflossing zal opnemen in de draagkrachtberekening van de vrouw.

6.3.9.

De rechtbank houdt verder rekening met de inkomensafhankelijke combinatiekorting waar de vrouw recht op heeft en het kindgebonden budget dat zij voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ontvangt.

6.3.10.

Het netto besteedbare maandinkomen (hierna ook te noemen "NBI") van de vrouw bedraagt, gelet op het voorgaande, een bedrag van € 2.777,00. Haar voor kinderalimentatie beschikbare draagkracht bedraagt daarom (afgerond op hele euro's) € 369,00 per maand (70% van (NBI à € 2.777,00 - (0,3 * NBI à € 2.777,00 + draagkrachtloos inkomen à 1.000,00 + aflossing schuld à € 416,67)). De berekening van deze draagkracht is aan deze beschikking gehecht en maakt daar deel van uit.

6.3.11.

De totale draagkracht van partijen bedraagt, gelet op het voorgaande, € 2.002,00,00 per maand. Zij kunnen daarmee volledig voorzien in de totale behoefte van de kinderen, zijnde € 1.410,00 per maand (€ 705,00 per kind per maand).

6.3.12.

De bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bedraagt, gelet op het voorgaande, een bedrag van (afgerond op hele euro's) € 1.150,00 per maand (draagkracht van de man à € 1.633,00 / totale draagkracht à € 2.002,00 * de behoefte à € 1.410,00), dat wil zeggen € 575,00 per kind per maand.

6.3.13.

Partijen zijn het niet eens over het zorgkortingspercentage waarmee kan worden gerekend zodat de rechtbank daar een beslissing over zal nemen. De rechtbank stelt vast dat [de minderjarige 2] conform de huidige zorgregeling vijf dagen per twee weken bij de man verblijft, namelijk: de ene week van donderdag (na het werk van de man) tot vrijdag en de andere week van donderdag (na het werk van de man) tot zondag. [de minderjarige 2] verblijft daarnaast in de vakanties extra dagen bij de man. [de minderjarige 2] verblijft daardoor gemiddeld (ongeveer) drie dagen per week bij de man. De rechtbank zal daarom, conform de Tremanormen, rekening houden met een zorgkortingspercentage van 35% van de behoefte, zijnde een bedrag van (afgerond op hele euro's) € 247,00.

6.3.14.

[de minderjarige 1] zal, conform de in deze beschikking bepaalde zorgregeling, gemiddeld anderhalve dag per week bij de man verblijven, namelijk: de ene week een middag (uit school) en de andere week een middag (uit school) en een avond. Op grond van de Tremanormen is een zorgkortingspercentage van 5% passend voor een zorgregeling op grond waarvan het kind minder dan een dag per week bij de ouder verblijft en een zorgkortingspercentage van 15% voor een zorgregeling op grond waarvan het kind gemiddeld een dag per week bij de ouder verblijft. De rechtbank zal met betrekking van [de minderjarige 1] rekening houden met een zorgkortingspercentage van 15%, zijnde een bedrag van (afgerond op hele euro's) € 106,00. De rechtbank is van oordeel dat dit percentage passend is omdat de man naast de kinderalimentatie ook grote financiële bijdragen levert aan andere kosten van [de minderjarige 1] (zoals de aanvullende verzekering en de paardrijlessen) en omdat partijen voornemens zijn om in samenwerking met de hulpverlening toe te werken naar een uitgebreidere zorgregeling.

6.3.15.

De door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 2] bedraagt, gelet op het voorgaande, een bedrag van € 328,00 per maand.

6.3.16.

De bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] bedraagt, gelet op het voorgaande, een bedrag van € 469,00 per maand. Met inachtneming van de grenzen van de rechtsstrijd, het feit dat de man heeft verzocht om het door hem aan de vrouw te betalen bedrag aan kinderalimentatie te verlagen en het feit dat de vrouw niet heeft verzocht om dat bedrag te verhogen, zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen en de bijdrage van de man ten behoeve van [de minderjarige 1] volledigheidshalve vaststellen op het bedrag dat hij reeds aan de vrouw betaalt. De rechtbank stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] vast op € 425,06 per maand.

6.3.17.

Met betrekking tot de partneralimentatie overweegt de rechtbank als volgt.

6.3.18.

In de beschikking van 17 februari 2015, waarin de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie is bepaald, is de behoefte van de vrouw berekend op basis de Hofnorm, zijnde 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk. De man heeft gesteld dat de behoefte van de vrouw is 'verbleekt', omdat de vrouw de afgelopen negen jaar minder inkomen tot haar beschikking heeft gehad. Volgens de man kan de behoefte van de vrouw op dit moment worden vastgesteld op een bedrag van € 1.750,00 netto per maand. De vrouw heeft deze stelling betwist en daarbij verwezen naar jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de Hoge Raad. Volgens de vrouw dient haar behoefte ook bij het opnieuw vaststellen van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie te worden berekend op grond van voornoemde Hofnorm.

6.3.19.

In de door de advocaat van de vrouw aangehaalde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 januari 20171 wordt door het hof het volgende overwogen:

'Met de vrouw is het hof van oordeel dat aan de zijde van de vrouw van een zogenoemde “verbleekte behoefte” geen sprake kan zijn. De enkele omstandigheid dat de vrouw noodgedwongen, doordat de man op enig moment is opgehouden met betaling van de door hem aan haar verschuldigde partneralimentatie, haar uitgavenpatroon zo heeft moeten inrichten dat zij met de door haar gegenereerde inkomsten en haar (inkomsten uit) vermogen in haar levensonderhoud kon voorzien, brengt niet mee dat haar huidige behoefte niet meer overeenkomt met de huwelijksgerelateerde behoefte.'

6.3.20.

Voornoemde beschikking van het hof is door de Hoge Raad bekrachtigd op 9 maart 2018.2 De Hoge Raad heeft daarbij de conclusie van de A-G gevolgd.3

6.3.21.

De rechtbank is van oordeel dat de zaak die leidde tot deze uitspraak niet (volledig) vergelijkbaar is met de onderhavige zaak. De rechtbank overweegt daartoe dat de man in voornoemde zaak, in tegenstelling tot in de onderhavige zaak, op enig moment gestopt is met het betalen van de bedragen aan partneralimentatie waartoe hij verplicht was. De vrouw heeft in die zaak daarom noodgedwongen haar uitgavenpatroon aan moeten passen. In de onderhavige situatie heeft de man altijd voldaan aan zijn alimentatieverplichting. Het feit dat de vrouw de afgelopen jaren te weinig inkomen heeft gehad om volledig in haar huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien, is daarom niet veroorzaakt door het niet nakomen van de verplichtingen van de man.

6.3.22.

De rechtbank overweegt verder dat in voornoemde conclusie van de A-G bij de uitspraak van de Hoge Raad is overwogen dat:

'Het hangt van de concrete omstandigheden waarin de echtelieden na de ontbinding van het huwelijk zijn komen te verkeren, af of ten laste van de ene echtgenoot aan de andere daadwerkelijk een onderhoudsbijdrage moet worden toegekend. Daarbij dienen behoefte en draagkracht, mede gerelateerd aan de omstandigheden tijdens het huwelijk, tot maatstaf. Vaste rechtspraak van Uw Raad is dat de rechter bij het bepalen van de mede aan de welstand gerelateerde behoefte van de alimentatiegerechtigde rekening dient te houden met alle relevante omstandigheden, waaronder zowel de inkomsten als het uitgavenpatroon in de laatste jaren van het huwelijk. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. Als uitgangspunt bij de vaststelling van de behoefte geldt derhalve het welstandsniveau ten tijde van het huwelijk. Bij latere wijzigingsverzoeken kan de eerdere behoeftevaststelling een rol spelen, daar zij immers in beginsel betrekking heeft op de welstand ten tijde van het huwelijk.

In de feitenrechtspraak wordt wel uitgegaan van de figuur van het ‘verbleken’ van de behoefte van de alimentatiegerechtigde. De gedachte is dat de behoefte geacht kan worden te verminderen naarmate meer tijd verstrijkt tussen de echtscheiding en de vaststelling van een partneralimentatie, omdat de lotsverbondenheid na echtscheiding door tijdsverloop afneemt. Indien er sprake is van verbleking van de behoefte is niet langer de welstand tijdens het huwelijk maatgevend, maar wordt de behoefte bepaald op basis van de welstand direct voorafgaand aan de procedure waarin vaststelling of wijziging van de alimentatie wordt verzocht. Dit kan tot gevolg hebben dat de behoefte wordt gesteld op het bedrag waar de onderhoudsgerechtigde op dat moment van leeft en dat het op de weg van die onderhoudsgerechtigde ligt om aannemelijk te maken dat de concrete behoefte hoger ligt. Verbleking kan voor de rechter aanleiding vormen tot verlaging dan wel (gefaseerde) nihilstelling voordat de wettelijke twaalfjaarstermijn van art. 1:157 lid 4 BW is verstreken.

[…]

Het uitgangspunt dat de huwelijksgerelateerde behoefte (a priori) door enkel tijdsverloop afneemt, verdraagt zich mijns inziens niet met de hierboven genoemde vaste rechtspraak volgens welke bij de vaststelling van de behoefte rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval. Enkel tijdsverloop na de beëindiging van het huwelijk is niet bepalend voor de vaststelling van de behoefte, maar tijdsverloop kan gelden als een relevante bijkomende omstandigheid.'

6.3.23.

De rechtbank stelt, op basis van het voorgaande, vast dat verbleking van de behoefte van de alimentatiegerechtigde wel mogelijk is, maar dat het enkele tijdsverloop onvoldoende is om een verbleking van de behoefte aan te nemen. Het gerechtshof Den Haag heeft in zijn beschikking van 31 mei 20174 overwogen dat, behalve tijdsverloop, bij de beoordeling van de vraag of de behoefte van de onderhoudsgerechtigde is verbleekt ook de volgende factoren een rol kunnen spelen:

- de duur van het huwelijk;

- hoe partijen invulling hebben gegeven aan hun huwelijkse samenleving;

- of er kinderen zijn;

- het gedrag van de onderhoudsgerechtigde.

6.3.24.

De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van een verbleking van de behoefte van de vrouw. De rechtbank neemt daartoe in aanmerking dat:

- het huwelijk van partijen ongeveer 2,5 jaar heeft geduurd, van januari 2011 tot september 2013;

- het de rechtbank niet bekend is hoe lang de affectieve relatie van partijen voor het huwelijk heeft geduurd;

- de man sinds de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (26 september 2013) de verplichting heeft om partneralimentatie aan de vrouw te betalen, dat is ruim acht jaren;

- het de rechtbank niet is gebleken dat de man op enig moment niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot het betalen van partneralimentatie;

- uit het door de vrouw overgelegde behoeftelijstje blijkt dat haar behoefte nu lager is dan de eerder vastgestelde behoefte;

- de vrouw inmiddels zelf een inkomen geniet.

6.3.25.

De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, de behoefte van de vrouw opnieuw bepalen. De rechtbank ziet daarbij aanleiding om uit te gaan van het door de vrouw overgelegde behoeftelijstje, aangezien dit een goede weergave geeft van de uitgaven die de vrouw maandelijks heeft. Dit behoeftelijstje is door de man ook niet betwist.

6.3.26.

De rechtbank overweegt dat de vrouw in dit behoeftelijstje ook kosten met betrekking tot de kinderen heeft opgenomen, die onderdeel uitmaken van de behoefte van de kinderen en niet van de behoefte van de vrouw. De rechtbank zal daarom van het door de vrouw berekende totaalbedrag van € 2.551,18 per maand de volgende bedragen aftrekken:

- € 11,98 ( badminton [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] );

- € 9,00 ( mobiel [de minderjarige 1] );

- € 10,00 ( mobiel [de minderjarige 2] );

- € 30,00 ( sparen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] );

- € 20,00 ( schoolgeld);

- € 42,01 ( orthodontie [de minderjarige 1] ).

6.3.27.

De rechtbank neemt verder in overweging dat de vrouw in haar behoeftelijstje het bedrag van € 416,67 heeft opgenomen, dat zij per maand aan de man betaalt ter aflossing van haar schuld in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank zal dit bedrag niet meenemen bij het bepalen van de behoefte van de vrouw, omdat het een aflossing op een schuld aan de man betreft die niet (indirect) ten laste van hem dient te komen. Dat zou wel het geval zijn indien de behoefte van de vrouw wordt verhoogd met het bedrag dat zij aan de man betaalt. De rechtbank zal echter bij het bepalen van de behoefte van de vrouw wel rekening houden met een bedrag van € 416,67 per maand, aangezien in het behoeftelijstje geen post is opgenomen voor kleding, verzorging, cadeautjes voor feestjes e.d. en vakantie. De rechtbank acht het aannemelijk dat de vrouw daarvoor een vergelijkbaar bedrag nodig heeft.

6.3.28.

De rechtbank stelt de behoefte van de vrouw, op basis van het voorgaande, vast op een bedrag van € 2.428,19 netto per maand.

6.3.29.

Uit het voorgaande blijkt dat de vrouw een totale netto behoefte heeft van (afgerond op hele euro's) € 2.428,00 per maand. De vrouw heeft een netto besteedbaar inkomen voor partneralimentatie van € 2.348,00 per maand (zie bijgevoegde draagkrachtberekening). Haar netto aanvullende behoefte bedraagt derhalve € 80,00 per maand (totale behoefte à € 2.428,00 - eigen inkomen à € 2.348,00). De bruto aanvullende behoefte bedraagt € 157,00 per maand. Een berekening van deze bruto behoefte is aangehecht.

6.3.30.

Bij het berekenen van de draagkracht van de man ten behoeve van de partneralimentatie gaat de rechtbank, onder verwijzing naar rechtsoverweging 6.3.4. van deze beschikking, uit van een te verwachten winst van € 87.658,00 bruto per jaar. De rechtbank houdt verder rekening met de door de man aangetoonde ziektekosten. De rechtbank zal geen rekening houden met besteding van het wettelijk eigen risico, aangezien de man niet heeft aangetoond dat hij deze kosten daadwerkelijk maakt en de vrouw deze kosten heeft betwist.

6.3.31.

De rechtbank neemt verder in de berekening mee dat de man een eigen woning met een WOZ-waarde van € 307.000,00 bezit en de rente die de man betaalt over de hypothecaire lening voor deze woning.

6.3.32.

Op grond van de aangehechte draagkrachtberekening heeft de man een draagkrachtruimte van € 2.918,00 per maand. Daarvan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, zijnde een bedrag van (afgerond op hele euro's) € 1.751,00. Na aftrek van de kosten die de man moet maken voor de kinderen (à € 1.150,00), is er een bedrag van € 601,00 per maand beschikbaar voor partneralimentatie. Vermeerderd met het fiscaal voordeel volgens de methode Buijs komt dat neer op een bedrag van € 955,00 bruto per maand.

6.3.33.

Uit het voorgaande blijkt dat de man voldoende draagkracht heeft om volledig in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien. De rechtbank zal de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud daarom vaststellen op een bedrag van € 157,00 bruto per maand.

6.4.

Met betrekking tot de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatieverplichtingen

6.4.1.

Art. 1:402 BW laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatieverplichting. In het algemeen zal als uitgangspunt hebben te gelden dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijziging van de bijdrage over een periode in het verleden behoedzaam gebruik dient te maken.5

6.4.2.

De rechtbank zal de gewijzigde alimentatieverplichtingen vaststellen met ingang van 1 augustus 2021. De rechtbank overweegt daartoe dat niet is gebleken dat de man na het indienen van zijn verzoekschrift op 4 juni 2021 is gestopt met het betalen van kinder- en partneralimentatie, zodat er een terugbetalingsverplichting voor de vrouw ontstaat bij een ingangsdatum in het verleden. De rechtbank overweegt verder dat de vrouw na ontvangst van het verzoekschrift van de man op de hoogte was van een mogelijke wijziging van de door de man aan de vrouw te betalen kinder- en partneralimentatie en dat de vrouw sinds 1 augustus 2021 een nieuwe baan heeft waaruit zij inkomen ontvangt. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het redelijk is om de gewijzigde alimentatieverplichtingen in te laten gaan op 1 augustus 2021.

6.5.

Met betrekking tot de proceskosten

6.5.1.

Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

7 De beslissing

De rechtbank:

7.1.

stelt als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [de minderjarige 1] vast dat:

- in de week dat [de minderjarige 2] het hele weekend bij de man verblijft, [de minderjarige 1] van vrijdag uit school tot 20:30 uur bij de man verblijft, en

- in de week dat [de minderjarige 2] van donderdag tot vrijdag bij de man verblijft, [de minderjarige 1] van vrijdag uit school tot 19:00 bij de man verblijft;

7.2.

stelt, met ingang van 1 augustus 2021, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 2] vast op € 328,00 per maand, steeds bij vooruitbetaling te voldoen;

7.3.

stelt, met ingang van 1 augustus 2021, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] vast op € 425,06 per maand, steeds bij vooruitbetaling te voldoen;

7.4.

stelt, vast dat de man met ingang van 1 augustus 2021 een bedrag van € 157,00 bruto per maand bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;

7.5.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten dient te dragen;

7.6.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven te Groningen door mr. T. ter Brugge, lid van de kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 oktober 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden.

LWB

1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:677.

2 Hoge Raad 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:313.

3 Conclusie A-G E.B. Rank-Berenschot, ECLI:NL:PHR:2018:41, bij Hoge Raad 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:313.

4 Gerechtshof Den Haag 31 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1698.

5 Hoge Raad 20 september 2002, NJ 2003, 47.