Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:4093

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
22-09-2021
Zaaknummer
178085
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Kindbrief. Herroeping adoptie op verzoek minderjarige. Benoeming bijzondere curator.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rekestnummer: C/17/178085 / FA RK 21-403

beschikking informele rechtsingang minderjarige d.d. 30 juni 2021

inzake

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ,

wonende op een geheim adres,

hierna ook te noemen [de minderjarige] ,

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

wonende op een geheim adres,

hierna ook te noemen de moeder,

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna ook te noemen de [de man] ,

bijgestaan door mr. J.P. Pol, advocaat te Assen.

1 Procesverloop

1.1.

De kinderrechter heeft op 7 april 2021 een brief ontvangen van [de minderjarige] .

1.2.

De kinderrechter heeft op 28 april 2021 met [de minderjarige] gesproken.

1.3.

De [de man] heeft bij brief van 18 mei 2021 de rechtbank verzocht om een afschrift van de brief die [de minderjarige] naar de rechtbank heeft verstuurd. Door de rechtbank is aan de [de man] telefonisch medegedeeld dat dergelijke brieven niet worden doorgestuurd. Voorts is een korte toelichting gegeven over hetgeen besproken zal worden tijdens de mondelinge behandeling van 2 juni 2021.

1.4.

Op 20 mei 2021 heeft mr. J.P. Pol zich namens de [de man] gesteld. Mr. Pol heeft verzocht om afgifte van de processtukken en om afgifte van de brief van [de minderjarige] . Het dossier van de rechtbank bevat enkel een brief van [de minderjarige] en - zoals reeds hiervoor is weergegeven - worden dergelijke brieven niet doorgestuurd. Volledigheidshalve verwijst de rechtbank nog naar punt 8.5 (pagina 31) van het procesreglement familie en jeugdrecht.

1.5.

Bij brief van 25 mei 2021 heeft de [de man] laten weten dat hij - om zijn moverende redenen - niet aanwezig zal zijn bij de mondelinge behandeling.

1.6.

Naar aanleiding van het gesprek met [de minderjarige] heeft de kinderrechter een mondelinge behandeling gehouden op 2 juni 2021. Daarbij zijn verschenen:

- de moeder,

- namens de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), [naam medewerker] .

2 De feiten

2.1.

Uit de Basisregistratie Personen (BRP) volgt dat de moeder gehuwd is geweest met [X] . Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] , [de minderjarige] geboren.

2.2.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat bij beschikking van 28 februari 2012 van rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, het gezag van [X] is beëindigd en bepaald is dat de moeder voortaan het eenhoofdig gezag uitoefent over [de minderjarige] .

2.3.

Uit de BRP volgt dat de moeder en [X] op 10 augustus 2009 zijn gescheiden.

2.4.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat bij beschikking van 21 mei 2013 van rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, de adoptie van [de minderjarige] door de [de man] is uitgesproken. Met ingang van die datum is de [de man] van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . Uit de BRP volgt dat ten aanzien van [de minderjarige] met ingang van 22 augustus 2013 de geslachtsnaam [achternaam X] is gewijzigd in: [achternaam man] .

2.5.

De moeder is vervolgens getrouwd met de [de man] . Uit de BRP volgt dat de moeder en de [de man] op 29 juni 2015 zijn gescheiden.

2.6.

Tussen [de minderjarige] en de [de man] is er al meerdere jaren geen contact en/of omgang.

3 Het gesprek met [de minderjarige]

3.1.

[De minderjarige] heeft in haar brief en in het gesprek met de kinderrechter onder meer het volgende aangegeven. Nadat haar moeder en de [de man] zijn gaan scheiden, heeft zij nog enige tijd omgang gehad met de [de man] . Op een gegeven moment wilde [de minderjarige] niet meer naar hem toe en is de omgang en het contact gestopt. Inmiddels heeft [de minderjarige] al twee jaar geen contact meer met hem. Zij heeft ook geen behoefte om nog contact met hem te hebben. Vanwege de (wisselende) vaderfiguren in het leven van [de minderjarige] is zij veel gepest op haar basisschool. Ze heeft er bewust voor gekozen om naar een andere middelbare school te gaan dan haar klasgenoten, zodat zij een nieuwe start kon maken. [de minderjarige] draagt het als een geheim bij haar, dat de [de man] haar heeft geadopteerd. Haar klasgenoten denken namelijk dat de huidige vriend van de moeder haar vader is en dit wil [de minderjarige] graag zo houden. [de minderjarige] heeft met school geregeld dat zij de achternaam van haar moeder mag gebruiken. Ze wil graag dat deze achternaam ook op de officiële papieren staat vermeld. Verder wil zij dat alleen haar moeder beslissingen over haar kan nemen en niet (meer) de [de man] .

4 Standpunt van de moeder

4.1.

De moeder vindt het verdrietig dat [de minderjarige] nu de nadelige gevolgen ondervindt van de keuzes die zij in het verleden heeft gemaakt. [de minderjarige] is veel gepest en zij heeft ervoor gekozen om naar een andere middelbare school te gaan. [de minderjarige] wilde niet dat de kinderen wisten dat zij nog een andere vader had. Het gaat nu goed met [de minderjarige] . Ze wordt niet meer gepest, heeft vriendinnetjes en is een niveau omhoog gegaan op school. Desondanks blijft [de minderjarige] er last van houden dat de [de man] in de officiële papieren staat vermeld als haar vader. Om een en ander een plekje te kunnen geven heeft [de minderjarige] gesprekken gevoerd met een familielid die kinderpsycholoog is. Van aanmelding bij een kinderpsycholoog is het niet gekomen, omdat daarvoor toestemming moest worden verkregen van de [de man] en [de minderjarige] absoluut niet wilde dat de moeder daarvoor toestemming zou gaan vragen. De moeder heeft - evenals [de minderjarige] - geen contact meer met de [de man] . Wel betaalt hij nog maandelijks kinderalimentatie voor [de minderjarige] . De moeder is angstig voor hem en heeft om die reden ook zelf geen actie durven te ondernemen. [de minderjarige] heeft op eigen initiatief deze procedure in gang gezet; de moeder heeft zich daarmee niet bemoeid. Voor zover de moeder weet zijn er geen mogelijkheden om de adoptie te herroepen, en wanneer [de minderjarige] die mogelijkheid wel zou hebben, dan zal zij dat zeker in werking zetten. Tenslotte heeft de moeder opgemerkt dat [de minderjarige] geen contact heeft met haar biologische vader, maar dat zij wel geregeld contact heeft met diens familie en met name met haar oma.

5 Standpunt van de RvdK

5.1.

De RvdK heeft aangegeven dat [de minderjarige] vanwege de wisselende vaderfiguren, veel voor haar kiezen heeft gekregen de afgelopen jaren. Het is dan ook bewonderenswaardig dat zij op haar leeftijd, geheel op eigen initiatief deze procedure aanhangig heeft gemaakt. De RvdK is niet bekend met de juridische mogelijkheden met betrekking tot het herroepen van adoptie. In ieder geval is het voor de RvdK duidelijk geworden dat [de minderjarige] zich klem en verloren voelt en dat alleen al om die reden in ieder geval het gezag van de [de man] beëindigd dient te worden.

6 De beoordeling

6.1.

Uit het gesprek met [de minderjarige] is het de rechtbank duidelijk geworden dat [de minderjarige] geen fijne herinneringen heeft aan de [de man] en dat zij inmiddels al twee jaar geen contact met hem en diens familie heeft. [de minderjarige] staat ook niet open voor contact. Ze wil rust en ze wil een nieuwe start maken, waarbij zij de achternaam van haar moeder draagt. Voorts wil zij dat de [de man] geen beslissingen over haar kan nemen. Zij vindt dat die taak volledig bij haar moeder neergelegd moet worden.

6.2.

Uit het gesprek met [de minderjarige] is het de rechtbank goed duidelijk geworden dat [de minderjarige] haar diepste wenst is om de adoptie te herroepen. Dit is een ingewikkelde en vooral juridische kwestie. De kinderrechter zal hier dan ook dieper op ingaan.

Adoptie

6.3.

Op grond van artikel 1:231, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de adoptie door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van de geadopteerde worden herroepen. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel kan dit verzoek alleen worden toegewezen, indien:

 de herroeping in het kennelijk belang van de geadopteerde is;

 de rechter van de redelijkheid van de herroeping overtuigd is; en

 het verzoek is ingediend niet eerder dan twee jaar en niet later dan vijf jaren na de dag, waarop de geadopteerde meerderjarig is geworden.

De gevolgen van het herroepen van de adoptie zijn verstrekkend. Door herroeping van de adoptie is de geadopteerde niet langer meer het kind van de adoptiefouder en daarmee houden alle familierechtelijke betrekkingen die tussen het kind en de adoptiefouder bestonden, en de bloed- en aanverwanten van de adoptiefouder, op te bestaan. De familierechtelijke betrekkingen die door de adoptie waren beëindigd, zullen herleven.

6.4.

De mogelijkheden tot herroeping van de adoptie zijn dus beperkt. Allereerst biedt de wet geen basis voor een informele rechtsingang voor [de minderjarige] en daarnaast voldoet zij ook nog niet aan het leeftijdscriterium van bovengenoemd artikel. De vraag is of een prematuur gedaan verzoek, waarvan mogelijk in dit geval sprake kan zijn, ontvankelijk verklaard kan worden. De rechtbank heeft, bij gebrek aan jurisprudentie ten aanzien van premature verzoeken, gekeken naar jurisprudentie betreffende het omgekeerde, namelijk jurisprudentie waarin (ruim) te laat gedane verzoeken alsnog ontvankelijk zijn verklaard. In dat kader zijn er door diverse rechtbanken en gerechtshoven verzoeken van geadopteerden, waarbij de termijn ruimschoots was overschreden, ontvankelijk verklaard. In dat kader verwijst de rechtbank bijvoorbeeld naar de uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 december 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:5391). In voornoemde uitspraak is een verzoek van de geadopteerde tot herroeping van een stiefouderadoptie ontvankelijk verklaard, ondanks dat de wettelijke termijn ruimschoots was overschreden.

6.5.

Het is de vraag of een prematuur verzoek ontvankelijk kan worden verklaard. Nu deze vraag in een juridische procedure uitgekristalliseerd moet worden, [de minderjarige] hierin vanwege haar minderjarigheid vertegenwoordigd moet worden door een derde en het een afstammingskwestie betreft, zal de rechtbank op grond van artikel 1:212 BW ambtshalve een bijzondere curator benoemen om de belangen van [de minderjarige] te behartigen en haar in en buiten rechte te vertegenwoordigen.

6.6.

Mevrouw mr. M.R. Rauwerda, advocaat, kantoorhoudende te Leeuwarden, is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zal hiertoe door de rechtbank worden benoemd. Voor de duur van de procedure dient de bijzondere curator de belangen van de minderjarige te behartigen. De bijzondere curator dient zich verder te houden aan de aanwijzingen die omschreven staan in de Leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:212 BW die als bijlage bij de richtlijn 'Werkproces benoeming bijzondere curator op grond van artikel 1:212 BW' is gevoegd. Het is aan de bijzondere curator om gesprekken te voeren met [de minderjarige] , met de moeder en met de [de man] . De rechtbank verzoekt de bijzondere curator om te bezien in hoeverre een verzoek tot herroeping van de adoptie tot de mogelijkheden behoort, en in het belang van [de minderjarige] wordt geacht, en daarvan uiterlijk 30 augustus 2021 verslag te doen aan de rechtbank. De rechtbank laat het dan ook aan de bijzondere curator over of het in het belang van [de minderjarige] is om in dit kader al juridische stappen te ondernemen. Mocht de bijzondere curator van oordeel zijn dat dit in het belang van [de minderjarige] is, dan dient zij daartoe een verzoekschrift in te dienen.

Gezag

6.7.

Hoewel de rechtbank zich (nog) geen oordeel kan vormen over het eventueel herroepen van de adoptie, ziet de rechtbank wel aanleiding om met betrekking tot het ouderlijk gezag zich reeds een oordeel te vormen. De rechter kan namelijk op grond van artikel 1:251a, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek (BW), indien haar blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder door middel van een informeel verzoek daar prijs op stelt, ambtshalve een beslissing geven over het gezag. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat [de minderjarige] een dergelijke beslissing op prijs stelt.

6.8.

De rechtbank verwijst naar de beschikking van 4 april 2008 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2008:BC2241) en overweegt dat de wetgever bij invoering van artikel 1:251a BW in het bijzonder voor ogen heeft gehad dat de minderjarige in het kader van de echtscheidingsprocedure de mogelijkheid dient te hebben zelfstandig en op informele wijze aan de rechter blijk te geven van zijn/haar mening met betrekking tot het voortduren van het gezamenlijk gezag na echtscheiding, maar niet dat de wetgever heeft willen uitsluiten dat deze informele rechtsingang nog zou kunnen worden gebruikt na de beëindiging van de echtscheidingsprocedure. Voor de minderjarige kan het van groot belang zijn dat zij aan de hand van de ervaringen na het uiteengaan van de (juridische) ouders kan beoordelen of het naar haar mening noodzakelijk is dat alsnog een beslissing omtrent het gezag kan worden genomen en die mening aan de rechter kenbaar kan maken met het oog op een ambtshalve te nemen beslissing. De informele rechtsingang kan, na beëindiging van de scheidingsprocedure, niet meer worden gebruikt indien de rechter in die procedure naar aanleiding van een verzoek tot toekenning van het eenhoofdig gezag een beslissing heeft gegeven. Een dergelijke situatie doet zich niet voor, nu niet is gebleken dat van een zodanige eerdere beslissing sprake is geweest. Dat de moeder en de [de man] inmiddels zes jaar geleden zijn gescheiden (29 juni 2015) vormt evenmin een beletsel. Uit het voorgaande vloeit dan naar oordeel van de rechtbank voort dat [de minderjarige] ontvankelijk is in haar verzoek betreffende het gezag en de rechtbank zal overgaan tot een nadere inhoudelijke beoordeling.

6.9.

Op grond van artikel 1:247, eerste lid BW, houdt het ouderlijk gezag een aantal bevoegdheden in die nodig zijn voor de verzorging en opvoeding, zoals onder andere de bevoegdheid om belangrijke beslissingen in het leven van het kind (zoals over verblijfsplaats, de school, medische zaken en vrije tijdsbesteding) te nemen. Om invulling te geven aan het gezag zoals hiervoor is verwoord, moet de ouder belangstelling hebben voor zijn kind, bekend zijn met haar ontwikkeling en weten wat er in haar omgaat.

6.10.

Op grond van artikel 1:251a, eerste lid, BW kan de rechtbank bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, indien:

  1. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

  2. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

6.11.

Op grond van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, stelt de rechtbank vast dat er tussen de moeder en de [de man] al reeds twee jaar geen enkele vorm van constructieve communicatie bestaat en dat een goede onderlinge verstandhouding ontbreekt. Het komt er op neer dat de [de man] feitelijk het gezag over [de minderjarige] niet meer uitoefent en dat er, behoudens het maandelijks betalen van de kinderalimentatie, geen betrokkenheid is. De [de man] kent [de minderjarige] niet goed meer. Bovendien is [de minderjarige] stellig in haar mening dat zij geen contact met hem wenst en dat zij last heeft van de huidige situatie, waarin hij wettelijk gezien nog over de bevoegdheid beschikt om beslissingen over haar te nemen. Daarbij is het de rechtbank voldoende gebleken dat er op korte termijn geen verandering in deze situatie zal komen. De rechtbank concludeert dan ook dat voldaan is aan artikel 1:251 onder a en onder b BW en dat het in het belang van [de minderjarige] is dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd. De rechtbank zal dan ook conform het verzoek van [de minderjarige] beslissen en de moeder belasten met het eenhoofdig gezag over haar.

7 Beslissing

De rechtbank:

7.1.

bepaalt dat de vrouw voortaan alleen met de uitoefening van het gezag over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] , zal zijn belast voor zover haar bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;

7.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.3.

benoemt mr. M.R. Rauwerda, advocaat te Leeuwarden, tot bijzondere curator ten behoeve van de belangenbehartiging van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ;

7.4.

beveelt de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking aan de bijzondere curator zal toezenden;

7.5.

verzoek de bijzondere curator om uiterlijk 30 augustus 2021 schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen;

7.6.

houdt de zaak aan tot uiterlijk 30 augustus 2021, zulks in afwachting van voornoemd verslag;

7.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. J. Teertstra, rechter, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 30 juni 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden.

fn: 704