Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:3481

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
18/066884-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor stalking en bedreiging, meermalen gepleegd. Bewijsoverweging stelselmatigheid.

Aan verdachte wordt een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf opgelegd en een contactverbod met aangeefsters (artikel 38v Sr).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 285b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/066884-19

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/830183-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 augustus 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

1 oktober 2019, 6 december 2019, 22 juli 2019, 22 januari 2021, 11 mei 2021

en 29 juli 2021.

Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 18/066884-19

1.

hij in of omstreeks de periode van 11 september 2018 tot en met 5 oktober 2018, op diverse data en/of tijdstippen, te Groningen, althans in Nederland, (meermalen) [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] (telefonisch) dreigend de woorden toe te voegen:
- "Ik maak je kankerdood [slachtoffer 2] " en/of "Heel jou kankerhoofd [slachtoffer 2] gaat kapot" (daarmee doelend op de dochter van die [slachtoffer 1] ) en/of
- "Ik wilde jullie echt het leven ontnemen" en/of "Ik klap jou en steek haar" en/of
- "Ik ga haar dood maken. Ik ga je dochter dood maken, dood, morsdood" en/of "Ik steek haar in haar lever steken als ik haar zie dat ze gelijk naar de linkerkant valt en niet meer weg kan rennen. Dan steek ik haar in haar nier. Dan ga ik op haar zitten en steek ik haar in haar buik. Ik steek haar in haar baarmoeder. Ik steek haar helemaal kapot in haar buik, niet in haar boven lichaam. Nee ik wil dat ze kapot gaat van de pijn. Dat ze smeekt, maar dan is het te laat. Ik kijk haar in haar ogen aan en steek haar helemaal kapot. Ik doe dit met een ribbelmes, kanker hard. Ik trek heel hard het vlees kapot van binnen en trek het mes door naar haar rug. Het maakt niet uit of zij mijn kinderen vast heeft ik haal ze uit haar armen, en ik steek haar. En als jij er denkt tussen te komen dan schop ik jou kanker hard weg. Ik sla die mes in je kanker nek. Ik pak jullie en maak jullie dood" en/of
- "Jou maak ik niet dood [slachtoffer 1] , jou laat ik lijden. Lijden om jou kanker kind. Ik ga haar hoofd zo verminken, ik ga zorgen dat de kist dicht is. Heb je mij begrepen?",
althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij in of omstreeks de periode van 5 augustus 2018 tot en met 17 september 2018, te Groningen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] , door meermalen via Facebook berichten te sturen naar die [slachtoffer 2] met (onder meer) de teksten: "Ik maak je dood" en/of "Je bent een hoer, ik ga zorgen dat je kinderen uit huis worden gehaald en/of Ik ga jou in jou nieren steken en in jou borstkast" en/of "Ik maak jou kapot kk
duivelskind", met het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;


althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 5 augustus 2018 tot en met 17 september 2018, te Groningen, (althans) in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend via Facebook berichten te sturen naar die [slachtoffer 2] met (onder meer) de teksten: "Ik maak je dood" en/of Ik ga jou in jou nieren steken en in jou borstkast" en/of "Ik maak jou kapot kk duivelskind", althans woorden/teksten van gelijke dreigende aard of strekking;

Parketnummer 18/830183-19

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2017 tot en met 7 mei 2019, op diverse data en/of tijdstippen, te Groningen, althans in Nederland, (meermalen) [slachtoffer 3] (medewerker Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:

- voornoemde [slachtoffer 3] (middels spraak- en/of what’s app berichten en/of telefonisch) de woorden toe te voegen (onder meer): “Wollah ik bust jouw lip als ik vrij ben. Je gaat zien man. Je gaat zien kankerflikker” en/of “Jij moet zorgen dat ik mijn kinderen ga zien. Als ik vrij kom ik ga jou kanker klappen vriend. Die jaar dat ik mijn kind niet gezien heb broer, ga ik jou niet vergeven broertje. En ik wacht tot ik buiten kom. Je moet niet denken, ik ben al klaar met jou, ik ben al klaar met [slachtoffer 2] . Ik ben niet klaar met jullie. Jullie zijn twee schijnheilige kanker kankerneusjes. En ik klap jullie hoofden tegen elkaar aan als het moet” en/of “Of moet ik langs jou kantoor komen. Ik ben kk woest”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- een collega van voornoemde [slachtoffer 3] (te weten [naam 1] ) de woorden toe te voegen (al dan niet telefonsch): “Ik neem een volgende keer een mes mee en steek hem overhoop” en/of “Ik zal [slachtoffer 3] doodschieten”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke woorden bestemd zijn voor die [slachtoffer 3] en aan die [slachtoffer 3] ter kennis gekomen zijn.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 en 2 primair onder

parketnummer 18/066884-19 en het ten laste gelegde onder parketnummer 18/830183-19.

Standpunt van de verdediging

parketnummer 18/066884-19, feit 1

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

parketnummer 18/066884-19, feit 2 primair en subsidiair

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2 primair. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Niet kan worden bewezen dat de berichten die in de tenlastelegging zijn opgenomen in de ten laste gelegde periode zijn verstuurd. In het proces-verbaal van de politie staat geen datum bij de verschillende berichten en er is ook geen proces-verbaal van bevindingen opgemaakt over de verzenddatum. Ook uit de verklaring van aangeefster blijkt niet wanneer deze berichten zijn verstuurd.

De berichten die in het dossier wel voorzien zijn van een datum, zijn grotendeels op één dag verstuurd. Voor een bewezenverklaring van belaging moet er sprake zijn van stelselmatigheid. Nu de meeste berichten op één dag zijn verstuurd kan het bestanddeel stelselmatig niet worden bewezen.

Gelet op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ten aanzien van de pleegdatum bij feit 2 primair, moet verdachte in zijn visie ook worden vrijgesproken van feit 2 subsidiair.

parketnummer 18/830183-19

Van de bedreigingen onder het eerste gedachtestreepje moet verdachte worden vrijgesproken, nu niet kan worden bewezen dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreigingen. Daarnaast kan niet worden bewezen dat de bedreigingen de vereiste redelijke vrees dat het slachtoffer om het leven zou komen of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen hebben kunnen doen ontstaan. De bewoordingen van de bedreigingen leveren telkens een bedreiging met eenvoudige mishandeling op of de bewoordingen zijn te vaag en leveren daarom geen bedreiging op.

Ten aanzien van de bedreigingen onder het tweede gedachtestreepje geldt dat niet kan worden bewezen dat deze in de ten laste gelegde periode zijn gedaan. Evenmin kan worden vastgesteld dat deze bedreigingen het slachtoffer ook daadwerkelijk hebben bereikt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 1 onder parketnummer 18/066884-19 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 juli 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte

d.d. 15 september 2018, opgenomen op pagina 24 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018243225 d.d. 24 december 2018, inhoudend de verklaring van

[slachtoffer 1] .

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

parketnummer 18/066884-19, feit 2 primair

1. De door verdachte ter zitting van 22 juli 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik ontken de feiten niet. Ik heb de bedreigingen die mij ten laste gelegd worden gepleegd. Ik

heb de woorden gebruikt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 september 2019, opgenomen op pagina 50 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van

[slachtoffer 2] :

Ik doe aangifte van stalking en bedreiging door mijn ex-vriend [verdachte] . Ik heb dit jaar al eerder aangifte gedaan van stalking door [verdachte] . Naar aanleiding van deze aangifte heeft de rechtbank een contactverbod met mij aan [verdachte] opgelegd. Na de uitspraak van de rechtbank van 6 augustus 2018 heeft [verdachte] op meerdere manieren contact met mij gezocht. Ik zit op Facebook. [verdachte] zijn bijnaam is [naam 2]. Via de berichtverzoeken kan ik zien dat [verdachte] mij heeft benaderd. Als hij mij berichten stuurt dan raakt het mij. Hij zegt namelijk allemaal vervelende dingen over mij en dat veroorzaakt bij mij veel onrust.

Dingen die hij zoal over mij zegt zijn dingen als: “ik maak je dood, je bent een hoer, ik ga zorgen dat je kinderen uit huis worden gehaald”. [verdachte] is de vader van beide kinderen. Verder zegt hij dingen tegen mij zoals: “als ik vast kom te zitten en ik kom vrij, dan zoek ik je gelijk op”. “denk maar niet dat ik je ooit met rust zal laten, ik ga jou geestelijk helemaal kapot maken totdat de kinderen 18 zijn”. “ik ga jouw leven kapot maken”.

Dit soort dingen stuurde hij via Messenger. Ik weet dat hij in ieder geval sinds 17 september 2018 vast zit omdat hij nog een aantal dagen moest zitten. Sinds die tijd heeft hij geen contact meer met mij gezocht. Ik voel mij in de nacht niet echt veilig. Door [verdachte] zijn gedrag heb ik veel aanpassingen in mijn priveleven moeten maken. Hij maakt door zijn gedrag een grote inbreuk op mijn priveleven. Na 6 augustus 2018 viel [verdachte] mij dagelijks lastig. Hij viel mij dan ook wel meerdere keren per dag lastig. Hij deed dit via Messenger. Op 9, 10, 11 en 13 september heb ik last van hem gehad. Een aantal van deze berichten is door hem verwijderd.

3. Overige schriftelijke bescheiden, te weten screenshots van de telefoon van aangeefster, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend:

5 aug 11:13

Ik ga jou slopen als ik jou zie ik ga jou face kapot trappen jou tanden uit je smoel slaan alles Believe me kk hoertje maak jou doood

En als ik jou Vandaag zie in groningen ik ga jou klappen.

12 aug 11:36

Jou moeder maak ik ookk dood

Ga jou echt slopen ben dit wekend die kant

Meid ik ga hitten op jou

Vies kk hoertje

Maak jou dood. Ga jou steken.

11 sep 10:40

Maak jou dood meid

13 sep 06:40

Jip

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095).

Verdachte heeft ter terechtzitting van 22 juli 2019 bekend dat hij de in de bewijsmiddelen opgenomen berichten aan aangeefster heeft gestuurd.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op basis van de aangifte, in samenhang met de hierboven genoemde screenshots, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte in de periode van 5 augustus 2018 tot en met 17 september 2018 berichten aan aangeefster heeft gestuurd. Volgens aangeefster gebeurde dit dagelijks, meerdere keren per dag. Uit de screenshots blijkt dat de verdachte aangeefster in ieder geval op 5 augustus, 12 augustus , 11 september en 13 september berichten heeft gestuurd en daarmee ondersteunen deze screenshots de aangifte in voldoende mate.

De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer - naar objectieve maatstaven bezien - zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. De rechtbank wijst daarbij in het bijzonder op de aard en de indringendheid van de berichten. Dat de berichten van verdachte volgens hem voortkwamen uit ongenoegen over een verdwenen geldbedrag van de bankrekening van verdachte, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

De rechtbank acht feit 2 primair van parketnummer 18/066884-19 wettig en overtuigend bewezen.

parketnummer 18/830183-19

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 december 2018, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018323378 d.d. 11 juli 2019, inhoudend als verklaring van [naam 3]:

Ik doe aangifte van bedreiging namens [slachtoffer 3] . Het feit werd gepleegd in de periode van 1 september 2017 tot en met 29 oktober 2018. Ik werk bij Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen. Ik begeleid jeugdbeschermers. Een van deze jeugdbeschermers betreft [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] wordt sinds het najaar van 2017 verbaal lastiggevallen en bedreigd door een cliënt van hem: [verdachte] . Dat betreffen bedreigingen welke via telefoongesprekken, voicemail en WhatsApp, maar ook in persoon hebben plaatsgevonden. Niet direct naar [slachtoffer 3] toe maar wel naar andere medewerkers van Jeugdbescherming Noord. Deze werden dan door [verdachte] voornoemd benaderd, zowel telefonisch als in persoon bij de receptie, alwaar [verdachte] zijn bedreigingen jegens [slachtoffer 3] uitte. De bedreigingen vonden zeer regelmatig plaats, vrijwel maandelijks werd [slachtoffer 3] wel op de één of andere manier door [verdachte] benaderd. [verdachte] verkondigde dan via de voicemail dat hij [slachtoffer 3] ‘Kankerklappen’ zou gaan geven wanneer [verdachte] vrij zou komen.

Op 15 oktober jl. werd een telefoniste van Jeugdbescherming Noord telefonisch door [verdachte] benaderd. Tijdens dat gesprek uitte [verdachte] weer ernstige bedreigingen tegen het leven jegens [slachtoffer 3] . Het is mij bekend dat [verdachte] in het verleden gedetineerd is geweest naar aanleiding van door hem gepleegde levensdelicten. Dat is ook bij [slachtoffer 3] bekend. Dat maakt dat [slachtoffer 3] oprecht angstig is dat [verdachte] zijn bedreigingen ten uitvoer zal brengen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 30 maart 2019, opgenomen op pagina 5 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Ik, verbalisant [verbalisant], ontving op woensdag 27 februari 2019 vier spraakberichten (voicemails) van aangever [naam 3]. Aangever [naam 3] heeft aangifte gedaan namens medewerker [slachtoffer 3] en ontving deze spraakberichten van hem.

  • -

    Spraakbericht van maandag 25 februari 2019 23:33: Wollah ik bust jouw lip als ik vrij ben je gaat zien man. Je gaat zien kanker flikker.

  • -

    Spraakbericht van maandag 29 oktober 2018 13:30: Jij moet gewoon zorgen dat ik mijn kinderen ga zien. (..) Whola als ik vrij kom ga ik jou kanker klappen vriend. Die jaar dat ik mijn kind niet gezien heb broer ga ik jou niet vergeven broertje. En ik wacht tot ik buiten kom, je moet niet denken ik ben al klaar met jou, ik ben al klaar met [slachtoffer 2] . Ik ben niet klaar met jullie. Jullie zijn twee schijnheilige kanker kankerneusjes. En ik klap jullie hoofd tegen elkaar aan als het moet.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 30 maart 2019, opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 6 maart 2019 ontving ik van aangever [naam 3] een document met daarin WhatsAppberichten afkomstig van [verdachte] welke aan jeugdbeschermer [slachtoffer 3] zijn verzonden. (..) Verdachte verzond de volgende berichten:

10:46, 7-5-2018, [verdachte] 6: Of moet ik langs jou kantoor komen. (..) Ik ben kk woest.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 25 april 2019, opgenomen op pagina 9 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam 1] :

Op 15 oktober 2018 was ik aan het werk bij Jeugdbescherming Noord. In de ochtend werd ik gebeld door [verdachte] . Ik herkende de stem aan de andere kant van de lijn als de stem van deze [verdachte] . Ik heb [verdachte] meerdere malen, zeker wel tien keer gesproken face to face dan wel aan de telefoon. Ik weet derhalve ook zeker dat ik [verdachte] aan de telefoon had. Ik heb hem meerdere malen aan de telefoon gehad. Soms ging dit goed maar vaak was hij wel opgefokt. Tijdens de gesprekken was hij verbaal agressief richting [slachtoffer 3] . Ik heb hem ook wel eens horen zeggen: Ik neem de volgende keer een mes mee en steek hem overhoop. Ook heeft hij wel eens gezegd dat hij [slachtoffer 3] zal doodschieten.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 5 juni 2019, opgenomen op pagina 14 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 5 juni 2019 nam ik, verbalisant [verbalisant], telefonisch contact op met getuige [naam 1] . Ik heb getuige gevraagd of zij nog kan benoemen wanneer zij de telefoontjes van verdachte [verdachte] heeft ontvangen. Jeugdbeschermer [slachtoffer 3] werd sinds eind 2017 lastiggevallen door verdachte [verdachte] . Medewerkster [naam 1] was toen al werkzaam bij Jeugdbescherming Noord en ontving geregeld telefoontjes van verdachte [verdachte] .

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 29 mei 2019, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 29 mei 2019 nam ik, verbalisant [verbalisant], telefonisch contact op met slachtoffer [slachtoffer 3] . Slachtoffer [slachtoffer 3] is meerdere malen direct en indirect (via een telefoniste van Jeugdbescherming Noord) bedreigd door verdachte [verdachte] . Slachtoffer gaf aan mij, verbalisant [verbalisant], aan dat dit een behoorlijke impact op hem heeft. Slachtoffer [slachtoffer 3] verklaarde dat verdachte [verdachte] hem op dusdanige intimiderende toon aansprak dat hij zich wel echt bedreigd voelde. Hij verklaarde bang te zijn dat verdachte zijn bedreigingen waarmaakt.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 29 mei 2019 blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat het slachtoffer daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van alle ten laste gelegde bedreigingen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de door verdachte gebezigde bewoordingen, bij het slachtoffer de redelijke vrees kon ontstaan dat hij om het leven zou komen en/of dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Ten aanzien van het verweer dat ziet op de ten laste gelegde periode ten aanzien van het tweede gedachtestreepje overweegt de rechtbank als volgt. Op 10 december 2018 is er aangifte gedaan van bedreiging. De bedreigingen jegens het slachtoffer zijn volgens de aangifte begonnen vanaf 1 september 2017. In de aangifte wordt reeds gesproken over de bedreigingen die verdachte op 15 oktober 2018 in de richting van slachtoffer [slachtoffer 3] via

[naam 1] heeft geuit. Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan ook niet anders dan dat de bedreigingen onder het tweede gedachtestreepje op 15 oktober 2018, maar in ieder geval vóór 10 december 2018 zijn gepleegd. Dat valt binnen de ten laste gelegde periode.

De rechtbank zal bewezen verklaren dat verdachte de bedreigingen heeft gepleegd in de periode van 1 september 2017 tot en met 25 februari 2019 en verkort daarmee de ten laste gelegde periode. De rechtbank heeft daarbij gelet op de data van de spraakberichten met daarin de bewezenverklaarde bedreigingen, blijkend uit het proces-verbaal van bevindingen van 30 maart 2019.

De rechtbank acht het onder parketnummer 18/830183-19 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 18/066884-19 1 en 2 primair en het onder

parketnummer 18/830183-19 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

parketnummer 18/066884-19

1.

hij in de periode van 11 september 2018 tot en met 28 september 2018, op diverse data en tijdstippen, te Groningen, althans in Nederland, meermalen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] (telefonisch) dreigend de woorden toe te voegen:
- "Ik maak je kankerdood [slachtoffer 2] " en "Heel jou kankerhoofd [slachtoffer 2] gaat kapot" (daarmee doelend op de dochter van die [slachtoffer 1] ) en
- "Ik wilde jullie echt het leven ontnemen" en "Ik klap jou en steek haar" en
- "Ik ga haar dood maken. Ik ga je dochter dood maken, dood, morsdood" en "Ik steek haar in haar lever steken als ik haar zie dat ze gelijk naar de linkerkant valt en niet meer weg kan rennen. Dan steek ik haar in haar nier. Dan ga ik op haar zitten en steek ik haar in haar buik. Ik steek haar in haar baarmoeder. Ik steek haar helemaal kapot in haar buik, niet in haar boven lichaam. Nee ik wil dat ze kapot gaat van de pijn. Dat ze smeekt, maar dan is het te laat. Ik kijk haar in haar ogen aan en steek haar helemaal kapot. Ik doe dit met een ribbelmes, kanker hard. Ik trek heel hard het vlees kapot van binnen en trek het mes door naar haar rug. Het maakt niet uit of zij mijn kinderen vast heeft ik haal ze uit haar armen, en ik steek haar. En als jij er denkt tussen te komen dan schop ik jou kanker hard weg. Ik sla die mes in je kanker nek. Ik pak jullie en maak jullie dood" en
- "Jou maak ik niet dood [slachtoffer 1] , jou laat ik lijden. Lijden om jou kanker kind. Ik ga haar hoofd zo verminken, ik ga zorgen dat de kist dicht is. Heb je mij begrepen?"


2.

hij in de periode van 5 augustus 2018 tot en met 17 september 2018, te Groningen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] , door meermalen via Facebook berichten te sturen naar die [slachtoffer 2] met onder meer de teksten: "Ik maak je dood" en "Je bent een hoer, ik ga zorgen dat je kinderen uit huis worden gehaald en "Ik ga jou in jou nieren steken en in jou borstkast" en "Ik maak jou kapot kk duivelskind", met het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

Parketnummer 18/830183-19

hij in de periode van 1 september 2017 tot en met 25 februari 2019, op diverse data en tijdstippen, te Groningen, althans in Nederland, meermalen [slachtoffer 3] (medewerker Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:

- voornoemde [slachtoffer 3] (middels spraak- en/of what’s app berichten) de woorden toe te voegen (onder meer): “Wollah ik bust jouw lip als ik vrij ben. Je gaat zien man. Je gaat zien kankerflikker” en “Jij moet zorgen dat ik mijn kinderen ga zien. Als ik vrij kom ik ga jou kanker klappen vriend. Die jaar dat ik mijn kind niet gezien heb broer, ga ik jou niet vergeven broertje. En ik wacht tot ik buiten kom. Je moet niet denken, ik ben al klaar met jou, ik ben al klaar met [slachtoffer 2] . Ik ben niet klaar met jullie. Jullie zijn twee schijnheilige kanker kankerneusjes. En ik klap jullie hoofden tegen elkaar aan als het moet” en “Of moet ik langs jou kantoor komen. Ik ben kk woest”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en

- een collega van voornoemde [slachtoffer 3] (te weten [naam 1] ) de woorden toe te voegen (al dan niet telefonisch): “Ik neem een volgende keer een mes mee en steek hem overhoop” en “Ik zal [slachtoffer 3] doodschieten”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke woorden bestemd zijn voor die [slachtoffer 3] en aan die [slachtoffer 3] ter kennis gekomen zijn.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

parketnummer 18/066884-19

1 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

2 primair. belaging

parketnummer 18/830183-19

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht EN bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 en feit 2 primair onder parketnummer 18/066884-19 en het ten laste gelegde onder parketnummer

18/830183-19 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke deel van deze gevangenisstraf moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden van een contactverbod met aangeefsters en een locatieverbod voor de stad Groningen. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Het is niet aangewezen om daarnaast nog een voorwaardelijk strafdeel aan hem op te leggen. De raadsman benadrukt dat het gaat om mondelinge bedreigingen. Niet om toegepast geweld, en wapens zijn er ook niet getoond. Er zou geen strafruimte meer zijn. Daarbij speelt ook een rol dat er geen recente rapportages bij de stukken zitten op grond waarvan de rechtbank bijzondere voorwaarden kan formuleren. Voorts gaat het om oude feiten en heeft verdachte daarna ook geen nieuwe feiten meer gepleegd. Dat verdachte geen nieuwe feiten meer heeft gepleegd dient er ook toe te leiden dat er geen bijzondere voorwaarden in de vorm van een contactverbod en een locatieverbod aan verdachte worden opgelegd. Mocht de rechtbank desondanks aan verdachte een locatieverbod opleggen, dan gaat een locatieverbod voor heel de stad Groningen te ver. Tot slot heeft de raadsman verzocht om een eventueel contactverbod en locatieverbod op te leggen in het kader van artikel 38v en niet als een bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. De dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden is in zijn visie ook niet aangewezen. Verdachte heeft al een hele periode geen contact meer gehad met beide aangeefsters. Hij heeft hun telefoonnummers niet en het verblijfadres van aangeefster [slachtoffer 2] is hem onbekend.

Er is niet gebleken dat ernstig rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Aan de vereisten voor het bepalen van dadelijke uitvoerbaarheid van bijzondere voorwaarden is dan ook niet voldaan.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de psychiater en de psycholoog, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner. Op 5 augustus 2018 is hij begonnen een reeks dreigende, kwetsende, dwingende berichten te sturen en daar is hij ondanks het contactverbod dat op 6 augustus 2018 werd uitgesproken gedurende een periode van zes weken mee doorgegaan. Verdachte heeft hiermee in ernstige mate inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Dergelijke delicten hebben veelal langdurige en ingrijpende angstgevoelens bij de directe slachtoffers tot gevolg.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van de moeder van zijn ex-partner. Verdachte heeft haar meerdere malen gebeld en daarbij heeft hij haar en haar dochter bedreigd met de dood. Verdachte heeft dat gedaan in een tirade waarin hij de moeder zo gedetailleerd mogelijk heeft willen laten beseffen welk geweld hij zou willen toepassen en welk lijden hij daarmee bij haar dochter zou veroorzaken. Moeder moest het kennelijk echt voor zich zien. Ook bedreiging is een ernstig strafbaar feit dat grote impact op slachtoffers kan hebben. Uit de aangifte blijkt dat aangeefster bang is dat verdachte zijn bedreigingen daadwerkelijk ten uitvoer zal leggen. De rechtbank rekent verdachte deze feiten zeer aan.

De rechtbank heeft als strafverzwarend in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder soortgelijke feiten als thans bewezenverklaard. In 2018 is hij bovendien veroordeeld voor belaging en mishandeling van zijn ex-partner, die nu weer het slachtoffer is.

Ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de Pro Justitia-rapportage van 6 maart 2020 opgesteld door J.M. Westenbroek, psychiater, en de rapportage van 9 maart 2020 van C. Sipma, GZ-psycholoog.

De conclusie van het rapport van de psychiater luidt, zakelijk weergegeven, als volgt. Verdachte lijdt aan een psychische stoornis en een verstandelijke handicap. Hij functioneert op het niveau van zwakbegaafdheid. Daarbij is sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Er is tevens sprake van een lichte stoornis in het alcoholgebruik. Een en ander beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Geadviseerd wordt het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen aan verdachte.

De psycholoog heeft geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast functioneert hij op zwakbegaafd niveau. Hiervan was ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde.

Het is zeer waarschijnlijk dat er een verband bestaat tussen deze feiten en een gebrekkige ontwikkeling op basis van de vastgestelde persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid. Geadviseerd wordt om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank kan zich met de inhoud van deze rapporten en de conclusies van de gedragsdeskundigen verenigen, neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezenverklaarde aan verdachte in verminderde mate moet worden toegerekend.

Voorts heeft de rechtbank in strafverminderende zin rekening gehouden met artikel 63 Sr.

Alles afwegende kan er naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank wel van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, niet passend is.

De rechtbank zal daarom de gevangenisstraf in deels voorwaardelijke vorm opleggen, een en ander van na te noemen duur. Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden. Dit doet de rechtbank om verdachte te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De officier van justitie heeft gevorderd om als bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke straf naast een contactverbod een locatieverbod voor de stad Groningen aan verdachte op te leggen.

De rechtbank zal aan verdachte een contactverbod opleggen teneinde de verdachte te bevelen om zich te onthouden van contact met beide aangeefsters. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd zal de rechtbank dit contactverbod niet opleggen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf, maar in het kader van de maatregel van artikel 38v van het Wetboek van strafrecht. Deze maatregel zal dadelijk uitvoerbaar worden verklaard omdat er, gelet op eerdere veroordelingen van verdachte en de rapportages van de psychiater en psycholoog, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens aangeefsters.

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, een locatieverbod voor een dergelijk groot gebied niet proportioneel en ziet daartoe ook onvoldoende aanleiding, nu reeds een contactverbod wordt opgelegd.

Bijzondere voorwaarden gericht op ambulante behandeling en begeleiding zal de rechtbank niet opnemen. De rapportages waarin die voorwaarden zijn geadviseerd zijn daarvoor te zeer verouderd en het gedrag van veroordeelde vanaf het moment waarop hij in vrijheid werd gesteld duidt er ook niet op dat dit enige kans van slagen zal hebben. Veroordeelde komt niet op afspraken en is moeizaam te bereiken.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 10.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade moet worden gematigd tot een bedrag van € 1.500,-. De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot dit bedrag, verhoogd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. In het overige deel van de vordering moet de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. De gestelde schade is onvoldoende onderbouwd. Ook is de immateriële schade niet eenvoudig vast te stellen. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om de door de officier van justitie gevorderde € 1.500,- immateriële schade verder te matigen.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat er bij de benadeelde partij
[slachtoffer 1] sprake is van geestelijk nadelige gevolgen door het handelen van verdachte, mede gelet op de tijdens de bedreigingen gebruikte bewoordingen. Zij heeft dan ook immateriële schade geleden en deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 onder parketnummer 18/066884-19 bewezen verklaarde. De rechtbank zal de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid begroten op € 1.000,-. De vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 september 2018.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 63, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder parketnummer 18/066884-19 1 en 2 primair en het onder

parketnummer 18/830183-19 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

De maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 24 maanden op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] en wonende te [woonplaats] , [straatnaam] en

[slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , woon- of verblijfplaats bij de rechtbank onbekend. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Ten aanzien van 18/066884-19, feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2018.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 1.000,-, te verhogen met de wettelijke rente vanaf 28 september 2018. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 20 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schuth, voorzitter, mr. T.M.L. Veen en mr. H. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 augustus 2021.