Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:3688

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-08-2021
Datum publicatie
27-08-2021
Zaaknummer
178887
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uithuisplaatsing. Terugplaatsing bij de ouders is geen optie. Er dient eerst een ouderschapsbeoordeling plaats te vinden. Nu de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd, wordt het verzoek van de vader tot beëindiging van de uithuisplaatsing op grond van artikel 1:265d BW afgewezen. Het verzoek van de vader om in het kader van geschilbeslechting te onderzoeken of een plaatsing bij de vader prevaleert boven een plaatsing bij de naar de mening van de vader overbelaste pleegouders, is een verzoek dat zich niet leent voor beoordeling in het kader van artikel 1:262b BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Leeuwarden

Zaaknummers: C/17/178887 / FJ RK 21-524 en C/17/180062 / FJ RK 21-810

Datum uitspraak: 27 augustus 2021

Beschikking kinderrechter

betreffende de minderjarige

[minderjarige] geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] ,

met betrekking tot de verlenging van de uithuisplaatsing, bekend onder zaaknummer: C/17/178887 / FJ RK 21-524 in de zaak van:

het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

gevestigd te Leeuwarden,
hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling),

en (primair) de beëindiging van de uithuisplaatsing en (subsidiair) de geschillenregeling, bekend onder zaaknummer: C/17/180062 / FJ RK 21-810 in de zaak van:

[de vader]

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. A.A. Tahavol, kantoorhoudende te Baarn.

De kinderrechter merkt in beide zaken als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats]

[de vader]

de vader, wonende te [woonplaats] ,

het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

gevestigd te Leeuwarden.

1 Het procesverloop

1.1.

Bij beschikking van 18 juni 2021, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot uiterlijk 1 september 2021. De beslissing op het verzoek van de GI is voor het overige aangehouden.

1.2.

Na de zitting van 18 juni 2021 heeft de kinderrechter in de zaak met nummer C/17/178887 / FJ RK 21-524 kennisgenomen van de volgende stukken:

- het verweerschrift van de GI van 10 augustus 2021, ingekomen bij de griffie op 10 augustus 2021;

- de brief van de GI van 12 augustus 2021, ingekomen bij de griffie op 12 augustus 2021.

1.3.

In de zaak met nummer C/17/180062 / FJ RK 21-810 is binnengekomen het beroepschrift van de vader tot beëindiging of bekorting van de machtiging tot uithuisplaatsing, dan wel een verzoekschrift inzake geschilbeslechting in de uitvoering van de ondertoezichtstelling van 19 augustus 2021.

1.4.

Op 20 augustus 2021 heeft de kinderrechter de zaken op de zitting met gesloten deuren behandeld. Verschenen en gehoord zijn:
- de vader, bijgestaan door mr. C.C. Sneper (tevens waarnemend voor mr. A.A. Tahavol in de zaak met nummer C/17/180062 / FJ RK 21-810);
- de moeder;

- de heer [naam] en mevrouw [naam] , namens de GI.

1.5.

De kinderrechter heeft, gezien de verwevenheid van de verzoeken, aanleiding gezien om het verzoek van de GI (bekend onder zaaknummer: C/17/178887 / FJ RK 21-524) gelijktijdig te behandelen met het verzoek van de vader (bekend onder zaaknummer: C/17/180062 / FJ RK 21-810).

2 Het verzoek en het standpunt van de GI

2.1.

De GI handhaaft haar verzoek tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 23 oktober 2021.

2.2.

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI aangevoerd dat de situatie ten aanzien van [minderjarige] in de afgelopen periode onveranderd is gebleven. Hoewel de pleegouders onlangs hebben aangegeven dat zij geen perspectiefbiedende plek voor [minderjarige] kunnen zijn, blijft de GI van mening dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij tot aan de start van het traject in Beilen bij de pleegouders blijft. Er is nog geen concrete einddatum van de plaatsing van [minderjarige] afgesproken, maar de GI heeft niet de verwachting dat [minderjarige] met spoed het pleeggezin zal moeten verlaten. Het feit dat de pleegouders hebben aangegeven dat zij moeite hebben met het klachtgedrag van [minderjarige] en hun batterij langzaam leeg raakt, maakt de situatie echter wel complexer. Nu de pleegouders de GI nog maar zeer recent in kennis hebben gesteld van voorgaande, is er nog onvoldoende tijd geweest om helemaal duidelijk te krijgen wat de keuze van de pleegouders precies gaat betekenen voor [minderjarige] . Ondanks deze mededeling van de pleegouders blijft de GI van mening dat het meest gunstige scenario voor [minderjarige] is dat hij voorlopig bij de pleegouders blijft en er eenmaal per week een

omgangsmoment zal zijn tussen [minderjarige] en de ouders. Op 15 september zal er een intakegesprek zijn in Beilen, waarna er meer duidelijk zal worden over hoe dit traject precies verder zal gaan.

2.3.

De GI kan zich niet vinden in het verzoek van de vader om de uithuisplaatsing te beëindigen en [minderjarige] bij hem te plaatsen. De GI is van mening dat een plaatsing van [minderjarige] bij één van de ouders niet tot de mogelijkheden behoort, zolang er geen ouderschapsbeoordeling is geweest. Het feit dat de vader inmiddels langer op de zorgboerderij verblijft, maakt niet dat de zorgen zijn weggenomen. In het recente verleden is er door het ouder-kind-huis Kien aangegeven dat het te risicovol is wanneer de ouders zelfstandig de zorg voor [minderjarige] op zich nemen en Kien heeft daarnaast geen mogelijkheden gezien om met één van de ouders een individueel traject op te starten binnen het ouder-kind-huis. Dit maakt dat de GI zich op het standpunt stelt dat er, door middel van een ouderschapsbeoordeling in Beilen, eerst zicht moet komen op de opvoedingsvaardigheden van de ouders voordat een plaatsing van [minderjarige] bij één van de ouders overwogen kan worden. De GI merkt op dat de vader nog steeds sceptisch is over de slagingskans van het traject in Beilen en hij heeft daarom alternatieve trajecten aangedragen. De GI heeft deze trajecten serieus onderzocht, maar is tot de conclusie gekomen dat het traject in Beilen op korte termijn de enige optie is die recht doet aan de belangen van [minderjarige] en de ouders, aangezien andere hulpverleningsinstanties niet binnen een aanvaardbare termijn een traject kunnen opstarten of niet aansluiten bij de problematiek van de ouders. Dit maakt dat de GI zich op het standpunt stelt dat er van gewijzigde omstandigheden geen sprake is en de uitgestippelde route hetzelfde blijft. Dit betekent dat de ouders het traject in Beilen aan zullen moeten gaan en [minderjarige] tot aan de start van dit traject bij de pleegouders blijft.

3 Het verzoek en het standpunt van de vader

3.1.

Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI en wordt primair verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] per direct te beëindigen, dan wel te bekorten tot 31 augustus 2021 en subsidiair verzocht om het geschil in de uitvoering van de ondertoezichtstelling te beslechten en te bepalen dat de GI zorgvuldig zal moeten onderzoeken of in het belang van [minderjarige] een plaatsing bij de vader prevaleert boven de huidige plaatsing bij de overbelaste pleegouders.

3.2.

Door en namens de vader is aangevoerd dat hij inmiddels beschikt over een stabiele woonsituatie. De vader verblijft immers al langere tijd op de zorgboerderij, waar eveneens een gedragswetenschapper aanwezig is en voldoende toezicht beschikbaar is. De vader geeft aan dat uitgangspunt is dat een kind opgroeit bij zijn of haar biologische ouders en een plaatsing van [minderjarige] bij de vader op de zorgboerderij beantwoordt hieraan. Tevens zal de band tussen [minderjarige] en de vader verbeteren, wanneer hij bij zijn biologische ouder kan verblijven. De GI voert aan dat zij niet weten of de zorgboerderij van de vader een geschikte plek voor [minderjarige] kan zijn, maar dit is volgens de vader niet onderzocht. Het is volgens de vader daarom te voorbarig om de conclusie te trekken dat een plaatsing van [minderjarige] bij de vader niet tot de mogelijkheden behoort. De vader is van mening dat hij [minderjarige] een veilige en stabiele opvoedingsomgeving kan bieden tot aan de start van het traject in Beilen.

3.3.

Daarnaast heeft de vader zorgen over de belastbaarheid van de pleegouders van [minderjarige] . Volgens de vader zal de pleegvader binnenkort zijn baan verliezen en heeft hij nog geen zicht op een nieuwe baan, waardoor er financiële problemen op de loer liggen. Daarnaast heeft de pleegmoeder tegenover de vader uitgesproken dat het klachtgedrag van [minderjarige] niet makkelijk is. Vanuit de GI wordt het beeld geschetst dat het klachtgedrag van [minderjarige] voortkomt uit chronische stress rond de omgangsmomenten met de ouders, maar [minderjarige] laat volgens de vader nog steeds hetzelfde gedrag zien, terwijl er al weken geen omgang meer is geweest. Gedurende de vakantie van de pleegouders is afgesproken dat er regelmatig door middel van videobellen contact zou zijn tussen de vader en [minderjarige] . Deze belmomenten zijn niet doorgegaan, omdat de pleegouders aangaven dat zij op hun tenen liepen en het videobellen te belastend vonden. Dit maakt dat bij de vader de alarmbellen zijn afgaan over de huidige plaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders. Hij is van mening dat het in het belang van [minderjarige] is om de plaatsing te beëindigen, dan wel te bekorten, of uitvoerig onderzoek te doen naar de mogelijkheden om [minderjarige] bij de vader op de zorgboerderij te plaatsen. Hiermee kan voorkomen worden dat de pleegouders verder overbelast raken en [minderjarige] naar een ander (crisis)pleeggezin overgeplaatst moet worden.

4 Het standpunt van de moeder

4.1.

De moeder heeft aangevoerd dat zij niet goed weet hoe het verder moet met de uithuisplaatsing van [minderjarige] . De situatie bij de pleegouders is erg lastig en daarnaast voelt de moeder zich vervreemd van haar eigen kind. De moeder kan instemmen met een plaatsing van [minderjarige] op de zorgboerderij van de vader, mits er goed contact mogelijk is tussen de ouders onderling en de moeder betrokken wordt bij de opvoeding van [minderjarige] . Verder wil de moeder dat de ouders gezamenlijk het traject in Beilen aan gaan en, indien mogelijk, daarna gezamenlijk de zorg voor [minderjarige] op zich nemen.

5 De beoordeling

Ten aanzien van het verzoek van de GI

5.1.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling op de zitting is naar het oordeel van de kinderrechter gebleken dat het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter overweegt dat zij in de beschikking van 18 juni 2021 heeft overwogen dat een thuisplaatsing niet in het belang van [minderjarige] is. Kien heeft immers recent nog geconcludeerd dat de situatie onvoldoende veilig is om de ouders zelfstandig met [minderjarige] te laten wonen en een ouderschapsbeoordeling van een van de ouders behoorde voor Kien niet meer tot de mogelijkheden. Naar het oordeel van de kinderrechter zijn er anders dan door en namens de vader is gesteld, geen relevante gewijzigde omstandigheden, die maken dat een van de ouders of de ouders samen [minderjarige] nu wel voldoende veiligheid kunnen bieden buiten een ouder-kind-huis. De zorgen over de ouders en hun problematiek is immers onveranderd. Beide ouders moeten nog behandeld worden voor hun persoonlijke problematiek. Dat de vader nu wat langer op de zorgboerderij woont, vindt de kinderrechter volstrekt onvoldoende om te oordelen dat de vader daarom [minderjarige] voldoende veiligheid kan bieden. Er is immers nog geen ouderschapsbeoordeling geweest. Daar komt bij dat de zorgboerderij van de vader niet dezelfde intensieve setting biedt als Kien, terwijl de kinderrechter bij beschikking van 18 juni 2021 heeft beslist dat de setting bij Kien tot onvoldoende veiligheid voor [minderjarige] heeft geleid en er een intensiever traject moet worden ingezet. Dit maakt dat de kinderrechter het standpunt van de vader niet kan volgen.

5.2.

De kinderrechter overweegt voorts dat de GI voldoende heeft gemotiveerd dat alternatieve hulpverleningstrajecten voor Beilen, zoals door de vader aangedragen, niet mogelijk zijn, aangezien deze niet aansluiten bij de problematiek van de ouders of alleen hulpverlening aanbieden in de eigen regio, dan wel niet tijdig kunnen starten met het traject. Dit maakt dat de uitgezette koers richting een traject in Beilen naar het oordeel van de kinderrechter overeind blijft. Nu er tot op heden grote zorgen zijn over de opvoedingsvaardigheden van de ouders, is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is om, in ieder geval tot aan de start van het traject in Beilen, uithuisgeplaatst te blijven. Dit betekent dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing voor de verzochte duur zal verlengen.

Ten aanzien van het verzoek van de vader

5.3.

De kinderrechter overweegt dat de met gezag belaste ouder vanwege gewijzigde omstandigheden de GI kan verzoeken de uithuisplaatsing te beëindigen. Op grond van artikel 1:265d, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter op verzoek van de vader de machtiging geheel of gedeeltelijk intrekken of de duur ervan bekorten. Op grond van artikel 1:264, derde lid, BW moet het verzoek binnen twee weken worden ingediend. Het verzoek van de vader is tijdig ingediend. De kinderrechter overweegt dat hiervoor al is geoordeeld dat een verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is. Daarbij heeft de kinderrechter acht geslagen op de door de vader aangevoerde gewijzigde omstandigheden en daarin geen aanleiding gezien om de machtiging niet te verlengen. Daarom zal de kinderrechter het verzoek van de vader op grond van artikel 1:265d BW afwijzen.

De vader heeft verzocht indien de kinderrechter zijn verzoek afwijst om bovenstaand geschil te beslechten als een geschil in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De vader wil dat de kinderrechter de GI verplicht een gedegen onderzoek te doen en een evenredige belangenafweging te maken in het belang van [minderjarige] naar de vraag of een plaatsing van [minderjarige] bij de vader prevaleert boven een plaatsing bij de pleegouders. Naar het oordeel van de kinderrechter leent de vraag die vader opwerpt zich niet voor beoordeling op grond van artikel 1:262b BW, omdat het antwoord op het geschil hiervoor al is gegeven, namelijk dat het noodzakelijk is dat [minderjarige] langer uithuisgeplaatst blijft in een voorziening voor pleegzorg. Er is dan ook op grond van voornoemd artikel geen ruimte voor een afweging zoals de vader die wenst. Ten overvloede overweegt de kinderrechter dat de GI aandacht heeft voor het feit dat de pleegouders aangeven dat de opvoeding van [minderjarige] hen zwaar valt en zijn niet een perspectief biedend gezin willen zijn. De kinderrechter hoopt dat zij tot aan de plaatsing in Beilen wel de zorg voor [minderjarige] kunnen blijven dragen.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 23 oktober 2021;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

wijst het door de vader verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Teertstra, kinderrechter, in tegenwoordigheid van

mr. H.J. Boon als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.