Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:4320

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-10-2021
Datum publicatie
29-10-2021
Zaaknummer
LEE 21/109
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning. Aanleg van pad wordt niet mogelijk gemaakt door bestreden besluit. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 21/109


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] ,

[eiser 3] en

[eiser 4] en [eiser 5], allen te [plaats] , eisers

(gemachtigde: mr. J.G.L. van Nus),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Nuijens).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: de gemeente Veendam, derde

(gemachtigde: mr. M. Nuijens).

Procesverloop

In het besluit van 7 mei 2020 (primair besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor diverse werkzaamheden op en rond Sportpark de Langeleegte te Veendam.

In het besluit van 24 november 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben bij brief van 12 april 2021 een aanvullend stuk ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2021 op zitting behandeld. [eiser 4] en [eiser 5] en [eiser 1] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder en derde hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

De gemeente Veendam ontwikkelt een Leer- en Sportpark bij het stadion de Langeleegte. Hiervoor is op 6 juli 2020 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld. Ten westen van dit sportpark ligt een begraafplaats. Deze begraafplaats wordt mogelijk uitgebreid met, onder andere, een crematorium. Hiervoor is op 26 januari 2021 een omgevingsvergunning verleend. Eisers wonen ten zuiden van het sportpark.

1.2.

Op 4 februari 2020 heeft Sweco Nederland BV, namens de gemeente Veendam, een omgevingsvergunning aangevraagd voor de realisatie van het sportpark. De aanvraag ziet op de volgende activiteiten in de zin van artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo):

i. graaf- en egalisatiewerkzaamheden ten behoeve van het parkeerterrein (werk of werkzaamheden uitvoeren);

ii. herinrichten van de kruising Langeleegte-Korteleegte (uitrit veranderen);

iii. verleggen van de toegangsweg naar Sportpark De Langeleegte (weg veranderen);

iv. het plaatsen van 6 lichtmasten (bouwen);

v. het realiseren van een brug over de wielerbaan (bouwen);

vi. het plaatsen van ballenvangnetten (bouwen);

vii. het realiseren van een brug over de wielerbaan en sloot (bouwen).

1.3.

Op 7 mei 2020 is de omgevingsvergunning verleend.

1.4.

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Verweerder heeft het bezwaarschrift, op advies van de bezwaarschriftencommissie, op 24 november 2020 gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De niet-ontvankelijkverklaring ziet op de bezwaren die eisers hadden vanwege de negatieve effecten op flora en fauna.

2. Het beroep van eisers richt zich tegen de aanleg van een pad dat vanaf de parkeerplaats van het sportpark naar de begraafplaats loopt. Eisers vrezen aantasting van hun woon- en leefgenot door de aanleg van dit pad.

2.1.

De rechtbank beoordeelt of de beslissing op het bezwaarschrift stand kan houden. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.

2.2.

De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wettelijke regels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

3. Eisers voeren, kortgezegd, aan dat de aanleg van het pad onderdeel is van de verleende omgevingsvergunning omdat het op de tekeningen behorend bij de aanvraag is aangeduid. Hetzelfde geldt voor de duiker in de sloot tussen de begraafplaats en het sportpark. Het gebruik van het pad is volgens eisers strijdig met de ter plaatse geldende bestemming ‘Sport’, omdat het pad niet alleen voor het sportpark, maar ook ten behoeve van de begraafplaats en het crematorium wordt aangelegd. Dit strijdige gebruik vergt volgens eisers een belangenafweging die in het voordeel van eisers zou moeten uitvallen. Het pad kan bovendien niet worden aangelegd zonder bosplantsoen te kappen en daarom is de verleende omgevingsvergunning niet uitvoerbaar. Volgens eisers is er verder sprake van gebrekkige communicatie vanuit de kant van de verweerder, en is de besluitvorming daarom onzorgvuldig.

3.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verleende omgevingsvergunning niet gaat over de aanleg van het pad en de duiker. Daarom kunnen de aangevoerde gronden geen doel treffen. Verder meent verweerder dat er op verschillende momenten in het proces informatie is verstrekt aan omwonenden.

3.2.

De rechtbank is het met verweerder eens dat met de omgevingsvergunning van 4 februari 2020 de aanleg van het pad niet mogelijk wordt gemaakt. Voor aanlegwerkzaamheden op de plaats waar het pad mogelijk komt is op grond van de ter plaatse geldende bestemmingsplannen “Buitenwoel” en “Leer- en sportpark Veendam” geen omgevingsvergunning vereist. Eisers hebben ook voor het overige niet duidelijk kunnen maken waarom voor de aanleg van het pad een omgevingsvergunning vereist zou zijn. Dat brengt met zich mee dat, voor zover eisers van mening zijn dat het pad, na aanleg, niet gebruikt zou mogen worden ten behoeve van de begraafplaats, dit in deze procedure niet aan de orde kan komen. Omdat alle beroepsgronden gaan over de aanleg van het pad bespreekt de rechtbank deze niet verder.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van mr. A.P. Voorham, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…]

Artikel 2.2

1Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

[…]

d. een weg aan te leggen of verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg, voor zover daarvoor tevens een verbod geldt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b,

e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen,

[…]

geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Artikel 2.11

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is of in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Indien sprake is van strijd met de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.