Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:3371

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-08-2021
Datum publicatie
05-08-2021
Zaaknummer
18/064125-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Minderjarige. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte heeft meermalen met zijn vuist op het gezicht van aangever geslagen en meerdere keren met geschoeide voet tegen het hoofd en elders tegen het lichaam van aangever geschopt en getrapt. Veroordeling tot een jeugddetentie voor de duur van 62 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van 120 uren. Vordering BP gedeeltelijk toegewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77i
Wetboek van Strafrecht 77m
Wetboek van Strafrecht 77n
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77aa
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/064125-21

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 augustus 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 juli 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.M.J.C. van Lee advocaat te Donkerbroek. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. van Veen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 maart 2021 te Franeker, gemeente Waadhoeke ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

die [slachtoffer] naar/tegen de grond heeft gewerkt en/of (vervolgens) die [slachtoffer] meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt en/of gestampt en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt en/of meermalen en/of met kracht en/of met de vuist(en) op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 maart 2021 te Franeker, gemeente Waadhoeke ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] naar/tegen de grond heeft gewerkt en/of (vervolgens) die [slachtoffer] meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt en/of

gestampt en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt en/of meermalen en/of met kracht en/of met de vuist(en) op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 maart 2021 te Franeker, gemeente Waadhoeke [slachtoffer] heeft mishandeld door hem naar/tegen de grond te werken en/of (vervolgens) meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd te schoppen/trappen en/of te stampen en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te schoppen/trappen en/of meermalen en/of met kracht en/of met de vuist(en) op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te slaan.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat gelet op de aangifte, de getuigenverklaring van [naam 1] en de beelden die ter zitting zijn vertoond, er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de poging tot doodslag. Door de wijze waarop verdachte meermalen heeft geschopt, te weten met kracht en gericht op het hoofd van het slachtoffer [slachtoffer], heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zou kunnen komen te overlijden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het (voorwaardelijk) opzet op de dood niet kan worden bewezen. Het is nooit de intentie van verdachte geweest om [slachtoffer] te doden. Er was ook geen sprake van een wapen en/of hard schoeisel. Uit de camerabeelden kan niet worden afgeleid met welke kracht verdachte heeft geschopt. Ook is verdachte uit zichzelf gestopt. Met betrekking tot het ontbreken van het voorwaardelijk opzet heeft de raadsvrouw tot slot nog betoogd dat de GGD nauwelijks letsel heeft geconstateerd bij [slachtoffer].

De raadsvrouw refereert zich met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 22 juli 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

[slachtoffer] schold mij uit en toen werd het zwart voor mijn ogen. Het gaat om een flinke trap. Ik heb een aantal keren geschopt en ik heb hem kleine stootjes gegeven. Toen ik hem schopte raakte ik zijn hoofd aan. Ik zit op kickboksen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 maart 2021, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2021059989 d.d. 29 maart 2021, inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

Ik ging gisteravond, 6 maart 2021, met drie vrienden een rondje lopen. We kwamen bij een voetbalveld in Franeker. Ik draaide me vervolgens om. Ik kreeg een klap in mijn gezicht. Ik maakte een schijnbeweging om weg te kunnen komen om bij mijn vrienden te komen. Toen werd ik helemaal naar de grond getrapt. Ik weet nog dat ik wilde wegrennen onder de tunnel door. Vlak daarna werd ik weer op de grond geslagen. Iedereen zei toen "klaar klaar". Maar [verdachte] wilde dit blijkbaar toch niet, want hierop kreeg ik nog een aantal stoten. Ik rende hierna richting het schoolplein.

V: Van wie kreeg jij deze klap?

A: Van [verdachte].

V: Waar kreeg jij deze klap?

A: Op mijn neus.

V: Hoe ging dat precies?

A: Dit was met de vuist. Ik voelde en zag dit. Dit was met kracht. Ik voelde na deze klap meteen pijn op mijn neus. Ik was in shock door deze klap.

O: Verbalisant ziet op het filmpje dat [slachtoffer] op de grond ligt en zich probeert af te weren. Ik zie dat [verdachte] eerst [slachtoffer] een aantal harde vuistslagen op zijn gezicht geeft, vervolgens een harde trap op zijn hoofd geeft en vervolgens weer meerdere vuistslagen geeft op het hoofd. Daarop zie ik dat [verdachte] hem nogmaals probeert te trappen op het gezicht van [slachtoffer]. [verdachte] gaat als het ware het gezicht schampen van [slachtoffer] met zijn been. Vervolgens zie ik dat [verdachte] een achterwaartse beweging maakt, waarop hij zijn rechterbeen in de richting van [slachtoffer] zijn hoofd beweegt, waarop ik zie dat [verdachte] met zijn voet hard het gezicht van [slachtoffer] raakt.

V: Wat gebeurd er vervolgens?

A: Ik probeerde weg te vluchten. Dit lukte tot de tweede locatie. Hier werd ik nogmaals getrapt tegen mijn hoofd. Dit deed mij heel veel zeer. Ik zag dat [verdachte] mij weer wilde slaan. Ik probeerde dit te voorkomen door op de grond te gaan liggen. Vervolgens weet ik niet of ik nog een keer ben geslagen, maar ik weet in ieder geval dat ik heel hard door [verdachte] ben geschopt op mijn gezicht. Dit deed meteen erg veel zeer.

V: Hoeveel keer ben jij in totaal geschopt?

A: Tussen de 10 en 15 keer geschopt. Dit was tegen mijn rechterbeen, rug en hoofd.

V: Hoe werd jij geschopt?

A: Dit was hard. Ik voelde meteen pijn. Toen ik thuis kwam voelde ik nog meer pijn.

V: Hoeveel keer ben jij in totaal geslagen?

A: Het zijn in ieder geval meerdere klappen geweest.

V: Waar ben jij precies geslagen?

A: Alleen op mijn hoofd.

V: Hoe hard werd jij geslagen?

A: Opzettelijk, met de vuist en met kracht.

V: Ik had begrepen van mijn collega dat je gisteravond had gezegd dat het ook zwart voor je ogen was geworden na het schoppen op je hoofd.

A: Ja, ik werd heel erg duizelig. Dit was na het tweede incident. Af en toe werd het zwart voor mijn ogen. Ik was angstig.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 7 maart 2021, opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam 1]:

Gisteravond belde [verdachte] mij dat hij zou vechten. Ik zag dat [verdachte] en [slachtoffer] aan het vechten waren. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] tegen zijn hoofd begon te schoppen. Als [verdachte] boos wordt, dan houdt hij niet meer op. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] eerst tegen zijn rug sloeg en daarna tegen de rug van [slachtoffer] schopte.

V: Hoe sloeg [verdachte] tegen de rug van [slachtoffer]?

A: Met de vuist tegen zijn rug met kracht. Ik zag dat het net onder de nek van [slachtoffer] was. Ik zag dat hij daarop meteen [slachtoffer] schopte.

V: Weet je ook met welk been?

A: Ja, met de rechter.

V: Hoe deed hij dit precies?

A: Dit was zeg maar een karate trap. Ik bedoel hiermee dat hij [slachtoffer] hiermee wel goed wilde raken. Ik zag dat hij zijn been ter hoogte van het schouderblad van [slachtoffer] raakte met kracht.

V: Wat gebeurde er op dat moment met [slachtoffer]?

A: Ik zag dat [slachtoffer] weg bleef rennen in de richting van het grasveldje verderop.

A: Op het moment dat ik kwam aanfietsen, zag ik dat [slachtoffer] in het gras stond en [verdachte] op de weg. [verdachte] sprak mij aan en vervolgens hoorde ik [slachtoffer] wat tegen [verdachte] zeggen. Hierop werd [verdachte] boos en rende naar [slachtoffer]. Ik zag vervolgens dat [verdachte] [slachtoffer] eerst een vuistslag gaf, welke gevolgd werd door een schop in de rug. Ik zag dat [slachtoffer] de weg over stak naar het grasveldje en [verdachte] achter hem aanrende.

V: Wat gebeurd er bij het grasveldje?

A: Ik zag dat [verdachte] meerdere keren, ongeveer 3x , [slachtoffer] tegen zijn hoofd sloeg. Ik zag dat dit met de vuist gebeurde. Ik zag dat ze alle drie met de rechter vuist werden gegeven. Ik zag dat hij [slachtoffer] op zijn slaap of kaak raakte. In ieder geval ergens op zijn hoofd.

V: Wat gebeurde er toen?

A: [slachtoffer] wilde wegrennen. Ik zag dat [verdachte] bovenop hem ging zitten met zijn knieën op zijn buik. Ik zag dat hij [slachtoffer] sloeg op zijn buik. Ik zag dat hij dit met zijn vuist deed. Ik zag dat [verdachte] van hem af ging. Ik zag dat hij [verdachte] [slachtoffer] volop het gezicht trapte. Ik zag dat hij zeg maar nog boven [slachtoffer] stond en een neerwaartse trap op het hoofd van [slachtoffer] gaf. Ik zag dat [verdachte] vervolgens een stuk van [slachtoffer] afging. Ik hoorde [slachtoffer] zeggen :"stoppen nu". Ik zag dat [slachtoffer] nog op de rug lag op de grond. Ik zag dat [verdachte] vervolgens nog een trap in het gezicht gaf van [slachtoffer]. Deze ging voluit. Dit was een hele harde trap. Ik zag dat hij dit met zijn rechtervoet deed.

V:Wat gebeurde er vervolgens?

A:Ik zag dat [slachtoffer] wegrende onder het viaduct in de richting van de RSG. Ik zag dat [verdachte] erachteraan rende. Je hebt daar nog onderweg een soort bruggetje waar je op kan rennen. Links van de brug heb je een grasveldje. Ik zag dat [verdachte] alweer bovenop [slachtoffer] zat. Ik zag dat [verdachte] hem nogmaals een keer schopte. Ik zag dat hij [slachtoffer] in de zij schopte. Ik heb hem toen van hem afgetrokken en meegenomen naar huis.

V: Hoe vaak heeft [verdachte] [slachtoffer] geschopt?

A: Ik heb hem in ieder geval 5x zien schoppen, waarvan 3x tegen zijn hoofd. Al deze trappen deed hij met kracht.

V: Hoe vaak heeft [verdachte] [slachtoffer] geslagen?

A: 4x. 3x op zijn gezicht en lx op de rug.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 7 maart 2021, opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam 2]:

Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] met zijn vuisten trachtte te slaan. Ik zag dat enkele vuistslagen hem raakte. De jongen wekte bij mij de indruk dat hij kracht zette achter zijn klappen en trappen. Ik zag dat hij hem zelfs met kracht tegen zijn hoofd en gezicht schopte. Ik zag dat [verdachte] vervolgens [slachtoffer] een boks wilde geven alsof het klaar was. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] vervolgens een klap tegen zijn gezicht gaf.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 7 maart 2021, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam 3]:

Ik zag dat [verdachte], [slachtoffer] duwde. Ik zag dat [slachtoffer] daardoor op de grond viel. Ik zag dat [slachtoffer] op de grond lag. Ik zag dat [verdachte] richting het hoofd schopte van [slachtoffer]. Ik zag dat [verdachte] als het ware stampte op het hoofd van [slachtoffer]. Ik zag dat [verdachte], [slachtoffer] één keer hard heeft geraakt tegen zijn hoofd. Ik denk dat [verdachte] ongeveer 4/5 keer tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geschopt.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 8 maart 2021, opgenomen op pagina 46 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam 4]:

Vervolgens zie ik dat de jongen die stond het slachtoffer een trap uitdelen. Ik zag dat deze jongen het slachtoffer op de zijkant van zijn hoofd raakte. Het was een harde trap, want de jongen zat half en viel gelijk rechtsom en kwam met zijn gehele rechterzijde op de grond terecht.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 maart 2021, opgenomen op pagina 48 e.v. van voornoemd dossier inhoudende als relaas van verbalisant [naam 5]:

Op het videofragment van 20 seconden is te zien dat [slachtoffer] op de grond ligt en dat [verdachte] boven op hem zit. Op het beeldmateriaal is te zien dat [verdachte] met zijn vuisten meerdere keren op het hoofd van [slachtoffer] probeert te slaan. Dan is te zien dat [verdachte] opstaat. Op dat moment laat [slachtoffer] de dekking los en is te zien dat [verdachte] voluit met de hak van zijn rechterschoen op de linker zijkant van het hoofd van [slachtoffer] trapt. Het is te zien dat deze trap met kracht gegeven werd. Daarna kruipt [slachtoffer] in elkaar, draait en probeert op zijn rug aan [verdachte] te ontkomen. Op dat moment is te zien dat [verdachte] opnieuw een schopbeweging maakt naar het hoofd van [slachtoffer].

Bewijsoverweging

Ten aanzien van de vraag of bij verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Op grond van de bewijsmiddelen en de tot het dossier behorende en ter zitting bekeken camerabeelden stelt de rechtbank het volgende vast. Er is een woordenwisseling ontstaan tussen verdachte en aangever. Deze woordenwisseling heeft ertoe geleid dat het verdachte, zoals hij ter zitting meermalen heeft verklaard, zwart werd voor zijn ogen. Na de woordenwisseling volgt er een gevecht tussen aangever en verdachte, waarbij aangever meerdere keren heeft geprobeerd te vluchten. Verdachte heeft tijdens het gevecht meermalen met zijn vuist op het gezicht van aangever geslagen. Ook heeft hij meerdere keren met geschoeide voet tegen het hoofd en elders tegen het lichaam van aangever geschopt en getrapt. Op de beelden die ter zitting zijn vertoond, is te zien dat aangever op de grond ligt en dat verdachte bovenop hem zit. Verdachte slaat aangever eerst een aantal keren tegen het hoofd, vervolgens stampt hij met geschoeide voet op het hoofd van aangever, dan slaat hij nog een keer in de richting van het hoofd van aangever en daarna schopt hij nogmaals in de richting van het hoofd van aangever. Op het moment dat aangever probeert op te staan, en zich dus niet kan verdedigen, haalt verdachte nog een laatste keer uit en schopt hij aangever met geschoeide voet met kracht tegen het hoofd. Deze laatste uithaal van verdachte gaat met zoveel kracht gepaard dat het hoofd en lichaam van aangever direct naar achteren zwaaien. Aangever gaat na deze schop direct tegen de grond.

Naar algemene ervaringsregels brengt het meermalen met kracht schoppen en slaan tegen het hoofd, verricht op de wijze zoals verdachte heeft gedaan, een aanmerkelijke kans met zich dat het slachtoffer ten gevolge daarvan komt te overlijden. Het hoofd is een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam. Een verwonding aan het hoofd of de hersenen kan snel tot de dood leiden. Dit is een feit van algemene bekendheid en verdachte moet zich daarvan bewust zijn geweest, zeker gelet op het feit dat hij al jaren op kickboksen zit. De kans dat het door verdachte toegepaste geweld tot de dood van aangever had kunnen leiden, acht de rechtbank in dit geval aanmerkelijk, gelet op de grote kracht waarmee het hoofd van aangever meerdere malen door verdachte is geraakt. Dat in het onderhavige geval het letsel beperkt is gebleven, is naar het oordeel van de rechtbank niet aan verdachte te danken geweest en min of meer toevallig. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verdachte al langer aan kickboksen doet. Aangenomen mag worden dat verdachte met meer kracht kan schoppen en stompen dan een gemiddeld persoon en dat hij zich hiervan bewust is. Bovendien mag verdachte, als geoefend vechtsporter, met de gevaren van het uitoefenen van geweld op het hoofd bekend worden verondersteld. Er is wat dit betreft geen enkele aanwijzing dat verdachte niet met de aanmerkelijke kans op de dood bekend is geweest. Door desondanks te handelen zoals hij deed, heeft verdachte de kans dat aangever zou komen te overlijden op de koop toegenomen.

De verrichte geweldshandelingen kunnen, gelet op de wijze waarop deze zijn verricht, naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood van het slachtoffer dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg ook bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank acht dan ook het primair ten laste gelegde, poging tot doodslag, wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 6 maart 2021 te Franeker, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] naar de grond heeft gewerkt en vervolgens die [slachtoffer] meermalen met kracht op en/of tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt en gestampt en elders tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt en meermalen met kracht en met de vuisten op en/of tegen het hoofd en elders op tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Primair: poging tot doodslag.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 uren waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd en toegelicht ter zitting door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een werkstraf voor de duur van 150 uren waarvan 75 uren voorwaardelijk met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd en toegelicht ter zitting door de Raad.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het Rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 8 juli 2021, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Dit is een zeer ernstig feit. Na een woordenwisseling tussen verdachte en aangever ontstond er een gevecht en werd het zwart voor verdachte zijn ogen. De mate van geweld die verdachte heeft uitgeoefend, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Uit de slachtofferverklaring die ter zitting is voorgedragen, kan worden afgeleid dat het feit grote impact op aangever heeft gehad. Niet alleen heeft aangever doodsangsten uitgestaan op het moment dat verdachte hem meermalen sloeg en schopte, ook voelt hij zich nog steeds onveilig op straat.

Uit het rapport van de Raad kan worden afgeleid dat het pestverleden van verdachte en de huidige treiterijen er mede voor hebben gezorgd dat verdachte agressief is geworden en grenzen is overgegaan vanuit gevoelens van frustratie en boosheid. Om deze reden is het van belang dat verdachte meewerkt aan het onderzoek van Accare zodat hij hulp kan krijgen bij het voorkomen van herhaling en kan werken aan zijn persoonlijke ontwikkeling. Uit het onderzoek van de Raad kan daarnaast worden afgeleid dat verdachte opgroeit in een beschermend en betrokken gezin. Ook voor het gezin van verdachte heeft het ten laste gelegde feit grote gevolgen gehad.

De Raad heeft de rechtbank geadviseerd om aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest op te leggen en een deels voorwaardelijke werkstraf. Om herhaling in de toekomst te voorkomen heeft de Raad de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd: verdachte moet zich houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, dagbesteding in de vorm van school en stage, meewerken aan hulpverlening en een verbod op het gebruik van alcohol en drugs. Ter zitting heeft de Raad nog toegelicht dat het van belang is om te achterhalen hoe het zo ver heeft kunnen komen. In de bijzondere voorwaarde ‘meewerken aan hulpverlening’ moet daarom ook worden opgenomen dat verdachte mee moet werken aan diagnostiek en de daaruit volgende behandeling.

De officier van justitie heeft een werkstraf voor de duur van 150 uren waarvan 30 uren voorwaardelijk geëist. Gelet op de ernst van het gepleegde feit en het taakstrafverbod dat van toepassing is, acht de rechtbank enkel een deels voorwaardelijke werkstraf niet passend. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank naast de ernst van het feit, ook rekening met het feit dat verdachte twee dagen in voorarrest heeft gezeten en dat verdachte nog maar vijftien jaar oud is. Uit het strafblad van verdachte blijkt niet dat hij eerder in aanraking is geweest met politie en justitie.

Alles afwegende acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 62 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie worden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad in haar rapport en ter zitting gekoppeld. Daarnaast zal de rechtbank nog een werkstraf voor de duur van 120 uren opleggen.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 91,47 ter vergoeding van materiële schade en € 3.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat zij ten aanzien van het materiële deel van de vordering geen opmerkingen heeft en dat de vordering ten aanzien van het immateriële deel gematigd dient te worden tot een bedrag van € 1.000,00. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de aangehaalde jurisprudentie in het verzoek tot schadevergoeding niet vergelijkbaar is met deze zaak, omdat in dit geval geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel en ernstige psychische gevolgen.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de materiële schade oordeelt de rechtbank dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. Het materiële deel van de vordering ad € 91,47 waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 maart 2021.

De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. In het verzoek tot schadevergoeding worden de psychische gevolgen die het ten laste gelegde feit voor de benadeelde heeft gehad beschreven. Benadeelde denkt vaak terug aan het incident, is erg bang en slaapt slecht. Om de hele situatie te verwerken heeft verdachte EMDR-therapie en cognitieve therapie gevolgd. In de jurisprudentie die is overlegd voor de onderbouwing van het schadebedrag van € 3.500,00 is sprake van ernstig lichamelijk letsel en zijn de psychische gevolgen groter. In onderhavige zaak heeft de benadeelde gelukkig geen ernstig lichamelijk letsel opgelopen. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de immateriële schade op € 1.500,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 maart 2021 en het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De vordering zal gelet op het voorgaande worden toegewezen tot een bedrag van € 1.591,47 (bestaande uit € 91,47 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2021.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal daarbij de vervangende gijzeling op 0 dagen bepalen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 62 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 60 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt, dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling Regiecentrum Bescherming en Veiligheid op het adres [straatnaam] te Leeuwarden;

2. dat veroordeelde dagbesteding volgt in de vorm van school en stage;

3. dat veroordeelde meewerkt aan diagnostiek en de daaruit voortvloeiende behandeling en/of hulpverlening indien en voor zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

4. dat veroordeelde zich zal onthouden van het gebruik van drank en drugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan controles hierop.

Geeft aan Regiecentrum Bescherming en Veiligheid te Leeuwarden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

een werkstraf voor de duur van 120 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.591,47 (zegge: duizend vijfhonderdeenennegentig euro en zevenenveertig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2021.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 1.591,47 (zegge: duizend vijfhonderdeenennegentig euro en zevenenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2021. Dit bedrag bestaat uit € 91,47 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, waarbij de duur van de gijzeling wordt bepaald op 0 dagen.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma voorzitter, tevens kinderrechter, mr. K. Bunk en mr. B.F. Hammerle, rechters, bijgestaan door mr. S.D. Rodenboog griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 augustus 2021.

mr. M. Brinksma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.