Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:3890

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
LEE 19/4095
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing subsidieaanvraag voor project “Valorisatie Radiolyse”

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat verweerder de Uitvoeringsregeling OP EFRO Valorisatie C 2018 (de regeling) onjuist heeft toegepast. Die regeling vormt het kader waarbinnen de aanvraag van eiseres moet worden beoordeeld. Conform de Toelichting op de regeling heeft verweerder de aanvraag ter advisering voorgelegd aan de deskundigencommissie. De rechtbank acht verweerders handelswijze voldoende transparant en zorgvuldig. Zowel in de aanvraagfase als in de bezwaarfase heeft meerdere malen hoor en wederhoor plaatsgevonden naar aanleiding van de deskundigenadviezen. De inbreng van eiseres heeft verweerder steeds voldoende kenbaar betrokken bij zijn besluitvorming. Van subjectief en/of partijdig handelen door verweerder is geen sprake geweest.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het betoog van eiseres over het handelen van de deskundigencommissie faalt. De wijze van invulling van de deskundigencommissie en de advisering door die commissie zijn erop gericht om belangenverstrengeling te voorkomen. Dit volgt uit de Verordening op de deskundigencommissie EFRO. Niet in geschil is dat die verordening in dit geval is gevolgd om de deskundigencommissie samen te stellen. Evenmin is in geschil dat Faaij op basis van zijn specifieke expertise is benoemd als commissielid en vanuit die rol heeft gehandeld bij de advisering over de aanvraag van eiseres. Anders dan eiseres suggereert, volgt uit de adviezen van die commissie aan verweerder niet dat die adviezen direct van Faaij als commissielid afkomstig zijn. De adviezen met de daarin opgenomen puntentoekenning zijn door de deskundigencommissie als geheel uitgebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres voorts niet worden gevolgd in haar stelling dat verweerder in dit geval niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. Uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden volgt dat verweerder zorgvuldig te werk is gegaan bij het betrekken van de adviezen van de deskundigencommissie bij de beoordeling van de aanvraag van eiseres. Eiseres miskent dat verweerder in haar bezwaargronden aanleiding heeft gezien om in de bezwaarfase nogmaals de deskundigencommissie in te schakelen. Uit het hoorzittingsverslag volgt dat eiseres haar bezwaargronden uitgebreid heeft toegelicht en dat de bezwaarcommissie naar aanleiding daarvan vragen heeft gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank getuigt dit van gedegen onderzoek door de bezwaarcommissie naar de wijze van totstandkoming en inhoud van het eerste advies van de deskundigencommissie. De hoorzitting heeft uiteindelijk tot een nader advies van de deskundigencommissie geleid. Dat advies is vervolgens door de bezwaarcommissie betrokken bij haar advisering en bij de besluitvorming van verweerder. Ook deze gang van zaken getuigt van zorgvuldige besluitvorming. Nu de adviezen van de deskundigencommissie voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent waren en eiseres daar geen andersluidend deskundigenadvies tegenover heeft gesteld, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de bezwaarprocedure aan te houden. Voorafgaand aan haar aanhoudingsverzoek heeft eiseres meerdere malen de kans gekregen om nadere informatie, waaronder testresultaten, aan te leveren. Deze informatie is betrokken bij de advisering en besluitvorming. In die informatie en stellingen van eiseres daarover heeft verweerder terecht geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de adviezen van de deskundigencommissie gezien.

De rechtbank stelt vervolgens voorop dat zij de adviezen van de deskundigencommissie slechts terughoudend kan toetsen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval de aanvraag van eiseres terecht afgewezen. Uit de adviezen van de deskundigencommissie en verweerders standpunten daarover volgt dat bij de beoordeling van de aanvraag steeds de vraag voorop heeft gestaan of het project voldoende bijdraagt aan de verwezenlijking van de specifieke doelstelling binnen het programma zoals opgenomen in de regeling. Hoewel de regeling dat niet voorschrijft, hebben zowel de deskundigencommissie als verweerder bij de beantwoording van die vraag eiseres meerdere malen in de gelegenheid gesteld om specifieke aanvullende gegevens in te dienen waaruit blijkt dat het project (toch) die bijdrage levert. Anders dan eiseres stelt, zijn daarbij de vijf beoordelingscriteria uit artikel 9 van de regeling als leidraad gebruikt. Uit de adviezen van de deskundigencommissie volgt vervolgens in voldoende mate op welke punten het project niet voldoende bijdraagt. Dat eiseres het op bepaalde punten niet met (de oordelen van) de deskundigencommissie eens is, doet geen afbreuk aan de waarde van de adviezen van die commissie. Daarnaast heeft de bezwaarcommissie de beweegredenen van de deskundigencommissie per beoordelingscriterium en de bezwaren van eiseres daartegen besproken. Uit haar advies volgt niet dat de bezwaarcommissie onvoldoende is geïnformeerd en/of bepaalde aspecten van deze zaak heeft miskent. Zoals de bezwaaradviescommissie en verweerder terecht tijdens de bezwaarfase hebben benoemd, lag het op de weg van eiseres om aan te tonen dat het project aan de doelstelling van de regeling (en de bijbehorende criteria) voldoet. Nu dat niet (voldoende) is aangetoond, is terecht geconcludeerd dat dit project niet voor de gevraagde subsidie in aanmerking komt.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/4095


uitspraak van de meervoudige kamer van 1 september 2021 in de zaak tussen

Enerpy Holland B.V., te Maarn, eiseres

(gemachtigde: mr. A. de Groot),

en

Samenwerkingsverband Noord-Nederland, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde 1 van verweerder] en [gemachtigde 2 van verweerder] ).

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2018 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor verlening van subsidie voor het project “Valorisatie Radiolyse” met projectnummer [projectnummer] afgewezen.

Bij besluit van 17 oktober 2019 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2021. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [aanwezige 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank is van oordeel dat dit beroep ongegrond is. Zij overweegt daartoe het volgende.

Feiten

2. Op 18 juli 2018 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor verlening van subsidie voor het project ‘Valorisatie Radiolyse’ op grond van de Uitvoeringsregeling OP EFRO Valorisatie C 2018 (hierna: de regeling). Onderdeel van de aanvraag is onder meer het projectplan van 24 mei 2018. De totale projectkosten bedragen € 1.102.178,-. De aanvraag is ingediend mede namens Biobtx B.V., de Rijksuniversiteit Groningen (hierna: de RUG) en Renewi BV.


De aanvraag is beoordeeld door de Deskundigencommissie EFRO (hierna: de deskundigencommissie).

In oktober 2018 heeft eiseres, in reactie op vragen van de deskundigencommissie, de aanvraag aangevuld.

Op 8 november 2018 heeft de deskundigencommissie de aanvraag met eiseres besproken en een advies aan verweerder uitgebracht.

Bij primair besluit van 14 december 2018 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, op grond van artikel 5.2.5, eerste lid, sub c, van de Regeling Europese EZ-subsidies (hierna: de REES) in samenhang met artikel 6, eerste lid, van de regeling. Verweerder heeft daarbij betrokken dat de deskundigencommissie op 8 november 2018 heeft geadviseerd om aan het project van eiseres 25 punten toe te kennen.

Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.

In het kader van de behandeling van het bezwaarschrift heeft de Externe Commissie voor de Bezwaarschriften (hierna: de bezwaarcommissie) op 17 mei 2019 een hoorzitting gehouden.

Bij brief van 10 juli 2019 heeft verweerder een memo van de deskundigencommissie van
27 juni 2019 ingediend bij de bezwaarcommissie.

Bij brief van 19 juli 2019 heeft eiseres een reactie ingediend.


Bij advies van 6 oktober 2019 heeft de bezwaarcommissie verweerder geadviseerd om het bezwaarschrift ongegrond te verklaren en het primaire besluit in stand te laten.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van 6 oktober 2019.

De door verweerder gevolgde procedure

4.
Eiseres voert – samengevat – aan dat verweerder de beleidsregels onjuist heeft toegepast. Zo voldoet de door verweerder gevolgde procedure niet aan het transparantiebeginsel en principes van objectiviteit en onpartijdigheid. Bij de beoordeling van de aanvraag is verweerder te ver afgeweken van het beoordelingskader van de regelingen, in het bijzonder van de vier hoofdcategorieën van artikel 9. Eiseres meent dat haar project niet aan de hand van een bestaand begrippenkader of wetenschappelijke context moet worden beoordeeld, nu het nieuwe technologie betreft en eiseres daarbij zelf termen en processen heeft benoemd. Het gaat om het resultaat van de installatie, daargelaten de beoordeling als experiment. De afwijzing van haar aanvraag heeft op onjuiste beoordelingsgronden plaatsgevonden, althans de nadere onderbouwing en motivering zijn niet of onjuist beoordeeld, aldus eiseres.

4.1.

In reactie hierop heeft verweerder – samengevat – aangevoerd dat in bezwaarprocedures weliswaar het uitgangspunt geldt dat ex nunc wordt getoetst, maar dat dit niet betekent dat een aanvraag te allen tijde, ver na het indienen, nog kan worden aangevuld. Volgens verweerder dient een aanvraag op het moment van indiening al aan de regeling te voldoen en is het niet passend binnen de verdeelsystematiek dat een aanvraag wordt ingediend die op het moment van aanvragen niet voldoet aan de regeling, maar die door een latere gebeurtenis, in dit geval het uitvoeren van testen, wel gaat voldoen. Bovendien vindt verweerder dat eiseres ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om haar aanvraag te onderbouwen. Mede gelet op het advies van de bezwaarcommissie heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij daarom terecht heeft besloten het bezwaar niet langer aan te houden in afwachting van nog te genereren testresultaten.

4.2.1.

De rechtbank verwijst naar de bijlage bij deze uitspraak voor de hier relevante artikelen van de regeling.

4.2.2.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat verweerder de regeling onjuist heeft toegepast. Tussen partijen is niet in geschil dat de regeling het kader vormt waarbinnen de aanvraag van eiseres moet worden beoordeeld. Uit artikel 5 van de regeling volgt dat het aanvraagformulier volledig ingevuld, met alle bijbehorende documenten, moet worden ingediend. Conform de werkwijze beschreven in de Toelichting op de regeling (hierna: de Toelichting) heeft verweerder de aanvraag ter advisering voorgelegd aan de deskundigencommissie. Die commissie heeft de aanvraag op 4 oktober 2018 besproken, waarna verweerder eiseres heeft gewezen op door die commissie geconstateerde ontbrekende informatie. Deze toets op compleetheid is in lijn met de werkwijze uit de Toelichting. Nadat eiseres nadere informatie had ingediend, heeft de deskundigencommissie de aanvraag op 8 november 2018 met eiseres besproken voordat zij daarover advies aan verweerder heeft uitgebracht. In dat advies heeft de deskundigencommissie de aanvraag beoordeeld aan de hand van de vijf beoordelingscriteria uit artikel 9. Dit blijkt duidelijk uit het advies dat als bijlage 1 bij het primaire besluit is gevoegd. In de bezwaarfase heeft verweerder eiseres vervolgens opnieuw in de gelegenheid gesteld om, in het kader van de volledige heroverweging, aanvullende informatie en stukken in te dienen. Die informatie heeft eiseres nader toegelicht tijdens de hoorzitting van 17 mei 2019 en daar nog nader aangevuld met het Amerikaanse octrooi van 30 juni 2015 (hierna: het octrooi). De deskundigencommissie heeft alle nadere informatie nader beoordeeld en verweerder daarover van advies voorzien, zoals volgt uit verweerders reactie van 10 juli 2019. In de brief van 19 juli 2019 heeft eiseres daarop gereageerd. De rechtbank acht deze handelswijze van verweerder voldoende transparant en zorgvuldig. Zowel in de aanvraagfase als in de bezwaarfase heeft meerdere malen hoor en wederhoor plaatsgevonden naar aanleiding van de deskundigenadviezen. De inbreng van eiseres heeft verweerder steeds voldoende kenbaar betrokken bij zijn besluitvorming. Van subjectief en/of partijdig handelen door verweerder is geen sprake geweest. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Deskundigencommissie

5. Eiseres voert voorts – samengevat – aan dat één van de deskundigen, de heer A. Faaij (hierna: Faaij), een dusdanig dominante positie in de deskundigencommissie had dat van een evenwichtige (gebruikmaking van de) samenstelling van die commissie geen sprake meer kan zijn. Die deskundige heeft het merendeel van de vragen gesteld en een sterk negatieve beoordeling gegeven die centraal is gesteld zonder tegenspraak. Daarbij acht eiseres van belang dat zij in twee andere trajecten in dezelfde periode wel goede beoordelingen heeft gekregen en dat die trajecten wel werden gehonoreerd. Eiseres acht het project van dusdanige kwaliteit dat het verschil in beoordeling niet objectief verklaarbaar is. Zij merkt op dat andere deskundigen en partijen juist het belang en de invulling van het project onderschrijven, zoals blijkt uit de uitnodiging voor een handelsmissie en vergevorderde samenwerking met derde partijen. Tevens was Faaij gelijktijdig bij TNO in een sollicitatieprocedure betrokken, werkt hij inmiddels bij ECN en was hij werkzaam bij de RuG toen de aanvraag werd beoordeeld. Eiseres meent dat beïnvloeding van de besluitvorming niet kan worden uitgesloten en dat de schijn van belangenverstrengeling niet is vermeden.

5.1.

In reactie hierop heeft verweerder – samengevat – aangevoerd dat hij het belang van het voorkomen van (de schijn van) belangenverstrengeling bij leden van de deskundigencommissie onderschrijft. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Verordening op de deskundigencommissie EFRO (hierna: de verordening) neemt een lid van de commissie niet deel aan de vergadering indien in de vergadering een aanvraag wordt behandeld waarin dit lid op enigerlei wijze een belang heeft. Voorafgaand aan elke vergadering wordt eerst globaal door medewerkers van verweerder beoordeeld of bepaalde deskundigen gelet op de mogelijke schijn van belangenverstrengeling bepaalde aanvragen beter niet zouden kunnen beoordelen. Daarnaast wordt voorafgaand aan iedere vergadering aan de deskundigen zelf gevraagd of zij onafhankelijk kunnen oordelen over het project. Dat is in dit geval ook gebeurd. Faaij heeft niet aangegeven niet onafhankelijk te zijn in dit project en ook verweerder ziet geen aanleiding om aan te nemen dat in het geval van Faaij mogelijk sprake is van belangenverstrengeling. Dat Faaij op het moment van beoordelen werkzaam was bij de RUG en in een sollicitatieprocedure bij TNO betrokken was, is naar verweerders visie op zichzelf geen reden om aan te nemen dat hij een zakelijk of persoonlijk belang heeft in dit project. Bovendien wil verweerder benadrukken dat het advies van de deskundigencommissie een advies is van de gehele commissie en dat dit niet is gestoeld op de mening van slecht één commissielid. Verweerder ziet dan ook geen aanleiding om het project voor te leggen aan een andere delegatie van de deskundigencommissie.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat dit betoog van eiseres faalt. Daarbij is van belang dat de wijze van invulling van de deskundigencommissie en de advisering door die commissie erop zijn gericht om belangenverstrengeling te voorkomen. Dit volgt uit de verordening. Niet in geschil is dat de verordening, waaronder ook de daarin opgenomen regels inzake onafhankelijkheid van de commissieleden, in dit geval is gevolgd om de deskundigencommissie samen te stellen. Evenmin is in geschil dat Faaij op basis van zijn specifieke expertise is benoemd als commissielid en vanuit die rol heeft gehandeld bij de advisering over de aanvraag van eiseres. Anders dan eiseres suggereert, volgt uit de adviezen van die commissie aan verweerder niet dat die adviezen direct van Faaij als commissielid afkomstig zijn. De adviezen met de daarin opgenomen puntentoekenning zijn door de deskundigencommissie als geheel uitgebracht. Dat Faaij in de bevraging van eiseres over de aanvraag en het project (kennelijk) een dominante rol heeft vervuld, maakt niet dat daarmee aan (de zorgvuldige totstandkoming van) die adviezen afbreuk zou zijn gedaan. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft gehandeld buiten zijn expertisegebied. Dat eiseres in twee andere subsidietrajecten andere ervaringen met de deskundigencommissie heeft gehad, doet niet af aan het vorenstaande. Het gestelde gebrek in de onafhankelijkheid en onpartijdigheid als gevolg van een dienstverband bij ECN of de RuG of als gevolg van de betrokkenheid bij een sollicitatieprocedure, is op geen enkele wijze concreet gemaakt of onderbouwd.

Vergewisplicht

6. Eiseres voert voorts – samengevat – aan dat verweerder niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan, nu hij ter motivering van het bestreden besluit enkel heeft verwezen naar het advies van 6 oktober 2019. Eiseres meent dat verweerder expliciet had moeten motiveren waarom hij vindt dat dat advies concludent is, nu de bezwaarcommissie heeft geadviseerd over het advies van de deskundigencommissie. Dat is temeer het geval nu leden van de bezwaarcommissie tijdens de hoorzitting vragen hebben gesteld over het project die niet relevant waren en die zagen op de rol van Faaij. Daar komt bij dat eiseres heeft verzocht om een andere samenstelling van de deskundigencommissie en heeft verzocht om testresultaten daaraan te mogen voorleggen nu de deskundigen aangaven dat dat wenselijk zou zijn. Eiseres acht het niet zorgvuldig dat haar verzoek is afgewezen. De bezwaarcommissie heeft nu niet kunnen vernemen hoe de deskundigencommissie in andere samenstelling en/of met beschikking over een aangevuld dossier zou oordelen over de eerdere puntentoekenning. Volgens eiseres heeft er nu niet de herziening plaatsgevonden die de kern vormt van de bezwaarprocedure. Er is ten onrechte een ex-tunc-toetsing aangelegd. Eiseres acht het inconsistent dat haar bij de beoordeling van haar aanhoudingsverzoek wordt tegengeworpen dat in de aanvraagfase gegevens ontbraken.

6.1.

In reactie hierop heeft verweerder – samengevat – aangevoerd dat voorop staat dat het aan de deskundigencommissie is om de inhoud van het project te beoordelen. Verweerder dient enkel te controleren of het advies van de deskundigencommissie zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk concludent is. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de deskundigencommissie het project zeer zorgvuldig heeft beoordeeld, nu die commissie eiseres eerst een aantal schriftelijke vragen heeft gesteld en haar daarna heeft uitgenodigd voor het gesprek op 8 november 2018 om het projectplan mondeling toe te lichten. Voor zover er voor de deskundigencommissie onduidelijkheden bestonden, was dat gesprek het moment voor eiseres om die onduidelijkheden op te helderen. Volgens verweerder heeft eiseres zelfs in dat rechtstreeks gesprek niet duidelijk kunnen maken dat het project voldoende bijdraagt aan de doelstelling van de regeling. Dat heeft de bezwaarcommissie gesterkt in het oordeel dat de deskundigencommissie zorgvuldig te werk is gegaan en dat de aanvraag terecht is afgewezen. Verweerder ziet dan ook geen reden waarom het advies van de bezwaarcommissie niet aan het bestreden besluit ten grondslag kon worden gelegd.

6.2.1.

De rechtbank overweegt dat het bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat de partij over het advies heeft aangevoerd.

6.2.2.

Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres niet worden gevolgd in haar stelling dat verweerder in dit geval niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. Daarbij betrekt de rechtbank allereerst de hiervoor in overweging 4.2.2. beschreven feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden tijdens de besluitvorming. Uit die feiten en omstandigheden volgt dat verweerder zorgvuldig te werk is gegaan bij het betrekken van de adviezen van de deskundigencommissie bij de beoordeling van de aanvraag van eiseres. Voorts overweegt de rechtbank dat eiseres miskent dat verweerder in haar bezwaargronden aanleiding heeft gezien om in de bezwaarfase nogmaals de deskundigencommissie in te schakelen. Uit het hoorzittingsverslag volgt dat eiseres haar bezwaargronden uitgebreid heeft toegelicht en dat de bezwaarcommissie naar aanleiding daarvan vragen heeft gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank getuigt dit van gedegen onderzoek door de bezwaarcommissie naar de wijze van totstandkoming en inhoud van het eerste advies van de deskundigencommissie. De hoorzitting heeft er uiteindelijk toe geleid dat verweerder de deskundigencommissie heeft gevraagd of de bezwaren van eiseres die commissie aanleiding geven om het oorspronkelijke advies te herzien. Het nadere advies van de deskundigencommissie is vervolgens door de bezwaarcommissie betrokken bij haar advisering en bij de besluitvorming van verweerder. Ook deze gang van zaken getuigt van zorgvuldige besluitvorming. Nu de adviezen van de deskundigencommissie voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent waren en eiseres daar geen andersluidend deskundigenadvies tegenover heeft gesteld, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de bezwaarprocedure aan te houden, zoals eiseres had verzocht. Voorafgaand aan haar aanhoudingsverzoek heeft eiseres meerdere malen de kans gekregen om nadere informatie, waaronder testresultaten, aan te leveren. Deze informatie is betrokken bij de advisering en besluitvorming. In die informatie en stellingen van eiseres daarover heeft verweerder terecht geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de adviezen van de deskundigencommissie gezien. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Criteria uit artikel 9 van de regeling

7. Eiseres voert – samengevat – aan dat haar aanvraag ten onrechte is afgewezen.
Over criterium A voert zij aan dat de score ruim voldoende of goed zou moeten zijn, nu de activiteiten corresponderen met de actie waar de regeling op is gericht, het project vol is gericht op valorisatie met een hecht verband en een hoge score op de outputindicator. Eiseres stelt dat efficiency geen voorwaarde is en in strijd met het transparantiebeginsel in de beoordeling is betrokken. Over criterium B voert zij aan dat haar project onderscheidend is en daarbinnen sprake is van partners uit verschillende sectoren die met elkaar samenwerken. Verweerder heeft de rechten van intellectueel eigendom miskend. Over criterium C voert eiseres aan dat zij op pagina 25 en verder van het projectplan alle vragen over de haalbaarheid van de uitvoering van de projectactiviteiten binnen de projectperiode en de perspectieven op de langere termijn heeft beantwoord. Verweerders verwijt van een te hoog abstractieniveau kan eiseres niet plaatsen. Zo zijn de rechten van intellectueel eigendom nadrukkelijk verantwoord en is het octrooi overgelegd waarin de relevante innovatie is beschreven. Over criterium E voert eiseres aan dat de aanvrager zelf mag bepalen welke van de drie aspecten zij wil uitwerken en dat zij op pagina 32 van het projectplan de vereiste motivering heeft gegeven. Verweerder heeft de bijdrage van het project echter niet conform de regeling beoordeeld. Het heeft er de schijn van dat de bezwaarcommissie nooit de antwoorden heeft gezien op de vragen die zijn gesteld op basis van het projectplan, of de inhoud van die antwoorden ten onrechte heeft miskend, aldus eiseres.

7.1.

In reactie hierop heeft verweerder – samengevat – aangevoerd dat het projectplan, de beantwoording van de nadere vragen en het gesprek op 8 november 2018 hebben geleid tot een score van 25 van de maximaal toe te kennen 100 punten. Naar aanleiding van de hoorzitting heeft de deskundigencommissie het project nogmaals beoordeeld en daarbij de inhoud van het bezwaarschrift meegenomen. Ook dit bezwaarschrift heeft niet geleid tot een ander oordeel van de deskundigencommissie. In de argumenten van eiseres ziet verweerder geen aanleiding om aan te nemen dat bij de beoordeling niet op de juiste wijze is getoetst aan de criteria in de regeling.

7.2.1.

De rechtbank stelt voorop dat zij de adviezen van de deskundigencommissie slechts terughoudend kan toetsen. Dit volgt ook uit de hiervoor in overweging 6.2.1. benoemde jurisprudentie van de AbRS.

7.2.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval de aanvraag van eiseres terecht afgewezen. Uit de adviezen van de deskundigencommissie en verweerders standpunten daarover volgt dat bij de beoordeling van de aanvraag steeds de vraag voorop heeft gestaan of het project voldoende bijdraagt aan de verwezenlijking van de specifieke doelstelling binnen het programma zoals opgenomen in de regeling. Hoewel de regeling dat niet voorschrijft, hebben zowel de deskundigencommissie als verweerder bij de beantwoording van die vraag eiseres meerdere malen in de gelegenheid gesteld om specifieke aanvullende gegevens in te dienen waaruit blijkt dat het project (toch) die bijdrage levert. Anders dan eiseres stelt, zijn daarbij de vijf beoordelingscriteria uit artikel 9 van de regeling als leidraad gebruikt. Uit de adviezen van de deskundigencommissie volgt vervolgens in voldoende mate op welke punten het project niet voldoende bijdraagt. Bij de beoordeling heeft de deskundigencommissie onder meer acht geslagen op het projectplan, het octrooi en de andere door eiseres ingediende documenten. Dat eiseres het op bepaalde punten niet met (de oordelen van) de deskundigencommissie eens is, doet geen afbreuk aan de waarde van de adviezen van die commissie. Vaststaat dat de adviezen zorgvuldig tot stand zijn gekomen en inhoudelijk inzichtelijk en concludent zijn en dat eiseres geen concrete aanknopingspunten voor twijfel naar voren heeft gebracht. Van onvoldoende transparantie bij de toetsing van de aanvraag en/of miskenning van de rechten van intellectueel eigendom is geen sprake geweest. Daarnaast volgt uit het advies van 6 oktober 2019 dat de bezwaarcommissie de beweegredenen van de deskundigencommissie per beoordelingscriterium en de bezwaren van eiseres daartegen heeft besproken. Uit dat advies volgt niet dat de bezwaarcommissie onvoldoende is geïnformeerd en/of bepaalde aspecten van deze zaak heeft miskent. Zoals de bezwaaradviescommissie en verweerder terecht tijdens de bezwaarfase hebben benoemd, lag het op de weg van eiseres om aan te tonen dat het project aan de doelstelling van de regeling (en de bijbehorende criteria) voldoet. Nu dat niet (voldoende) is aangetoond, is terecht geconcludeerd dat dit project niet voor de gevraagde subsidie in aanmerking komt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

8. In het licht van het voorgaande is het beroep ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Dijkstra, voorzitter, en mr. E.M. Visser en
mr. M.M. van Driel, leden, in aanwezigheid vanmr. R.A. Schaapsmeerders, griffier,
op 1 september 2021. De uitspraak is openbaargemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

typ: SCHA

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage bij de uitspraak inzake het beroep met zaaknummer LEE 19/4095

Relevante artikelen regeling

In artikel 5, tweede lid, van de regeling is opgenomen – voorzover hier van belang – dat een aanvraag voor subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een door SNN opgesteld volledig ingevuld aanvraagformulier, vergezeld van de in het aanvraagformulier genoemde documenten.

In artikel 6, eerste lid, van de regeling is opgenomen – voorzover hier van belang – dat een aanvraag op grond van artikel 5.2.5 lid 1 sub c van de REES afgewezen indien het project niet voldoende bijdraagt aan de verwezenlijking van het gedeelte van het programma waarvoor het deelplafond beschikbaar is gesteld. Indien niet minimaal 70 van de 100 punten worden gehaald, waarbij de verdeling van de punten is opgenomen in artikel 9, draagt het project in ieder geval niet voldoende bij aan de specifieke doelstelling binnen het programma zoals opgenomen in deze uitvoeringsregeling

In artikel 9, eerste lid, van de regeling is opgenomen dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, worden beoordeeld op de volgende vijf beoordelingscriteria:

a. De mate waarin het project bijdraagt aan de specifieke doelstelling C van het Operationeel Programma 2014-2020 Noord-Nederland: “Meer innovatie en valorisatie in het MKB binnen de in de RIS3 geïdentificeerde maatschappelijke uitdagingen”;

Hierbij wordt met name gelet op de elementen:

- De kwaliteit van de onderbouwing van de bijdrage aan de specifieke doelstelling.

- In hoeverre de fase(n) van de innovatieketen waarin de projectactiviteiten zich bevinden zitten in de TRL-levels 5, 6 en 7. Dit naar analogie van het Technology Readiness Level (TRL) model, zoals beschreven in sectie 1.1 van het OP EFRO.

- Op welke wijze de projectactiviteiten aansluiten bij acties:

Innovatietrajecten, gericht op ontwikkeling van nieuwe producten, concepten, technologieën en diensten; of

Testen van innovatieve toepassingen in de praktijkomgeving gericht op valorisatie van nieuwe technieken.

- De mate waarin binnen het project wordt samengewerkt door MKB-bedrijven:

onderling of met grote ondernemingen of met kennisinstellingen. De projectresultaten dienen minimaal ten goede komen aan één onderneming. Dit naar analogie van de outputindicator CO01 “aantal ondernemingen dat steun ontvangt”.

b. De mate van innovativiteit

Hierbij wordt met name gelet op de elementen:

- Hoe vernieuwend is het resultaat van het project (product, dienst of proces)? Gaat het om iets nieuws of een nieuwe toepassing van iets bestaands? Hoe verschilt de innovatie van reeds bestaande producten/diensten?

- Hoe verhoudt de innovatie zich tot (inter-)nationale ontwikkelingen?

- Is er sprake van een cross-over tussen bedrijven uit diverse sectoren?

c. De kwaliteit van de business case

Hierbij gaat het om de mate van het economisch potentieel en de haalbaarheid van het project. Er wordt met name gelet op de elementen:

- Wat is de (potentiële) economische waarde van de projectresultaten?

- Welke marges verwacht u te kunnen hanteren op uw product?

- Welke markten en welk marktaandeel verwacht u te kunnen behalen met de projectresultaten?

- Wat zijn de commerciële risico’s en externe factoren? En wat is de aanpak om deze risico’s te hanteren?

- Welke stappen moeten worden doorlopen na afloop van het project tot aan de marktintroductie?

- Hoe financiert iedere deelnemer zijn aandeel in de projectkosten, zowel de bijdrage in cash als de bijdrage in uren in relatie tot de reguliere bedrijfsvoering? En hoe financiert iedere deelnemer zijn aandeel in de kosten tot en met de marktintroductie?

- Hoe wordt omgegaan met het intellectuele eigendom van de projectresultaten? En welke afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de projectresultaten?

- Waarom bent u bereid om uw eigen bijdrage in dit project te stoppen? Koppel uw bereidheid om deze stap te zetten aan de risico’s en perspectieven van de projectresultaten.

d. De kwaliteit van de aanvraag

e. Duurzaamheid

Hierbij wordt getoetst of het project voldoet aan de waarborging van gelijke kansen en voorkoming van discriminatie en of het project geen negatieve effecten op het milieu kent. Verder wordt gelet op de mate waarin het project een onderscheidende bijdrage levert op het gebied van duurzaamheid. Elementen die een project onderscheidend kunnen maken op het gebied van duurzaamheid kunnen zijn:

Ten aanzien van het aspect ‘people’:

- De investering die wordt gedaan en de resultaten die worden

beoogd in de opleiding en ontwikkeling van mensen;

- De bijdrage aan arbeidsvitaliteit, gezondheid en sociale mobiliteit

van mensen;

- De werkgelegenheid die wordt gegenereerd, bijvoorbeeld voor

hoger opgeleiden, lager opgeleiden en mensen met beperkingen, of

een afstand tot de arbeidsmarkt;

- De maatschappelijke impact.

Ten aanzien van het aspect ‘planet’:

- De bijdrage aan CO2-reductie en reductie van overige broeikasgassen;

- De bijdrage aan energiebesparing en/of de omschakeling naar schone energie;

- De bijdrage aan het verminderen van grondstofgebruik en watergebruik

- De omgang met afval en restmaterialen;

- De impact op het omringende ecosysteem en de omringende ruimte en leefomgeving.

Ten aanzien van het aspect ‘profit’:

- De bijdrage aan regionale bewustwording, over de noodzaak van

en het streven naar een circulaire en inclusieve economie;

- De bijdrage aan de profilering van het bedrijf als een sociaal en

duurzaam/maatschappelijk verantwoorde onderneming;

- De manier waarop de onderneming zich maatschappelijk verantwoordt.

In het tweede lid van artikel 9 is opgenomen dat de criteria zoals genoemd onder lid 1 in eerste instantie kwalitatief worden beoordeeld waarbij verschillende gradaties mogelijk zijn: “goed”, “ruim voldoende”, “voldoende”, “matig”, “neutraal” of “onvoldoende”. Deze beoordeling wordt omgezet in een puntenbeoordeling zoals genoemd onder lid 3.

In het derde lid van artikel 9 is opgenomen:

a. Voor criterium a zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 30 punten worden behaald met de volgende verdeling:

- goed = 30 punten

- ruim voldoende = 25 punten

- voldoende = 20 punten

- matig = 10 punten

- onvoldoende = 0 punten

b. Voor de criteria b zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 20 punten worden behaald met de volgende verdeling:

- goed = 20 punten

- voldoende = 15 punten

- matig = 10 punten

- onvoldoende = 0 punten

c. Voor de criteria c zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 35 punten worden behaald met de volgende verdeling:

- goed = 35 punten

- ruim voldoende = 30 punten

- voldoende = 25 punten

- matig = 10 punten

- onvoldoende = 0 punten

d. Voor criterium d zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 0 punten worden behaald.

e. Voor criterium e zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 15 punten worden behaald met de volgende verdeling:

- goed = 15 punten

- voldoende = 10 punten

- matig = 5 punten

- neutraal = 1 punt

- onvoldoende = 0 punten