Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:3900

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
18/075587-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft verdachte veroordeeld voor belaging en het vernielen en beschadigen van goederen van verschillende personen en de gemeente Emmen. Daarnaast heeft verdachte een alarmpistool, 50 knalpatronen en verboden vuurwerk voorhanden gehad. De dagvaarding is nietig verklaard ten aanzien van het feit dat betrekking had op de belaging van verdachtes ex-partner. Daarnaast is het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte ter zake laster dan wel belediging. Opgelegd is een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen waarvan 133 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest en de maatregel ex artikel 38v Sr (contactverbod).

[Inhoudsindicatie: Nietige dagvaarding, Niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie, contactverbod, artikel 38v Sr, vernieling, handschirftvergelijking]

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 285b
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/075587-21

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 september 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 augustus 2021.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.R. Stoeten, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer momenten in of omstreeks de periode van 4 oktober 2019 tot en met 18 maart 2021 te Emmen, gemeente Emmen en/of Oosterhesselen, gemeente Coevorden, althans in Nederland,

- in of omstreeks de periode van 4 oktober 2019 tot en met 7 oktober 2019 te Emmen, gemeente Emmen een oorlogsmonument en/of het gemeentehuis, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de gemeente Emmen toebehoorde en/of

- op of omstreeks 26 februari 2021 te Oosterhesselen, gemeente Coevorden een (auto)band, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde partij 1]

toebehoorde en/of

- op of omstreeks 5 maart 2021 te Oosterhesselen, gemeente Coevorden een ruit en/of een kozijn, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan

[benadeelde partij 1] toebehoorde en/of

- op of omstreeks 18 maart 2021 te Emmen, gemeente Emmen een auto, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde partij 2] toebehoorde

opzettelijk en wederrechtelijk heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.

hij op een of meer momenten in of omstreeks de periode van 12 maart 2020 tot en met 7 april 2020 te Assen en/of Rotterdam, althans in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij 5] , door (veelvuldig) te bellen naar die [benadeelde partij 5] , met het oogmerk

die [benadeelde partij 5] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

3.

hij op een of meer momenten in of omstreeks de periode van 4 oktober 2019 tot en met 18 maart 2021 te Emmen en/of Rotterdam, althans in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij 3] , door:

- meerdere vrienden van die [benadeelde partij 3] lastig te vallen en/of goederen van die vrienden te vernielen en/of

- meerdere hulpverleners en/of andere betrokkenen bij [benadeelde partij 3] (en/of haar kinderen) lastig te vallen en/of te beledigen en/of goederen van die hulpverleners en/of betrokkenen te vernielen en/of

- goederen/panden van de gemeente Emmen te vernielen en/of

- bij die verschillende vernielingen de naam van die [benadeelde partij 3] en/of haar kinderen te gebruiken met het oogmerk die [benadeelde partij 3] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

4.

hij op of omstreeks 22 juni 2020 te Assen en/of Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk de eer en/of de goede naam van [benadeelde partij 4] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door een e-mail bericht naar meerdere personen en/of instanties te sturen waarin hij die [benadeelde partij 4] een leugenaar noemt en stelt dat zij niet integer handelt, terwijl verdachte wist dat dit ten laste gelegde feit in strijd met de waarheid was;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 juni 2020 te Assen en/of Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk [benadeelde partij 4] schriftelijk heeft beledigd, door een e-mail bericht naar meerdere personen en/of instanties te sturen waarin hij die [benadeelde partij 4] een leugenaar noemt en stelt dat zij niet integer handelt, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

5.

hij op of omstreeks 7 april 2020 te Rotterdam,

- een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een, alarm-startpistool van het merk BBM en type GAP, kaliber 8 mm K en/of

- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 50 knalpatronen van het merk Fiocchi van het kaliber 8 mm

voorhanden heeft gehad;

6.

hij op of omstreeks 7 april 2020 te Rotterdam, al dan niet opzettelijk, een (grote) hoeveelheid professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, bestaande onder andere uit:

- 0,083 kg nitra(a)t(en)

- 8 flash banger(s),

in elk geval één of meer nitra(a)t(en)/flash banger(s) binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad en/of aan een ander ter beschikking heeft gesteld;

7.

hij op of omstreeks 24 maart 2021 te Rotterdam, al dan niet opzettelijk, een (grote) hoeveelheid professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, bestaande uit 2 nitra(a)t(en), in elk geval één of meer nitra(a)t(en) binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad en/of aan een ander ter beschikking heeft gesteld.

Geldigheid van de dagvaarding

Ten aanzien van feit 3

De raadsman heeft ten aanzien van feit 3 gepleit tot vrijspraak, nu (kort samengevat en zakelijk weergegeven) het aldaar tenlastegelegde in te algemene bewoordingen is gesteld om tot een bewezenverklaring te komen.

De rechtbank overweegt dat een van de fundamenten van het strafprocesrecht is dat de terechtzitting plaatsvindt op de grondslag van de tenlastelegging. Aldus zijn zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie en de rechtbank op de hoogte van de gronden waarop de vervolging berust. Ingevolge artikel 261 eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dient, voor zover van belang, de dagvaarding een opgave te bevatten van het feit dat ten laste wordt gelegd. Eén van de functies van de tenlastelegging hierbij is dat de verdachte geïnformeerd wordt voor welk voorval hij moet terechtstaan, zodat hij weet waar hij zich tegen moet verdedigen.

In het onder 3 ten laste gelegde is onder meer opgenomen dat verdachte meerdere vrienden van en hulpverleners en andere betrokkenen bij [benadeelde partij 3] heeft lastig gevallen en/of goederen van deze personen heeft vernield. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van deze onderdelen (de eerste twee gedachtenstreepjes) de tenlastelegging onvoldoende specifiek is, omdat niet duidelijk is wie hiermee worden bedoeld. De rechtbank betrekt hierbij dat veel van de vernielingen die op de vordering gevangenhouding waren opgenomen door het Openbaar Ministerie inmiddels zijn geseponeerd zodat thans onduidelijk is waarop de steller van de tenlastelegging thans nog het oog heeft.

Met betrekking tot de vernielingen dan wel verwijtbare gedragingen onder de laatste twee gedachtenstreepjes is onvoldoende duidelijk of daarmee wordt gedoeld op hetgeen (mede) onder feit 1 is tenlastegelegd. Daarmee is ook op dit punt onvoldoende duidelijk waar de vervolging op ziet. Dit brengt mee dat de dagvaarding ten aanzien van feit 3 niet voldoet aan de eisen gesteld door artikel 261 Sv en nietig wordt verklaard.

Dit dient ertoe te leiden dat [benadeelde partij 3] niet ontvankelijk wordt verklaard in de door haar ingediende schadevergoedingsvordering.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 4

De verdediging heeft ter terechtzitting, bij wijze van preliminair verweer, aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging ter zake van de onder 4 ten laste gelegde laster dan wel belediging. De verdediging heeft aangevoerd dat zowel de aangifte als de klacht is gedaan buiten de vereiste driemaandentermijn.

De officier van justitie heeft zich aangesloten bij het standpunt van de verdediging.

De rechtbank heeft reeds ter zitting het volgende overwogen.

Artikel 269 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) schrijft voor dat de onder

4 primair ten laste gelegd laster en de onder 4 subsidiair ten laste geleide belediging alleen worden vervolgd op klacht van degene tegen wie het desbetreffende feit is gepleegd. Ingevolge art. 66 lid Sr dient de klacht te zijn gedaan binnen drie maanden nadat de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. Hieruit volgt dat voor het recht van het Openbaar Ministerie om een strafvervolging in te stellen is vereist dat de klacht is ingediend binnen drie maanden nadat de klachtgerechtigde heeft kennis genomen van het gepleegde delict. Is dit niet het geval, stuit het recht op vervolging en daarmee de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie daarop in beginsel af. Het niet of niet tijdig indienen van de klacht hoeft echter niet zonder meer te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Als uit de aangifte kan blijken dat de vervolging van de verdachte de instemming geniet van het slachtoffer/de aangever, dan wel indien het slachtoffer dit kenbaar heeft gemaakt binnen de bedoelde termijn van drie maanden is het Openbaar Ministerie (alsnog) ontvankelijk in de vervolging.

Uit het dossier leidt de rechtbank af dat de verweten gedraging op 22 juni 2020 heeft plaatsgevonden. Vervolgens is door aangeefster [benadeelde partij 4] op 29 september 2020 aangifte gedaan van laster dan wel belediging. Door aangeefster is geen formele klacht ingediend. Nu ook de aangifte niet is gedaan binnen de termijn van drie maanden, en ook overigens uit het dossier niet blijkt van een uitdrukkelijke vervolgingswens binnen de drie maanden na de kennisneming van het gepleegde delict leidt dit er toe dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van het onder 4 ten laste gelegde.

Gelet op het voorgaande wordt [benadeelde partij 4] ook niet ontvankelijk verklaard in de vordering die zij heeft ingediende tot vergoeding van de door haar opgelopen schade.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle ten laste gelegde feiten met uitzondering van feit 4, zoals hierboven reeds aangegeven.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de eerste gedachtestreep van het onder 1 ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 1 eerste gedachtestreep heeft de raadsman aangevoerd dat er als bewijsmiddel slechts een aangifte is waaruit blijkt dat het oorlogsmonument en/of gemeentehuis is beklad. Verdachte ontkent dit feit. Er is geen bruikbaar steunbewijs dat maakt dat moet worden aangenomen dat verdachte dit feit gepleegd heeft. Weliswaar is een vergelijkend handschriftonderzoek gedaan, maar daaruit kan niet ondubbelzinnig de conclusie worden getrokken dat de aangebrachte tekst op de muren van het gemeentehuis en het standbeeld van de hand van verdachte is. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de overige feiten (feit 1 m.u.v. de eerste gedachtestreep, feit 2, 5, 6 en 7) heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De verdachte heeft van het hem onder 1 tenlastegelegde ontkend dat hij een oorlogsmonument en/of gemeentehuis te Emmen heeft vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt. De rechtbank acht op grond van na te noemen bewijsmiddelen het door verdachte ontkende deel van het onder 1 tenlastegelegde evenwel wettig en overtuigend bewezen.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 oktober 2019, opgenomen op pagina 300 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer DAKTAR / NN3R020007 d.d. 12 juli 2021, inhoudend de verklaring van [naam 1] namens Gemeente Emmen:

Ik ben namens de gemeente gerechtigd om aangifte te doen. Ik doe aangifte van vernieling van het voor openbaar en voor publiek toegankelijk gemeentegebouw. Gisteren 7 oktober 2019 kwam ik aan op het werk. Dit betrof het gemeentehuis gelegen aan de Raaduisplein 1 te Emmen. Ik werd aangesproken door collega [naam 2] . Hij vertelde mij dat er van alles onder de graffiti was gespoten. Ik ben samen met hem gaan kijken en dit was inderdaad het geval. Wij vermoeden dat de vernielingen hebben plaatsgevonden na vrijdag 4 oktober 2019 16.30 uur, omdat vanaf dat moment er geen medewerkers er beveiliging aanwezig zijn.

De graffiti bevat de volgende teksten:

[naam 3]

Jeugdzorg Assen

[naam 4]

Deze teksten waren geklad op de voorgevel van het gebouw, op het glas. Ook het transformatorhuisje dat vooraan het grasveld staat is beklad. Ook het oorlogsmonument

op het marktplein is beklad.

2. Een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van Drs. W.P.F. Fagel Forensisch Onderzoek van handschrift en handtekeningen, zaaknummer 2020/S.001, d.d. 17 juni 2020 opgemaakt door W.P.F. Fagel, naar waarheid, volledig en naar beste inzicht opgesteld als deskundige handschriftenonderzoek, ingeschreven in het Nederland Register Gerechtelijk Deskundigen, opgenomen op pagina 105 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend als zijn bevindingen:

Tabel 1 Stukken van overtuiging

Nr.

Omschrijving

001

Foto's van diverse objecten (monument, muur, ramen, transformatorhuisje etc.) waarop opschriften zijn aangebracht met een spuitbus waarin o.a. de namen ' [naam 4] ' en ' [naam 3] ' voorkomen.

004

Foto’s van diverse stukken (blaadjes, een envelop en een Valentijnskaart) met handgeschreven tekst, volgens opgave afkomstig van de verdachte

[verdachte] .

005

Twee foto’s van een volgens opgave door de verdachte verzonden envelop, één van de adressering op de voorzijde en één van de afzendervermelding op de achterzijde.

Uit de opdracht en benoeming deskundige door de officier van justitie te Groningen en de van verbalisant [verbalisant] ontvangen informatie heb ik afgeleid dat een vergelijkend handschriftonderzoek uitgevoerd dient te worden tussen de opschriften op de diverse objecten zichtbaar op de foto’s [001 tot en met 003] en het handschrift van de verdachte zichtbaar op de foto’s [004 en 005], teneinde vast te stellen of de verdachte deze op­ schriften al dan niet heeft vervaardigd. Als betwist zijn beschouwd de opschriften op de diverse objecten zichtbaar op de foto’s [001 tot en met 004 (de rechtbank begrijpt: "003")], Als referentiemateriaal diende het handschrift op de diverse papieren stukken als zichtbaar op de hiervan ontvangen foto’s [004 en 005].

In de uitvoering en vorm van de letters in de opschriften waarin de namen [naam 4] en [naam 3] voorkomen [001] is voldoende samenhang waargenomen om deze als één groep handschrift te nemen. Dit is tevens de grootste groep en biedt daardoor de meeste aan- knopingspunten voor vergelijking. Ik zal deze groep verder aanduiden als de groep ‘ [naam 4] en [naam 3] ’.

Resultaten vergelijkend onderzoek

' [naam 4] en [naam 3] '. Voor de meeste als kapitaal uitgevoerde letters in het betwiste handschrift zijn overeenkomstig uitgevoerde equivalenten teruggevonden in het referentiehandschrift. Voor de letters G en N komen andere uitvoeringen voor in het referentiehandschrift, maar ook eenmaal een met die in het betwiste handschrift overeenkomende uitvoering. Het meest schrijveronderscheidend zijn de uitvoeringen van de letters E (die uit vier halen is opgebouwd), R, S en Y.

Interpretatie resultaten

Tussen de betwiste opschriften in de groep ‘ [naam 4] en [naam 3] ’ en het referentiehand­ schrift van [verdachte] heb ik overeenkomsten waargenomen in de uitvoering van

de meeste vergelijkbare letters en geen verschillen van betekenis. Deze resultaten liggen in de lijn der verwachting wanneer de verdachte de opschriften heeft vervaardigd. De

kans op het waarnemen van dezelfde mate van overeenkomst in het handschrift van een willekeurige andere persoon acht ik klein.

Conclusies

Voorafgaande aan het onderzoek waren de volgende elkaar uitsluitende hypothesen op­ gesteld voor het betwiste handschrift:

Hypothese 1: Het betwiste handschrift is geproduceerd door [verdachte] .

Hypothese 2: Het betwiste handschrift is geproduceerd door een willekeurige andere persoon dan [verdachte] .

De resultaten van het onderzoek van de opschriften in de groep ‘ [naam 4] en [naam 3] ’ zijn waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is (deze opschriften zijn door de verdachte

vervaardigd) dan wanneer hypothese 2 waar is.

3. Een schriftelijk bescheid, te weten een e-mailbericht d.d. 10 oktober 2019, opgenomen op pagina 799 e.v. van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:

Van: [verdachte] - < [emailadres] @hotmail.com>

Verzonden op: donderdag 10 oktober 2019 00:36

Aan: [benadeelde partij 1] < [emailadres] >. [emailadres]

CC: , [emailadres], [emailadres].

Hallo [benadeelde partij 1],

naar aanleiding van ons gesprek van 3 oktober bij Jeugdbescherming Noord Assen op

kantoor, waarbij ik ( [verdachte] , biologische vader met gezag van [naam 4] ( [geboortedatum] - 2013)en [naam 3] met ( [geboortedatum] -2014) gesteund werd door [naam 5] die namens Het Zorgbelang Drenthe (AKJ) aanwezig was om mij te steunen tijdens het gesprek met jou, en mevrouw [naam 6] , jouw teamleider,wil ik toch nog een aantal punten aandragen:

Ik ben het met een aantal dingen nog steeds niet eens dat ik mijn kinderen niet kan/mag

zien, en dat er geen enkel contact mogelijk is volgens Jeugdbescherming Noord niet eens

video contact, of zelfs maar brieven schrijven is uit den boze van Jeugd Bescherming Noord.

Voor de goede orde, mijn dochtertjes heb ik sinds 15 juni 2017, tot nu, slechts 2 keer 1 uurtje gezien, verder heb ik geen enkel contact met mijn meisjes gehad, dus hoe kan het dat ze zo bang voor mij zijn geworden? Al die tijd hebben ze alleen maar bij mijn ex gezeten.

Verder vind ik het dieptreurig dat Jeugdbescherming Noord in 2 jaar tijd maar 2

contactmomenten heeft geregeld van in totaal 2 uurtjes, dat is 1 uur per jaar!

Dieptreurig vond de Raad van Kinderbescherming het trouwens ook tijdens de laatste

rechtzaak, dat Jeugdbescherming Noord, er na pakweg 18 maanden nog steeds niet erin was

geslaagd om een omgangsregeling tot stand te brengen.

Bewijsoverweging

De rechtbank overweegt dat tussen 4 – 6 oktober 2019 met een spuitbus de namen van de twee dochters van verdachte en de tekst ‘jeugdzorg’ op het gemeentehuis en het oorlogsmonument in Emmen zijn gespoten. Uit het vergelijkend handschriftonderzoek is gebleken dat het waarschijnlijker is dat voornoemde opschriften door verdachte zijn geproduceerd dan door een willekeurige andere persoon. Uit het e-mailbericht dat verdachte op 10 oktober 2019 naar Jeugdbescherming Noord heeft gestuurd blijkt dat verdachte op 3 oktober 2019 een afspraak had met medewerkers van de Jeugdbescherming Noord. Tijdens dat gesprek heeft verdachte onder meer naar voren gebracht dat sinds 2017 hij zijn dochters enkel tweemaal heel kort heeft gezien en dat de betrokken jeugdinstanties geen actie ondernemen om een goede omgangsregeling tot stand te brengen. Dit e-mailbericht is door verdachte naar verschillende andere instanties waaronder gemeente Emmen verstuurd.

Kort na de afspraak van 3 oktober 2019 zijn de namen van de dochters en van jeugdzorg op gemeentehuis Emmen en het bedoelde oorlogsmonument gespoten, terwijl de bevindingen van het vergelijkend handschriftonderzoek steunbewijs biedt om verdachte aan het ten laste gelegde te koppelen.

Gelet op de aard van de op in de tenlastelegging genoemde objecten aangebrachte teksten, het tijdvak waarin dit is gebeurd, alsmede de bevindingen van het vergelijkend handschriftenonderzoek is de rechtbank van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat het verdachte is geweest die de namen van zijn dochters en de tekst “jeugdzorg” op de bedoelde objecten heeft gespoten, waardoor deze zijn beschadigd. De eerste gedachtestreep van feit 1 is daarom wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de overige onderdelen van het onder 1 bewezenverklaarde volstaat de rechtbank, met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte dit bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 augustus 2021;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 maart 2021, opgenomen op pagina 390 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [benadeelde partij 1] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 maart 2021, opgenomen op pagina 394 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [benadeelde partij 1] ;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 maart 2021, opgenomen op pagina 422 van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [benadeelde partij 2] .

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 augustus 2021;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 maart 2020, opgenomen op pagina 435 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [benadeelde partij 5] .

Ten aanzien van feiten 5, 6 en 7

De rechtbank acht feiten 5, 6 en 7 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 augustus 2021;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 2 juli 2021, opgenomen op pagina 196 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de bevindingen van een verbalisant;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek wapen, opgenomen op pagina 205 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de bevindingen van een verbalisant;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 2 juli 2021, opgenomen op pagina 212 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de bevindingen van een verbalisant;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk d.d. 7 mei 2020, opgenomen op pagina 219 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de bevindingen van een verbalisant;

6. een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk d.d. 29 april 2021, opgenomen op pagina 250 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de bevindingen van een verbalisant.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1, 2, 5, 6 en 7 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op meer momenten in de periode van 4 oktober 2019 tot en met 18 maart 2021 te Emmen, en Oosterhesselen,

- in de periode van 4 oktober 2019 tot en met 7 oktober 2019 te Emmen, een oorlogsmonument en het gemeentehuis die aan de gemeente Emmen toebehoorden opzettelijk en wederrechtelijk heeft beschadigd

en

- omstreeks 26 februari 2021 te Oosterhesselen, een autoband die aan [benadeelde partij 1]

toebehoorde en op 5 maart 2021 te Oosterhesselen, een ruit en een kozijn aan die

toebehoorden opzettelijk en wederrechtelijk heeft vernield en beschadigd

en

- op 18 maart 2021 te Emmen, een auto die aan [benadeelde partij 2] toebehoorde opzettelijk en wederrechtelijk heeft beschadigd;

2.

hij op meer momenten in de periode van 12 maart 2020 tot en met 7 april 2020 te Assen en Rotterdam, telkens wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij 5] , door veelvuldig te bellen naar die [benadeelde partij 5] , met het oogmerk die [benadeelde partij 5] , te dwingen iets te dulden;

5.

hij op 7 april 2020 te Rotterdam,

- een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een, alarm-startpistool van het merk BBM en type GAP, kaliber 8 mm K en

- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 50 knalpatronen van het merk Fiocchi van het kaliber 8 mm

voorhanden heeft gehad;

6.

hij op 7 april 2020 te Rotterdam, opzettelijk, een hoeveelheid professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, bestaande onder andere uit:

- 0,083 kg nitraat

- 8 flash bangers,

voorhanden heeft gehad;

7.

hij op 24 maart 2021 te Rotterdam, opzettelijk, een hoeveelheid professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, bestaande uit 2 nitraten voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen, meermalen gepleegd;

2 Belaging;

5 Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

6 en 7 Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren. Als bijzondere voorwaarden heeft zij gevorderd de oplegging van meldplicht, ambulante behandeling en een drugs- en alcoholverbod. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging gevorderd van een maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor de duur van 5 jaar, inhoudende een contactverbod met aangevers [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 5] . Per overtreding van dit verbod acht de officier van justitie 2 weken hechtenis op zijn plaats, met een maximum van in totaal 6 maanden. Zij heeft gevorderd het op te leggen contactverbod dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten en daarnaast een voorwaardelijke straf met een kortere proeftijd dan door de officier van justitie is gevorderd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte na de schorsing van de voorlopige hechtenis zich aan alle voorwaarden heeft gehouden. Het opleggen van een straf waardoor verdachte weer de gevangenis in moet is niet aangewezen. Verdachte heeft verantwoordelijkheid genomen voor de feiten die hij heeft begaan en heeft op zijn eigen manier spijt betuigd voor zijn handelingen. Volgens de richtlijnen van het openbaar ministerie en de oriëntatiepunten van de rechtbank is het uitgangspunt bij een vernieling en overtreding van het vuurwerkbesluit de oplegging van een geldboete. In het licht daarvan is de strafeis te zwaar. Ook de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel van art 38v Sr voor vijf jaar is niet proportioneel.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van het Leger des Heils d.d. 16 augustus 2021, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 27 juli 2021, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en het vernielen en beschadigen van goederen van verschillende personen en de gemeente Emmen. Daarnaast heeft verdachte een alarmpistool, 50 knalpatronen en verboden vuurwerk voorhanden gehad.

Verdachte heeft het slachtoffer [benadeelde partij 5] belaagd door hem veelvuldig te bellen. De gedraging van verdachte werd gedreven door zijn ongenoegen omtrent het ontbreken van een omgangsregeling met zijn kinderen. Volgens verdachte had [benadeelde partij 5] (als vriend) hem daarbij onvoldoende ondersteuning of hulp geboden. Ook de vernielingen en beschadigingen hadden betrekking op verdachtes streven om zijn kinderen te zien en dat hij uit het ouderlijk gezag is ontzet. Verdachte heeft zijn onvrede en frustraties op uiterst hinderlijke, obsessieve en intimiderende wijze getoond. Hij heeft met verf de namen van zijn kinderen in combinatie met de tekst ‘jeugdzorg’ op het gemeentehuis van Emmen en zelfs op een oorlogsmonument gespoten. Ook heeft hij goederen van de advocaat van zijn ex-partner en de betrokken gezinsvoogd vernield.

Met zijn handelen heeft verdachte de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 5] op negatieve wijze beïnvloed. Aan de overige benadeelden heeft verdachte schade toegebracht in de vorm van hinder en (reparatie)kosten. Verdachte heeft met zijn gedrag getoond dat hij geen respect heeft voor eigendommen van anderen, noch voor de persoonlijke levenssfeer van een ander.

Het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Vuurwapenbezit leidt meer dan eens tot vuurwapengebruik. Daarom dient tegen ongecontroleerd bezit van vuurwapens streng te worden opgetreden. Door illegaal vuurwerk in zijn woning voorhanden te hebben, heeft verdachte onverantwoorde risico’s genomen en de algemene veiligheid van personen en goederen in gevaar gebracht.

De bewezen verklaarde feiten rechtvaardigen in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

Uit voornoemd reclasseringsrapport blijkt dat verdachtes gevoelens van onmacht en door hem ervaren onrechtvaardigheid en zijn beperkte copingvaardigheden een rol hebben gespeeld bij het delictgedrag. Er zijn ook vermoedens dat bij verdachte sprake is van een stemmingsstoornis en persoonlijkheidsproblematiek. Verdachte kan moeilijk kijken naar zijn eigen aandeel in de problemen en is geneigd zich enkel te richten op hetgeen anderen niet goed zouden hebben gedaan. Ondanks deze houding heeft verdachte aangegeven te willen werken aan gedragsverandering. Om herhaling te voorkomen is het van belang dat verdachte zicht krijgt op zijn eigen rol in het ontstaan van problemen en actief meewerkt aan een ambulante behandeling gericht op het verkrijgen van dat inzicht en daarnaar te handelen. Zolang verdachte geen handvatten krijgt aangereikt om met gevoelens van onder andere onmacht en onrechtvaardigheid om te gaan, is er sprake van een hoog recidiverisico. Enerzijds stelt verdachte bereid te zijn om aan zichzelf te werken en open te staan voor hulp. Verdachte lijkt hierin oprecht. Anderzijds maakt verdachte de indruk alleen gemotiveerd te zijn voor hulp die past bij zijn visie op de problematiek en is het de vraag hoe hij zal reageren wanneer hij geconfronteerd wordt met zaken die niet aansluiten bij zijn eigen visie.

Verdachte heeft zich vanaf het moment dat hij is geschorst uit voorlopige hechtenis gehouden aan alle bijzondere voorwaarden. Met betrekking tot de behandelverplichting heeft hij inmiddels een intake gehad bij De Waag in Rotterdam. De overige voorwaarden verbonden aan de schorsing zijn reeds gestart.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in beginsel niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die langer is dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten. De omstandigheden zoals geschetst in het reclasseringsrapport en hetgeen de rechtbank ter terechtzitting is gebleken geven hiertoe aanleiding.

De rechtbank acht een gevangenisstraf van 240 dagen (8 maanden) waarvan 133 dagen voorwaardelijke met een proeftijd van drie jaar passend en geboden. Als bijzondere voorwaarden zal de rechtbank een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en een alcoholverbod opleggen.

Daarnaast zal de rechtbank ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten en ter bescherming van de slachtoffers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 5] een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Sr aan verdachte opleggen. De maatregel behelst dat verdachte zich dient te onthouden van direct en indirect contact met voornoemde slachtoffers in welke vorm dan ook. Deze maatregel geldt voor de duur van drie jaar. Voor het geval verdachte zich niet aan de maatregel houdt, zal vervangende hechtenis van twee weken met een maximum van zes maanden worden opgelegd. Deze maatregel geldt voor de duur van drie jaar. Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens bedoelde slachtoffers, zal de rechtbank de maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren.

Inbeslaggenomen goederen

Door de raadsman is verzocht om het onder verdachte inbeslaggenomen geldbedrag aan verdachte terug te geven.

De rechtbank stelt vast dat op het bedoelde geldbedrag conservatoir beslag ligt. Het verzoek van de raadsman wordt derhalve afgewezen.

Benadeelde partij

[benadeelde partij 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een totaalbedrag van € 621,84 bestaande uit € 21,84

ter zake van materiële schade en € 600,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] overweegt de rechtbank dat de gevorderde materiele schade betrekking heeft op de reiskosten die [benadeelde partij 1] heeft gemaakt in verband met het bijwonen van de zitting. Deze kosten zijn niet aan te merken als rechtstreekse materiële schade. Op basis van artikel 238 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn deze kosten in casu wel aan te merken als toewijsbare proceskosten. De reiskosten ad € 21,84 zullen derhalve als proceskosten worden toegewezen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte (€ 600,-) niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2021.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 57, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht,

26 en 55 van de Wet wapens en munitie,

1a, 2 en 6 van de Wet op economische delicten,

9.2.2.1 van de Wet milieubeheer en

1.2.2 van het Vuurwerkbesluit.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 3 ten late gelegde nietig.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging met betrekking tot het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Verklaart het onder 1, 2, 5, 6 en 7 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen (8 maanden).

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 133 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaar, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. dat de veroordeelde zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; telefonische melding bij de Reclassering van het Leger des Heils geschiedt via telefoonnummer [telefoonnummer] ;

  2. dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van de Waag Rijnmond in Rotterdam of een soortgelijke organisatie voor ambulante forensische psychiatrische- en/of verslavingszorg, te bepalen door de reclassering en zich zal houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

  3. dat de veroordeelde zich zal onthouden van alcohol en mee werkt aan middelencontrole, zolang de reclassering dit nodig vindt. De reclassering bepaalt met welke middelen gecontroleerd zal worden.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van drie jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 5] ;

- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum duur van 6 maanden;

- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;

- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 600,- (zegge: zeshonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2021.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 21,84 en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , te betalen een bedrag van € 600,- (zegge: zeshonderd euro), te verhogen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2021. Dit bedrag betreft immateriële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 12 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] in hun vorderingen niet-ontvankelijk zijn en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partijen en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter, mr. J. Edgar en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 september 2021.

Mr. C. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.