Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:4288

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-10-2021
Datum publicatie
06-10-2021
Zaaknummer
C 17/179266/ KG ZA 21/129
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbesteding. Inkoop voor ambulant en intramuraal beschermd wonen door middel van open house-procedure op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Hanteert de gemeente reële prijzen als bedoeld in Uitvoeringsbesluit Wmo 2015? Niet is komen vast te staan dat de gemeente de wijze waarop zij de tarieven heeft vastgesteld onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt of dat de gemeente bij de vaststelling van de tarieven onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd. Het gevorderde verbod om de inkoopprocedures voort te zetten wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2021/1700
JAAN 2021/205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C17/179266/ KG ZA 21/129

Vonnis in kort geding van 6 oktober 2021

in de zaak van

de stichting

STICHTING GGZ FRIESLAND,

gevestigd te Leeuwarden,

eiseres,

advocaten mr. J.J. Rijken en mr. M.E. Jannink, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE LEEUWARDEN,

zetelend te Leeuwarden,

gedaagde,

advocaat mr. G.E. van den Beuken, kantoorhoudende te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna GGZ en de Gemeente worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    een akte houdende nadere onderbouwing vorderingen met producties

  • -

    de conclusie van antwoord met producties

  • -

    de aankondiging wijziging van eis met producties

  • -

    een akte overlegging producties van de Gemeente

  • -

    de mondelinge behandeling van 17 september 2021

  • -

    de pleitnota van de zijde van GGZ

  • -

    de pleitnota van de zijde van de Gemeente.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Gemeenten zijn krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) verantwoordelijk voor het bieden van maatschappelijke ondersteuning aan mensen met beperkingen binnen het sociaal domein.

2.2.

De Gemeente is eind 2020 twee inkoopprocedures gestart. Zij heeft daarvoor het onderzoeksbureau HHM (hierna te noemen HHM) ingeschakeld. Het gaat om de inkoopprocedure Ambulant Beschermd wonen 2022 e.v. en de inkoopprocedure Intramuraal Beschermd wonen 2022 e.v. De opdrachten hebben betrekking op het leveren van ondersteuning bij wonen in het kader van de Wmo 2015. De Gemeente treedt bij deze inkoopprocedures op als 'centrumgemeente' namens de gemeenten Achtkarspelen, Ameland, Dantumadiel, De Fryske Marren, Harlingen, Heerenveen, Leeuwarden, Noardeast-Fryslân, Ooststellingwerf, Opsterland, Schiermonnikoog, Smallingerland, Súdwest-Fryslân, Terschelling, Tytsjerksteradiel, Vlieland, Waadhoeke en Weststellingwerf.

2.3.

GGZ levert op dit moment in bovengenoemde gemeenten onder meer diensten in het kader van de Wmo 2015, zoals beschermd wonen. Een deel van de intramuraal en ambulant wonen cliënten is per 1 januari 2021 uitgestroomd naar de Wet langdurige zorg (Wlz). De huidige zorgcontracten voor beschermd wonen lopen af per 31 december 2021.

2.4.

De Gemeente heeft voor de inkoop gekozen voor de 'open-house'-procedure. Daarbij worden raamovereenkomsten gesloten met elke zorgaanbieder die overeenkomstig vooraf opgestelde zorgcriteria zorg kan leveren. In beginsel wordt elke zorgaanbieder die aan de door de Gemeente vooraf gestelde voorwaarden voldoet toegelaten. Onderdeel van de inkoopprocedures zijn vaste door de Gemeente vastgestelde tarieven, die jaarlijks worden geïndexeerd. GGZ is één (en de grootste) van de 90 geïnteresseerde zorgaanbieders.

2.5.

De Gemeente heeft besloten de opdracht voor Beschermd wonen in te kopen op basis van twee raamovereenkomsten in plaats van één, namelijk een raamovereenkomst voor intramurale ondersteuning (voor de duur van twee jaar, driemaal te verlengen met een jaar) en een raamovereenkomst voor ambulante ondersteuning (voor de duur van één jaar, eveneens driemaal te verlengen met een jaar). Daarbij is gekozen voor de volgende vier producten binnen de twee raamovereenkomsten:

Beschermd wonen intramuraal:

- Intramuraal Beschermd wonen;

- Nazorg.

Beschermd wonen Ambulant:

- JongThuis;

- ThuisBasis.

Aan deze producten zijn steeds twee intensiteiten gekoppeld: intensiteit A (in te zetten bij cliënten met een lichtere zorgzwaarte en ondersteuningsbehoefte) en intensiteit B (in geval van een zwaardere zorgzwaarte en ondersteuningsbehoefte).

Daarnaast is er sprake van twee aanvullende modules, die alleen in combinatie met een product kunnen worden ingezet, te weten Dagbesteding (Intramuraal en Ambulant) en Verblijf kind bij ouder (Intramuraal).

2.6.

De Gemeente heeft voor de inkoopprocedures HHM ingeschakeld voor het verrichten van een kostprijsonderzoek. In dat kader zijn door de Gemeente en HHM consultatierondes georganiseerd voor geïnteresseerde zorgaanbieders.

2.7.

De Gemeente heeft op 13 april 2021 beide inkoopprocedures gepubliceerd (Negometrix kenmerk 174643 voor de inkoopprocedure Ambulant Beschermd wonen 2022 e.v. en Negometrix kenmerk 168221 voor de inkoopprocedure Intramuraal Beschermd wonen 2022 e.v.). GGZ heeft in de eerste Nota van Inlichtingen (NvI) vragen gesteld aan de Gemeente met betrekking tot de onderbouwing van de tarieven. In de tweede NvI heeft GGZ vervolgvragen gesteld. Daarnaast heeft zij voor beide inkoopprocedures op 4 juni 2021 een klacht ingediend.

2.8.

De Gemeente heeft naar aanleiding van de gestelde vragen in de NvI de berekeningen die ten grondslag lagen aan de rapporten van HHM aan de zorgaanbieders verstrekt. Bij de beantwoording van de vragen in de tweede NvI heeft de Gemeente de groepsgrootte bij de module dagbesteding aangepast van 8-10 personen naar 7-9 personen. Daarnaast heeft de Gemeente gekozen voor een apart tarief voor noodzakelijk vervoer naar de dagbestedingslocatie (dat eerst werd verondersteld in de tarieven te zijn opgenomen).

2.9.

Op 18 juni 2021 heeft de Gemeente inhoudelijk gereageerd op de klachten van GGZ.

2.10.

Op 13 september 2021 heeft de Gemeente aan alle geïnteresseerde zorgaanbieders laten weten dat de groepsgrootte bij de module dagbesteding intensiteit B is aangepast naar 6-8 personen (gemiddeld 7 personen). Daarnaast heeft zij aangegeven dat moet worden uitgegaan van een slaapwacht van 9 uur (in plaats van 11 uur) op een groep van 8 cliënten.

3 Het geschil

3.1.

GGZ vordert - na wijziging van eis - dat het de voorzieningenrechter behage:

I. (primair) de Gemeente te verbieden de inkoopprocedures voort te zetten, tenzij zij de hierna te noemen tarieven ten aanzien van de daarbij te noemen onderdelen van de onderbouwing zodanig wijzigt althans zodanig nader onderbouwd dat deze in lijn zijn met de eis van reële tarieven, het proportionaliteitsbeginsel en het transparantiebeginsel:

a. de tarieven voor Intramuraal Beschermd wonen Intensiteit A en B, ten aanzien van

i. de daling van de tarieven in relatie tot het karakter van de doelgroep (akte, par. V.2.1);

ii. de in de tarieven verdisconteerde aantal uren begeleiding (akte, par. V.2.2);

iii. de berekening van de kosten van de slaapwacht (akte, par. V.2.3);

iv. de keuze voor en slaapwacht in plaats van een wakende wacht (akte, par. V.2.4)

v. de keuze van zorgprofielen uit de Wlz voor de kosten van wonen (akte, par. V.2.5

vi. de keuze van zorgprofielen uit de Wlz voor de kosten van hotelmatige voorzieningen (akte, par. V.2.6);

vii. de in de kosten van hotelmatige voorzieningen opgenomen posten en het niet indexeren van deze kosten van hotelmatige voorzieningen (akte, par. V.2.7);

b. de tarieven voor ThuisBasis intensiteit A, ten aanzien van de daling van de tarieven bij een gelijkblijvende doelgroep (akte, par. V.3);

c. de tarieven voor JongThuis intensiteit A en B, ten aanzien van het in de tarieven verdisconteerd aantal uren begeleiding (akte, par. V.4);

d. de tarieven voor Intramurale dagbesteding en Ambulante dagbesteding, ten aanzien van

i. de daarin verdisconteerde groepsgrootte (akte, rnrs. 152-160);

ii. het niet vergoeden van de materiaalkosten (akte, rnr. 161);

iii. de berekening van de NHC/NIC-component (akte, rnrs. 162-165);

II. (subsidiair) iedere maatregel te treffen die in goede justitie redelijk is en recht doet aan de belangen van GGZ;

III. (primair en subsidiair) de Gemeente te veroordelen in de kosten van het geding een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te dezen te wijzen vonnis, en - voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

IV. (primair en subsidiair) met verklaring dat de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad zullen zijn.

3.2.

De Gemeente concludeert tot niet-ontvankelijkheid van GGZ in haar vorderingen, althans tot afwijzing van het gevorderde. De Gemeente verzoekt voorts om GGZ te veroordelen in de kosten van deze procedure met verklaring dat deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het in deze te wijzen vonnis.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Wijziging van eis

4.1.

Nu de Gemeente geen bezwaar heeft gemaakt tegen de wijziging van eis en de voorzieningenrechter ook ambtshalve geen aanleiding ziet deze wijziging van eis op grond van de goede procesorde buiten beschouwing te laten, zal de voorzieningenrechter recht doen op de gewijzigde eis.

Spoedeisend belang

4.2.

Het spoedeisend belang van GGZ bij de gevraagde voorzieningen staat tussen partijen niet ter discussie en volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de aard van de vordering.

Het toetsingskader

4.3.

Op 1 juni 2017 is het Besluit van 10 februari 2017, houdende regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening en de continuïteit van de hulpverlening tussen de cliënt en de hulpverlener (hierna te noemen de AMvB reële prijs Wmo 2015 of de AMvB) in werking getreden. De AMvB heeft het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 gewijzigd, in die zin dat daaraan een nieuw artikel 5.4. is toegevoegd. Dit artikel bepaalt (voor zover van belang):

1. De gemeenteraad regelt bij verordening als bedoeld in artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet, in ieder geval dat het college, voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet, vaststelt:
a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of
b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van
een overeenkomst met de derde.

(…..)

3. Bij verordening als bedoeld in artikel 2.6.6., eerste lid, van de wet wordt geregeld dat de vaste prijs of de reële prijs voor een dienst ten minste is gebaseerd op de volgende kostprijselementen:

a. de kosten van de beroepskracht;

b. redelijke overheadkosten;

c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

d. reis en opleidingskosten;

e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; en

f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

Vorenbedoelde gemeenten hebben een dergelijke verordening vastgesteld.

4.4.

Niet is geschil is dat de AMvB van toepassing is op de door de Gemeente georganiseerde open-house-procedure voor de inkoop van Beschermd wonen. Evenmin is in geschil dat alle in artikel 5.4. lid 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 genoemde kostprijselementen in de door de Gemeente vastgestelde tarieven voor de gevraagde zorg zijn verdisconteerd.

4.5.

De Gemeente moet op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 op basis van relevante kostprijselementen reële prijzen vaststellen om de kwaliteit en continuïteit van de dienstverlening te waarborgen en de zorgaanbieder in staat te stellen aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen te kunnen voldoen. De Gemeente dient reële tarieven voor de in te kopen zorg vast te stellen die niet disproportioneel zijn en zijn gebaseerd op zorgvuldig onderzoek (vgl. gerechtshof 's-Hertogenbosch 30 oktober 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4534). Bij een beoordeling in rechte van de rechtmatigheid van de tarieven moet worden nagegaan of de Gemeente ter motivering daarvan inzicht heeft gegeven in haar bevindingen en afwegingen (vgl. vrz. Rb. Noord-Holland 3 november 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:9242). De Gemeente moet op grond van het proportionaliteitsbeginsel bij de vaststelling van een reële kostprijs blijk geven van een redelijke beoordeling en afweging van belangen (waaronder die van aanbieders) (vgl. vrz. Rb. Den Haag 22 oktober 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:11096). De vastgestelde tarieven behoeven niet voor alle potentiële zorgaanbieders kostendekkend te zijn. Wel moeten de tarieven reëel zijn. Dat betekent dat bij de vaststelling van de tarieven rekening moet worden gehouden met de sectorale uitvoeringswerkelijkheid (de praktijk) en de kostprijs van een 'redelijk efficiënt functionerende aanbieder'. Hoewel de 'open-house'- procedure buiten het toepassingsbereik van de Aanbestedingswet valt, zijn wel de fundamentele beginselen van het aanbestedingsrecht, zoals de beginselen van transparantie en proportionaliteit, van toepassing. De stelplicht en bewijslast van haar stelling dat de Gemeente geen reële prijzen hanteert rust op GGZ (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:437).

De bezwaren van GGZ

4.6.

De bezwaren van GGZ richten zich in de eerste plaats op de aanpak van HHM en de Gemeente, waarbij geen kostprijsgegevens zijn opgevraagd bij de Wmo-aanbieders, maar waarbij HHM relevante parameters heeft vastgesteld op basis van productbeschrijvingen en benchmarks. In consulatierondes konden zorgaanbieders input geven op de door HHM berekende parameters. Dit was volgens GGZ problematisch omdat (i) de presentaties van HHM met betrekking tot de parameters weinig onderbouwing lieten zien, (ii) de zorgaanbieders werd verzocht input te gegeven op de parameters terwijl op dat moment de productomschrijvingen nog een concept-status hadden en (iii) de parameters wel werden gedeeld met de zorgaanbieders, maar niet de daaruit volgende tarieven.

4.7.

De Gemeente heeft in haar conclusie van antwoord een toelichting gegeven op de huidige vier percelen en de daarbij behorende pakketten (a t/m p) en aanvullende modules voor Beschermd wonen. In de huidige raamovereenkomst heeft de Gemeente er voor gekozen om aan de wettelijke definitie van Beschermd wonen (artikel 1.1.1. Wmo 2015) toe te voegen dat er sprake moet zijn van psychiatrische problematiek. Er zijn vaste tarieven per pakket gehanteerd, die zijn gebaseerd op de oude tarieven uit de AWBZ. Onder de huidige raamovereenkomst is het aan de zorgaanbieder om te bepalen hoe zij het met het pakket beoogde resultaat wil bereiken en hoeveel tijd daarvoor nodig is bij een specifieke cliënt. In de omschrijving van de pakketten staat niets vermeld over de intensiteit van de ondersteuning en/of de hoeveelheid uren inzet die volgens de Gemeente nodig is om de doelen te behalen. Zorgaanbieders bepalen hun inzet te vaak op basis van de vaste tarieven voor een bepaald pakket in plaats van op basis van de intensiteit van de ondersteuning die daadwerkelijk nodig is om het beoogde doel te bereiken, aldus de Gemeente.

4.8.

Juist omdat de afgelopen jaren zoveel te doen is geweest over de vaststelling van reële tarieven in het sociaal domein, heeft de Gemeente, zo stelt zij, de scope en de opzet van de opdracht voor Beschermd wonen opnieuw gedefinieerd en de tarieven extra zorgvuldig vastgesteld. Daarbij heeft de Gemeente de gemiddelde aantallen uren die nodig zijn om bepaalde ondersteuning te leveren tot uitgangspunt genomen. Als gevolg hiervan zijn de huidige opdracht en de nieuwe opdrachten niet goed met elkaar te vergelijken. De Gemeente heeft een kostprijsonderzoek laten uitvoeren door een onafhankelijk en deskundig bureau en meerdere marktconsultaties georganiseerd. De uitkomsten en bevindingen daarvan zijn met alle geïnteresseerde zorgaanbieders gedeeld en alle 90 geïnteresseerde zorgaanbieders konden zich daarin vinden, behalve GGZ.

4.9.

Voorts heeft de Gemeente een toelichting gegeven op de wijze waarop het door haar ingeschakelde bureau HHM het kostprijsonderzoek heeft ingericht. HHM heeft onder andere onderzoek verricht op basis van diverse nader genoemde bronnen. HHM heeft geen kostprijzen bij de zorgaanbieders opgevraagd omdat uit eerdere kostprijsonderzoeken in de zorg naar voren was gekomen dat de kostprijzen van zorgaanbieders voor wat betreft alle kostprijselementen van elkaar verschillen. Bovendien zou zij daarmee de indruk hebben gewekt dat de uitkomsten daarvan direct konden worden vertaald naar de vaststelling van de tarieven. Er is op 26 november 2020 (digitaal) een algemene marktconsulatie gehouden. De Gemeente heeft een verslag hiervan toegezonden aan alle geïnteresseerde zorgaanbieders. Daarbij zijn de zorgaanbieders in de gelegenheid gesteld aanvullende opmerkingen te plaatsen. Van deze mogelijkheid heeft GGZ gebruik gemaakt, waarbij zij opmerkingen heeft geplaatst met betrekking tot ambulantisering, uitstroom en het woonplaatsbeginsel. Op aanvullende vragen van de Gemeente aan de zorgaanbieders over de inzet van de begeleiding en ondersteuning die nodig is om de zorg te kunnen leveren die onderdeel uitmaakt van het huidige pakket ThuisPLUS heeft GGZ niet gereageerd. In een gezamenlijke marktconsulatie van 21 januari 2021 (eveneens digitaal) heeft HHM haar plan van aanpak om tot vaststelling van reële tarieven te komen toegelicht. Vervolgens heeft de Gemeente in overleg met HHM de concept productbeschrijvingen opgesteld, waarna deze op 11 februari 2021 met de geïnteresseerde zorgaanbieders zijn gedeeld. De Gemeente heeft daarbij de zorgaanbieders de gelegenheid geboden schriftelijk op de concepten te reageren. GGZ heeft bij brief van 23 februari 2021 gereageerd op het concept productenboek beschermd wonen vanaf 2022, waarbij zij heeft aangegeven dat zij zich in grote lijnen kon vinden in de concept productbeschrijvingen. Wel had zij een paar vragen met betrekking tot de mogelijke verzwaring van de doelgroep, de bandbreedtes in uren bij verschillende producten, uitstroom en samenwerking rondom de toegang. Op basis van de input van GGZ en de andere zorgaanbieders heeft de Gemeente de concept productbeschrijvingen aangepast. Op 25 maart 2021 hebben HHM en de Gemeente wederom een digitale marktconsulatie georganiseerd, waarbij de parameters zijn besproken. Een afschrift van de presentatie is naar de zorgaanbieders toegezonden, waarbij zij in de gelegenheid zijn gesteld te reageren. GGZ heeft hierop gereageerd met opmerkingen over de vereiste slaapwacht, het blijvend wonen in een woning van een zorgaanbieder bij ThuisBasis en de doelgroep voor het product JongThuis. Vervolgens heeft HHM conceptrapporten opgesteld, welke op 2 maart 2021 met alle geïnteresseerde zorgaanbieders zijn gedeeld en waarbij zij in de gelegenheid zijn gesteld feedfack te geven. GGZ heeft hier gebruik van gemaakt. De Gemeente en HHM hebben de input verwerkt en op een reactieformulier toegelicht waarom iets niet is aangepast. Vervolgens is op 13 april 2021 de opdracht gepubliceerd.

4.10.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door de Gemeente gevolgde procedure voldoende zorgvuldig is geweest. De Gemeente werkt voor het eerst met de nieuwe definitie van Beschermd wonen, zonder de toevoeging dat er sprake moet zijn van psychiatrische problematiek, zo blijkt uit de toelichting van de Gemeente. Zij is ook een van de eersten die met de uitstroom naar de Wlz werkt, zo heeft zij onweersproken gesteld. Gelet daarop stond het naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de Gemeente vrij om te kiezen voor het vaststellen van parameters op basis van nieuw op te stellen productbeschrijvingen, om uiteindelijk op basis daarvan de tarieven vast te stellen. Daarbij heeft de Gemeente de uitsplitsing van kostprijselementen die is opgenomen in de AMvB en in haar eigen verordening tot uitgangspunt genomen. De Gemeente heeft daarbij het veld van geïnteresseerde zorgaanbieders om input gevraagd door het organiseren van diverse marktconsultaties. Uit de door de Gemeente verstrekte toelichting is voldoende gebleken dat de zorgaanbieders daarbij input konden gegeven zonder concurrentiegevoelige informatie prijs te geven. Men mocht immers na iedere consultatieronde schriftelijk reageren. GGZ heeft van die gelegenheid ook meermalen gebruik gemaakt. De voorzieningenrechter zal dan ook voorbijgaan aan de stelling van GGZ dat de marktconsultaties geen goed instrument zijn geweest voor het vaststellen van de tarieven.

4.11.

De (inhoudelijke) bezwaren van GGZ komen erop neer dat de Gemeente enerzijds de wijze waarop zij de tarieven heeft vastgesteld onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt, en anderzijds dat zij bij de vaststelling van de tarieven onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd. De voorzieningenrechter zal in het navolgende ingaan op deze bezwaren van GGZ getoetst aan het hiervoor weergegeven toetsingskader.

- Beschermd Wonen Intramuraal -

4.12.

GGZ verzoekt wijziging van de tarieven in relatie tot het karakter van de doelgroep (vordering I. sub a onder i). Volgens GGZ is er sprake van verzwaring van de doelgroep omdat er bij de nieuwe intensiteiten als sprake is van een (mogelijke) combinatie van psychische problematiek met gedragsproblematiek, terwijl bij het huidige pakket C daarvan voor het eerst sprake is. Daarnaast zorgt de afbouw van bedden in klinieken en forensische zorg en kortere opname perioden dat personen die voor Beschermd Wonen Intramuraal in aanmerking komen minder stabiel zijn, waardoor medewerkers te maken krijgen met zwaardere problematiek in de beschermd wonen voorziening. Daarnaast is er volgens GGZ sprake van een toenemende mate van comorbiditeit bij cliënten en een toenemende mate van geweldsincidenten naar aanleiding van gedragsproblematiek en middelengebruik bij de doelgroep. De cliënten die wonen bij GGZ zijn ook altijd in behandeling voor psychiatrische problematiek. GGZ betwist dat de cliënten met de 'zwaarste' problematiek zijn doorgestroomd naar de Wlz. De tarieven stellen specialistische aanbieders niet in staat om de benodigde zorg te leveren.

4.13.

De Gemeente heeft een en ander gemotiveerd betwist. Ondersteuning aan de doelgroep waar GGZ het over heeft (cliënten die onvoldoende stabiel zijn) behoort niet tot de scope van de opdracht. Evenmin behoort behandeling van cliënten tot de scope van de opdracht. Ook de uitstroom van cliënten naar de Wlz brengt volgens de Gemeente niet mee dat er sprake is van verzwaring van de doelgroep, maar slechts van verandering van de doelgroep.

4.14.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat daar waar GGZ een vergelijking maakt tussen de huidige pakketten en de nieuwe producten en modules en waar zij stelt dat er sprake is van een verzwaring van de doelgroep, zij een onjuist uitgangspunt hanteert met betrekking tot de vraag of er reële prijzen gelden. Bij de prijsvaststelling zijn immers de nieuwe productbeschrijvingen en de daaraan gekoppelde parameters tot uitgangspunt gekozen. De producten zijn, aldus de toelichting van de Gemeente, opnieuw afgebakend en ingericht en daardoor (deels) niet meer te vergelijken met de oude pakketten. Daarbij is gekozen voor twee intensiteiten. In hoeverre deze intensiteiten te vergelijken zijn met de huidige pakketten en of er sprake is van een verzwaring van de doelgroep acht de voorzieningenrechter dan ook niet doorslaggevend. Het enkele feit dat op basis daarvan voor de nieuwe producten andere tarieven zijn vastgesteld dan voor vergelijkbare pakketten die GGZ thans aanbiedt, brengt niet zonder meer met zich dat de door de Gemeente vastgestelde tarieven niet als reëel aangemerkt kunnen worden. Bovendien gaat GGZ er daarbij vanuit, zoals de Gemeente terecht heeft aangevoerd, dat de huidige tarieven wel reëel zijn, hetgeen volgens de Gemeente niet het geval is en wat ook tot vragen en discussie heeft geleid. GGZ heeft dit niet gemotiveerd weersproken.

4.15.

GGZ stelt dat het in de tarieven verdisconteerde aantal uren begeleiding moet worden gewijzigd (vordering I. sub a onder ii). Volgens GGZ moet, om de uren groepsbegeleiding om te rekenen naar uren per cliënt, het totaal aantal uren groepsbegeleiding worden gedeeld door de groepsgrootte. Door daar de individuele begeleiding bij op te tellen, kan de feitelijke begeleiding per cliënt weergegeven worden. Voor de intensiteit A komt dat neer op 5 uur begeleiding per cliënt per week en voor de intensiteit B op 8,5 uur. GGZ heeft op de huidige pakketten A en B (te vergelijken met de nieuwe intensiteit A) 8,5 uur per cliënt aan begeleiding geleverd en voor het huidige pakket C (te vergelijken met de nieuwe intensiteit B) 14 tot 15 uur.

4.16.

De voorzieningenrechter volgt GGZ niet in haar stelling dat voor de feitelijke begeleiding het aantal uren groepsbegeleiding gedeeld zou moeten worden door de groepsgrootte. Voor de vaststelling van de tarieven is door de Gemeente uitgegaan van een gemiddeld inzet van 10 tot 14 uur per cliënt per week voor intensiteit A en van 14 tot 18 uur voor intensiteit B. Voor de vaststelling van de tarieven is de Gemeente uitgegaan van het gemiddelde van deze bandbreedtes. Voor zover GGZ heeft aangevoerd dat de Gemeente deze bandbreedtes niet heeft toegelicht, zal de voorzieningenrechter hier aan voorbijgaan, nu niet is gesteld of gebleken dat de gekozen bandbreedtes niet juist is. Deze bandbreedtes corresponderen ook met de door GGZ geleverde begeleiding. Voor intensiteit A is de Gemeente vervolgens uitgegaan van gemiddeld 12 uur per week per cliënt, bestaande uit 4 uur aan individuele begeleiding en 8 uur aan groepsbegeleiding en voor intensiteit B van gemiddeld 16 uur per week per cliënt, bestaande uit 6 uur aan individuele begeleiding en 10 uur aan groepsbegeleiding. Gelijk de Gemeente heeft aangevoerd betekent 8 uur begeleiding van een groep van 8 personen niet dat iedere persoon dan slechts één uur begeleiding ontvangt. Ieder van hen ontvangt dan immers 8 uur begeleiding en het is dit aantal uren begeleiding dat de cliënt - naast het aantal individuele uren - ontvangt. Dat in het tarief per cliënt wordt uitgegaan van één uur begeleiding maakt het vorenstaande niet anders, aangezien er 8 cliënten zijn die gelijktijdig begeleiding krijgen tegen het tarief per cliënt. De voorzieningenrechter kan de door GGZ gevolgde redenering dan ook niet volgen. Dat de door de Gemeente vastgestelde aantallen uren desondanks onvoldoende zouden aansluiten op de ondersteuningsbehoefte van de beoogde doelgroep heeft GGZ niet nader toegelicht.

4.17.

Het bezwaar van GGZ tegen de tariefstelling van de slaapwacht en de vordering met betrekking tot de kosten van de slaapwacht (vordering I. sub a onder iii) en keuze voor een slaapwacht in plaats van een wakende wacht (vordering I. sub a onder iv) richt zich tegen het navolgende. Volgens GGZ is voor de doelgroep van Beschermd Wonen Intramuraal 24 uur toezicht nodig en fysieke aanwezigheid van de begeleiders. Daarbij past niet een slaapwacht. Tijdens de slaap kan de medewerker geen toezicht houden. Als er enkel een slapende nachtdienst is moet de cliënt zelf hulpvragen kunnen formuleren en uitstellen. Dit past niet bij de doelgroep. Met het tarief voor een slapende wacht kan GGZ niet alsnog een wakende wacht inzetten. Momenteel werkt GGZ met wakende wachten. Volgens GGZ moeten de tarieven de zorgaanbieders in staat stellen om een wakende wacht in te zetten.

4.18.

De voorzieningenrechter volgt GGZ ook hierin niet. Bij de slaapwacht wordt door de Gemeente uitgegaan van een inzet van één slaapwacht op een groep van 8 cliënten gedurende 9 uur, waarbij drie uur reguliere inzet wordt vergoed, waarvan het eerste uur noodzakelijke inzet wordt vermeerderd met een onregelmatigheidstoeslag van 47%, zo blijkt uit de door de Gemeente ter zitting gegeven toelichting. Volgens GGZ is onduidelijk of het uur noodzakelijke inzet in de nacht is meegenomen bij het vaststellen van het totaal aantal uren per cliënt. Uit de door de Gemeente gegeven toelichting blijkt dat dit niet het geval is, zodat dit bezwaar van GGZ vervalt. Dat niet zou kunnen worden volstaan met een slaapwacht, heeft GGZ naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aangetoond. Dat zij thans met een wakende wacht werkt, maakt niet dat niet met een slapende wacht gewerkt zou kunnen worden. Van de zijde van de Gemeente is gemotiveerd betwist dat niet volstaan kan worden met een slaapwacht gelet op de doelgroep. De cliënten verblijven juist in een intramurale woonvorm omdat zij moeten leren aan te geven dat en wat voor hulp zij nodig hebben. Als er in de nacht inzet nodig is, dan zal dat volgens de Gemeente vooral gericht zijn op het oplossen van directe situaties van onrust, spanning of onzekerheid bij een cliënt. Daarvoor kan de slaapwacht worden ingezet. Deze inzet wordt ook vergoed.

4.19.

Bij de berekening van de tarieven Beschermd Wonen Intramuraal is de Gemeente uitgegaan van een cao-mix: de GGZ cao is voor 43,7% meegenomen, de cao Sociaal Werk voor 37,5%, de cao Gehandicaptenzorg voor 12,5% en de cao VVT voor 6,25%. GGZ stelt dat met de door de Gemeente gehanteerde cao-mix ten onrechte geen rekening wordt gehouden met de sectorspecifieke (cao)omstandigheden van instellingen die gebonden zijn aan de cao GGZ. De voorzieningenrechter is van oordeel dat GGZ onvoldoende gemotiveerd onderbouwd heeft dat het hanteren van een cao-mix niet tot reële tarieven. Het enkele feit dat GGZ is gebonden aan de GGZ-cao brengt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet met zich. Zoals de Gemeente heeft toegelicht heeft zij vastgesteld welke cao's relevant zijn voor de verschillende zorgaanbieders die intramurale vormen van ondersteuning bieden en geldt niet het vereiste dat dit tarief voor iedere individuele zorgaanbieder kostendekkend moet zijn.

4.20.

In het tarief Beschermd Wonen Intramuraal is een tariefcomponent wonen opgenomen, bestaande uit de kosten van stenen (huur, onderhoud, afschrijvingen, rente, etc.) en de kosten van hotelmatige voorzieningen (schoonmaak, levensonderhoud, maaltijden, recreatie, etc.) Voor beide componenten gaat de Gemeente uit van een vergoeding van € 25,00 per etmaal per cliënt.

4.21.

GGZ stelt dat de Gemeente voor de 'stenen' ten onrechte aansluiting zoekt bij de normatieve huisvestingscomponten (NHC) en normatieve inventariscomponenten( NIC) van de ggz-b profielen uit de Wet langdurige zorg (Wlz) in plaats van bij de ggz-wonen profielen. Bovendien zijn voor de 'stenen' van de ggz-b profielen alleen de lichte profielen 1 tot en met 4 meegenomen (en niet de profielen 5 en 6), terwijl de profielen 1 en 2 in feite spookprofielen zijn omdat ze niet meer worden gehanteerd. GGZ vordert wijziging hiervan (vordering I. sub a onder v).

4.22.

De voorzieningenrechter volgt GGZ hierin niet. Dat er ggz-wonen profielen zijn ontwikkeld voor de cliënten die sinds 1 januari 2021 met een langdurige psychische stoornis direct toegang tot de Wlz hebben, brengt niet mee dat de Gemeente voor deze profielen had behoren te kiezen. De GGZ-wonen profielen zijn van toepassing op de cliënten met blijvende toegang tot de Wlz. Deze profielen hebben betrekking op cliënten met een blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. De voorzieningenrechter begrijpt dat men het nodig heeft geacht om daarvoor nieuwe zorgprofielen te ontwikkelen. Deze profielen zijn opgesteld voor cliënten die geen deel meer uitmaken van de doelgroep voor Beschermd wonen. Hieruit volgt dat het niet voor de hand ligt de tarieven behorende bij deze profielen voor het Beschermd Wonen Intramuraal toe te passen. De GGZ-b profielen hebben betrekking op cliënten met tijdelijke toegang, zo begrijpt de voorzieningenrechter uit de door de Gemeente gegeven toelichting. Dat de GGZ-b profielen niet overeenkomen met de doelgroep van Beschermd Wonen Intramuraal heeft GGZ ook niet nader toegelicht, anders dan dat het hier gaat om een zeer specifieke groep. Dat een en ander niet tot een vergelijkbare tariefstelling zou kunnen leiden, heeft GGZ echter niet nader toegelicht.

4.23.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat het feit dat de Gemeente volgens GGZ aansluiting had moeten zoeken bij andere zorgprofielen niet de conclusie rechtvaardigt dat de door de Gemeente gemaakte keuzes tot niet-reële prijzen leiden, althans zulks is door GGZ onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dat zij door deze keuze van de Gemeente wordt benadeeld, zoals ze stelt, betekent niet dat de Gemeente geen reële prijzen hanteert door voor de 'stenen' aansluiting te zoeken bij de ggz-b profielen 1 tot en met 4. De keus van de Gemeente om geen rekening te houden de zwaardere profielen 5 en 6 heeft zij ter zitting nader toegelicht: in deze profielen is tevens rekening gehouden met aanpassingen van gebouwen vanwege (extreme) gedragsproblematiek, en dat is bij Beschermd Wonen Intramuraal niet of nauwelijks aan de orde. De voorzieningenrechter acht daarmee deze keuze door de Gemeente genoegzaam toegelicht. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat de Gemeente bij de keus voor de ggz-b profielen ook profielen 1 en 2 heeft betrokken, terwijl deze profielen in de praktijk feitelijk niet meer voorkomen, maar ook deze keuze heeft de Gemeente naar het oordeel van de voorzieningenrechter genoegzaam toegelicht, door aan te voeren dat de cliënten die vroeger onder de profielen 1 en 2 vielen vaak ambulante ondersteuning kregen, maar dat dat niks zegt over de kosten voor huisvesting voor cliënten die intramuraal wonen. Dat de Gemeente bij de 'hotelmatige voorzieningen' wel alle zes ggz-b profielen heeft betrokken, maakt het vorenstaande niet anders.

4.24.

Met betrekking tot de 'hotelmatige voorzieningen' heeft GGZ gesteld dat zij de tarieven uit het KPMG-onderzoek reëel vindt. GGZ acht de door de Gemeente gegeven toelichting om bepaalde kostenposten te beperken ten opzichte van het KPMG-onderzoek niet gemotiveerd en niet transparant. In welke mate deze kosten zijn verdisconteerd in de overhead is onduidelijk. Ook heeft HHM geen inzicht gegeven in hoe zij het overheadpercentage van 35% heeft vastgesteld. Daarnaast dienen de kosten hotelmatige voorzieningen te worden geïndexeerd. GGZ vordert wijziging daarvan (vordering I. sub a onder vi en vii).

4.25.

De Gemeente heeft daarop toegelicht dat zij de posten zoals terrein- en gebouwgebonden kosten, afschrijvingen, huur, leasing en interest niet heeft meegenomen in de opbouw van het kostprijselement 'hotelmatige voorzieningen' omdat deze kostenposten onderdeel uitmaken van de overhead. Het overheadpercentage is vastgesteld op 35% omdat uit verschillende benchmarks volgde dat gemiddeld een overheadpercentage van tussen de 13 en 60% wordt gehanteerd. De Gemeente heeft daarom gekozen voor een overheadpercentage van 35%. Daarnaast heeft zij, zo stelt zij, de tarieven niet geïndexeerd als correctie voor het feit dat in de tarieven tevens kosten voor zaken als medicijnen zijn opgenomen die voor Beschermd wonen cliënten ten laste van de Zvw komen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Gemeente daarmee voldoende heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting om de tarieven toe te lichten. Dat de kosten dientengevolge niet reëel zouden zijn, heeft GGZ naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd onderbouwd.

- Beschermd Wonen Ambulant -

4.26.

Het product Beschermd Wonen Ambulant bestaat uit (i) JongThuis (met de intensiteiten A en B) en ThuisBasis (met de intensiteiten A en B). Bij JongThuis intensiteit A kunnen zorgaanbieders 4 tot 8 uur per week begeleiding aanbieden, waarbij de Gemeente voor de tarieven uitgaat van 3 uur individuele begeleiding en 3 uur groepsbegeleiding. Bij JongThuis intensiteit B kunnen zorgaanbieders 8 tot 12 uur begeleiding aanbieden, waarbij de Gemeente voor de tarieven uitgaat van 5 uur individuele begeleiding en 5 uur groepsbegeleiding. Bij ThuisBasis intensiteit A kunnen zorgaanbieders 4 tot 8 uur begeleiding aanbieden en bij ThuisBasis intensiteit B 8 tot 12 uur per week.

4.27.

GGZ stelt dat het ThuisBasis beschermd wonen vergelijkbaar is met het huidige ThuisPlus A beschermd wonen, maar dat de tarieven 15% lager zijn vastgesteld. Bovendien zet GGZ op dit moment twee keer zoveel begeleidingsuren in. Volgens GGZ dient dit te worden gewijzigd (vordering I. sub b).

4.28.

Ook hier geldt dat daar waar GGZ een vergelijking trekt tussen de huidige pakketten en de nieuwe producten en modules, zij naar het oordeel van de voorzieningenrechter een onjuist uitgangspunt hanteert met betrekking tot de vraag of er reële prijzen gelden omdat bij de prijsvaststelling de nieuwe productbeschrijving en de daaraan gekoppelde parameters tot uitgangspunt zijn gekozen. Het enkele feit dat op basis daarvan voor de nieuwe producten andere tarieven zijn vastgesteld dan voor vergelijkbare pakketten die GGZ thans aanbiedt, brengt niet zonder meer met zich dat de door de Gemeente vastgestelde tarieven niet als reëel aangemerkt kunnen worden.

4.29.

Daarnaast geldt ook hier dat de bezwaren van GGZ met betrekking tot het in de tarieven verdisconteerde aantal uren begeleiding bij het product JongThuis, waar de vordering sub I. onder c zich op richt, niet kunnen leiden tot aanpassing hiervan. De voorzieningenrechter verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor op dit punt is overwogen. Dat GGZ op dit moment twee keer zoveel begeleidingsuren inzet, maakt dat niet anders.

4.30.

Daar waar GGZ nog heeft gesteld dat zij bij een tijdelijk verlof van meer dan twee aangesloten dagen een 'stop-zorg' bericht aan de Gemeente moet sturen in plaats van - zoals momenteel geldt - bij een termijn van veertien dagen, en dat dit botst met het doel van het product ThuisBasis overweegt de voorzieningenrechter dat dit kennelijk op een misverstand. De voorzieningenrechter zal dit punt dan ook niet verder bespreken.

- Dagbesteding (intramuraal en ambulant) -

4.31.

In beide inkoopprocedures is de Gemeente voor de dagbesteding oorspronkelijk uitgegaan van een groepsgrootte van 8 tot 10 personen. In de tweede NvI heeft de Gemeente de gemiddelde grootte voor beide intensiteiten aangepast naar 7 tot 9 personen (gemiddeld 8 personen).

4.32.

Volgens GGZ zijn deze aanpassingen onvoldoende en dient de in de tarieven verdisconteerde groepsgrootte te worden gewijzigd (vordering I. sub d onder i). De gemiddelde groepsgrootte van 8 personen is volgens GGZ geen reële groepsgrootte voor de beschermd wonen doelgroep. GGZ voert daartoe aan dat in de Wlz de gemiddelde groepsgrootte tussen de 3 en 6 personen ligt. Bij dagbesteding in het kader van de Wmo 2015, anders dan beschermd wonen, is de maximale groepsgrootte meestal niet hoger dan 7 personen bij een lichte vormen van dagbesteding. Andere gemeenten in de regio Friesland hanteren ook kleinere aantallen voor beschermd wonen. Ter onderbouwing daarvan heeft GGZ een tabel met betrekking tot de groepsgrootte die andere gemeenten in de regio Friesland hanteren voor beschermd wonen overgelegd.

4.33.

De Gemeente heeft in reactie hierop aangevoerd dat er volgens haar sprake is van een reële groepsgrootte. De Gemeente verwijst daarbij naar de gehouden marktconsultaties. Daar kwamen zeer verschillende reacties naar voren: de zorgaanbieders hadden een uiteenlopende mening over de vraag hoe groot een groep voor dagbesteding kan of moet zijn. In ieder geval een deel van de zorgaanbieders kon zich vinden in de groepsgrootte, die aanvankelijk 8 tot 10 personen bedroeg. Voorts verwijst de Gemeente naar een door HHM gehouden inventarisatie naar de gebruikelijke groepsgrootte voor dagbesteding in Nederland. Gelet op die uitkomsten heeft de gemeente besloten de groepsgrootte aan te passen naar 7 tot 9 personen. Voorts voert de Gemeente aan dat de dagbesteding onder de Wlz niet vergelijkbaar is met de dagbesteding bij Beschermd wonen. Bovendien heeft de Gemeente op 13 september jl. alle geïnteresseerde zorgaanbieders bericht dat voor cliënten met intensiteit B een groepsgrootte van 6 tot 8 personen (gemiddeld 7 personen) zal gelden.

4.34.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door de Gemeente gehanteerde groepsgrootte niet de conclusie rechtvaardigt dat er geen sprake is van een reële prijs. De voorzieningenrechter zal aan de bezwaren van GGZ dan ook voorbijgaan. De Gemeente heeft de groepsgrootte, die in de consultatierondes aan de geïnteresseerde zorgaanbieders was voorgelegd, immers al tot tweemaal toe aangepast. Dat in de Wlz de groepsgrootte gemiddeld op 3 tot 6 personen ligt, maakt dat niet anders, nu niet is gebleken in hoeverre dit vergelijkbaar is. Voor zover GGZ heeft verwezen naar de door haar overgelegde tabel en - ter zitting - naar een door de Gemeente overgelegde tabel met betrekking tot gemeentes in andere regio's, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het feit dat er in de praktijk sprake is van grotere groepen, niet met zich brengt dat de door de Gemeente gehanteerde groepsgrootte niet reëel is, althans dat dit tot een niet-reëel tarief zou leiden. Ook dit bezwaar van GGZ zal de voorzieningenrechter daarom niet honoreren.

4.35.

Dat de module Dagbesteding 2022 een zwaardere variant betreft dan de huidige dagbesteding omdat de dagbesteding niet meer 'voorliggend' is en eerste een beroep gedaan moet worden op de Participatiewet, heeft GGZ naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. De Gemeente heeft dit gemotiveerd betwist. Het gaat volgens de Gemeente om cliënten met een andere zorgvraag, waarbij geldt dat alleen cliënten voor wie dat daadwerkelijk nodig is, dagbesteding krijgen. Onder de huidige raamovereenkomst heeft de Gemeente gemerkt, zo voert zij aan, dat cliënten veel te makkelijk in de dagbesteding geplaatst terwijl dat niet nodig is. Gelet op het voorgaande heeft de Gemeente de eisen voor de module Dagbesteding vanaf 2022 aangescherpt.

4.36.

Daarnaast heeft GGZ bezwaar tegen het feit dat de gemeente Leeuwarden heeft besloten de materiaalkosten van de dagbesteding te vergoeden en zij vordert wijziging daarvan (vordering I. sub d onder ii). Nadat de Gemeente ter zitting heeft toegelicht dat het hier slechts om een deel van de materiaalkosten gaat, is niet gebleken dat GGZ haar bezwaar op dit punt heeft gehandhaafd. De voorzieningenrechter zal hier dan ook aan voorbijgaan.

4.37.

Tot slot heeft GGZ bezwaren tegen de wijze waarop de NHC/NIC-component bij de module dagbesteding is vastgesteld en vordert zij wijziging daarvan (vordering I sub d onder iii). GGZ ziet niet in waarom de verpleging en verzorging en de gehandicaptenzorg door HHM hierbij zijn betrokken. In ieder geval is de selectie van het profiel H531 uit de sector verpleging en verzorging in elk geval ontoereikend, nu de NZa dit tarief uit het kosten van KPMG als onvoldoende betrouwbaar heeft gekwalificeerd, aldus GGZ.

4.38.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Gemeente genoegzaam toegelicht dat naast GGZ zorgaanbieders uit de Gehandicapten zorg en de Verpleging en verzorging dagbesteding bieden. Gelijk de Gemeente heeft aangevoerd behoeft het tarief niet voor iedere zorgaanbieder kostendekkend te zijn. Daarnaast heeft de Gemeente er op gewezen dat de componenten niet zijn ontleend aan het kostenonderzoek van KPMG, maar aan de beleidsregels die de NZa daarvoor hanteert. Van de zijde van GGZ is dit niet betwist, zodat de voorzieningenrechter aan dit bezwaar van GGZ voorbij zal gaan.

4.39.

De voorzieningenrechter is - gelet op het vorenstaande - van oordeel dat de Gemeente de door haar gemaakte keuzes genoegzaam heeft toegelicht en dat de door de Gemeente gemaakt keuzes gerechtvaardigd geacht kunnen worden.

4.40.

De vorderingen van GGZ zullen daarom worden afgewezen. GGZ zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de Gemeente vastgesteld op € 1.016,00 aan salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na heden tot de dag van volledige betaling.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen van GGZ af;

5.2.

veroordeelt GGZ in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de Gemeente vastgesteld op € 1.016,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na heden tot de dag van volledige betaling;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2021.

c: 110