Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:3652

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-08-2021
Datum publicatie
25-08-2021
Zaaknummer
LEE 20/3117
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ten onrechte bijzondere bijstand voor reis- en parkeerkosten afgewezen. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat de omstandigheden in onderling verband en in samenhang bezien zo bijzonder zijn dat toekenning van de bijzondere bijstand met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is. Daarbij is onder meer gewezen op de opname van haar zoon, de (plotselinge) overplaatsing van het Medisch Centrum Leeuwarden naar het Universitair Medisch Centrum Groningen, de vele operaties en dat zij als alleenstaande moeder (ook na het ontslag) intensieve zorg heeft verleend. Bovendien zijn latere aanvragen voor dezelfde kosten toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: 20/3117

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Bou-Asrar),

en

het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Leeuwarden (college) verweerder,

(gemachtigde: H. Boonstra).

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor reis- en parkeerkosten met terugwerkende kracht over de periode van 11 november 2019 tot en met 24 januari 2020 (reis- en parkeerkosten) afgewezen.

Bij besluit van 23 september 2020, verzonden op 24 september 2020, (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres ontvangt sinds 4 februari 2015 bijstand, laatstelijk op grond van de

Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 11 februari 2020 heeft eiseres een aanvraag om bijzondere bijstand voor
reis- en parkeerkosten bij verweerder ingediend. Daarbij heeft eiseres vermeld dat haar zoon, geboren in [geboortejaar] , in de periode van 11 november 2019 tot en met 24 januari 2020 vanwege lichamelijke klachten in het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) is opgenomen. Eiseres is vrijwel dagelijks vanuit haar woning in Leeuwarden naar Groningen gereden om hem te bezoeken. Ter onderbouwing van de kosten heeft eiseres onder meer parkeertickets en betalingsbewijzen overgelegd.

1.3.

Bij het primaire besluit, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor reis- en parkeerkosten afgewezen. Aan de besluitvorming heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de kosten zijn gemaakt voordat de aanvraag was ingediend en bijzondere bijstand met terugwerkende kracht voor deze kosten niet mogelijk is. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat eiseres mogelijk aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening.

2. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en brengt in beroep - samengevat - het volgende naar voren. Eiseres stelt dat de omstandigheden in haar geval zo bijzonder zijn dat toekenning van de bijzondere bijstand gerechtvaardigd is. Eiseres heeft aangevoerd dat haar zoon in eerste instantie was opgenomen in het Medisch Centrum Leeuwarden (MCL). Vanwege zijn gezondheidssituatie hebben de artsen besloten hem over te plaatsen naar het UMCG. Eiseres is vrijwel dagelijks met de auto op en neer gereden om haar zoon te bezoeken, te overleggen met artsen en toestemming te geven voor behandelingen. Tijdens de opname is de zoon meerdere keren geopereerd. De periode na het ontslag was voor eiseres, die alleenstaand is, zwaar. De zorg die de zoon nodig had, kwam op haar schouders terecht. Eiseres stelt dat in dit geval niet van haar verlangd kon worden dat zij direct na de overplaatsing, dan wel na het ontslag de aanvraag had ingediend. Daarbij heeft eiseres opgemerkt dat zij het aanvraagformulier eerst onjuist had ingevuld en een nieuw formulier bij verweerder heeft opgevraagd. Ook heeft eiseres meerdere malen contact opgenomen met verweerder en de situatie rondom haar zoon besproken. Volgens eiseres heeft verweerder haar niet verteld dat zij de aanvraag vooraf moest indienen. Bovendien heeft verweerder ten onrechte geen gespreksregistraties gemaakt. Ook heeft de afwijzing grote financiële gevolgen voor eiseres, nu zij op bijstandsniveau leeft en voor de reis- en parkeerkosten een lening heeft afgesloten.

3. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

In artikel 44, eerste lid, van de PW is bepaald dat indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

4.2.

De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat de reis- en parkeerkosten zich voordoen en in het geval van eiseres noodzakelijk zijn. Verder stelt de rechtbank vast dat eiseres geen aanspraak kon maken op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW. Verweerder heeft de draagkracht van eiseres op nihil vastgesteld.

4.3.

Het geschil in beroep beperkt zich tot de vraag of in eiseres’ situatie sprake is van bijzondere omstandigheden die toekenning van bijzondere bijstand over de periode van
11 november 2019 tot en met 24 januari 2020 (te beoordelen periode) rechtvaardigt.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak van Centrale Raad van Beroep (CRvB) over de toepassing van onder meer artikel 44, eerste lid, van de PW bestaat geen recht op bijzondere bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend (vgl. de uitspraak van de CRvB van
27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5043). Van dit uitgangspunt kan volgens de CRvB alleen worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van bijzondere omstandigheden is sprake als het de betrokkene niet kan worden verweten dat
hij niet tijdig een aanvraag voor bijstand heeft ingediend. Het is aan betrokkene om dergelijke bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken (vgl. de uitspraak van de CRvB van 9 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1242). Met wat eiseres heeft aangevoerd, heeft zij hier aan voldaan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.5.

Ter zitting heeft de rechtbank uitvoerig met partijen gesproken over de omstandigheden. Zo is de opname van de zoon, de (plotselinge) overplaatsing van het MCL naar het UMCG en de vele operaties ter sprake gekomen. Verder is gesproken over dat eiseres een alleenstaande moeder is, na het ontslag zelfstandig intensieve zorg heeft verleend en de zoon door aanhoudende fysieke klachten nog altijd van anderen afhankelijk is. De rechtbank begrijpt het verhaal van eiseres zo dat sprake is (geweest) van een intense en traumatische periode. De zoon is na de hier te beoordelen periode weer opgenomen in het UMCG, zo volgt uit latere aanvragen. De rechtbank wijst in dit verband op de besluiten van 16 juni 2020 en 19 juli 2020 waarin verweerder – voor zover hier van belang – de aanvragen voor reiskosten heeft toegewezen. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting opgemerkt dat de onderhavige aanvraag vanwege het enkele feit dat deze te laat was ingediend, is afgewezen. Bovendien is in dit geval van belang dat eiseres niet in staat is te reserveren voor bijvoorbeeld reiskosten. Tot slot heeft de omstandigheid dat verweerder in de hier te beoordelen periode een controle-onderzoek heeft uitgevoerd naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verleende bijstand, niet bijgedragen aan de situatie.

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat de onder 4.5 genoemde omstandigheden in onderling verband en in samenhang bezien in dit geval zo bijzonder zijn, dat bijzondere bijstand met terugwerkende kracht dient te worden verleend.

5. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank dient aansluitend te bezien welk vervolg zij aan deze uitkomst moet geven. In dit geval bestaat geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten en kan de rechtbank evenmin zelf in de zaak voorzien. Verweerder wordt daarom opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 748,- en wegingsfactor 1).

7. Verweerder dient aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres tot een bedrag van € 1.496,-;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het in beroep betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.B. Bartels-van Goor, rechter, in aanwezigheid van
L. Bergsma, griffier, op 19 augustus 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na datum van bekendmaking.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.