Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:3932

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
18/146103-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Volgt.

Zie ook ontneming: ECLI:NL:RBNNE:2021:3933.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 420bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/146103-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 september 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats],

wonende aan het adres [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 augustus 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2019 te Groningen,

althans in Nederland, van (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag (€ 164.773,-) en/of één of meer merkkleding, horloges, geluid- en beelddragers en/of andere goederen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van de voornoemde voorwerpen, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die voornoemde voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2019 te Groningen, althans in Nederland, van (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag (€ 164.773,-) en/of één of meer merkkleding, horloges, geluid- en beelddragers en/of andere goederen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die voornoemde voorwerpen onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig eigen misdrijf;

2.

hij op of omstreeks 6 juni 2019 te Groningen, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 32,45 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 primair en 2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de politie onrechtmatig de woning van verdachte is binnengetreden en dat daarom bewijsuitsluiting moet volgen. Verdachte heeft geen toestemming gegeven voor het binnentreden, terwijl een melding bij het Team Criminele Inlichtingen (TCI) en een samenvatting van een gesprek met een buurtbewoner onvoldoende is om redelijkerwijs te vermoeden dat verdachte drugs in huis had.

Mocht de rechtbank niet overgaan tot bewijsuitsluiting, heeft de raadsvrouw subsidiair betoogd dat verdachte van feit 1 moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Verdachte heeft aangegeven hoe hij geld genereerde, namelijk met zwart werken, de verkoop van zelfgebouwde meubels en zijn werk als caféuitbater. Dit is concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk en had door het Openbaar Ministerie onderzocht moeten worden. Daarnaast was sprake van legale stortingen en Crowdfunding. Met betrekking tot de uitgaven van verdachte heeft de raadsvrouw gesteld dat uit de berekening volgt dat verdachte

€ 854,- per maand aan huur betaalde, wat een normaal bedrag is. Bovendien heeft verdachte als gevolg van een brand een periode niet in zijn woning kunnen verblijven en heeft hij gedurende die periode geen huur betaald. De aangetroffen merkkleding heeft verdachte al vanaf 2012 aangeschaft en deze kleding is niet extreem duur en bovendien tweedehands te koop. Met betrekking tot de autolease is verdachte niet degene geweest die de financiële injectie heeft gegeven. Ten aanzien van de overige voertuigen is er sprake van € 221,- per maand aan kosten, wat ook een normaal bedrag is. De raadsvrouw heeft aangegeven ten aanzien van feit 2 geen opmerkingen te hebben.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering op grond waarvan tot bewijsuitsluiting moet worden overgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank was in deze zaak op basis van de TCI-informatie en de verklaring van een buurtbewoner sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, namelijk het overtreden van de Opiumwet. De TCI-melding bevatte voldoende concrete en specifieke informatie en is aangevuld met informatie van een buurtbewoner. De politie was, voorzien van een schriftelijke machtiging tot binnentreden, gerechtigd de woning van verdachte te betreden en deze te doorzoeken. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de feiten 1 primair en 2 en overweegt hiertoe het volgende.1

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid uit welk specifiek gronddelict het desbetreffende voorwerp afkomstig is. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.

De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af. Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 6 juni 2019 is een handelshoeveelheid cocaïne aangetroffen (zie het ten laste gelegde feit 2). Daarnaast is in een jas van verdachte een contant bedrag van € 2.300,- aangetroffen.2 Tijdens een tweede doorzoeking van de woning van verdachte op 31 oktober 2019 is wederom een aanzienlijk bedrag aan contant geld aangetroffen en zijn dure merkkleding en diverse andere waardevolle goederen in beslag genomen.3 Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens financieel onderzoek verricht naar de bankrekening van verdachte en op basis van de uitkomsten van dit onderzoek geconcludeerd dat verdachte beschikt over onverklaarbaar vermogen.4 In het onderzoeksrapport is beschreven dat het inkomen van verdachte in de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2019 ver onder het bestaansminimum lag. Desondanks heeft verdachte bijna € 60.000,- in contanten gestort op zijn bankrekening. Van dit geld is de herkomst niet bekend. Bovendien heeft verdachte ruim € 40.000,- contant aan huur betaald. In het onderzoeksrapport wordt gesteld dat er drie onverklaarbare bronnen van vermogen zijn:
1. € 59.062,- aan contanten;
2. € 9.175,-, zijnde het verschil aan kosten die volgens standaardberekening door het Nibud een persoon met een vergelijkbaar huishouding uitgeeft en hetgeen verdachte heeft uitgegeven blijkens de gegevens van zijn bankrekening;
3. € 94.236,- aan posten die buiten de Nibud-normering vallen. Dit zijn uitgaven die normaliter niet worden gemaakt door mensen met een vergelijkbaar huishouden. Hieronder vallen onder andere contante huur, kleding, autolease en de contante aanschaf van diverse voertuigen.

Op grond van het resultaat van de doorzoekingen en de inhoud en conclusie van de financiële analyse acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat de voorwerpen in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dit betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring die de verdachte daarover heeft gegeven niet als zo'n verklaring kan worden aangemerkt. De verklaringen die verdachte heeft afgelegd zijn soms tegenstrijdig en op geen enkele wijze te verifiëren. Zo heeft verdachte eerst ter terechtzitting van 31 augustus 2021 gesteld dat hij geld verdiende door zwart te werken als stratenmaker of meubelmaker. Hij heeft dat echter op geen enkele manier aantoonbaar gemaakt. Zo is niet te verifiëren dat hij zelf meubels maakte, hoe hij aan de daarvoor benodigde materialen kwam en aan wie hij die meubels heeft verkocht. Ook op andere punten is zijn verklaring niet onderbouwd en niet te verifiëren. Zo heeft verdachte ter terechtzitting niet willen verklaren hoe de vriend heet met wie hij naar eigen zeggen een auto leaset en die de kosten voor de lease zou betalen. Ook zijn verklaring dat de huur van zijn woning door een derde is betaald toen verdachte een half jaar verbleef op Curaçao, is verder niet geconcretiseerd of nader onderbouwd, terwijl die verklaring bovendien wordt gelogenstraft door de verklaring van getuige [naam].

De rechtbank constateert dat de verklaring van verdachte op geen enkel punt voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat de ten laste gelegde voorwerpen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit wist.

De rechtbank acht daarnaast bewezen dat verdachte op 6 juni 2019 opzettelijk 32,45 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. In de woning van verdachte werden in een speelautomaat twee boterhamzakjes en 19 zogenoemde ponypacks met daarin een witte substantie aangetroffen.5 Daarnaast werd tijdens de fouillering van verdachte in diens broekzak een boterhamzakje met daarin een witte substantie aangetroffen.6 Deze goederen zijn in beslag genomen7 en door de politie onderzocht8. Op 25 juni 2019 heeft het Nederlands Forensisch Instituut geconcludeerd dat het in alle gevallen om cocaïne ging9. Verdachte heeft ter terechtzitting van 31 augustus 2021 het bezit van de in zijn broekzak aangetroffen cocaïne bekend. Hij heeft verklaard dat hij van de cocaïne in de speelautomaat niets wist. Deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig. Verdachte is de enige bewoner van de woning en de speelautomaat was te openen met een sleutel die is aangetroffen op een tafel in de woning van verdachte. Bovendien was een deel van de in de speelkast aangetroffen cocaïne op dezelfde manier verpakt als de in de broekzak van verdachte aangetroffen cocaïne. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat verdachte wetenschap en beschikkingsmacht over die drugs had.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2019 in Nederland, voorwerpen, te weten een geldbedrag (€ 164.773,-) en goederen heeft verworven, voorhanden gehad en/of omgezet, en van de voornoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

2.

hij op 6 juni 2019 te Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad 32,45 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. witwassen, meermalen gepleegd;

2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 primair en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat rekening gehouden moet worden met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland van 8 april 2021, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van vijf jaar schuldig gemaakt aan witwassen. Het witwassen van geld gaat gepaard met andere vormen van criminaliteit en heeft een ontwrichtende werking op de integriteit van het financieel en economisch verkeer. Dat rekent de rechtbank verdachte aan, temeer nu hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.

Verdachte heeft daarnaast ruim 30 gram cocaïne in zijn bezit gehad. Drugs en met name harddrugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, niet in de laatste plaats vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit.

De rechtbank overweegt dat er geen oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht is met betrekking tot witwassen. In witwaszaken wordt daarom ook wel gekeken naar het oriëntatiepunt dat geldt voor fraude. Uitgaande van een benadelingsbedrag van

€ 160.000,- geldt dan als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 tot 12 maanden. Het oriëntatiepunt voor het bezit van 30 gram harddrugs is een taakstraf van 80 uur.

Ten gunste van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het lange tijdsverloop tussen de afronding van het onderzoek en de behandeling van de zaak op zitting.

Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De rechtbank zal verdachte daarom een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van 8 maanden, met aftrek van de dagen die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Gelet op de ernst en omvang van het witwasdelict kan naar het oordeel van de rechtbank daarop uitsluitend worden gereageerd met de oplegging van een gevangenisstraf.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht de inbeslaggenomen weegschaal vatbaar voor verbeurdverklaring nu met betrekking tot dit voorwerp feit 2 is begaan en deze toebehoort aan verdachte.

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten 3 nephorloges en cocaïne, vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu met betrekking tot deze voorwerpen respectievelijk feit 1 en feit 2 zijn begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank acht de aan verdachte toebehorende inbeslaggenomen ploertendoder vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu deze bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten is aangetroffen en kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of het algemeen belang.

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 40,- moet worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen weegschaal.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen cocaïne, ploertendoder en

3 horloges (G1200811, G1200816 en G1200822).

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 40,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. H. Brouwer en

mr. H.M. Lenting, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 september 2021.

Mr. Brouwer en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het dossier van politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019134123, gesloten op 15 april 2020, met onderliggende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermel-dingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier.

2 Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen van 1 juli 2019, pagina 12 e.v.

3 Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen van 1 november 2019, pagina 31 e.v.

4 Proces-verbaal bevindingen financieel onderzoek van 15 april 2020 met bijlagen, pagina 51 e.v.

5 Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen van 1 juli 2019, pagina 12 e.v.

6 Proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2019, pagina 12 e.v.

7 Kennisgeving van inbeslagneming, pagina 195

8 Proces-verbaal verdovende middelen van 27 juni 2019, pagina 38 e.v.

9 Viertal deskundigenrapporten, pagina 42, 43, 44 en 45.