Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:3398

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
09-08-2021
Zaaknummer
18/153841-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord Nederland heeft een 45-jaringe man veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden voor een poging tot doodslag.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/153841-20

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 23/002932-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 juni 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 juni 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.K.A. van den Bos, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.J. van der Heide.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 11 juni 2020 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek/hals heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:
hij op of omstreeks 11 juni 2020 te Groningen aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten steekwond in hals/nek, schedelscheur/breuk achter linker oor en/of op voorhoofd, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (in de hals/nek) te steken en/of ten gevolge van welk(e) feit/verwonding die [slachtoffer] (op zijn hoofd) is komen te vallen;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 11 juni 2020 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de nek/hals te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde. Aangever heeft consistent verklaard over een onbekende man die samen met [naam 1] liep en die hem uit het niets in zijn hals stak. Voordat hij stak zou de man hebben geroepen: ‘blijf van mijn rasta af.’ Daarmee bedoelde de onbekende man [naam 1] die een rastakapsel heeft. Als de politie ter plaatse komt, wordt eerst gezegd dat de rasta met gitaar zou hebben gestoken, doch later wordt dit gecorrigeerd naar de blanke man die zou hebben gestoken. Op de Vismarkt worden drie mannen aangehouden, [naam 1] , [naam 2] en verdachte, waarbij verdachte de enige blanke man is en bij hem wordt het mes met bloed aangetroffen. Uit DNA-onderzoek van het NFI is gebleken dat de aangetroffen DNA-sporen op het heft van het mes afkomstig zijn van het slachtoffer, verdachte en een onbekende persoon. Bij dit onderzoek was eveneens het DNA van [naam 2] onderzocht en op een later moment het DNA van [naam 1] , maar hun DNA-sporen zijn niet aangetroffen op het mes. [naam 2] heeft verklaard dat het de blanke man is geweest die het slachtoffer heeft gestoken. Verdachte is de enige blanke man die betrokken is geweest en hij had het mes. De verklaring van verdachte dat hij het mes voor [naam 2] moest bewaren is naar de mening van de officier van justitie aantoonbaar onjuist nu er geen dna van [naam 2] op het mes is aangetroffen. Op grond van de bewijsmiddelen kan wettig en overtuigend worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die heeft gestoken. Door in de hals te steken had verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm opzet op de dood van het slachtoffer, of in elk geval het voorwaardelijk opzet.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft uitdrukkelijk ontkend dat hij degene is geweest die aangever heeft gestoken met het mes. Hij heeft het mes in handen gekregen van een onbekend iemand nadat er al was gestoken. Er zijn meerdere getuigen gehoord bij de politie en de rechter-commissaris. De raadsvrouw meent dat deze verklaringen te tegenstrijdig, onbetrouwbaar en leugenachtig zijn om voor het bewijs te kunnen gebruiken. Verder roepen de getuigenverklaringen alleen maar vragen op over de toedracht. Meerdere betrokkenen hadden die nacht ruzie met elkaar en de getuigen laten niet het achterste van hun tong zien. [naam 3] zegt eerst dat de rasta met de gitaar heeft gestoken en pas later zegt hij dat dit verdachte was. De rasta met de gitaar was [naam 1] , die ook nog bloed op zijn handen heeft van het slachtoffer. [naam 1] heeft verklaard dat dit was gekomen doordat hij [naam 4] heeft vastgepakt. Ook verdachte heeft verklaard dat hij een jongen heeft gezien met bloed op zijn T-shirt. Op het heft van het mes is naast het DNA van verdachte en het slachtoffer ook DNA aangetroffen van een onbekende persoon. Het kan goed dat het slachtoffer niet goed heeft gezien wie hem precies heeft gestoken. Naast alle onzekerheden omtrent het bewijs die dit dossier oproept, is er een alternatief scenario dat past bij de verklaring van verdachte, zodat de raadsvrouw verzoekt om hem vrij te spreken van het ten laste gelegde, dan wel om de zaak aan te houden voor vergelijkend onderzoek van het onbekende DNA-spoor met het DNA van [naam 4] en [naam 3] .

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde en past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het klopt dat ik samen met [naam 1] en [naam 2] ben aangehouden op de Vismarkt. Het klopt dat ik toen het mes had.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 juni 2020, opgenomen op pagina 1 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020152789 d.d. 26 november 2020, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

Vannacht donderdag 11 juni 2020 was ik bij de nachtwinkel vlak bij de Mediamarkt en Mac Donalds te Groningen. Ik liep ter hoogte van de Hasret en de ijswinkel. Ik zag toen [naam 1] met zijn rasta haar en een Irakees schreeuwen. [naam 1] en de Irakees staan tegenover mij op 1.5 meter afstand. De Irakees zegt tegen mij: ‘blijf af van mijn rasta man’. Ik zeg tegen [naam 1] : wat gebeurd er. De Irakees stond voor mij, maar even in mijn dode hoek, en ik zie daardoor niet wat hij doet. Ik zag dat zijn arm omhoog ging en voor ik kon reageren voelde ik in mijn nek dat ik geen lucht meer kreeg. Ik ging met mijn linkerhand naar mijn nek. Ik voel dat het open is en druk de plek dicht. Ik voelde gelijk pijn in mijn nek en wist door het bloed dat ik gestoken was door een mes.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juni 2020, opgenomen op pagina 12 e.v. van het voornoemd dossier:

Ik hoorde het slachtoffer het volgende verklaren. "Ik was op het verkeerde moment op de verkeerde plaats. Ik liep voorbij de shoarmazaak Hasret op het hoekje Astraat. Ik zag dat [naam 1] en zijn vriend ruzie hadden met twee Somaliërs. Ik wilde er tussen komen om de boel rustig te krijgen. Ik zag dat de man die bij [naam 1] was mij uit het niets stak in mijn nek/kin.'

4. Een medische verklaring d.d. 11 juni 2020 en opgemaakt door dr. P.C. Baas, chirurg, voor zover inhoudend als zijn geneeskundige verklaring, opgenomen op pagina 4 van voornoemd dossier:

Steekverwonding onder kin/kaak, fracturen aangezicht.
Bij opvang op de SEH werd de steekverwonding in de hals onder de kaak gehecht.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 11 juni 2020, opgenomen op pagina 132 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 2] :

[naam 1] en ik liepen met zijn tweeën over de Westerhaven richting de avondwinkel. Vlakbij de avondwinkel kwamen wij twee mannen tegen. Dit waren Somalische mannen. [naam 1] zocht ruzie met [naam 5] . Ik zag dat [naam 1] en [naam 5] elkaar bij de kraag vast pakten waarop ik en [naam 6] naar hun toe zijn gelopen en ze toen uit elkaar hebben gehaald.

Vervolgens lopen [naam 1] en ik weg. Vervolgens kwam er een man aanlopen. Deze man ken ik. Hij heet [slachtoffer] . Hij kwam uit de bushalte en liep onze kant op. Vervolgens komt er vanuit het niets een blanke man aan komen lopen met een fiets aan zijn hand. Ik hoorde deze man zeggen " [naam 1] is mijn broeder". Ik hoorde [slachtoffer] vervolgens zeggen in het Engels "ik doe niks". Ik zag dat de blanke man richting [slachtoffer] liep en hem begon te steken. Ik zag dat [slachtoffer] bloed had op zijn T-shirt. Nadat [slachtoffer] was gestoken door de blanke man is hij weggerend en de blanke man liep hem achterna een klein stukje en komt dan weer terug naar ons toe.

Nadat [naam 6] weg was gegaan liepen [naam 1] en de blanke man weg en ik liep erachter aan en toen kwam de politie.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 11 juni 2020, opgenomen op pagina 105 e.v.van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 1] :

Toen kwam die gipsy man aangelopen. Ik zag dat hij boos was. Hij zei: 'Laat mijn rasta met rust'. Ik zei tegen gipsy: 'het is tof dat jij mij wilt helpen, maar jij maakt lawaai'. Hij schreeuwde namelijk veel en dat hoefde voor mij niet. Ik liep in de richting van de Vismarkt en toen werd ik aangehouden. Gipsy en [naam 2] liepen met mij mee.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d.11 juni 2020, opgenomen op pagina 8 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:

Wij zagen dat van de twee andere mannen die bij de man met rasta-haar waren, er één blanke man was. Wij zagen dat collega [verbalisant 1] deze man aansprak. Wij zagen enkele seconden later dat collega [verbalisant 1] een mes bij de verdachte vandaan haalde, dit mes op de grond
legde en de verdachte aanhield, tegen de muur plaatste en hem de transportboeien aanlegde. Omdat [verbalisant 1] zich focuste op de verdachte, richtten wij ons op het mes. Wij zagen dat het een gekarteld mes was. Ik, [verbalisant 2] , pakte het mes op met een handschoen. Wij zagen dat op het snijgedeelte van het mes nog wat bloedresten zaten.

8. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2020.06.26.062, d.d. 14 augustus 2020 opgemaakt door P.W. Sjoukema, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn/haar deskundige verklaring:

Het mes is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij zijn meerdere bloedsporen

aangetroffen. Op het mogelijke weefseldeeltje is eveneens bloed aangetroffen. Twee bloedsporen op de rechterzijde van het lemmet en het losse mogelijke weefseldeeltje zijn

bemonsterd. De bemonsteringen zijn als AAKZ2882NL#01 t/m #03 veiliggesteld voor een

DNA-onderzoek. Het gehele heft is bemonsterd, gericht op het verzamelen van DNA van degene(n) die het mes heeft/hebben gehanteerd De bemonstering is als AAKZ2882NL#04 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. In bemonstering

AAKZ2882NLS#04 is geen bloed aangetroffen.

AAKZ2882NL#01 Een bloedspoor op de rechterzijde van het lemmet

AAKZ2882Nl#02 Een bloedspoor op de rechterzijde van het lemmet

AAKZ2882NL#03 Een bemonstering (met bloed) van een deel van het losse mogelijke weefseldeeltje

AAKZ2882NL#04 Een bemonstering van het heft van het mes

DNA-profielen van personen betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek

REF921 slachtoffer [slachtoffer] 21 februari 1982

RGU883 verdachte [verdachte] 28 december 1975

Interpretatie en conclusie van het vergelijkend DNA-onderzoek

AAKZ2882NL#01 t/m #03 Eén persoon: Bewijskracht:

(bloedsporen lemmet en slachtoffer [slachtoffer] meer dan 1 miljard

mogelijk weefseldeeltje)

AAKZ2882Nl#04 Minimaal drie personen: Bewijskracht:

(heft) slachtoffer [slachtoffer] meer dan 1 miljard

verdachte [verdachte] meer dan 1 miljard

minimaal één onbekende persoon

Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek

AAKZ2882NL#01 tot en met #03 (Bloedsporen lemmet en mogelijk weefseldeeltje)

DNA-profielen AAKZ2882NL#01 tot en met #03 zijn elk meer dan 1 miljard keer

waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] ,

dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige niet aan het slachtoffer verwante

persoon.

AAKZ2882NL#04 (Heft)

Voor deze berekening is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van drie

niet-verwante personen.

Ten aanzien van verdachte [verdachte]

DNA-mengprofiel AAKZ2882NL#04 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van verdachte [verdachte] en twee willekeurige onbekende

personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van drie willekeurige onbekende

personen.

Ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer]

DNA-mengprofiel AAKZ2882NL#04 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en twee willekeurige

onbekende personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van drie willekeurige

onbekende personen

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank als volgt.

Op basis van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft gestoken. Verdachte was bij zijn aanhouding, kort na het feit, in het bezit van een mes met daarop zowel bloed van het slachtoffer (op het lemmet) als dna van verdachte (op het heft).

Zowel het slachtoffer als getuige [naam 2] wijzen verdachte aan als dader. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van hun verklaringen. Geen van beiden was betrokken bij de ruzie die aan de steekpartij vooraf was gegaan. Wat zij verklaren over het verloop van de ruzie, het moment waarop verdachte zich ermee begon te bemoeien en de locatie waar aangever is gestoken komt met elkaar overeen, en sluit ook aan bij de verklaring van [naam 1] over het verloop van de ruzie en het moment dat verdachte hem te hulp schiet.

De rechtbank gaat uit van voornoemde getuigenverklaringen en hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij het mes pas in handen gedrukt heeft gekregen nadat iemand anders het slachtoffer er al mee had gestoken. Volgens verdachte zou dit zijn gebeurd tijdens de ruzie tussen [naam 1] en de Somalische mannen voor de avondwinkel en heeft hij het mes aangenomen om te voorkomen dat het tijdens de ruzie gebruikt zou worden. Uit voornoemde getuigenverklaringen en het bloedspoor op straat – dat loopt tussen de Astraat en de avondwinkel waar het slachtoffer gewond door de politie is aangetroffen – blijkt dat het steken pas ná de ruzie voor de avondwinkel heeft plaatsgevonden even verderop, in de Astraat. Uitgaand van zijn eigen verklaring had verdachte het mes toen dus al in handen.

De rechtbank merkt op dat zij – reeds gelet op het voorgaande - geen aanleiding ziet om het verzoek van de raadsvrouw om de zaak aan te houden voor nader onderzoek toe te wijzen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door met een mes te steken in de hals van het slachtoffer, waar zich zeer kwetsbare delen van het lichaam bevinden zoals de luchtpijp en de halsslagader, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer hierdoor dodelijk zou verwonden. Er is daarom sprake van opzet in voorwaardelijke zin op de dood van het slachtoffer.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 11 juni 2020 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in de nek/hals heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd. De officier van justitie vordert daarnaast oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sv, te weten een locatie- en contactverbod waarbij een week hechtenis met een maximum van zes maanden geldt bij overtreding daarvan. Zij vordert ten slotte dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor vrijspraak. Mocht de rechtbank anders oordelen dan verzoekt zij een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest met daarbij een voorwaardelijk deel onder de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van Verslavingszorg Noord Nederland d.d. 19 mei 2021, het psychologisch onderzoek door O.C. van der Bent d.d. 25 mei 2021 en het psychiatrisch onderzoek door J. Marx d.d. 14 mei 2021, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 15 april 2021, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer met een mes in zijn hals te steken. Verdachte meende een vriend te moeten helpen bij een ruzie op straat,en stak daarbij het slachtoffer neer, die niet bij de ruzie betrokken was en naar eigen zeggen de ruzie had willen sussen. Het slachtoffer was voor verdachte een volstrekt onbekende en de steek met het mes kwam voor het slachtoffer uit het niets. Dat het letsel uiteindelijk is meegevallen is bepaald niet aan verdachte te danken. Volgens de medewerker van de spoedeisende hulp heeft het slachtoffer geluk gehad en had het niet veel gescheeld of de luchtpijp en halsslagader waren geraakt. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer erg angstig is geweest en nog dagelijks last heeft van wat hem die avond is overkomen. Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid willen nemen voor zijn handelen.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij – ogenschijnlijk zonder na te denken – met het mes heeft uitgehaald. Zij merkt daarbij op dat het steekincident heeft plaatsgevonden op de openbare weg in het centrum van de stad, waar op het nachtelijke uur ook andere mensen onderweg zijn die ongevraagd met dit geweldsincident in aanraking komen. Dit soort feiten wakkert gevoelens van onveiligheid in de samenleving aan.

De rechtbank is van oordeel dat voor een dergelijk ernstig feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Voor wat betreft de omvang van de straf houdt de rechtbank rekening met het volgende. Verdachte is eerder veroordeeld voor het plegen van geweld en heeft het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd in een lopende proeftijd. Hij heeft in het verleden meerdere zorg- en begeleidingstrajecten doorlopen. Ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit stond hij onder toezicht van de reclassering.

De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met grotendeels dezelfde bijzondere voorwaarden die ook al golden in het kader van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf. De rechtbank constateert dat deze voorwaarden kennelijk niet hebben kunnen voorkomen dat verdachte opnieuw een strafbaar feit heeft gepleegd.

De psycholoog en psychiater die verdachte in het kader van deze strafzaak hebben onderzocht geven beiden aan dat verdachte zich slechts beperkt heeft laten onderzoeken en onwillig was inzicht te verschaffen in zijn belevingswereld. Zij hebben daardoor geen zicht gekregen op zijn persoonlijkheid, kunnen geen uitspraak doen over de toerekeningsvatbaarheid en de kans op herhaling en hebben daarom geen advies uitgebracht.

Verdachte heeft ter terechtzitting duidelijk gemaakt dat hij geen problemen heeft en dat hij geen reden ziet om zich te laten behandelen. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen meerwaarde in het opleggen van een ambulante behandeling als bijzondere voorwaarde, zoals geadviseerd door de reclassering.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van na te melden duur. Voor het opleggen van een contact- en locatieverbod ziet de rechtbank geen grond.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 256,50 ter vergoeding van materiële schade en € 5.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan in zijn geheel worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het schadebedrag dat wordt gevorderd is volgens haar redelijk en is voldoende onderbouwd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor een vrijspraak, zodat de vordering van de benadeelde partij in haar visie niet ontvankelijk moet worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte is onderbouwd, niet concreet door verdachte is betwist en door de rechtbank redelijk wordt geacht, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 juni 2020.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk arrest van 19 april 2019 van het Gerechtshof Amsterdam, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 4 mei 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 17 november 2020 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Nu veroordeelde het bewezenverklaarde feit heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.

Ten aanzien van 18/153841-20:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 5256,50 (zegge: vijfduizendtweehonderdzessenvijftig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2020.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 5256,50 (zegge: vijfduizendtweehonderdzessenvijftig euro en vijftig eurocent), te verhogen met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2020. Dit bedrag bestaat uit € 256,50 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 61 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

23/002932-18:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van Gerechtshof Amsterdam van 19 april 2019, te weten: 2 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W Venema, voorzitter, en mr. M.S. van der Kuijl en mr. M.J.B. Holsink rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2021.

Mr. Venema, mr. Van der Kuijl en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.