Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:4096

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-09-2021
Datum publicatie
23-09-2021
Zaaknummer
208134
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Coronavaccinatie. Kind maakt gebruik van de informele rechtsingang om vervangende toestemming te krijgen voor vaccinatie tegen corona. Bezwaren tegen vaccinatie worden door de rechter gemotiveerd verworpen. Zwaarwegend belang van het kind bij vaccinatie en ongefundeerde zorgen over risico’s op lange termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2021-0246
PFR-Updates.nl 2021-0219
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rekestnummer: C/18/208134 / FA RK 21/2773

beschikking vervangende toestemming voor coronavaccinatie van 21 september 2021 in de zaak van

[de vrouw] ,

die woont in [woonplaats 1] ,

en die hierna "de vrouw" wordt genoemd,

advocaat mr. B.H. Werink, die kantoor houdt in Groningen,

en

[de man] ,

die woont in [woonplaats 2] ,

en die hierna "de man" wordt genoemd,

advocaat mr. M.P.G. Roobeek, die kantoor houdt in Mijdrecht.

Het procesverloop

De procedure is ingeleid met een verzoek van [de minderjarige 1] (hierna “ [de minderjarige 1] ”), die uit het huwelijk van de man en de vrouw is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2009 in [geboorteplaats] .

[de minderjarige 1] heeft aan de rechter vervangende toestemming verzocht voor een vaccinatie tegen corona, omdat zijn ouders het over die vaccinatie niet eens zijn en hij niet van beide ouders toestemming krijgt voor die vaccinatie.

Het verzoek is met uitdrukkelijke instemming van de ouders en hun advocaten op 21 september 2021 mondeling behandeld, gelijktijdig met de tussen de ouders opgekomen geschillen in de zaak die bij de rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer C/18/205494 / FA RK 21-1199. Bij de mondelinge behandeling is drs. [naam] die de Raad voor de Kinderbescherming (hierna “de Raad”) vertegenwoordigt aanwezig geweest en die heeft ook aan de rechter een advies gegeven.

De rechter heeft direct na de mondelinge behandeling van het verzoek mondeling uitspraak gedaan en hij heeft vervolgens bepaald dat de schriftelijke uitwerking daarvan vandaag wordt vastgesteld en uitgesproken.

De feiten

De rechter gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de volgende feiten die hem zijn gebleken uit het gesprek dat hij met [de minderjarige 1] heeft gevoerd en wat door zijn ouders over en weer onweersproken is aangevoerd tijdens de mondelinge behandeling.

[de minderjarige 1] is een nu twaalfjarige jongen die in de eerste klas zit van de middelbare school. De verstandhouding tussen zijn ouders is verstoord geraakt en zij kunnen niet goed met elkaar communiceren als het gaat om zaken die in het belang van [de minderjarige 1] en zijn jongere broer [de minderjarige 2] moeten worden geregeld.

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen afwisselend bij steeds een van hun ouders en hebben daardoor een verschillende reisafstand en reistijd van en naar school. Dat valt hen tegen de achtergrond van de verstoorde verhouding tussen hun ouders zwaar. De ouders hebben hun hiermee samenhangende geschil over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan de rechter voorgelegd.

Los en onafhankelijk daarvan wordt [de minderjarige 1] belast doordat hij wil worden gevaccineerd tegen de risico's van corona. Hij wil zelf geen risico op besmetting lopen en hij wil de kans dat hij anderen besmet ook voor zoveel mogelijk beperken. Boven alles gaat [de minderjarige 1] gebukt onder de ziekte van zijn oma. Zijn oma is als gevolg van uitgezaaide longkanker in de laatste fase van haar leven aangekomen. [de minderjarige 1] wil graag ook in de tijd die haar nog gegeven is, contact met haar kunnen hebben. Onbelast contact is voor [de minderjarige 1] niet mogelijk, omdat hij niet gevaccineerd is. [de minderjarige 1] is bang dat hij mogelijk zijn oma zal besmetten en hij is ervan overtuigd dat als zij wordt besmet dit voor haar direct levensbedreigend zal zijn.

De moeder van [de minderjarige 1] vindt het goed dat [de minderjarige 1] zich laat vaccineren. De vader verzet zich tegen vaccinatie en ook tegen het testen op corona. [de minderjarige 1] vindt het moeilijk om hierover met zijn vader te praten en hij lijkt zich niet gehoord te voelen. Tegen deze achtergrond heeft [de minderjarige 1] de rechter gevraagd om te beslissen dat hij zich wel mag vaccineren.

De beoordeling

Het geschil tussen de ouders van [de minderjarige 1] heeft betrekking op de zorg voor zijn lichamelijke gezondheid. Dat valt onder de verantwoordelijkheid van de ouders die samen het gezag over hem uitoefenen. Het geschil over de vaccinatie kan in de gegeven context worden gezien als een geschil over de uitoefening van het ouderlijk gezag in de zin van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek. Dat artikel regelt dat wanneer ouders het niet eens zijn en het ook tijdens een mondelinge behandeling bij de rechter niet alsnog eens worden, de rechter beslist wat hij in het belang van een kind wenselijk vindt.

De moeder wil aan [de minderjarige 1] toestemming geven. De vader geeft die toestemming niet. De vader meent, samengevat weergegeven, dat [de minderjarige 1] zelf niet een zodanig risico loopt op een ziekte met blijvende gevolgen dat dit risico opweegt tegen de onduidelijke risico’s van een vaccin dat zich nog in de testfase bevindt en waarvan op geen enkele wijze kan worden voorspeld of dat vaccin op korte termijn niet een ernstige hartzieke veroorzaakt en op de lange termijn geen grote risico’s meebrengt in het bijzonder voor de reproductieve organen.

De rechter stelt voorop dat kinderen wel degelijk corona kunnen krijgen en dat zij er weliswaar gemiddeld minder erg en minder vaak ziek van worden dan volwassenen, maar dat ook kinderen net zo goed ernstig ziek kunnen worden en ook langdurig de gevolgen van die ziekte kunnen ervaren (long-covid). Verder is het risico op het besmetten van anderen significant kleiner bij gevaccineerden dan bij ongevaccineerden.

Begrijpelijk maakt de vader zich zorgen over de risico’s van vaccinatie en er is inderdaad een klein risico op ernstige bijwerkingen, zoals de door de vader bedoelde ontsteking van het hartzakje of de harstspier die naar nu verworven inzichten ongeveer voorkomt bij 1 op de 15.000 gevaccineerde jongens van 12 tot 18 jaar. Een ernstige bijwerking die gelukkig goed kan worden herkend en die ook in nagenoeg alle gevallen tot een volledig herstel kan leiden. Het zijn in ieder geval allemaal risico’s die de gezondheidsraad in haar afweging heeft meegenomen voorafgaand aan het geven van het advies om kinderen van 12 tot 18 jaar de mogelijkheid te bieden om voor vaccinatie te kiezen.

De door de vader ervaren risico’s op de lange termijn, missen iedere feitelijke grondslag. Er zijn op dit moment, op grond van de huidige wetenschappelijke inzichten, geen denkbare risico’s op de lange termijn die overeenkomen met de door de vader ervaren zorgen.

Gelet op het positieve advies van de gezondheidsraad en de bij vaccinatie betrokken belangen, in het bijzonder de belangen van [de minderjarige 1] zoals die hiervoor zijn verwoord, brengen met zich dat de rechter vervangende toestemming geeft die het mogelijk maakt dat [de minderjarige 1] zich laat vaccineren.

De rechter vindt het belangrijk dat deze vaccinatie ook daadwerkelijk op korte termijn plaatsvindt en dat het belang van [de minderjarige 1] bij de vaccinatie op korte termijn zwaarder weegt dan het belang dat wordt gediend met een schorsing door het instellen van hoger beroep of herbeoordeling van zijn beslissing in een executie kortgeding. Om die reden zal de rechter zijn beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren (voor de beperkingen die dit met zich brengt om tot een andere voorlopige beslissing te komen, zie: HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026).

Een en ander brengt met zich dat de volgende beslissing wordt genomen.

De beslissing

De rechter:

verleent vervangende toestemming voor de coronavaccinatie van [de minderjarige 1] ;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, op 21 september 2021 en deze schriftelijke uitwerking van die beslissing is door hem vastgesteld, door de rolrechter ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden

GH