Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:4493

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-10-2021
Datum publicatie
22-10-2021
Zaaknummer
18/750092-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor de bedrijfsmatige, dan wel grootschalige hennepteelt. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het in voorraad hebben van drukwerken die op bankbiljetten lijken. Alles afwegend acht de rechtbank ten aanzien van feit 2 een geldboete van € 750,00 en ten aanzien van feit 3, zijnde een overtreding, een geldboete van € 250,00 passend en geboden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 62
Wetboek van Strafrecht 440
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/750092-19

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 oktober 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 oktober 2021.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 februari 2019 tot en met 2 december 2019 te [pleegplaats], althans (ook) elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk, (in of naar een pand aan de [straatnaam]) heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (telkens) (in totaal) ongeveer 1021 gram hennepknipsel, zijnde een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet,

althans (telkens) een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij op of omstreeks 2 december 2019 te [pleegplaats], althans (ook elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten

- twee, althans een, (vervuilde) koolstoffilter(s), en/of

- een of meerdere droognet(ten), en/of

- 116 ( gebruikte) potten, en/of

- plantvoeding (vier stuks, Dutchpro A en/of B), en/of

- een of meerdere afzuigunits, waaronder een kistafzuiger vastgeschroefd aan de vloer, en/of

- tumble-trimmer, althans een hennepknipper/hennepknip-machine,

en/of

(een) ruimte(n) voorhanden heeft gehad, te weten twee afgetimmerde ruimtes op de zolder van de schuur geschikt voor de kweek van hennep, en/of voorzien van een gat voor de luchtafvoer/luchtslang en/of haakjes aan het plafond en/of een afzuigunit vastgeschroefd aan de vloer,

waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat voornoemde voorwerpen en/of stoffen en/of ruimte(n) bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

3.

hij op of omstreeks 2 december 2019, te [pleegplaats], althans (ook) elders in Nederland,

opzettelijk

- 30, althans een of meer bankbiljetten van 50 euro, en/of

- 1 ( een) bankbiljet van 20 euro,

dat/die hij, verdachte, zelf heeft nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, toen hij deze ontving bekend was met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij, op of omstreeks 2 december 2019 te [pleegplaats], althans (ook elders) in Nederland,

drukwerken of andere voorwerpen, te weten

- 30, althans een of meer bankbiljetten van 50 euro, en/of

- 1 ( een) bankbiljet van 20 euro,

in een vorm die ze op munt- of bankbiljetten, en/op muntspeciën doet gelijken, heeft vervaardigt, ontvangt, zich verschaft, in voorraad heeft, vervoert, invoert, doorvoert of uitvoert.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1, 2 en 3 primair.

Ten aanzien van feit 1 heeft zij aangevoerd dat het hennepknipsel in de keuken van verdachte is aangetroffen, een plek waar iemand dagelijks meermalen komt. Daarnaast stonden er in de schuur soortgelijke dozen met hennepresten en is gebleken dat de aangetroffen hennep nog niet oud was. Gelet hierop, alsook op de verklaring van zijn zoon, is de verklaring van verdachte dat hij niet wist dat er hennepknipsel in zijn keuken stond niet aannemelijk.

Ten aanzien van feit 3 primair heeft de officier van justitie aangevoerd dat in de woning van verdachte een groot bedrag aan contant geld is aangetroffen, waarvan € 1.520,00 vals bleek te zijn. Verdachte had daar ten aanzien van zowel de valsheid als het in voorraad hebben wetenschap van en heeft het valse geld niet weggegooid, maar aan zijn echtgenote gevraagd om het op te bergen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feiten 1, 2 en 3 primair. Ten aanzien van feit 3 subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat voor een bewezenverklaring moet worden vastgesteld dat het hennepknipsel zich in de machtssfeer van verdachte bevond en dat hij daarvan wetenschap had. Verdachte wist niet dat het hennepknipsel in zijn woning lag, hetgeen door de medeverdachte is bevestigd. Op pagina 1875 van het dossier is opgenomen dat verbalisant de henneplucht op het politiebureau heeft geroken. De hennep zat in afgesloten zakken. Uit het dossier volgt niet dat die doordringbare hennepgeur ook in de keuken te ruiken was.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake is van een summier onderzoek. Er zijn geen gegevens over de wattages van de aangetroffen voorwerpen, hetgeen van belang is met betrekking tot de mate van professionaliteit. Daarnaast zijn de voorwerpen op verschillende plekken aangetroffen. De politie gaat bovendien uit van een situatie waarbij het gaat om restanten van een oude kwekerij. Dat klopt tot zekere hoogte, aangezien verdachte heeft verklaard dat het ooit een in aanbouw zijnde kwekerij was en dat de aangetroffen goederen zijn blijven liggen. Artikel 11a van de Opiumwet ziet niet op dergelijke situaties, maar is gericht op het uiteindelijke doel, hetgeen ook volgt uit het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:328).

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van feit 1

Evenals de raadsman acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk 1021 gram hennepknipsel aanwezig heeft gehad, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat de doos met hennepknipsel in zijn woning aanwezig was, hetgeen is bevestigd door zijn zoon, de medeverdachte. Daarnaast blijkt uit het dossier dat er in de woning van verdachte diverse soortgelijke dozen zijn aangetroffen. Bovendien volgt uit het dossier dat de sterke geur van de hennep op het politiebureau is waargenomen. Uit het dossier blijkt niet dat deze geur ook in de woning van verdachte te ruiken was. Gelet hierop kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het hennepknipsel in zijn woning.

Vrijspraak ten aanzien van feit 3 primair

Evenals de raadsman acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 2 december 2019 het oogmerk had om de in zijn woning aangetroffen valse bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte de vervalste bankbiljetten bewust heeft laten opruimen door zijn toenmalige echtgenote, zodat deze niet uitgegeven zouden worden.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Op 2 december 2019 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden van de woning aan de [straatnaam] te [pleegplaats]. Tijdens de doorzoeking zijn meerdere goederen in beslag genomen.2 In de schuur werden op zolder twee afgetimmerde ruimtes aangetroffen. In de wand zat een gat ten behoeve van een luchtslang en in het plafond zaten haakjes geschroefd. Hier kunnen mogelijk droognetten aan hangen.3 In de ruimte waar het gat in de muur zat, stonden twee gebruikte koolstoffilters. Dit waren grote koolstoffilters.4 In beide ruimtes werd een droognet aangetroffen. In de ruimte op zolder buiten de afgetimmerde ruimtes werden ook goederen aangetroffen, die volgens de politie wijzen op de bedrijfsmatige productie van hennep. In totaal werden er door de politie 116 gebruikte potten geteld. Er stond ook plantenvoeding.5 Ook stonden er afzuigunits, waarvan een afzuigunit zat vastgeschroefd aan de vloer en een losse kistafzuiger.6 In de schuur op de begane grond werd een ‘Tumble-trimmer’ aangetroffen, waarvan de politie bekend is dat deze worden gebruikt voor het knippen van hennep.7 Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij enkele jaren eerder op de zolder van zijn schuur een kwekerij aan het bouwen was. Tevens heeft verdachte verklaard dat daar nog lampen staan, alsmede twee filters.8

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

Artikel 11a Opiumwet stelt handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van bedrijfsmatige of grootschalige hennepteelt strafbaar. Om tot een veroordeling te kunnen komen, dient eerst de vraag te worden beantwoord of de tenlastegelegde voorwerpen en ruimte bestemd waren tot het plegen van bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die voorwerpen daarvoor bestemd waren. Voor een bewezenverklaring van de bestemming als bedoeld in art. 11a Opiumwet is vereist dat de gedragingen – in dit geval het voorhanden hebben van een aantal voorwerpen – strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt, waarbij het uiteindelijke doel ten behoeve waarvan de handeling wordt verricht van belang is.

De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen volgt dat in de woning van verdachte op verschillende plaatsen veel verschillende goederen zijn aangetroffen die gebruikt worden bij de hennepteelt. Daarnaast zijn er twee afgetimmerde ruimten aangetroffen. In deze ruimten zat in de wand een gat voor de luchtafvoer, zaten haakjes in het plafond geschroefd en was een afzuigunit vastgeschroefd aan de vloer. Deze ruimten zijn naar het oordeel van de rechtbank, in combinatie met de aangetroffen koolstoffilters, droognetten, een grote hoeveelheid potten, plantvoeding, afzuigunits en een hennepknipper geschikt voor de bedrijfsmatige en/of grootschalige hennepteelt. Verdachte wist ook dat de aangetroffen ruimten en goederen daarvoor bestemd waren. Hij heeft immers verklaard dat de aangetroffen ruimten en goederen aanwezig waren, omdat daar in het verleden een in aanbouw zijnde hennepkwekerij heeft gezeten. De rechtbank overweegt dat uit de wijze waarop de ruimten en goederen zijn aangetroffen, niet blijkt dat verdachte deze weg heeft willen doen of onklaar heeft willen maken. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de goederen en ruimten op de aangetroffen wijze nog steeds bestemd zijn tot de bedrijfsmatige en grootschalige hennepteelt. Daaraan doet de stelling dat de ruimten en de goederen in het verleden zijn gebruikt niet af, omdat de goederen en ruimten op elk moment weer en zonder veel moeite in gebruik genomen konden worden.

Ten aanzien van feit 3 subsidiair

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen9 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Op 2 december 2019 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden van de woning aan de [straatnaam] in [pleegplaats]. Tijdens de doorzoeking zijn meerdere goederen in beslag genomen, waaronder geld.10 Bij het geautomatiseerd tellen van de bankbiljetten zag de politie dat de machine bij biljetten van € 50,00 haperde. Bij handmatige controle van de biljetten, onder andere door middel van stift, zag de politie dat 30 biljetten van € 50,00 vermoedelijk vals waren. Het papier van deze biljetten voelde gladder aan en bij het draaien van het biljet trad geen verkleuring op van het 50 euro teken aan de bovenzijde van het biljet. Verder zag de politie dat alle 30 biljetten voorzien waren van het serienummer S20175422632. De geldtelmachine haperde ook bij een bankbiljet van € 20,00.11 Er is forensisch onderzoek verricht naar deze 31 bankbiljetten. Dit onderzoek wees uit dat de bankbiljetten vals waren.12 Tijdens het verhoor van 11 februari 2020 heeft verdachte verklaard dat hij een aantal briefjes had laten testen en dat een aantal briefjes toen niet goed waren. Vervolgens heeft verdachte zijn vrouw gevraagd de briefjes op te ruimen. Verdachte wist dat de briefjes verstopt waren.13

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3 subsidiair

De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen volgt dat verdachte wist dat de aangetroffen bankbiljetten vals waren en dat deze nog in zijn woning aanwezig waren. Verdachte heeft immers op het moment dat hij ontdekte dat de bankbiljetten vals waren deze niet weggegooid of vernietigd, maar tegen zijn echtgenote gezegd dat zij de bankbiljetten moest opruimen en wist dat zijn echtgenote de briefjes had verstopt. Aldus kan aan hem worden verweten dat hij ze in voorraad heeft gehad.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 2 en 3 subsidiair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

2

hij op 2 december 2019 te [pleegplaats], voorwerpen heeft voorhanden gehad, te weten

- twee koolstoffilters en

- meerdere droognetten en

- 116 gebruikte potten en

- plantvoeding en

- meerdere afzuigunits en

- tumble-trimmer,

en

ruimten voorhanden heeft gehad, te weten twee afgetimmerde ruimtes op de zolder van de schuur en voorzien van een gat voor de luchtafvoer en haakjes aan het plafond en een afzuigunit vastgeschroefd aan de vloer,

waarvan hij wist dat voornoemde voorwerpen en ruimten bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

3 subsidiair

hij op 2 december 2019 te [pleegplaats], drukwerken, te weten

- 30 bankbiljetten van 50 euro en

- 1 bankbiljet van 20 euro,

in een vorm die ze op bankbiljetten doet gelijken, in voorraad heeft.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

2 Voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid/vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

3 subsidiair Drukwerken in een vorm die ze op bankbiljetten doet gelijken in voorraad hebben.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat ten aanzien van feit 3 subsidiair sprake is van afwezigheid van alle schuld. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft aangegeven dat het geld moest worden opgeruimd, hetgeen vervolgens ook is gebeurd. Verdachte wist niet waar het geld was gelaten, heeft het geld niet uitgegeven en het economisch verkeer niet in gevaar gebracht.

De vraag of alle schuld in strafrechtelijke zin ontbreekt, moet mede worden beantwoord in verband met de aard en de strekking van de strafbepaling. In dat kader is van belang dat artikel 440 van het Wetboek van Strafrecht is aangemerkt als veiligheidsmaatregel tegen de mogelijkheid van nadeel uit het bestaan van valse bankbiljetten, die met de in het artikel bedoelde bankbiljetten overeenkomst hebben.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op het feit dat hij wist dat het valse bankbiljetten betroffen, niet alle zorg heeft betracht die van hem kon worden gevergd en dat hij door het geld te laten opruimen en niet weg te gooien of te vernietigen een ongeoorloofd risico heeft genomen, zodat niet kan worden gesproken van het ontbreken van alle schuld. Door het laten opruimen van de valse bankbiljetten – in de wetenschap dat deze zouden worden verstopt – had hij deze nog op voorraad. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het artikel niet vereist dat het bezit van het valse geld bedoeld is om dat geld in omloop te brengen.

Het beroep op afwezigheid van alle schuld wordt dan ook verworpen.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1, 2 en 3 primair wordt veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafmaat.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland van 19 juli 2021, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor de bedrijfsmatige, dan wel grootschalige hennepteelt. Hennepkwekerijen veroorzaken overlast en gevaar voor de samenleving en leiden tot vele vormen van criminaliteit. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het in voorraad hebben van drukwerken die op bankbiljetten lijken. Het in voorraad houden van vals geld brengt het vertrouwen in papiergeld en het economisch verkeer schade toe.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten.

De rechtbank zal ook rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het reclasseringsrapport volgt dat verdachte zijn leven in de basis op orde heeft. Hij heeft een koopwoning, dagbesteding en een inkomen. Naast de problemen die hij sinds het overlijden van zijn vrouw in april 2019 op lichamelijk- en psychisch gebied ervaart, zijn er geen op de voorgrond staande problemen. De reclassering ziet het werk van verdachte, zijn enigszins pro-criminele houding en mogelijk het contact met zijn zoon als risico. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.

De rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie en zal daarom ook tot een andere strafoplegging komen dan is geëist.

Alles afwegend acht de rechtbank ten aanzien van feit 2 een geldboete van € 750,00 en ten aanzien van feit 3, zijnde een overtreding, een geldboete van € 250,00 passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 23, 24c, 62 en 440 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11a van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 3 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot:

betaling van een geldboete ten bedrage van € 750,00 (zegge: zevenhonderdenvijftig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door vijftien dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van € 50,00 per dag inverzekeringstelling.

en ten aanzien van feit 3 subsidiair tot:

betaling van een geldboete ten bedrage van € 250,00 (zegge: tweehonderdenvijftig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door vijf dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. G.W.G. Wijnands en

mr. B.F. Hammerle, rechters, bijgestaan door mr. C.G. Velvis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 oktober 2021.

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed of ambtsbelofte en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina’s bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met proces-verbaalnummer 2019140992, gesloten op 25 maart 2020.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1867;

3 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1869;

4 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1870;

5 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1871;

6 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1872;

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1873;

8 Proces-verbaal van verhoor, pagina 358.

9 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed of ambtsbelofte en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina’s bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met proces-verbaalnummer 2019140992, gesloten op 25 maart 2020.

10 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 2005;

11 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 2013 t/m 2014;

12 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, pagina 2021;

13 Proces-verbaal van verhoor, pagina 2026 t/m 2027.