Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:3486

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
18/045829-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet.

Verdachte heeft een voetganger aangereden op een zebrapad.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/045829-21

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 augustus 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1953 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 juli 2021.

Verdachte is niet verschenen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 april 2020, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een bedrijfsauto, merk: Ford, daarmede rijdende over de Hereweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, een in genoemde weg gelegen en alszodanig aangegeven voetgangersoversteekplaats te naderen en/of zonder af te remmen die oversteekplaats is opgereden, tengevolge waarvan een botsing is ontstaan met [slachtoffer], die toen aldaar als voetganger zich op de oversteekplaats bevond, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of een gebroken bovenkaak en/of gebitsschade en/of een zware hersenschudding en/of gekneusde longen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 april 2020, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto, merk: Ford), daarmee rijdende op de Hereweg, zonder af te remmen een in genoemde weg gelegen en/of alszodanig aangegeven voetgangersoversteeksplaats is genaderd en/of opgereden, terwijl zich op de oversteekplaats een voetganger, te weten [slachtoffer] bevond, ten gevolge waarvan een botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte bestuurde voertuig en genoemde [slachtoffer], door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse van Politie Noord-Nederland d.d. 1 juli 2020, opgenomen op pagina 22 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2020101160 d.d. 29 juli 2020, inhoudende als relatering van verbalisanten:
De bestuurder van de Ford bedrijfsauto reed daarmee over de Hereweg te Groningen en liet ter hoogte van perceel Hereweg [huisnummer] een voetganger, welke via een voetgangersoversteekplaats de Hereweg overstak, niet voorgaan. Hierdoor ontstond een aanrijding tussen het voertuig en de voetganger. Wij, verbalisanten, zijn van mening dat het ongeval niet te wijten is aan een technisch gebrek, doch dat de oorzaak moet worden gezocht in een rij- c.q. beoordelingsfout van de bestuurder van het voertuig. In de rijrichting die het voertuig, merk Ford, vlak voor het ongeval gehad moet hebben, zagen wij op het wegdek geen banden-/remsporen. Door ons, verbalisanten, zijn geen uitzichtbelemmerende omstandigheden aangetroffen, welke van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan van het ongeval. Voordat de voetganger op het weggedeelte kwam dat werd bereden door het voertuig moest zij het fietspad, een breedte van een parkeervak en een busbaan oversteken.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor slachtoffer van Politie Noord-Nederland d.d. 27 mei 2020, opgenomen op pagina 68 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:
Door de aanrijding heb ik 2 dagen in het ziekenhuis gelegen. In het ziekenhuis bleek dat mijn neus gebroken was en dat de bovenkaak ter hoogte van mijn neus ook gebroken en verbrijzeld was. Verder waren er 3 tanden door de aanrijding uit mijn gebit geslagen en daarnaast is mijn andere voortand afgebroken. Die 3 tanden zijn door middel van een operatie teruggezet maar ze staan nog niet goed. Verder heb ik een zware hersenschudding en 2 gekneusde longen.

3. Een overig schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring, op 7 mei 2020 opgemaakt, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:
Longcontusie links en rechts. Kleine klaplong links. Bovenkaakfractuur met tandletsel. Os nasale fractuur.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 20 april 2020, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam]:

Ik zag dat er een vrouw en man aan het oversteken waren bij het zebrapad aan de

Hereweg. Ik zag dat zij op het tweede zebrapad liepen. Ik zag dat zij bijna bij het

zebrapad van de fietsstrook waren. Ik hoorde dat het zwarte busje vaart wilde maken.

Dit hoorde ik door het schakelen. Ik zag dat hij richting het zebrapad reed, zonder

vaart te minderen.

5.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 20 april 2020, opgenomen op pagina 68 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik reed op maandag 20 april 2020 in mijn werkbus voorzien van kenteken [kenteken] over de Hereweg. Ik naderde op dat moment een voetgangersoversteek plaats. In een flits
zag ik een persoon staan aan de rechterzijde staan. Kennelijk was deze persoon aan
het oversteken over de voetgangersoversteekplaats. Ik heb de persoon nooit gezien.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 20 april 2020, te Groningen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een bedrijfsauto, merk: Ford, daarmede rijdende over de Hereweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, een in genoemde weg gelegen en als zodanig aangegeven voetgangersoversteekplaats te naderen en zonder af te remmen die oversteekplaats is opgereden, tengevolge waarvan een botsing is ontstaan met

[slachtoffer], die toen aldaar als voetganger zich op de oversteekplaats bevond, waardoor

[slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en een gebroken bovenkaak en gebitsschade en een zware hersenschudding en gekneusde longen werd toegebracht.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 90 uur en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie gelet op de richtlijnen van het openbaar ministerie.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit de stukken in het dossier, het uittreksel uit de justitiƫle documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden. Hij heeft een verkeersongeval veroorzaakt door het slachtoffer op een voetgangersoversteekplaats aan te rijden. Het slachtoffer heeft daarbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Dat de gevolgen voor het slachtoffer groot zijn (geweest) blijkt ook uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat verdachte geen relevante documentatie heeft.

De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde taakstraf passend en geboden. Gelet op de ernst van het feit ziet de rechtbank aanleiding om daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden op te leggen. Anders dan door de officier van justitie gevorderd zal de rechtbank deze rijontzegging in voorwaardelijke vorm opleggen. De rechtbank heeft er daarbij op gelet dat er op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting aanwijzingen zijn dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 90 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 45 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde voorts:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.L. Veen, voorzitter, mr. H.J. Schuth en mr. H. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 augustus 2021.