Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:3821

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
C/19/114009 HA ZA 16-63 en 126152 HA ZA 19-49
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eisers stellen schade te hebben geleden aan hun woning en aan een woonboerderij vanwege aardbevingen als gevolg van de gaswinning. Voor de waardedaling van de woning heeft de rechtbank een deskundigenbericht laten opstellen. De rechtbank volgt dit bericht en veroordeelt NAM tot betaling van een voorschot op de waardevermindering. Voor de fysieke schade aan de woonboerderij heeft NAM een zogenoemde “Root Cause Analysis” verricht. NAM heeft naar het oordeel van de rechtbank met dit onderzoek het bewijsvermoeden weerlegd. De vordering tot schadevergoeding ter zake de fysieke schade aan de woonboerderij en gederfde winst wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Assen

Vonnis van 8 september 2021

in de gevoegde zaken met zaaknummer / rolnummer: C/19/114009 / HA ZA 16-63 van

1 EISERES,

wonende te [plaats] ,

2. EISER,

wonende te [plaats] ,

eisers,

advocaat mr. P.R.W. Richter te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEDERLANDSE AARDOLIE MAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. R. van Tricht te Amsterdam,

en met zaaknummer / rolnummer C/19/126152 HA ZA 19-49 van

1 EISER,

wonende te [plaats] ,

2. EISERES,

wonende te [plaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HTWEEO HOLDING B.V.,

gevestigd te [plaats] ,

eisers,

advocaat mr. P.R.W. Richter te Utrecht

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEDERLANDSE AARDOLIE MAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te ['s-Gravenhage] ,

gedaagde,

advocaat mr. R. van Tricht te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Eiseres, Eiser, HtweeO, (in zaak 19-49: gezamenlijk Eiser c.s) en NAM genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 25 maart 2020;

  • -

    de brief van 16 juli 2020 van de advocaat van Eiser c.s.;

  • -

    de brief van 17 augustus 2020 van de advocaat van NAM;

  • -

    de brief van de griffier van 19 augustus 2020;

  • -

    het deskundigenrapport ontvangen op 16 oktober 2020;

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht tevens akte overlegging en uitlaten deskundigenrapport van de zijde van NAM van 9 december 2020;

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht tevens antwoordakte overlegging en uitlaten deskundigenbericht met producties van de zijde van Eiser c.s. van 17 februari 2021;

  • -

    de akte uitlating producties van NAM van 24 maart 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

De waardedaling van de woning

Vooraf

2.1.

De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 18 december 2019 reeds overwogen dat de rechtbank, gelet op het feit dat de hypotheekhouder heeft aangegeven de woning executoriaal te gaan verkopen en het door Eiseres aangespannen kort geding tegen die verkoop is afgewezen, er vanuit gaat dat de woning daadwerkelijk wordt verkocht en dat eventuele schade die bestaat uit waardevermindering van de woning als gevolg van (toekomstige) bodembewegingen boven het Groningenveld zich reeds heeft gemanifesteerd en kan worden begroot. Voorts heeft de rechtbank in dat vonnis overwogen dat voor zover de woning nog niet is verkocht, er gelet op de omstandigheden van het geval, reden is om een voorschot toe te kennen, voor zover vastgesteld kan worden dat een lagere opbrengst bij verkoop van de woning is te verwachten als gevolg van gaswinning.

2.2.

Hoewel er sinds het wijzen van het hiervoor vermelde vonnis reeds enige tijd is verstreken en de woning ten tijde van de aktewisseling na deskundigenbericht in februari 2021 nog steeds niet was verkocht, is een executoriale verkoop van de woning niet van de baan. Dit blijkt uit het schrijven van de hypotheekhouder van 15 juli 2020. De hypotheekhouder heeft slechts voorlopig afgezien van de executie in afwachting van een door Eiseres ingestelde procedure bij de Geschillencommissie bij het KiFiD en onder de voorwaarden dat Eiseres aan haar maandelijkse betalingsverplichtingen voldoet en een pandrecht op de vordering van Eiseres jegens NAM (voor zover deze verband houdt met de woning) vestigt. Gelet hierop blijft de rechtbank bij haar beslissing omtrent het toekennen van een voorschot aan Eiseres zoals overwogen onder 5.5. in het vonnis van

18 december 2019. De rechtbank passeert hiermee de stelling van NAM dat de grondslag voor toewijzing van een voorschot aan waardevermindering is komen te vervallen. Hierna zal worden ingegaan op het rapport van de deskundige ( [naam 1] ) met betrekking tot de waardevermindering van de woning.

De hoogte van het voorschot

2.3.

In het tussenvonnis van 25 maart 2020 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek bevolen ter beantwoording van de vraag wat de marktwaarde is van de woning van Eiseres aan de [adres] zowel:

( a) in de feitelijke situatie dat er sprake is van aardbevingen in het betreffende gebied als

( b) in de hypothetische situatie dat er geen sprake is van aardbevingen in het betreffende gebied. De rechtbank heeft de heer J. [naam 1] benoemd tot deskundige ter beantwoording van deze vragen.

2.4.

De deskundige heeft zijn bevindingen neergelegd in het deskundigenrapport van

15 oktober 2020. De deskundige heeft de waarden van de woning op 28 augustus 2020 vastgesteld op:

( a) € 485.000,- in de feitelijke situatie dat er sprake is van aardbevingen in het betreffende gebied, en,

( b) € 510.000,- in de hypothetische situatie dat er geen sprake is van aardbevingen in het betreffende gebied.

2.5.

De deskundige heeft de woning vergeleken met de verkochte woningen in de regio na de beving van [naam 2] in 2012. De deskundige heeft in zijn vergelijking 11 referentiepanden in de regio betrokken. Van de referentiepanden is de gemiddelde verkoopprijs per m2 woonoppervlak gecorrigeerd naar een huidig prijsniveau van € 2.562,- in Q3 2020. Daarnaast heeft de deskundige een vergelijking gemaakt met 20 referentiepanden in vergelijkbare krimpregio's. Bij de vaststelling van de waarde van de woning heeft de deskundige verder rekening gehouden met schade aan de woning als gevolg van lekkage. Voor de vaststelling van het verschil in waardeontwikkeling als gevolg van aardbevingen in het gebied waarin de woning is gelegen heeft de deskundige een aantal publicaties en methoden geraadpleegd waarmee verschillen van waardeontwikkeling in het risicogebied en referentiegebieden zonder aardbevingsrisico zijn vastgesteld.

2.6.

NAM is - kort weergegeven - van mening dat de door de deskundige vastgestelde waardevermindering bijna 2 procentpunt hoger is dan het gemiddelde van alle percentages die volgen uit de bronnen waaraan de deskundige refereert. Daarnaast betreffen volgens NAM de waardeverminderingspercentages waarnaar de deskundige verwijst over het algemeen gemiddelde percentages die niet representatief (namelijk te hoog) zijn voor de waardevermindering op de specifieke locatie van de woning per 28 augustus 2020. Gelet hierop is NAM van mening dat de door de deskundige vastgestelde waardevermindering een overschatting van de werkelijke waardevermindering betreft. Desondanks verzet NAM zich om redenen van efficiëntie niet tegen de waardevermindering zoals de deskundige deze heeft begroot.

2.7.

Eiseres betwist de juistheid van het deskundigenbericht. Volgens haar is het rapport onbruikbaar, nu de deskundige de marktwaarde van de woning heeft vastgesteld op macro-niveau zonder daarbij rekening te houden met eerdere taxaties. Daarnaast is volgens Eiseres de methodiek van de deskundige onvoldoende transparant en onbetrouwbaar. Deze is gebaseerd op cijfers van de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM). Volgens Eiseres is gebleken dat de analyse van de NVM onvoldoende transparant is doordat gebruik wordt gemaakt van kenmerken van objecten welke vaak onbetrouwbaar zijn en niet overeenkomen met de kenmerken van de gewaardeerde onroerende zaak. Voorts worden er vaak gebieden met elkaar vergeleken welke deels vallen in het aardbevingsgebied en deels niet in het aardbevingsgebied waardoor geen juiste vergelijking te maken is. Eiseres wijst er verder op dat er een aantal oneffenheden in het rapport van de deskundige naar voren komen en de daarop gebaseerde conclusies van de deskundige onjuist zijn. Zo zou de woning voor NVM in regio 2 vallen waaronder ook de plaats Veendam valt waar geen aardbevingen plaatsvinden. Verkopen uit Veendam beïnvloeden de analyse vanuit regio 2 waardoor volgens Eiseres geen eerlijk beeld kan ontstaan inzake de waarde. Daarnaast wordt er bij de berekeningen vanuit de NVM volgens Eiseres geen rekening gehouden met het feit dat haar woning een unieke, luxe woning betreft met veel perceeloppervlakte welke een compleet andere waardeontwikkeling heeft dan eenvoudige vrijstaande woningen. Er wordt in de analyse van het NVM volgens Eiseres te weinig rekening gehouden met effecten als onderhoud, bijgebouwen en perceeloppervlakte, waardoor een zeer vertekend beeld ontstaat. Ook heeft [naam 1] volgens Eiseres ten onrechte vergelijkingen ver buiten de provincie Groningen gezocht. Volgens Eiseres speelt de stad Groningen een enorm dominerende rol in de provincie Groningen, Noord-Drenthe en Oost-Friesland en is de waarde van woningen in het gebied van de regio rondom Groningen sterk afhankelijk van de afstand tot de stad Groningen en had daarom een vergelijking gemaakt moeten worden met een gebied dat op dezelfde afstand tot de stad Groningen is gelegen.

2.7.1.

Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stellingen een notitie overgelegd van de makelaar J. [naam 3] RT (hierna: [naam 3] ). Volgens Eiseres is de methodiek die [naam 3] hanteert de juiste waarderingsmethodiek en geeft deze methodiek een eerlijker beeld inzake de waardeontwikkeling van de woning. [naam 3] zou de waardedaling veroorzaakt door Mijnbouwschade op een microniveau waarderen, waarbij kenmerken van woningen vergelijkbaar zijn. Daarnaast hanteert [naam 3] als referentiegebied een gebied op dezelfde afstand van de stad Groningen gelegen als [plaats] . [naam 3] komt tot een waardedaling veroorzaakt door aardbevingen van 32,19%. Uitgaande van de taxatie van de woning in 2010, heeft Eiseres vervolgens berekend dat de waardevermindering van de woning ten minste € 674.000,00 bedraagt.

Beoordeling kritiek op deskundigenrapport

2.8.

Bij de beoordeling van het deskundigenbericht en de kritiek die partijen daarop hebben geleverd, wordt de volgende maatstaf in acht genomen. Indien een deskundigenbericht dat is uitgebracht op verzoek van de rechtbank op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de conclusies van de deskundige zorgvuldig zijn onderbouwd en voortvloeien uit door hem in het deskundigenbericht vermelde gegevens, zal de rechtbank het oordeel van de deskundige, die juist vanwege zijn specifieke deskundigheid op het terrein van het onderzoek is benoemd, niet snel naast zich neerleggen. Van de partij die een dergelijk deskundigenbericht bekritiseert, mag worden verlangd dat zij haar stellingen deugdelijk onderbouwt, bijvoorbeeld door een rapport van een andere deskundige in het geding te brengen, waarin de conclusies van de door de rechtbank benoemde deskundige op overtuigende wijze worden weersproken. Ook in dat geval zullen er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren aangaande de wijze van totstandkoming of de inhoud van het deskundigenbericht moeten zijn, wil de rechtbank besluiten dat zij het deskundigenbericht naast zich neerlegt. Daarbij geldt dat, indien de rechter in een geval waarin de opinie van een andere, door een der partijen geraadpleegde deskundige, op gespannen voet staat met die van de door de rechter benoemde deskundige, en de rechter de zienswijze van deze laatste deskundige volgt, de rechter zijn beslissing in het algemeen niet verder zal behoeven te motiveren dan door aan te geven dat de motivering van de door hem benoemde deskundige hem overtuigend voorkomt. Wel zal de rechter op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige moeten ingaan, als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (zie onder meer Hoge Raad 9 december 2011, LJN BT 2921 en HR 8 mei 2013, LJN BZ 1468).

2.9.

De rechtbank stelt vast dat de conclusie van de deskundige op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De deskundige heeft de woning in aanwezigheid van partijen zowel inpandig als uitpandig geïnspecteerd en partijen hebben ruimschoots de gelegenheid gehad – schriftelijk – te reageren op het conceptrapport en de deskundige heeft met deze reacties in zijn definitieve rapport rekening gehouden. De deskundige heeft de reacties van partijen in het definitieve rapport uitvoerig behandeld. Voorts is de conclusie van de deskundige zorgvuldig onderbouwd en vloeit deze voort uit door hem in het deskundigenbericht vermelde gegevens.

2.10.

De rechtbank kan Eiseres niet volgen in haar kritiek op het rapport van de deskundige. Volgens Eiseres zijn de analyses gebaseerd op NVM gegevens onvoldoende transparant en wordt daarbij gebruik gemaakt van kenmerken van objecten die vaak onbetrouwbaar zijn en niet overeenkomen met kenmerken van de gewaardeerde onroerende zaak. Eiseres heeft haar stelling verder niet onderbouwd. De rechtbank overweegt dat [naam 1] referentiepanden heeft uitgekozen, welke zijn verkocht binnen een straal van circa 7 kilometer rond de woning. Daarbij heeft de deskundige gelet op het gebruiksoppervlak wonen en de perceeloppervlakte met vergelijkbare voorzieningen en een bouwjaar na 1990, verkocht na de beving van [naam 2] in augustus 2012. Hieruit blijkt dat de deskundige - voor zover mogelijk - wel degelijk rekening heeft gehouden met specifieke kenmerken van de woning.

2.11.

Volgens Eiseres is [plaats] door NVM ingedeeld in regio 2, waaronder ook Veendam valt in welke plaats geen aardbevingen plaatsvinden. Er zou hierdoor volgens Eiseres geen eerlijk beeld ontstaan. De rechtbank overweegt dat de deskundige bij zijn onderzoek referentiepanden heeft betrokken die binnen een straal van 7 kilometer van de woning zijn gelegen en zich boven het Groningenveld bevinden. Hierdoor mist de opmerking van Eiseres met betrekking tot de indeling door NVM in een bepaalde regio relevantie.

2.12.

Eiseres heeft verder kritiek geuit op het feit dat [naam 1] in zijn vergelijking met referentiepanden in krimpregio's ook panden heeft betrokken die niet op een vergelijkbare afstand tot de stad Groningen zijn gelegen als de woning. Volgens Eiseres heeft de stad Groningen een dominerende rol onder meer in de provincie Groningen en is de waarde van de woningen gelegen in dit gebied sterk afhankelijk van de afstand tot de stad. Eiseres heeft haar stelling niet onderbouwd en ook niet aangegeven welke invloed volgens haar de ligging van de woning tot de stad Groningen, waarvan de afstand meer dan 30 kilometer bedraagt, van invloed is op de waardeberekening van de woning in vergelijking tot een woning gelegen in een krimpregio die buiten de dominerende werking van Groningen is gelegen. De rechtbank zal dan ook aan deze stelling voorbij gaan.

2.13.

De rechtbank ziet in de door [naam 3] opgestelde notitie geen aanleiding om het onderzoekrapport van [naam 1] niet te volgen. De rechtbank overweegt daartoe dat [naam 3] de woning niet zelf heeft bezocht en getaxeerd. [naam 3] gaat uit van een gemiddelde waardedaling door aardbevingen, maar heeft daarbij zoals door NAM terecht is opgemerkt geen referentie objecten genomen in een vergelijkbaar krimpgebied als waarin [plaats] ligt. De rechtbank is er ook niet van overtuigd dat door [naam 3] gehanteerde referentietransacties vergelijkbaar zijn. Daarnaast heeft [naam 3] één waarde gehanteerd als vierkante meter prijs voor de grond en bijgebouwen, zonder onderscheid te maken tussen regionale verschillen en de ontwikkeling in de grondwaarden in de betreffende periode. Anders dan Eiseres is de rechtbank van oordeel dat de methode van [naam 3] niet geschikt is om de waardedaling van de woning te bepalen. De rechtbank zal bij haar beoordeling uitgaan van de uitkomsten zoals die volgen uit het onderzoek van [naam 1] .

2.14.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank uitgaat van een waarde van de woning in de feitelijke situatie dat sprake is van aardbevingen van € 485.000,- en een waarde van de woning in de hypothetische situatie dat er geen sprake is van aardbevingen van € 510.000,-.

Dit betekent dat er sprake is van een waardevermindering van € 25.000,-. De rechtbank acht het aannemelijk dat de Rabobank de woning op korte termijn executoriaal zal verkopen en dat deze schade bestaande uit waardevermindering door Eiseres ook daadwerkelijk zal worden geleden. Naar het oordeel van de rechtbank ligt dan ook het gehele bedrag voor toewijzing gereed.

2.15.

Eiseres heeft ter vaststelling van de schade de woning laten taxeren door Nationale Taxatie Service. Uit de door haar overgelegde factuur van NTS blijkt dat de kosten van de taxatie van de woning € 322,00 bedragen. NAM zal op grond van artikel 6:96 lid 2 BW worden veroordeeld tot betaling van deze kosten.

2.16.

NAM zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van Eiseres begroot op:

- € 1.548,00 aan griffierecht;

- € 12.856,00 aan salaris advocaat (4 punten x € 3.214,00);

- € 94,08aan explootkosten;

€ 14.498,08 Totaal

Ook de kosten van het deskundigenbericht, zijn voor rekening voor NAM, die al het voorschot daarop heeft betaald.

De fysieke schade aan de boerderij

2.17.

Eiser c.s. beroept zich met betrekking tot de fysieke schade aan de boerderij op het bewijsvermoeden van artikel 6:177a lid 1 BW. Volgens Eiser c.s. vertoont de boerderij, gelegen in het Groningenveld, fysieke schade die naar haar aard redelijkerwijs het gevolg zou kunnen zijn van de gaswinning.

2.18.

NAM heeft zich op het standpunt gesteld dat zij het bewijsvermoeden heeft weerlegd, aangezien zij heeft bewezen dat de schade aan de boerderij niet is veroorzaakt door aardbevingen. Verder stelt NAM zich op het standpunt dat het bewijsvermoeden alleen van toepassing is op schade die naar haar aard redelijkerwijs het gevolg is van gaswinning. In het geval van de boerderij zijn er volgens NAM meerdere schades die naar hun aard niet redelijkerwijs het gevolg zijn van aardbevingen.

2.19.

Ter beoordeling aan de rechtbank ligt voor de vraag of NAM erin is geslaagd te bewijzen, waaronder is begrepen voldoende aannemelijk te maken, dat de schade aan de boerderij niet is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk, zoals blijkt uit de beantwoording van de prejudiciële vragen door de Hoge Raad HR (arrest van 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278) . De rechtbank is van oordeel dat NAM is geslaagd in het bewijs hiervan. De rechtbank legt het volgende aan haar oordeel ten grondslag.

2.20.

De rechtbank overweegt dat aan de boerderij meerdere onderzoeken hebben plaatsgevonden naar de oorzaak van de fysieke schade aan de boerderij. In rechtsoverwegingen 3.11. tot en met 3.18. en 3.24 van het tussenvonnis van 18 december 2019 heeft de rechtbank de conclusies van deze onderzoeken uiteengezet. De uitkomst van deze onderzoeken is dat het merendeel van de schade niet door aardbevingen is veroorzaakt, maar door ouderdom, zetting en overbelasting. Alleen in het KBE-rapport, het BBC-rapport I en het [naam 4] -rapport is geconcludeerd dat een (klein) gedeelte van de schade aan de boerderij mogelijk door aardbevingen kan zijn veroorzaakt. Volgens het KBE-rapport is de schade aan de gevel van de linkerschuur ten gevolge van verzakking van de gevel veroorzaakt door aardbevingen. Deze opvatting is door geen andere deskundige bevestigd. In het BBCI rapport en het [naam 4] -rapport komt de deskundige tot de conclusie dat niet uit te sluiten valt dat de scheuren aan de rechtergevel (en wat betreft [naam 4] ook de scheuren aan de voorgevel) van de woning door aardbevingen zijn veroorzaakt omdat er geen andere oorzaak kon worden gevonden. In een daarop gemaakt rapport met betrekking tot een begroting van de herstelkosten werden de kosten van herstel begroot op een bedrag van

€ 2.439,67.

2.21.

NAM heeft Eiser c.s. meerdere keren aangeboden een Root Cause Analysis-onderzoek te laten plaatsvinden. Eiser c.s. hebben ter zitting van 16 oktober 2019 aangegeven dat zij graag een RCA-onderzoek willen. NAM heeft destijds aangegeven daartoe nog steeds bereid te zijn. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 18 december 2019 geoordeeld dat zij het aangewezen acht dat er eerst een RCA- onderzoek (RCA) wordt uitgevoerd, voordat zij antwoord geeft op de vraag of de gestelde schade het gevolg is van gaswinning. Op 16 en 17 december 2019 heeft Royal Haskoning DHV (RHDHV) de boerderij aan de Familie [naam 5] (hierna: de boerderij) geïnspecteerd. Haar bevindingen zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 1 juli 2020.

2.22.

Onder het kopje "Samenvatting en conclusie" staat, voor zover van belang, het volgende vermeld.

"

(…)

Trillingssnelheden op locatie: grenswaarde schade aan metselwerk mogelijk licht overschreden

Uit ons onderzoek is gebleken dat voor dit pand de grenswaarde volgens SBR Richtlijn A genoemd onder 10 "schade door trillingen van de constructie: niet wordt overschreden. De grenswaarde volgens SBR Richtlijn A is 2,94 mm/s. Met de EGMPE is berekend dat op de locatie van het pand een maximaal trillingsniveau door aardbevingen (PGV) is opgetreden in 2011, van 2,9 mm/s.

Zekerheidshalve wordt door RHDHV op de met de EGMPE berekende trillingen, voor de berekening van de kans op schade voor het gebouw zelf, in alle uitgevoerde berekeningen nog een veiligheidsfactor 1,2 toegepast (…). Als deze veiligheidsfactor op het berekende maximale trillingsniveau wordt toegepast, dan wordt de rekenwaarde voor de trillingen 3,5 mm/s. Dit trillingsniveau moet beschouwd worden als absolute bovengrens. Een maximaal, mogelijk trillingsniveau van 3,5 mm/s is een (lichte) overschrijding van de grenswaarde voor schade aan metselwerk. Omdat het hier gaat om een bovengrens zijn de trillingen door aardbevingen waarschijnlijk lager geweest.

De grenswaarde voor de drie bouwdelen voor schade aan metselwerk is 2,94 mm/s. (Zie paragraaf 2.2.9.2, "type gebouw". Hier wordt de grenswaarde 5 mm/s volgens SBR Richtlijn A gedeeld door 1,7 = 2,94 mm/s want bij deze bouwdelen is de metselconstructie in slechte staat.)

Vervolgens is berekend dat, uitgaande van het maximaal, mogelijke trillingsniveau van 3,5 mm/s, er een kans is van 2,4% op lichte (niet constructieve) schade aan het metselwerk door de maatgevende aardbeving (lees: de aardbeving die op de locatie van het pand de hoogste trillingen heeft veroorzaakt). Dit houdt in dat lichte schade aan metselwerk niet op voorhand kan worden uitgesloten. Dit geldt overigens alleen voor de bevingen in 2011 en 2012. Voor de bevingen na deze datum, die op de locatie van het pand lichtere trillingen hebben veroorzaakt, is berekend dat de kans op lichte schade aan metselwerk door de bevingen slechts 0,5% of minder is. Het is dan ook uitgesloten dat aardbevingen na 2012 schade aan metselwerk hebben veroorzaakt.

Bovenstaande kansberekeningen (met uitkomst 2,4%) gaat er overigens van uit dat het metselwerk voor de bevingen (en dus ook voor de maatgevende beving in 2011) al in slechte staat verkeerde. Indien het metselwerk voordat de bevingen optraden in goede staat was, is de genoemde kans op schade door de maatgevende beving veel kleiner, in dat geval slechts 0,4%.

Ernstige scheurvorming door aardbevingen is uitgesloten

Het op deze locatie maximaal opgetreden trillingsniveau is volgens European Macroseismic Scale 1998 (EMS98), beoordelingstabel gekwalificeerd als: "Felt indoors by a few people" met "potentional damage nobe". Zie Tabel 3. Het beeld dat de hier opgetreden aardbevingen ernstige scheurvorming hebben kunnen veroorzaakt is, ook gezien de vergelijking met de EMS schaal, onjuist. Voor een onderbouwing van de resultaten wordt verwezen naar paragraaf 2.2.9.6.

Uitgesloten dat schade door aardbevingen in 2014 is toegenomen

Eigenaar stelt dat ieder jaar vanaf 2011 de schade is toegenomen. Het in opdracht van de eigenaar opgestelde inspectierapport van Kloosterman van 23-04-2015 was bedoeld voor het vaststellen van schade door de in 2014 opgetreden aardbeving. De aardbeving in 2014 was de aardbeving van Leermens, M=3,0 datum 13-02-2014. Deze gaf op de locatie maximaal slechts een trillingsniveau van 1,1 mm/s, hetgeen een berekende kans op lichte schade geeft van 0,08%. Dit is praktisch gezien nihil. (De kans dat de beving in 2014 geen schade gegeven heeft is 99,92%). Dat de aardbeving in 2014 geen schade heeft veroorzaakt volgt ook uit fotovergelijking. Zie in dit verband ook wat hieronder gesteld is over de uitgevoerde fotovergelijking.(…)

Trillingssnelheden- conclusie

Omdat uit de berekeningen van de EGMPE en toetsing hiervan aan de grenswaarden volgens SBR Richtlijn A, blijkt dat de grenswaarde voor het metselwerk licht zou kunnen zijn overschreden, kunnen trillingen niet op voorhand op basis van methodiek en richtlijnen worden gefalsificeerd als schadeoorzaak van schade aan metselwerk. Trillingen door aardbevingen worden daarom als mogelijk scenario meegenomen in het onderzoek naar de oorzaken van de schades in het metselwerk. De beoordeling of een schade het gevolg kan zijn van trillingen door aardbevingen of mede het gevolg daarvan kan zijn, wordt in dit onderzoek steeds afgewogen tegen andere mogelijke oorzaken.

Trillingssnelheden op locatie: schade aan houtconstructie als gevolg van trillingen door aardbevingen is uitgesloten

Voor houtconstructies is de grenswaarde 20mm/s. Voor houtconstructies in gevoelige (ofwel in slechte) staat wordt een factor 1,7 in rekening gebracht. De grenswaarde is dan 20/1,7 = 11,8 mm/s. De kans op schade door aardbevingen voor houtconstructies op deze locatie is daarmee slechts 0,01%. Het is uitgesloten dat aardbevingen schade aan de houtconstructies van het pand hebben veroorzaakt.

Schade door zettingen als gevolg van verdichting of verweking door aardbevingstrillingen zijn uitgesloten

Uit het onderzoek is voorts gebleken dat de grenswaarde volgens SBR Richtlijn A, genoemd onder 2) "schade door zettingen door verdichting of verweking van de grond door trillingen", ver wordt onderschreden. Deze kans is berekend op minder dan 0,01%. Het is daarmee uitgesloten dat de op deze locatie overschreden trillingen ten gevolge van aardbevingen (extra) zettingen hebben veroorzaakt. Voor een onderbouwing van de resultaten wordt verwezen naar paragraaf 2.2.9.7.

Schade door zettingen en zettingsverschillen die niet zijn veroorzaakt door gaswinning

Los van trillingen door aardbevingen en de gaswinning hebben andere oorzaken wel zettingen en zettingsverschillen veroorzaakt. Deze worden veroorzaakt door indrukking van de kleilaag onder de zandlaag en door de aanwezigheid van een kelder onder een deel van de woning. Dat zettingen en zettingsverschillen zijn opgetreden, wordt bevestigd door de resultaten van de uitgevoerde gevelmetingen en de vloerwaterpassingen van de begane vloeren. De gevels zijn ingemeten door middel van lintvoegmetingen. Bij een lintvoegmeting wordt een horizontale lijn, een lintvoeg in het metselwerk, van het pand gewaterpast. Uit de fluctuaties van deze lijn kunnen de hoogteverschillen worden bepaald die in de loop van de tijd zijn opgetreden, ervan uitgaande dat de lintvoegen geheel vlak zijn uitgevoerd bij de bouw van het pand. Waar de gevels gestukt zijn of uit beplating bestaan, wordt de waterpassing gerelateerd aan een andere horizontale lijn in de gevel. De waargenomen hoogteverschillen zijn op enkele plaatsen zodanig groot dat schade daardoor waarschijnlijk is.

Uit het grondonderzoek blijkt dat de ondergrond tot eeen diepte van circa 4 m onder de fundering bestaat uit draagkrachtig zand. Daaronder bevindt zich tot grote diepte klei. De funderingen zijn volgens het bouwtechnisch begrip "op staal" gefundeerd. De funderingen zijn aan de onderzijde verbreed en hebben een aanlegdiepte en aanlegbreedte van een redelijke orde van grootte.

De zettingen van de fundering zijn ontstaan door indrukking van de kleilagen onder de zandlaag waarop het gebouw staat. Deze zettingen zijn opgebouwd uit zettingen die tijdens of kort na de bouw optreden, zettingen die gedurende de eerste jaren na de bouw optreden ten gevolge van consolidatie van de klei en zeer langzame zettingen die in de loop van vele jaren optreden (kruip). (…) Daarbij zijn de verschillen in zetting veroorzaakt door ongelijkheid in de belastingen, natuurlijke verschillen in de bodemopbouw en de aanwezigheid van een kelder onder een klein deel van e woning. Ook het opvriezen van de fundering doordat het water onder de fundering bevriest en uitzet, heeft bijgedragen aan de zettingsverschillen.

Conclusie onderzoek Familie [naam 5] [nummer]

De schade aan het pand is hoofdzakelijk veroorzaakt door de volgende oorzaken:

Veroudering en verwering. Veel schade is in de loop der tijd ontstaan door het proces van verouderen bij uitblijven van onderhoud;

Ongelijkmatige zettingen in de bodem ten gevolge van de zettingsgevoelige grond, niet aardbeving gerelateerd;

Onvoldoende draagvermogen van de rollagen boven de ramen;

Schade door het maken van openingen in de gevel;

Schade en scheefstand door het weghalen van een houten kolom in de schuur;

Schade en scheefstand door houtrot en aantasting van de houtconstructies door houtworm;

Schade door spatkrachten vanuit de kapconstructies;

Schade door verhinderde vervormingen {krimpscheuren);

Schade ten gevolge van de stootbelastingen door grote schuifdeuren;

Vorstschade;

Schade ten gevolge van overbelastingen;

Verschil in werking van verschillende materialen {eigenlijk is dit geen schade).

<<Dit wordt hieronder nader toegelicht.>>

Woonhuis

Schade ten gevolge van verschil in werking van materialen

De binnenzijde van de woning is door de vorige bewoner, welke het pand in eigendom had voor 2010, gerenoveerd. De "schade" aan binnenwanden, plafonds en vloeren binnen is slechts zeer gering en is veroorzaakt door normale werking van materialen. Zo zijn de naden tussen houten betimmeringen in de loop der tijd gaan werken ten gevolge van uitdroging {voorbeelden daarvan zijn de "schades" 107 en 109), zijn de plaatnaden tussen gips beplating in plafond en wand zichtbaar geworden {voorbeelden daarvan zijn "schades" 103, 104 en 105), of werkt de aansluiting van een later geplaatste binnenwand of bouwdeel op de aansluiting met de oude buitenwand {voorbeelden daarvan zijn "schades" 101, 106 en 108). De "schade" 102 is een bobbeling in de vloer. De kans dat deze bobbeling in de houten vloer veroorzaakt is door trillingen door aardbevingen is nihil. Zie hierboven voor de kans op aardbevingsschade in houtconstructies (0,01%). In de kelder is een klein deel van het stukwerk losgekomen {"schade" 110). Dit is hoogstwaarschijnlijk het gevolg van veroudering van het pleisterwerk op de kelderwand, waarbij de kelderwand mogelijk 200 jaar oud is. Wij beoordelen deze schades als "geen schade", zie paragraaf 4.3.23 voor een toelichting op onze conclusies. Voor een nadere toelichting op "geen schade", zie ook het ATR par. 5.6.

Schade ten gevolge van veroudering en verwering

De voegen van het buitenmetselwerk zijn in slechte staat. Veel voegmortel is losgekomen en gedeeltelijk uitgevallen. Het metselwerk uit die tijd werd gemetseld met kalkmortel. Deze kalkmortel wordt in de loop der tijd steeds harder en brosser. Daarmee wordt de mortel gevoeliger voor scheuren, verliest de aanhechting aan de stenen en verliest het metselwerk enigszinsde samenhang. Zie bijvoorbeeld "schade" nummers 115a, 118c, 119a, 119b. Zie Figuur 94 voor foto's van deze schades. Dit geldt ook voor het in slechte staat verkerende voegwerk van de schoorstenen, zie Figuur 93. Wij beoordelen deze "schades" als "geen schade", zie paragraaf 4.3.23 voor verdere uitleg.

Schade door gebrekkige rollagen

Boven de ramen bevindt zich geen latei maar een rollaag. Rollagen hebben slechts een beperkt draagvermogen. Dit draagvermogen wordt in de loop der tijd minder als de gebruikte metselmortel brosser wordt en het de aanhechting met de stenen verliest. Een aantal scheuren is het gevolg van het zakken van de rollaag omdat deze het draagvermogen verliest. Het metselwerk komt op de bovendorpel van het kozijn te staan. Die buigt dan iets door. Schades 42, 43, 46, 47 en 118 zijn het gevolg van onvoldoende draagvermogen van de rollagen. Zie paragraaf 4.3.14 en 4.3.17 voor verdere uitleg.

Schade door het later aanbrengen van een deuropening

De deur naar de later aangebouwde veranda is door de vorige eigenaar gemaakt. De latei daarboven bestaat uit een rollaag, hetgeen bij deze overspanning onvoldoende sterk en stijf is. Schade 47 is daar

het gevolg van, zie paragraaf 4.3.14 voor verdere uitleg.

Schade ten gevolge van ongeliikmatige zettingen

Het gebouw is gefundeerd op staal op een draagkrachtige zandlaag. Onder deze zandlaag bevindt zich klei. Als deze klei belast wordt zullen daar zettingen in optreden. Deze zettingen zullen de eerste jaren na de bouw al gaan optreden en vervolgens blijven doorgaan. Later kunnen extra zettingen plaatsvinden als de belastingen op deze ondergrond wijzigen. Dit kan bijvoorbeeld door verbouwingen of door opslag van grond of andere (landbouw) materialen in de nabijheid van de fundering of door wijzigingen in de grondwaterstand. In dit geval zijn onder andere extra zettingen veroorzaakt door toegenomen geconcentreerde belastingen omdat dragende binnenmuren vervangen zijn door een stalen balk. Ter plaatse van de opleggingen van de stalen balk zullen dan extra geconcentreerde belastingen op de fundering optreden met extra zettingen tot gevolg.

Door de belastingen in de kleilaag zullen de zettingen steeds verder toenemen. Deze zettingen zijn opgebouwd uit zettingen die tijdens of kort na de (ver)bouw optreden, zettingen die gedurende de eerste jaren na de (ver)bouw optreden ten gevolge van consolidatie van de klei en zeer langzame zettingen die in de loop van vele jaren optreden (kruip). Zie voor een nadere toelichting en voor de berekening daarvan bijlage E. (Ter illustratie, in Amsterdam zakken de gebouwen ten gevolge van de indrukking van de klei onder de zandlaag circa 1 tot 2 mm per jaar.) Uit de lintvoeg en vloerwaterpassingen blijkt dat de zettingsverschillen op een aantal plaatsen zodanig groot zijn dat hierdoor schade optreedt. Deze zettingsverschillen zijn ten dele ook veroorzaakt doordat de kelder slechts onder een deel van het gebouw zit. De kelder zakt veel minder dan de omliggende bouwdelen, immers ter plaatse van de kelder is de grond ontlast omdat er veel gewicht weggegraven is, terwijl rondom de grond wordt belast door het gewicht van het gebouw. Onder andere schades 44, 45, 48, 111 t/m 120, 124 worden veroorzaakt door te grote zettingsverschillen. Zie paragraaf 4.3.13, 4.3.16 en 4.3.15. In het verleden is de.woning uitgebreid richting de schuur. Daarvoor zijn toen wanden bijgeplaatst. Dit extra gewicht heeft zettingen tot gevolg gehad. Scheur 41 is daar het gevolg van, zie paragraaf 4.3.13 voor verdere toelichting.

Schades niet veroorzaakt door gaswinning

Na uitvoering van het RCA-onderzoek is de conclusie dat de voor de woning bovengenoemde schades ontstaan zijn onafhankelijk van gaswinning en als gevolg daarvan het optreden van aardbevingen. Deze schades zouden daarom ook zijn opgetreden indien geen aardbevingstrillingen bij het pand zouden zijn opgetreden.

De rechter schuur

Schade ten gevolge van veroudering. verwering en gebrek aan onderhoud

De voegen van het metselwerk zijn in slechte staat. Veel voegmortel is losgekomen en gedeeltelijk uitgevallen. Het metselwerk uit die tijd werd gemetseld met kalkmortel. Deze kalkmortel wordt in de loop der tijd steeds harder en brosser. Daarmee wordt de mortel gevoeliger voor scheuren, verliest de aanhechting aan de stenen en verliest het metselwerk de samenhang. Op een aantal plaatsen is geconstateerd dat planten en onkruid tegen de muren en het dak zijn gegroeid. Ook op oude foto's is te zien dat delen van de muren begroeid zijn met klimop en dergelijke. Ook dit geeft schade. Dit soort schade is bij de verdere RCA studie aangeduid als "veroudering/ aantasting". Dat zijn onder andere de schades 1, 4, 5, 6, 7, 8, 10, 14 en 15, zie paragraaf 4.3.2 voor verdere toelichting .

Scheefstand en schade, mede als gevolg van het wegbreken van een kolom

Eén kolom van een houten portaal van de rechter schuur is in het verleden verwijderd. Daarmee is stabiliteit van de schuur negatief beïnvloed. Een deel van de scheefstand van de wanden en kolommen van de schuur is daarvan het gevolg. De houten constructie van de rechter schuur en van de linker schuur werken samen bij het evenwicht van het totaal. De "spatkracht"van de linker schuur moet evenwicht maken met de "spatkracht" van de rechter schuur. De schuren leunen dus tegen elkaar. Als dat evenwicht er is, hoeven de zijwanden geen horizontale (spat)krachten op te nemen. Indien één van de twee of beide schuren een gebrek heeft, wordt het evenwicht verstoord. Dan gaan beide schuren scheef staan en treden horizontale krachten op tegen de bovenzijde van de lage zijwanden van de schuren. Vooral de houtconstructie van de linker schuur is door slijtage, veroudering en aantasting door houtworm, bijzonder slecht. Sommige kolommen zijn voor zeker de helft in doorsnede gereduceerd. Zie foto Figuur 2.

(…)

In bijlage F is een berekening gemaakt van het effect van de weggebroken kolom in een door aantasting verzwakte houtconstructie. Deze berekening laat zien dat de vervormingen door windbelastingen tijdens storm en spatkrachten ook zonder aantasting aanzienlijk zijn. En dat deze door veroudering en aantasting van de houtconstructie en het weghalen van de kolom, zeker tot scheefstand en de daarbij behorende schade geleid hebben. Mede gezien het gegeven dat de kans op lichte schade aan de houtconstructie door aardbevingen hier nihil is (minder dan 0,01%, zie hierboven), wordt dit soort schade zeker niet veroorzaakt of verergerd door trillingen door aardbevingen. Onder andere schade 127 is veroorzaakt door de scheefstand van de houtconstructie, zie paragraaf 4.3.19 voor verdere toelichting.

Schade ten gevolge van zettingsverschillen

Het gebouw is gefundeerd op staal op een draagkrachtige zandlaag. Onder deze zandlaag bevindt zich klei. Als deze klei belast wordt zullen daar zettingen in optreden. Deze zettingen zijn opgebouwd uit zettingen die tijdens of kort na de bouw optreden, zettingen die gedurende de eerste jaren na de bouw optreden ten gevolge van consolidatie van de klei en zeer langzame zettingen die in de loop van vele jaren optreden (kruip). Zie voor een nadere toelichting en voor de berekening daarvan bijlage E.

Uit de lintvoeg en vloerwaterpassingen blijkt dat de zettingsverschillen op een aantal plaatsen zodanig groot zijn dat hierdoor schade optreedt. Onder andere schades 2 en 3 worden veroorzaakt door te grote zettingsverschillen, zie paragraaf 4.3.3 voor verdere toelichting.

Schade ten gevolge van spatkrachten en windbelastingen

Het gewicht van het dak en de daarop komende rustende belastingen zoals sneeuw en wind, worden in hoofdzaak opgenomen door de middelste houten portalen. In de aansluiting van het schuine vlak van het portaal met de zijwand resulteert de verticale belasting ook in een kracht evenwijdig aan het dakvlak.

Deze kracht moet via de nok evenwicht maken met de overzijde. In dit geval uiteindelijk ook met de andere schuur. Zie voor een nadere uitleg paragraaf 4.3.4. Als dit mechanisme verstoord wordt, bijvoorbeeld door verval van de houtconstructie, ontstaan onder aan de schuine vlakken van het portaal horizontale krachten. Dit zijn spatkrachten. Die duwen de zijwanden naar buiten. Ook de windbelastingen tijdens storm veroorzaken relatief grote vervormingen aan de bovenkant van de zijwanden, zie hiervoor ook bijlage F. Vooral op de hoeken veroorzaken deze spatkrachten en windbelastingen scheuren.

Schades 9, 11, 12, 121, 122, 123, 125 en 126 zijn veroorzaakt door spatkrachten. Op een aantal plaatsen wordt de scheurvorming bovendien versterkt door de opgetreden zettingsverschillen. Zie paragraaf 4.3.4 en 4.3.18 voor verdere toelichting.

Schade ten gevolge van verhinderde vervormingen

In het achterste deel van de rechter schuur is een garage/ opslagruimte gebouwd tegen de zijwand.

Op de wanden van deze ruimte is een betonnen vloer gestort als plafond. Deze betonnen vloer is tegen de oude zijwand van de schuur gestort en opgelegd op de dwarswanden welke met de zijwand van de schuur zijn verbonden. Daardoor verhindert deze vloer de vrije uitzetting en krimp van de zijwand van de schuur. De meest waarschijnlijke oorzaak van de schades 9, 11, 12 en 144 is deze verhinderde vervorming in combinatie met de spatkrachten uit het dak, zie paragraaf 4.3.4 voor verdere toelichting.

Schade ten gevolge van stootbelastingen door zware schuifdeuren

Boven scheur 16 is de rail van de schuifdeur aan de muur bevestigd. Bij het openen en sluiten van deze deur bonkt de deur tegen een stop. Daardoor worden horizontale belastingen evenwijdig aan de rail op de muur overgebracht. Tevens zullen de trillingen, welke veroorzaakt worden doordat de deur tegen de stop aanloopt, veel groter zijn dan de hier opgetreden trillingen door aardbevingen. Hetzelfde geldt voor de scheuren 17, 18 en 142. Deze bevinden zich in het invloedgebied van de middelste grote schuifdeur. Zie paragraaf 4.3.5 voor verdere toelichting.

Schade niet veroorzaakt door gaswinning

Na uitvoering van het RCA-onderzoek is de conclusie dat de voor de rechter schuur bovengenoemde schades ontstaan zijn onafhankelijk van gaswinning en als gevolg daarvan het optreden van aardbevingen. Deze schades zouden daarom ook zijn opgetreden indien geen aardbevingstrillingen bij het pand zouden zijn opgetreden.

De linker schuur

Schade ten gevolge van veroudering. verwering en gebrek aan onderhoud

Vooral de linker schuur is zeer verouderd. Hieraan is tenminste al tientallen jaren geen onderhoud uitgevoerd. De voegen van het metselwerk zijn in slechte staat. Er zitten veel gaten in het dak. De stallen aan de achterkant zijn voor het grootste deel ingestort.

Veel voegmortel van het metselwerk is losgekomen en gedeeltelijk uitgevallen. Het metselwerk uit die tij werd gemetseld met kalkmortel. Deze kalkmortel wordt in de loop der tijd steeds harder en brosser.

Daarmee wordt de mortel gevoeliger voor scheuren, verliest de aanhechting aan de stenen en verliest het metselwerk de samenhang. Op een aantal plaatsen is geconstateerd dat planten en onkruid tegen de muren en het dak zijn gegroeid. Ook dit geeft schade. Dit soort schade is bij de verdere RCA studie aangeduid als "veroudering/ aantasting". Dat zijn onder andere de schades 25, 27, 28, 29, 30, 33, 200 en 201, zie paragraaf 4.3.2 voor verdere toelichting.

Scheefstand en schade

Zoals reeds aangegeven bij de beoordeling van bij de rechter schuur, ondervindt de linker schuur ook schade door de scheefstand. De linker schuur staat samen met de rechter schuur behoorlijk scheef doordat beide schuren tegen elkaar leunen. Door het verstoorde evenwicht om spatkrachten op te nemen zijn beide schuren scheef gaan staan. Dit verstoorde evenwicht is mede het gevolg van het weghalen van een kolom in de rechter schuur en vooral door slijtage en veroudering van de houtconstructie van de linker schuur. De houten staanders en ook de liggers zijn plaatselijk sterk in doorsnede verminderd door slijtage (aanrijdingen, schade door vee en dergelijke) en door aantasting door houtworm en vermolming, zie foto Figuur 2. In bijlage F is een berekening gemaakt van het effect van de weggebroken kolom in een door aantasting verzwakte houtconstructie. Deze berekening laat zien dat de vervormingen door windbelastingen tijdens storm en spatkrachten ook zonder aantasting aanzienlijk zijn. En dat deze door veroudering en aantasting van de houtconstructie en het weghalen van de kolom, zeker tot scheefstand en de daarbij behorende schade geleid hebben.

Mede gezien het gegeven dat de kans op lichte schade aan de houtconstructie door aardbevingen hier nihil is (minder dan 0,01%, zie hierboven), wordt dit soort schade zeker niet veroorzaakt of verergerd door trillingen door aardbevingen. Zie paragraaf 4.3.19 voor verdere toelichting.

Schade ten gevolge van zettinqsverschillen

Het gebouw is gefundeerd op staal op een draagkrachtige zandlaag. Onder deze zandlaag bevindt zich klei. Als deze klei belast wordt zullen daar zettingen in optreden. Deze zettingen zijn opgebouwd uit zettingen die tijdens of kort na de bouw optreden, zettingen die gedurende de eerste jaren na de bouw optreden ten gevolge van consolidatie van de klei en zeer langzame zettingen die in de loop van vele jaren optreden (kruip). Zie voor een nadere toelichting en voor de berekening daarvan bijlage E. Uit de lintvoeg en vloerwaterpassingen blijkt dat de zettingsverschillen op een aantal plaatsen zodanig groot zijn dat hierdoor schade optreedt. Onder andere schades 21, 22, 34 Urn 39, 128, 129, 130, 136, 137 en 139 worden veroorzaakt door te grote zettingsverschillen, zie paragraaf 4.3.8, 4.3.12 en 4.3.20 voor verdere toelichting.

Schade ten gevolge van spatkrachten en windbelastingen

Het gewicht van het dak en de daarop komende rustende belastingen zoals sneeuw en wind, worden in hoofdzaak opgenomen door de middelste houten portalen. In de aansluiting van het schuine vlak van het portaal met de zijwand resulteert de verticale belasting ook in een kracht evenwijdig aan het dakvlak.

Deze kracht moet via de nok evenwicht maken met de overzijde. In dit geval uiteindelijk ook met de andere schuur. Zie voor een nadere uitleg paragraaf 4.3.4. Als dit mechanisme verstoord wordt, bijvoorbeeld door verval van de houtconstructie, ontstaan onder aan de schuine vlakken van het portaal horizontale krachten. Dit zijn spatkrachten. Die duwen de zijwanden naar buiten. Ook de windbelastingen tijdens storm veroorzaken relatief grote vervormingen aan de bovenkant van de zijwanden, zie hiervoor ook bijlage F. Vooral op de hoeken veroorzaken deze spatkrachten en windbelastingen scheuren. Vooral op de hoeken veroorzaken deze spatkrachten scheuren. Schades 20, 24, 31, 32, 40, 131, 133, 135 en 141 zijn veroorzaakt door spatkrachten. Op een aantal plaatsen wordt die scheurvorming bovendien versterkt door de opgetreden zettingsverschillen. Zie paragraaf 4.3.7, 4.3.11 en 4.3.22 voor verdere toelichting.

Schade ten gevolge van vorst

Schade 19 betreft een forse schade aan de gemetselde rollaag op de top van de achtergevel. Deze rollaag is verder niet afgedekt en onder de rollaag bevindt zich lood. De stenen van de rollaag worden door regen door en door nat. Bij vorst zet dit water uit en de rollaag komt hierdoor los te liggen op het lood. Dit is de oorzaak van deze schade. Zie paragraaf 4.3.6 voor verdere toelichting .

Schade ten gevolge van een belasting

Boven de deuren van de stallen (voor zover die nog resteren) zijn geen lateien toegepast. Op het metselwerk boven de deuropeningen zijn balken opgelegd. Dit metselwerk is gescheurd omdat het metselwerk zonder latei de belasting niet kan opnemen. Dit betreft de schades 138 en 140, zie paragraaf 10 voor verdere uitleg.

In de buitenmuur naast de deur van de stallen zit een verticale scheur, schade 23. De oorzaak voor deze schade is het hard dichtslaan of dichtwaaien van deze deur. Zie paragraaf 4.3.9 voor verdere toelichting.

Schade niet ten gevolge van gaswinning

Na uitvoering van het RCA-onderzoek is de conclusie dat de voor de linker schuur bovengenoemde schades ontstaan zijn onafhankelijk van gaswinning en als gevolg daarvan het optreden van aardbevingen. Deze schades zouden daarom ook zijn opgetreden indien geen aardbevingstrillingen bij het pand zouden zijn opgetreden."

2.23.

RHDHV heeft vervolgens op pagina 15 en 16 van haar rapport in een tabel per schadegroep aangegeven wat de schadeoorzaken zijn. De verschillende schades aan de boerderij zijn volgens het RHDHV-rapport veroorzaakt door veroudering/aantasting, zettingen bij gelijkblijvende belasting, overbelasting ten gevolge van spatkrachten en door de schuifdeuren, aantasting door inwatering en vorst, overbelasting vanuit gebruik, verhinderde vervorming door krimp, overbelasting door onvoldoende draagvermogen van rollagen, overbelasting van de houtconstructie van de schuren door veroudering en degradatie en ten gevolge daarvan scheefstand en overbelasting van metselwerk zonder latei boven deuropeningen. Andere schade is door RHDHV aangemerkt als het resultaat van veroudering of degradatie en/of als normale werking tussen verschillende materialen of elementen. Eerdere, oude reparaties aan voegwerk van het metselwerk is niet als schade aangemerkt.

2.24.

De rechtbank is van oordeel dat het RHDHV-rapport de conclusies uit de eerdere deskundigenrapportages, dat de schade aan de boerderij (voor het grootste deel) niet is veroorzaakt door aardbevingen, overtuigend ondersteunt. NAM heeft met het RHDHV-rapport voldoende aannemelijk gemaakt dat de schade niet is veroorzaakt door de exploitatie van het mijnbouwwerk, maar door alternatieve oorzaken zoals vermeld in het rapport en hiervoor weergegeven. Deze conclusie wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door de resultaten van de door RHDHV gehanteerde EGMPE methode, waaruit blijkt dat er door de aardbevingen in 2011 en 2012 slechts een zeer geringe kans van 2,4% op lichte (niet constructieve) schade is. NAM heeft daarmee het bewijsvermoeden van artikel 6:177a, lid 1, BW weerlegd. De rechtbank gaat daarbij niet nader in op de vraag of het bewijsvermoeden ook van toepassing is op alle schades omdat ten aanzien van alle schades dat bewijsvermoeden door NAM overtuigend is weerlegd met het RHDHV-rapport.

Aan dat oordeel kan niet (voldoende) afdoen dat Eiser c.s. bij akte na deskundigenbericht een groot aantal bezwaren tegen (de inhoud van) het RHDHV-rapport heeft opgevoerd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

2.24.1.

De deskundigen van RHDHV kunnen als ter zake deskundig worden aangemerkt. Weliswaar is het rapport van RHDHV geen onafhankelijk rapport omdat het is opgesteld in opdracht van NAM, maar dat is ook niet vereist voor het weerleggen van het bewijsvermoeden door NAM. RHDHV heeft het rapport laten beoordelen door prof. Vambersky. Anders dan Eiser c.s. stelt is de omstandigheid dat prof. Vambersky verbonden is geweest aan Comit/Haskoning geen reden om hem als partijdig aan te merken. Verder moet aan Eiser c.s. worden toegegeven dat NAM meer mogelijkheid en middelen heeft om kennis te vergaren en deskundigen in te schakelen. Hoewel de rechtbank er begrip voor heeft dat Eiser c.s. dit als een ongelijke strijd ervaart, brengt ook deze omstandigheid niet met zich dat het RHDHV rapport buiten beschouwing moet worden gelaten.

2.24.2.

Eiser c.s. heeft onder andere kritiek geuit op de onderzoeksmethode en in het bijzonder op de zogenoemde EGMPE-methode, het gebruik van de SBR-A richtlijn en het rapport van TU Delft. De rechtbank overweegt dat Eiser c.s., hoewel zij in haar kritiek verwijst naar diverse (al dan niet wetenschappelijke) rapporten, zelf niet als een ter zake deskundige kan worden aangemerkt. De rechtbank ziet in de kritiek van Eiser c.s. onvoldoende reden om het rapport van het RHDHV terzijde te schuiven.

Eiser c.s. is het ten slotte niet eens met deze schade oorzaken die door RHDHV zijn beschreven en de onderbouwing daarvan, maar heeft haar opvatting niet met een rapportage van een eigen deskundige nader onderbouwd. Ook daarmee zijn de conclusies van het rapport van RHDHV onvoldoende weerlegd.

2.25.

Omdat het bewijsvermoeden is weerlegd, dient Eiser c.s. ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv - alsnog - het causale verband tussen de door haar gestelde schade aan het pand en de bodembeweging te bewijzen. In die bewijslevering acht de rechtbank Eiser c.s. niet geslaagd. Eiser c.s. heeft de uitkomsten van de deskundigenonderzoeken betwist en heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat de schade aan de boerderij is veroorzaakt door aardbevingen, zonder dat zij daar een deskundigenonderzoek aan ten grondslag heeft gelegd waaruit dit zou moeten blijken. Uit foto's van de boerderij, die niet gedateerd zijn, de verkoopbrochure van de boerderij uit 2010 en een bouwhistorisch onderzoek uit november 2012 kan niet worden afgeleid dat de huidige schade aan de woning door aardbevingen is veroorzaakt.

2.26.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de schade aan de boerderij niet is veroorzaakt door aardbevingen als gevolg van gaswinning. De vordering van Eiser c.s. zal worden afgewezen. De gevorderde gevolgschade, bestaande uit gederfde winst van de bottelarij, zal gelet op het voorgaande eveneens worden afgewezen.

2.27.

De vorderingen van Eiser c.s. zullen worden afgewezen. Eiser c.s. zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van NAM worden begroot op:

- griffierecht € 3.946,00

- salaris advocaat € 11.997,00 (3 punten x tarief €3.999,-)

Totaal € 15.943,00

3 De beslissing

De rechtbank

in de zaak 16-63

3.1.

veroordeelt NAM tot betaling aan Eiseres van een bedrag van € 25.000,- als voorschot waardeverminderingsschade;

3.2.

veroordeelt NAM tot betaling van € 322,00 aan kosten ter vaststelling van de schade;

3.3.

veroordeelt NAM in de proceskosten, aan de zijde van Eiseres begroot op een bedrag van € 14.498,08, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

in de zaak 19-49

3.6.

wijst de vorderingen af;

3.7.

veroordeelt Eiser c.s. in de proceskosten, aan de zijde van NAM begroot op een bedrag van € 15.943,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.9.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Schothorst, mr. A. van der Meer en mr. R.L. Vucsán en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2021.1

1 type: 508/md coll: