Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:3627

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-08-2021
Datum publicatie
26-08-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1031
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanslagen IB/PVV en ZVW waarbij de vraag is of terecht een beroep is gedaan op de omkering van de bewijslast (uitnodigen en aanmanen tot het doen van aangifte).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-8-2021
FutD 2021-2690
V-N Vandaag 2021/2044
NLF 2021/1796 met annotatie van Niels van Mol
V-N 2021/39.20.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: 20/1031 en 20/1292

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 2 augustus 2021 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde eiser] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Almere, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2016 met dagtekening 11 juli 2018 aan eiser een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) opgelegd, berekend

over het maximum bijdrage-inkomen van € 52.763. Het bijdrage-inkomen bedraagt € 2.000.000.

Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 132 aan belastingrente in rekening gebracht. (beroep met zaaknummer 20/1031)

Verweerder heeft voor het jaar 2016 met dagtekening 11 juli 2018 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.999.307.

Bij beschikking met dezelfde dagtekening heeft verweerder verliezen uit voorgaande jaren ten bedrage van € 693 verrekend.

Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 47.204 aan belastingrente in rekening gebracht. (beroep met zaaknummer 20/1292)

Bij uitspraken op bezwaar heeft verweerder het bezwaar van eiser inzake de aanslag ZVW 2016 ongegrond en het bezwaar inzake de aanslag IB/PVV 2016 gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de aanslag IB/PVV 2016 verminderd tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.992.911.

De belastingrente heeft verweerder overeenkomstig verminderd tot een bedrag van € 47.052.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar op digitale wijze op 4 maart 2020 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2021.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn zijn echtgenote, [echtgenote] , alsmede bijgestaan door zijn gemachtigde, die op zijn beurt werd bijgestaan door [bijstand] en namens verweerder is verschenen zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand] .

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser is geboren op [datum] 1971 en gehuwd met [echtgenote] .

1.2.

Eiser heeft op [datum] 2016 een ambulance gekocht met het doel deze te verschepen naar [buitenland] .

1.3.

Eiser is bij strafvonnis van 23 oktober 2018 door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor onder meer witwassen. Aan eiser is een gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd. In het strafvonnis is onder meer opgenomen:

Alles overwegende, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde witwassen door een geldbedrag van € 2.000.000,00 voorhanden te hebben gehad, te verbergen en te verhullen.

(…)

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Feit 1

in de periode van 26 september 2016 tot en met 30 september 2016 te [plaats] en [plaats] een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EUR 2.000.000, aangetroffen in een ambulance met kenteken [kenteken], heeft voorhanden gehad en heeft verborgen en verhuld, terwijl hij wist dat dit voorwerp afkomstig was uit enig misdrijf;

(…)

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen van een contant geldbedrag van € 2.000.000,00. Het geldbedrag is aangetroffen in de zijkanten van het dak van een ambulance die klaar stond om verscheept te worden naar [buitenland] . Witwassen is een ernstig misdrijf. Hierdoor worden de inkomsten uit misdrijven in het legale betalingsverkeer gebracht. Dit is een gevaar voor de integriteit van het financiële en economische verkeer. Bovendien worden deze inkomsten daarmee aan het zicht van justitie onttrokken.

(…)

Verbeurdverklaring

Overeenkomstig de eis van de officier van justitie zullen de in beslag genomen € 2.000.000,00 en ambulance worden verbeurdverklaard, nu het onder 1 bewezen geachte feit daarmee is begaan.

1.4.

Eiser heeft een gedeelte uit het requisitoir van de officier van justitie in de hiervoor vermelde strafzaak tegen hem overgelegd. Daarin is onder meer geschreven:

Het OM meent dat het geld niet van verdachte is en ook niet van [X] , wie de eigenaar is van het geld hoeft natuurlijk ook niet vast komen te staan. En dat wordt in de meeste gevallen ook niet vastgesteld. Het gaat erom of sprake is van “fout” geld, misdrijfgeld, en in dit geval de wetenschap van verdachte over de aanwezigheid van het geld in de ambulance. In de optiek van het OM is sprake van misdrijfgeld gelet op hetgeen hiervoor is aangehaald.

1.5.

Bij brief van 10 februari 2020 heeft de advocaat van eiser de griffie van de rechtbank Amsterdam verzocht het hoger beroep tegen het strafvonnis van 23 oktober 2018 in te trekken.

1.6.

Verweerder heeft een kopie overgelegd van de brief met dagtekening 28 februari 2017 aan eiser waarin hij hem heeft uitgenodigd om zijn aangifte IB/PVV en ZVW 2016 in te dienen.

1.7.

Verweerder heeft een kopie overgelegd van de brief met dagtekening 12 juni 2017 aan eiser waarin hij hem eraan heeft herinnerd om de onder 1.6. vermelde aangifte in te dienen.

1.8.

Verweerder heeft een kopie overgelegd van de brief met dagtekening 11 juli 2017 aan eiser waarin hij hem heeft aangemaand om de onder 1.6. vermelde aangifte in te dienen.

1.9.

Verweerder heeft ambtshalve de onder het procesverloop vermelde aanslagen IB/PVV 2016 en ZVW 2016 opgelegd, alsmede de verliesverrekeningsbeschikking 2016 en de beschikkingen belastingrente.

1.10.

Eiser heeft op 19 augustus 2018 een aangifte IB/PVV en ZVW 2016 ingediend, die door verweerder als bezwaar is aangemerkt tegen de opgelegde aanslagen IB/PVV 2016 en ZVW 2016. In de aangifte heeft eiser een verlies uit onderneming van € 6.396 aangegeven.

1.11.

De brief van verweerder van 20 februari 2020 aan eiser inzake de aanslag IB/PVV 2016 heeft als kopje ‘motivering van de uitspraak op het bezwaar’ en bevat een rechtsmiddelenverwijzing. Ook staat in de brief een beslissing op het verzoek om een proceskostenvergoeding. In de brief heeft verweerder onder meer geschreven:

Ik zal alsnog rekening houden met het door u aangegeven verlies van € 6.396

(…)

Beslissing op uw bezwaar

Ik kom gedeeltelijk aan uw bezwaar tegemoet.

(…)

Binnenkort ontvangt u de verminderingsbeschikking. Indien u het niet eens bent met deze uitspraak heeft u de mogelijkheid om in beroep te gaan. Op de verminderingsbeschikking staat vermeld hoe u dit kunt doen.

1.12.

Verweerder heeft aan eiser een brief met dagtekening 5 maart 2020 gestuurd. Deze brief heeft als kopje ‘Vermindering’. In de beschikking is onder meer opgenomen:

De inspecteur heeft u de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 2016, nummer [BSN eiser] .H.66.01, opgelegd. Deze aanslag blijkt te hoog te zijn vastgesteld. Als gevolg hiervan is de aanslag verminderd met € 3.478.

Deze beschikking bevat geen rechtsmiddelenverwijzing en evenmin een beslissing inzake de proceskostenvergoeding.

1.13 .

Bij uitspraak op bezwaar van 20 februari 2020 heeft verweerder de aanslag ZVW 2016 in stand gelaten.

1.14.

Verweerder heeft een drietal verzendrapportages met bijlagen, met dagtekening 13 april 2021 overgelegd aangaande de verzending van de onder 1.6. tot en met 1.8. vermelde stukken. Deze rapportages zijn opgesteld door [medewerker] , medewerker Verwerken en Behandelen bij de Centrale administratieve processen van de Belastingdienst in Apeldoorn.

Inzake de uitnodiging tot het doen van aangifte IB/PVV 2016 is in de verzendrapportage onder meer opgenomen:

Ik heb op 13 april 2021 in het kader van het hiervoor genoemde verzoek, de volgende systemen geraadpleegd:

- ABS (Aanslagen Belasting Systeem)

- FAA (Fiscale Afspraken Aanslagen)

- DOSHISTORIE (Excel Archief DOS)

- BBA (Belastingdienst brede Berichten Administratie)

- ZP05 (SAP Dispositielijst)

- VA03 (SAP Verkooporderoverzicht)

- DAS (Digitaal Archief Systeem)

Ik heb in ABS ten aanzien van betrokkene, inzake het document uitnodiging doen van aangifte IB 2016 het volgende waargenomen:

Dat er een fiscale afspraak (uitnodiging tot het doen van de definitieve aangifte,

aangifte winst) met dagtekening 28-02-2017, initieel te reageren voor 01-05-2017 en uiterlijk te reageren voor 25-07-2017, is geregistreerd.

Ik heb in FAA ten aanzien van betrokkene, inzake het document uitnodiging doen van aangifte IB 2016 het volgende waargenomen:

Dat er een uitnodiging tot het doen van definitieve aangifte IB/PV, aangifte winst, over

het heffingsvlak 01-01-2016 t/m 31-12-2016, met dagtekening 28-02-2017, gewenste

reactiedatum 01-05-2017 en uiterste reactiedatum 25-07-2017, is geregistreerd.

Ik heb in DOSHISTORIE ten aanzien van betrokkene, inzake het document uitnodiging doen van aangifte IB 2016 het volgende waargenomen:

Dat deze op 12-02-2017, in een partij documenten UDA, met het RUNID N0247598 en

dagtekening 28-02-2017, in een aantal van 200000 stuks, is opgemaakt.

Ik heb in BBA ten aanzien van betrokkene, inzake het document uitnodiging doen van aangifte IB 2016 het volgende waargenomen:

Dat er op 20-02-2017 een bericht, code ELB07, is ontvangen, betreffende een

Papieren_Formulier, met dagtekening 28-02-2017, kenmerk [kenmerk met BSN nummer eiser] , van de

applicatie MHS, ter verwerking.

Ik heb in een query vanuit TSOP/DAS ten aanzien van betrokkene, inzake het document uitnodiging doen van aangifte IB 2016 het volgende waargenomen:

Dat deze op 20-02-2017 in een partij met het RUNID N0247598 en parameters Groep

G02, Partitie P00058, Archiefdatum 21-02-2017 en Volgn 43583, ten behoeve van het

BSN [BSN eiser] , is geregistreerd ten behoeve van de applicatie DAS.

Ik heb in een outputcontrole ten aanzien van RUNID N0247598, inzake het document uitnodiging doen van aangifte IB 2016 het volgende waargenomen:

Dat op 21-02-2017 de partij documenten SP UDA UDAT01 N0247598 AL781, in een

aantal van 200.000 stuks, steekproefsgewijs is gecontroleerd, in het outputdossier 20170221-003 / Aang. R 2016 ELB 03/04/06/ met een verzenddatum 22-02-2017, onder het eindproductnummer 901884 en het RUNID N0247598.

Ik heb in DAS ten aanzien van betrokkene, inzake het document uitnodiging doen van aangifte IB 2016 het volgende waargenomen:

Dat op 21-02-2017, onder zoeksleutel [zoeksleutel BSN eiser] en berichtsjabloon ELB07,

een Aangiftebrief 2016 IB met dagtekening 28 februari 2017, kenmerk ELB07, BSN

[BSN eiser] , t.n.v. [eiser] is gearchiveerd en verzonden aan het adres

[adres] .

Ik heb in ZP05 ten aanzien van betrokkene, inzake het document uitnodiging doen van aangifte IB 2016 geconstateerd:

Dat dit document is opgenomen in de partij documenten, genaamd UDAT01 Aang. R

2016 ELB 03/04/06/, met het RUNID N0247598 en eindproductnummer 901884, in een aantal van 4 x 50.000 stuks.

Ik heb in ZP05 waargenomen dat de partij documenten met RUNID N0247598 en eindproductnummer 901884 op 22-02-2017 is aangeboden aan SANDD en POSTNL, ter verzending

Ik heb in VA03 ten aanzien van betrokkene, inzake het document uitnodiging doen van aangifte IB 2016 het volgende waargenomen:

Dat de partij documenten (UDAT01 Aang. R 2016 ELB 03/04/06/07) met RUNID N0247598 en eindproductnummer 901884, onder het verkoopordernummer 7005003812, in een aantal van 200.000 stuks, tijdig en zonder problemen is aangeboden ter verzending.

Met postbedrijf SANDD heeft de Belastingdienst in het kalenderjaar 2017 contractueel vastgelegd dat partijen documenten van het soort als met RUNID N0247598 en eindproductnummer 901884 worden bezorgd binnen 72 uren na aanbieding.

Met postbedrijf POSTNL heeft de Belastingdienst in het kalenderjaar 2017 contractueel vastgelegd dat partijen documenten van het soort als met RUNID N0247598 en eindproductnummer 901884 worden bezorgd binnen 48 uren na aanbieding.

Inzake de aanmaning tot het doen aangifte IB/PVV 2016 is in de verzendrapportage onder meer opgenomen:

Ik heb op 13 april 2021, in het kader van het hiervoor genoemde verzoek, de volgende systemen geraadpleegd:

- ABS (Aanslagen Belasting Systeem)

- FAA (Fiscale Afspraken Aanslagen)

- - DOSHISTORIE (DOS Archief)

- - BBA (Belastingdienst brede Berichten Administratie)

- - DAS (Digitaal Archief Systeem)

- - ZP05 (SAP Dispositielijst)

- - VA03 (SAP Verkooporderoverzicht)

-

Ik heb in ABS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning doen van aangifte IB 2016 het volgende waargenomen:

Dat er een fiscale afspraak, een Aanmaning, is geregistreerd met dagtekening 11-07-

2017 met een uiterste reactiedatum van 25-07-2017.

Ik heb in FAA ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning doen van aangifte IB 2016 het volgende waargenomen:

Dat er een Aanmaning is geselecteerd op 27-06-2017 met dagtekening 11-07-2017 en een uiterste reactietermijn van 25-07-2017.

Ik heb in DOSHISTORIE ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning doen van aangifte IB 2016 het volgende waargenomen:

Dat op 27-06-2017 de partij documenten (systeem FAA) met dagtekening 11-07-2017, in een partij met het RUNID N0258495 en het GENNO 01310, in een aantal van 40053 stuks, is aangemaakt.

Ik heb in DOSHISTORIE ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning doen van aangifte IB 2016 het volgende waargenomen:

Dat op 04-07-2017 de partij documenten met het RUNID N0258495, is samengevoegd in een samengestelde partij documenten, dagtekening 11-07-2017, met het RUNID S0037650, in een aantal 42470 stuks, ter verwerking.

Ik heb in een outputcontrole ten aanzien van RUNID N0258495, inzake het document Aanmaning doen van aangifte IB 2016 het volgende waargenomen:

Dat op 06-07-2017 de partij documenten SP FAA FAABO1 N0258495 01310 AL797,

in een aantal van 40.053 stuks, steekproefsgewijs is gecontroleerd, in het outputdossier 20170706-006 met een verzenddatum 07-07-2017, in een samengestelde partij documenten, met een aantal van 42.470 stuks, onder het eindproductnummer 901465 en RUNID S0037650.

Ik heb in BBA ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning doen van aangifte IB 2016 het volgende waargenomen:

Dat er op 07-07-2017 een bericht, code FAA11, is ontvangen betreffende een Papieren_Formulier, dagtekening 11-07-2017, kenmerk FAA11. [BSN eiser] , ter verwerking van de applicatie MHS.

Ik heb in AWP ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte 13 2016 het volgende waargenomen:

Dat er op 07-07-2017 met betrekking tot het BSN [BSN eiser] , [eiser] , een aanmaning aangifte inkomstenbelasting 2016, met dagtekening 11-07-2017, afzender Belastingdienst (per post), is geregistreerd.

Ik heb in een query vanuit TSOP/DAS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning doen van aangifte IB 2016 en het volgende waargenomen:

Dat deze op 07-07-2017 in een partij met het RUNID N0258495 en parameters Groep

G01, Partitie P00246, Archiefdatum 07-07-2017 en Volgn 15295, ten behoeve van het

BSN [BSN eiser] , is geregistreerd in de applicatie DAS.

Ik heb in DAS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2016 het volgende waargenomen:

Dat erop 07-07-2017 onder zoeksleutel [zoeksleutel BSN eiser] en berichtsjabloon

FAA11, een Aanmaning aangifte 2016 met dagtekening 11 juli 2017 en kenmerk

FAA11. [BSN eiser] , t.n.v. [eiser] is gearchiveerd en verzonden aan het adres

[adres] .

Ik heb in ZP05 ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning doen van aangifte IB 2016 geconstateerd:

Dat dit document is opgenomen in de samengestelde partij documenten, genaamd

FAABO1 Med./Afw. Uitstel-Herin. met het RUNID S0037650 en generatienummer

g1310/1, in een aantal van 42.470 stuks.

Ik heb in ZP05 waargenomen dat de partij documenten met het RUNID S0037650 en generatienummer g1310/1 op 07-07-2017 is aangeboden aan POSTNL.

Ik heb in VA03 ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning doen van aangifte IB 2016 het volgende waargenomen:

Dat de partij documenten (Uitstel - Herin.)aanm.) met het RUNID S0037650 en

generatienummer g1310/1, onder het verkoopordernummer 7005009769, in een aantal

van 42.470, stuks tijdig en zonder problemen is aangeboden ter verzending.

Met postbedrijf POSTNL heeft de Belastingdienst in het kalenderjaar 2017 contractueel vastgelegd dat partijen documenten van het soort als met RUNID S0037650 en generatienummer g1310/1 worden bezorgd binnen 48 uren na aanbieding.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of de aan eiser opgelegde aanslagen IB/PVV en ZVW 2016 tot het juiste bedrag zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vragen of verweerder terecht een beroep heeft gedaan op de omkering van de bewijslast en of verweerder terecht het in de ambulance gevonden geld als resultaat uit overige werkzaamheden aan eiser heeft toegerekend. Tevens is in geschil of eiser recht heeft op een schadevergoeding. Tenslotte is wat betreft de proceskostenvergoeding in geschil of eiser recht heeft op een integrale vergoeding van de kosten en of eiser recht heeft op een vergoeding van de proceskosten in bezwaar.

vooraf

3. Wat betreft de ontvankelijkheid van het beroepschrift van eiser inzake de aanslag IB/PVV 2016 overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op het bezwaar van eiser al bij brief van 20 februari 2020 (1.11.) heeft beslist. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat dit geschrift, in tegenstelling tot de onder 1.12. vermelde verminderingsbeschikking van 5 maart 2020, alle elementen bevat van een uitspraak op bezwaar: de beslissing inzake het inhoudelijke geschil, de beslissing inzake het verzoek om proceskostenvergoeding en een rechtsmiddelenverwijzing.

Het enkele feit dat de brief van 20 februari 2020 (1.11.) als kopje ‘motivering van de uitspraak op het bezwaar’ heeft, doet daar niet aan af. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het op 4 maart 2020 ingediende beroep van eiser tijdig (niet zijnde prematuur) en ook overigens ontvankelijk is.

inzake de omkering van bewijslast

4.1.

Op grond van artikel 8, eerste lid, onder a, in samenhang met artikel 9, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden binnen een door de inspecteur te stellen termijn aangifte te doen door de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, moet de rechtbank op grond van artikel 27e, eerste lid, van de AWR het beroep ongegrond verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

4.2.

Verweerder stelt dat hij eiser heeft uitgenodigd, heeft herinnerd en aangemaand om aangifte IB/PVV en ZVW te doen voor het jaar 2016. Vervolgens is hij van mening dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan, omdat eiser geen aangifte heeft gedaan binnen de in de aanmaning gestelde termijn, zodat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast.

4.3.

Eiser betwist de ontvangst van zowel de uitnodiging als de herinnering als de aanmaning en is daarom van mening dat hem niet kan worden verweten dat hij niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Eiser is dan ook van mening dat de gewone bewijslast van toepassing is en dat die in eerste instantie op verweerder rust.

4.4.

Om te kunnen oordelen dat in dit geval sprake is van omkering van de bewijslast, dient verweerder eiser te hebben uitgenodigd voor het doen van aangifte en, bij het uitblijven van de aangifte, te hebben aangemaand. De uitnodiging en de aanmaning moeten eiser hebben bereikt. Het bewijs van de verzending rechtvaardigt een vermoeden van de ontvangst. De bewijslast voor de verzending van deze stukken rust op verweerder en hij heeft hiertoe verwezen naar de onder 1.14 vermelde verzendrapportages. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat het door verweerder ter verzending gebruikte adres, het juiste adres van eiser is. Voor het vervolg gaat de rechtbank ervan uit dat het gaat om de gecombineerde aangifte IB/PVV en ZVW, maar volstaat de rechtbank soms met alleen de vermelding IB/PVV.

4.5.

De rechtbank overweegt voorts dat uit de onder 1.14. vermelde verzendrapportage kan worden afgeleid dat er achter de schermen van de Belastingdienst een uitnodiging tot het doen van aangifte IB/PVV 2016 met dagtekening 28 februari 2017 is aangemaakt. Voorts spreekt het BBA van een papieren versie van de betreffende uitnodiging. Verder stelt de rapportage dat de betreffende uitnodiging is opgenomen in een partij documenten in een aantal van vier maal 50.000 stuks en dat deze partij op 22 februari 2017 is aangeboden aan SANDD en POSTNL. In de rapportage staat verder dat de partij van 200.000 stuks tijdig en zonder problemen is aangeboden ter verzending. Tenslotte is verwezen naar de contractuele afspraken van verweerder met SANDD over 2017, waarin is overeengekomen dat poststukken uit postpartijen zoals hier aan de orde binnen 72 uur na aanbieding worden bezorgd en met POSTNL over 2017, waarin is overeengekomen dat poststukken uit postpartijen zoals hier aan de orde, binnen 48 uur na aanbieding worden bezorgd.

4.6.

De rechtbank komt tot de conclusie dat in de rapportage weliswaar is vermeld dat de uitnodiging tot het doen van aangifte IB/PVV 2016 van eiser deel uitmaakte van de hiervoor vermelde vier maal 50.000 of 200.000 stuks en dat die partij is aangeboden ter verzending, maar dat uit de bij die rapportage gevoegde bewijsstukken niet is af te leiden dat de uitnodiging daadwerkelijk onderdeel was van de partij en dat daaruit evenmin valt af te leiden dat die partij daadwerkelijk door (kennelijk) beide postbedrijven zijn meegenomen. De rechtbank neemt daartoe in aanmerking dat de door verweerder overgelegde print uit het BBA zowel in digitale als in geprinte vorm van onvoldoende kwaliteit is om vast te kunnen stellen dat het hier om de uitnodiging tot het doen van aangifte over 2016 van eiser gaat. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat, ook al mocht zij ervan uitgaan dat de betreffende uitnodiging in de vermelde partij van 200.000 stuks, althans in één van vier van 50.000 stuks, zat, daarmee slechts aannemelijk is gemaakt dat deze partij is aangeboden aan één van beide postbedrijven, maar dat een stuk waaruit blijkt dat deze partij ook daadwerkelijk door één van beide postbedrijven is opgehaald, ontbreekt. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat een dergelijk stuk er niet is. Ook is niet duidelijk welk postbedrijf eisers uitnodiging zou hebben meegenomen, aangezien de partij van 200.000 stuks kennelijk aan twee postbedrijven (tegelijk) is aangeboden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in het licht van de betwisting door eiser van de ontvangst van de uitnodiging tot het doen van aangifte IB/PVV 2016, verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze heeft verzonden1.

4.7.

De rechtbank overweegt voorts dat uit de onder 1.14. vermelde verzendrapportage kan worden afgeleid dat er achter de schermen van de Belastingdienst een aanmaning tot het doen van aangifte IB/PVV 2016 met dagtekening 11 juli 2017 is aangemaakt. Voorts spreekt het BBA van een papieren versie van de betreffende aanmaning. Volgens de rapportage is de betreffende aanmaning opgenomen in een partij documenten in een aantal van 42.470 stuks en is deze partij op 7 juli 2017 is aangeboden aan POSTNL. In de rapportage staat verder dat de gehele partij van 42.470 stuks tijdig en zonder problemen is aangeboden ter verzending. Tenslotte is verwezen naar de contractuele afspraken van verweerder met POSTNL over 2017, waarin is overeengekomen dat poststukken uit postpartijen zoals hier aan de orde, binnen 48 uur na aanbieding worden bezorgd.

4.8.

De rechtbank komt tot de conclusie dat in de rapportage weliswaar is vermeld dat de aanmaning van eiser deel uitmaakte van de hiervoor vermelde 42.470 stuks en dat die partij ter verzending is aangeboden, maar dat uit de bij die rapportage gevoegde bewijsstukken niet is af te leiden dat de aanmaning daadwerkelijk onderdeel was van de partij en dat daaruit evenmin valt af te leiden dat die partij daadwerkelijk door POSTNL is meegenomen. De rechtbank neemt daartoe in aanmerking dat de door verweerder overgelegde print uit het BBA zowel in digitale als in geprinte vorm van onvoldoende kwaliteit is om te kunnen vaststellen dat het hier om de aanmaning tot het doen van aangifte over 2016 van eiser gaat. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat, ook al mocht zij ervan uitgaan dat de betreffende aanmaning in de vermelde partij van 42.470 stuks zat, daarmee slechts aannemelijk is gemaakt dat deze partij is aangeboden aan POSTNL, maar dat een stuk waaruit blijkt dat deze partij ook daadwerkelijk door POSTNL is opgehaald, ontbreekt. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat een dergelijk stuk er niet is.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in het licht van de betwisting door eiser van de ontvangst van de aanmaning tot het doen van aangifte IB/PVV 2016, verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze heeft verzonden2.

4.9.

Nu verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij eiser heeft uitgenodigd en aangemaand om aangifte te doen voor het jaar 2016, houdt zijn stelling dat de vereiste aangifte niet is gedaan, geen stand. Om die reden kan ook geen sprake zijn van omkering en verzwaring van de bewijslast.

inzake het inhoudelijke geschil

5.1.

De rechtbank zal gelet op hetgeen onder 4.9. is overwogen, volgens de normale regels van bewijslast beoordelen of verweerder de aanslagen IB/PVV 2016 en ZVW 2016 terecht en tot de juiste bedragen heeft opgelegd.

5.2.

Verweerder heeft zich in eerste instantie beperkt tot een onderbouwing van de aanslagen, ervan uit gaande dat de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing zou zijn. De bewijslast rust echter, zoals hiervoor geoordeeld, volgens de normale regels op verweerder. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat hij, ter invulling van deze op hem rustende bewijslast, geen andere of aanvullende gronden aanvoert. Verweerder is van mening dat de uitspraak van de strafkamer van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2018 (1.3.), die door de intrekking van het hoger beroep onherroepelijk vaststaat, impliceert dat het in de ambulance aangetroffen geldbedrag van eiser is. Omdat eiser geen verklaring over de herkomst van het geld kan of wil geven, is het terecht dat dit tot zijn inkomen uit werk en woning is gerekend. Het feit dat geen ontnemingsvordering is ingesteld en dat het geld wel verbeurd is verklaard, doet daar volgens verweerder niet aan af.

5.3.

Eiser heeft primair aangevoerd dat het in de ambulance aangetroffen geld niet van hem is en dat de strafrechter ook niet heeft geoordeeld dat het geld van eiser is en evenmin dat eiser dit geld (in 2016) heeft verdiend. Er is immers ook geen ontnemingsvordering ingesteld. De verbeurdverklaring bevestigt dit standpunt volgens eiser. Subsidiair is eiser van mening dat de verbeurdverklaring in 2016 in mindering kan worden gebracht op de veronderstelde inkomsten. Meer subsidiair is eiser van mening dat de verbeurdverklaring in latere jaren in mindering kan worden gebracht op de veronderstelde inkomsten.

5.4.

De rechtbank overweegt dat eiser met betrekking tot het in de ambulance aangetroffen geldbedrag door de strafrechter is veroordeeld voor witwassen ‘door een geldbedrag van € 2.000.000,00 voorhanden te hebben gehad, te verbergen en te verhullen.’ (1.3.). De rechtbank leest hierin niet, ook niet impliciet, dat de strafrechter heeft geoordeeld dat het geldbedrag van € 2.000.000 eigendom van eiser was of dat hij op de een of andere manier verdiensten of inkomsten heeft gehad die de aanwezigheid van het bedrag in de ambulance verklaren. Ook de officier van justitie ging er niet van uit dat het geld van eiser was (1.4.). De strafrechter heeft eiser verweten dat hij wel wist dat dit bedrag in de ambulance lag, en ook best wist dat het crimineel geld was. Ook als deze rechtbank daar van uit zou gaan, is dat niet genoeg om aannemelijk te achten dat eiser dit (hele) bedrag in 2016 heeft verdiend.

Verder overweegt de rechtbank dat het geldbedrag verbeurd is verklaard vanwege het feit dat het geldbedrag is aangetroffen in een ambulance van eiser, hij het voorhanden heeft gehad en heeft verborgen en verhuld, terwijl hij wist dat dit voorwerp afkomstig was uit enig misdrijf (1.3.). De rechtbank is van oordeel dat tegen deze achtergrond verweerder er niet in is geslaagd te voldoen aan de op hem rustende bewijslast dat de in de ambulance gevonden € 2.000.000 in 2016 als resultaat uit overige werkzaamheden van eiser is aan te merken. Nu het gelijk reeds op deze gronden aan eiser is, komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van zijn subsidiaire en meer subsidiaire stellingen.

5.5.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep van eiser gegrond moet worden verklaard. Voor dat geval heeft verweerder ter zitting verklaard dat de als bezwaar aangemerkte aangifte IB/PVV van eiser (1.10.) moet worden gevolgd. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2016 en de aanslag ZVW 2016 moeten worden verminderd tot nihil, dat bij beschikking een verlies van € 6.396 moet worden vastgesteld en dat de verliesverrekeningsbeschikking moet worden teruggedraaid.

5.6.

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de beschikkingen belastingrente samenhangende aanslagen zullen worden verminderd tot nihil, vernietigt de rechtbank de beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig.

schadevergoeding

6.1.

Eiser verzoekt om schadevergoeding. Het ambtshalve opleggen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 door verweerder heeft er volgens eiser toe geleid dat hij voor de jaren 2016 tot en met 2020 kindgebonden budget is misgelopen. Voor 2016 betreft dit een bedrag van € 1.375 en voor alle jaren in totaal een bedrag van € 6.800. Tevens stelt eiser dat hij ten gevolge van de aanslag kosten heeft moeten maken in verband met de beslaglegging op zijn woning. Ter zitting is komen vast te staan dat deze kosten € 173 bedragen.

6.2.

In reactie op dit verzoek om schadevergoeding heeft verweerder aangevoerd dat er sprake is van een functiescheiding tussen de Belastingdienst en de dienst Toeslagen en dat verweerder geen invloed heeft op de toekenning van kindgebonden budget. Verder heeft verweerder aangevoerd dat het belastbaar inkomen voor 2017 automatisch aan de dienst Toeslagen wordt doorgegeven en dat daaruit dus geen schade kan zijn ontstaan. Wat betreft de hoogte van de bedragen van het kindgebonden budget heeft verweerder niets aangevoerd. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd ten aanzien van de hoogte van de kosten voor de beslaglegging akkoord te gaan met een bedrag van € 173.

6.3.

De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht, dat gelet op artikel V van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten op dit geding nog van toepassing is, de rechtbank alleen bij een gegrond beroep de mogelijkheid heeft een partij te veroordelen tot betaling van schadevergoeding. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de gegrondverklaring van het onderhavige beroep en de vernietiging van de uitspraak op bezwaar de onrechtmatigheid van de opgelegde aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 en de aansprakelijkheid van verweerder voor de daaruit causaal voortvloeiende schade gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is er inderdaad sprake van voldoende causaliteit tussen de onrechtmatige daad van verweerder en de door eiser gestelde schade.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het schrappen van het kindgebonden budget voor 2016 en de kosten in verband met de beslaglegging rechtstreeks voortvloeien uit de door verweerder ten onrechte opgelegde aanslag IB/PVV 2016. Dat inzake het kindgebonden budget een andere instantie dan verweer een beslissing heeft genomen, doet daar, naar het oordeel van de rechtbank, niets aan af. Wat betreft het mislopen van het kindgebonden budget voor de jaren 2017 en 2020 is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een causaal verband met de door verweerder onterecht opgelegde aanslag IB/PVV 2016. Het is goed mogelijk dat de dienst Toeslagen het belastbaar inkomen van het jaar 2016 heeft gebruikt bij de schatting van de (voorlopige) toekenning (of afwijzing) van kindgebonden budget over latere jaren, maar het had in dat geval op de weg van eiser gelegen om voor die jaren door te geven dat zijn inkomen lager was. Het standpunt van eiser dat hij daartoe niet in staat was vanwege detentie doet daar naar het oordeel van rechtbank niet aan af; eiser had dan een zaakwaarnemer moeten aanstellen. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding toe, in die zin dat zij verweerder veroordeelt tot vergoeding van € 1.548 (€ 1.375 en € 173).

griffierecht en proceskosten

7.1.

Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht in het beroep met zaaknummer 20/1031, ten bedrage van € 48 vergoedt. In het beroep met zaaknummer 20/1292 is geen griffierecht geheven.

7.2.

Eiser heeft de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de door hem gemaakte integrale proceskosten. Eiser stelt daarbij dat verweerder had moeten wachten met het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2016 en ZVW 2016 tot het moment dat de strafrechter uitspraak zou doen. Eiser heeft nu onnodig veel kosten moeten maken.

7.3.

De rechtbank overweegt dat voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) grond is indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden, of als verweerder anderszins ernstige onzorgvuldigheid kan worden verweten.

7.4.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel verweerders beslissing in deze beroepszaak geen stand heeft gehouden, de door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden niet kunnen leiden tot het oordeel dat verweerder ‘tegen beter weten in’ of ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder ook zonder een onherroepelijk strafrechtelijk vonnis aanslagen IB/PVV 2016 en ZVW 2016 kan opleggen, bijvoorbeeld op basis van (alleen) een strafrechtelijk onderzoek. Ook de gedachte van verweerder dat er sprake zou zijn van omkering van de bewijslast is niet volstrekt onredelijk te noemen.

7.5.

Nu de rechtbank het verzoek van eiser om vergoeding van de integrale proceskosten afwijst, dient de rechtbank de proceskosten vast te stellen op grond van de forfaitaire bedragen van het Bpb. Ook op dit punt verschillen partijen van mening, maar alleen omdat verweerder van mening is dat eiser geen recht heeft op een vergoeding van proceskosten in bezwaar. De gegrondheid van het bezwaar is volgens verweerder niet te wijten aan een onrechtmatigheid van verweerder.

Verweerder is van mening dat dit juist valt te wijten aan het feit dat eiser geen aangifte IB/PVV en ZVW 2016 heeft ingediend. Over het aantal punten (2 x in bezwaar, 2 x in beroep), het gewicht (1) en de samenhang (ja) zijn partijen het eens.

7.6.

Zoals hiervoor is uiteengezet, is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte ervan is uitgegaan dat de bewijslast moet worden omgekeerd. Als gevolg daarvan zijn de aanslagen opgelegd zonder een toereikende onderbouwing. Daarmee is de onrechtmatigheid van de aanslagen gegeven. De rechtbank merkt op dat de aanslag wordt verminderd omdat de aanvankelijk bijgetelde € 2.000.000 niet aannemelijk is gemaakt.

7.7.

De rechtbank veroordeelt verweerder daarom op grond van het Bpb in de door eiser gemaakte proceskosten. Voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt een bedrag van € 2.026 toegekend (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 265, alsmede 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 1). Voor verletkosten wordt verder een bedrag van € 50 toegekend (partijen hebben ter zitting verklaard het hierover eens te zijn). Nu de onderhavige beroepen samenhangen, worden deze voor de veroordeling in de proceskosten gezien als één beroep, zodat in beide procedures een proceskostenvergoeding van € 1.038 zal worden toegekend.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2016 tot nihil;

- vernietigt de bijbehorende beschikking belastingrente;

- stelt het (ondernemings)verlies voor het jaar 2016 vast op een bedrag van € 6.396;

- vernietigt de verliesverrekeningsbeschikking 2016;

- vermindert de aanslag ZVW 2016 tot nihil;

- vernietigt de bijbehorende beschikking belastingrente;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.548;

- wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 in het beroep met zaaknummer 20/1031 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.076 (€ 1.038 per zaak).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, voorzitter, en mr. A.M.A.M. Kager en mr. M. Pelinck, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier, op 2 augustus 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

De griffier is verhinderd te ondertekenen

w.g. voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

1 Vergelijk Hoge Raad 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:674

2 Vergelijk Hoge Raad 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:674