Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:4425

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-10-2021
Datum publicatie
28-06-2022
Zaaknummer
LEE 21 - 149
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Het beroep is ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 21/149


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: A.B. Froentjes).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: Randstad Industry B.V., te Diemen.

Procesverloop

In het besluit van 4 augustus 2020 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om

een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wia) afgewezen.

In het besluit van 11 januari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft geen toestemming verleend voor het toezenden van stukken die medische gegevens bevatten aan de werkgever.

De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, Belanghebbende is niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Aangezien eiser geen toestemming heeft verleend voor het toezenden van stukken die medische gegevens bevatten aan de werkgever, kan de rechtbank in deze uitspraak en in de zittingsaantekeningen die medische stukken niet inhoudelijk weergeven en zullen zijn medische klachten en beroepsgronden - waar nodig - slechts in algemene zin worden benoemd.

2. Eiser werkte als productiemedewerker/machine-operator voor gemiddeld 34 uur per week. Eiser heeft zich op 9 augustus 2018 ziek gemeld wegens belemmerende gezondheids-klachten. Zijn dienstverband is op 31 december 2018 beëindigd. Vanaf 1 januari 2019 ontvangt eiser een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) is de ZW-uitkering - na het maken van bezwaar - toch voortgezet. Op 17 mei 2020 heeft eiser een Wia-uitkering aangevraagd.

3.1.

Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser per 6 augustus 2020 geen Wia-uitkering toegekend, omdat eiser meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Eiser is 17,52% arbeidsongeschikt (klasse: minder dan 35%). Eiser heeft verminderde functionele mogelijkheden als gevolg van ziekte of gebrek overeenkomstig de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 30 juli 2020. Zijn huidige gezondheidstoestand is geen reden meer voor een urenbeperking. De overige bij de EZWb aangenomen beperkingen zijn gehandhaafd. Allergie is toegevoegd als beperking bij fysieke aanpassingsmogelijkheden. Eiser wordt niet geschikt geacht voor zijn eigen werk, maar wel voor algemeen geaccepteerde arbeid (voorbeelden van functies zijn: archiefmedewerker, administratief medewerker notaris, advocaat, rechtbank en schadecorrespondent).

3.2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Er zijn geen verzekeringsgeneeskundige argumenten om af te wijken van de primaire beoordeling. In de aanwezige medische informatie wordt melding gemaakt van artrose in de nek met bijkomende duizeligheidsklachten, maar niet dat er andere specifieke gewrichtsproblemen in de nek zouden zijn. Er zijn dan ook geen beperkingen voor een normaal gebruik van de nek. Er is evenmin een indicatie om de nek operatief vast te zetten. Rekening houdend met de nekklachten wordt eiser op diverse punten fysiek beperkt geacht, waarmee hij zeker niet te kort wordt gedaan. Met de duizeligheid is rekening gehouden door eiser te beperken voor het werken met gevaarlijke machines. De psychische beperkingen zijn gehandhaafd. Op dit punt is er geen reden om aanvullende beperkingen aan te nemen. Er is ook niet langer sprake van een urenbeperking, omdat zijn huidige toestand daartoe geen aanleiding meer geeft.

4. Eiser voert aan dat hij duidelijk en meermalen heeft aangegeven ziek te zijn. Hij is nimmer grondig lichamelijk onderzocht door een verzekeringsarts. Deze heeft nimmer contact met zijn huisarts opgenomen. Eiser heeft last van diverse fysieke en psychische klachten, maar de gehanteerde diagnoses zijn niet correct. Zo had er bijv. artrose van de nek moeten worden gediagnosticeerd in plaats van artrose aan de wervelkolom. Zijn (duizeligheids)klachten zijn als gevolg van een instabiele nek verergerd, te meer nu hij ook last heeft gekregen van andere aandoeningen. Hij voelt zich niet in staat om 40 uur per week te werken volgens een FML die nergens op is gebaseerd. Hij kan de geselecteerde banen daarom ook niet vervullen.

5. Verweerder verwijst naar het medisch rapport van 19 maart 2021, waarin staat dat eiser vanaf zijn ziekmelding tweemaal in het kader van de EZWb is gezien door verzekeringsarts [arts 1] . Hij heeft op 4 oktober 2019 de FML vastgesteld, die nu de basis van de huidige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling vormt. Bij de EZWb werd eiser in staat geacht tot beperkt stresserend en beperkt fysiek belastend werk met een urenbeperking vanwege de zorg voor ernstig zieke partner. De primaire verzekeringsarts [arts 2] heeft eiser met diens instemming op 29 juli 2020 telefonisch gehoord. Zij beschikte over het gehele dossier, dus inclusief de informatie van de behandelende sector, te weten: een brief van de huisarts [huisarts] van 21 februari 2019 en een brief van KNO-arts [arts 3] . Zij concludeerde dat een urenbeperking - gezien de verbeterde privé-situatie - niet meer van toepassing was. Zij handhaafde de overige beperkingen, die waren vastgesteld door een verzekeringsarts die eiser wel zelf heeft onderzocht. Voor zover eiser achteraf ontevreden is over het telefonisch spreekuurcontact, is dat in bezwaar hersteld doordat de verzekeringsarts bewaar en beroep eiser tijdens het spreekuur/hoorzitting van 16 november 2020 zelf in persoon heeft gezien en gesproken. Daarbij zijn alle medische klachten nogmaals besproken. Tevens werd kennisgenomen van de informatie die eiser zelf (in meerdere brieven en e-mails) had ingebracht. In de FML van 4 oktober 2019 is reeds rekening gehouden met alle medische klachten of gestelde diagnoses (zo ook de tinnitus, duizeligheid en nystagmus bij artrose in de nek). Uit de informatie van de KNO-arts kwam toen geen instabiele nek naar voren. De ontkenning van eiser dat er sprake is van psychische surmenage bevestigt dat de privé-situatie nu beter gaat. Er bestaat daarom geen indicatie meer voor een urenbeperking. De overige gezondheidsklachten of aandoeningen, waarvan eiser nu melding maakt, zijn nieuw en niet eerder door hem naar voren gebracht (ook niet tijdens de hoorzitting), zodat daarmee geen rekening wordt gehouden.

6. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder terecht eiser een Wia-uitkering heeft onthouden.

6.1.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser op het toetsmoment (6 augustus 2020) terecht is vastgesteld op 17,52% oftewel (klasse) minder dan 35%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroeps-gronden te toetsen of de medische beperkingen correct zijn vastgesteld en of eiser, rekening houdend met zijn beperkingen, in staat moet worden geacht met gangbare arbeid ten minste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

6.2.

Volgens vaste rechtspraak moet in dit verband onder arbeidsongeschiktheid worden verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9759). De beoordeling van de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidsdeskundig onderzoek.

6.3.

De rechtbank stelt voorop dat niet gebleken is dat de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken van de verzekeringsartsen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen.

Uit het medisch rapport van de primaire verzekeringsarts van 30 juli 2020 blijkt dat zij de dossiergegevens heeft bestudeerd en eiser met diens instemming tijdens een telefonisch spreekuurcontact op 29 juli 2020 heeft gesproken. De medische voorgeschiedenis van eiser en de relevante omstandigheden van zijn ziekte(n) of aandoening(en) zijn daarin uitgebreid beschreven. Uit de medische rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 januari 2021 blijkt dat hij - naast dossierstudie - eiser tijdens de hoorzitting op 16 november 2020 heeft gezien en gesproken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vond het niet nodig om aanvullende informatie bij de huisarts van eiser in te winnen, omdat er al voldoende informatie beschikbaar is (van huisarts inbegrepen). Indien eiser wel relevante informatie van de huisarts zou hebben gehad, had hij deze ook zelf kunnen inbrengen. Daar komt bij dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook in beroep met zijn aanvullend medisch rapport van 19 maart 2021 nog tijdig en adequaat heeft gereageerd op de tijdens dit geding door eiser aangevoerde argumenten.

6.4.

De stelling van eiser dat hij in deze zaak niet door een verzekeringsarts lichamelijk is onderzocht, is op zich juist, maar leidt niet tot het ermee beoogde doel. Daartoe acht de rechtbank van belang dat de verzekeringsarts [arts 1] ten tijde van de EZWb eiser eenmaal lichamelijk heeft onderzocht en tweemaal heeft gezien en gesproken. De toen door hem vastgestelde FML (4 oktober 2019) vormt de basis van de huidige arbeidsongeschiktheids-beoordeling. Daarvan zijn ook de primaire verzekeringsarts [arts 2] en de verzekerings-arts bezwaar en beroep [arts 4] van uit gegaan. Voor hen bestond daarom niet per sé de noodzaak om eiser nogmaals lichamelijk te onderzoeken. Niet gebleken is dat eiser daardoor is benadeeld. Temeer niet nu eiser in beroep geen objectief verifieerbare medische informatie heeft ingebracht op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat hij per toetsmoment meer (medisch) beperkt is dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Wat door eiser als een beperking wordt ervaren, kan niet als een beperking in de zin van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling worden aangemerkt, maar eerder als een door hem ervaren belemmering in zijn functioneren die een medisch objectieve grond ontbeert. Dat eiser zich niet begrepen voelt, is een subjectief gevoel, wat niet leidt tot een ander oordeel.

6.5.

Gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder de medische rapportages van de primaire verzekeringsarts van 30 juli 2020 en van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 januari 2021 en 19 maart 2021 zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de medische beperkingen, zoals opgenomen in de FML van 30 juli 2020, voor eiser niet juist zijn vastgesteld. Er is in voldoende mate rekening gehouden met de fysieke en psychische klachten. Op basis van deze klachten zijn diverse beperkingen aangenomen. Eiser heeft zelf geen medische informatie verstrekt, waaruit een ander klachtenpatroon en/of ziekteoorzaak of -beeld naar voren komt dan waar reeds van uit is gegaan. Ook overigens heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat op het toetsmoment sprake was van verdergaande klachten en/of beperkingen dan die welke in de FML zijn opgenomen. De medische aandoeningen geven geen indicatie meer voor de geclaimde urenbeperking. Daarom heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep deugdelijk gemotiveerd en consistent en inzichtelijk aangegeven dat er geen verzekeringsgeneeskundige argumenten zijn om af te wijken van het primaire oordeel.

6.6.

Gelet hierop bestaat er geen aanleiding om te twijfelen aan de voor eiser vastgestelde belastbaarheid of mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank ziet dan ook geen grond om te oordelen dat eiser de werkzaamheden die bij de geduide functies behoren, in medisch opzicht niet zou kunnen verrichten. Het bestreden besluit berust dan ook op een toereikende medische grondslag. Er is daarom aanleiding om de verzekeringsartsen te volgen in hun standpunt dat eiser - gelet op zijn medische beperkingen - gangbare (algemeen op de arbeidsmarkt voorkomende) arbeid kan verrichten. De beroepsgronden slagen niet.

7. Eiser heeft geen inhoudelijke gronden van beroep aangevoerd tegen de arbeidsdeskundige beoordeling.

8. Geoordeeld moet dan ook worden dat eiser, met zijn krachten en bekwaamheden, op het toetsmoment in staat is algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten die qua belasting in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde medische beperkingen.

9. Op basis van de bij deze geselecteerde functies behorende (theoretische) verdiencapaciteit moet de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser op 17,52% (klasse: minder dan 35%) worden gesteld.

10. Gelet hierop heeft verweerder terecht geen Wia-uitkering aan eiser toegekend per

6 augustus 2020.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. van der Werff, rechter, in aanwezigheid van

B. de Vogel, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.