Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:3359

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
11-08-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1457
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres drijft in 2015 twee ondernemingen. Een administratiekantoor en een onderneming die zich richt op het trainen/opvoeden van Sennenhonden inclusief een webshop. Sinds 2008 is met uitzondering van één jaar steeds een negatief resultaat behaald. In geschil is of er sprake is van een bron van inkomen. De rechtbank overweegt dat, wil er sprake zijn van een bron van inkomen, volgens vaste jurisprudentie onder meer redelijkerwijs moet zijn te verwachten dat de bron – eventueel in de toekomst – een positieve opbrengst zal geven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij objectief gezien een positieve opbrengst zou kunnen behalen met beide activiteiten. Zo is er geen bedrijfsplan en er zijn geen gegevens van marktonderzoek. Ook heeft eiseres geen begroting gemaakt. Uit de resultaten sinds 2008 kan naar het oordeel van de rechtbank eveneens geen voordeel worden afgeleid. Uit de door eiseres gemaakte berekeningen valt af te leiden dat – in elk geval in de jaren 2012 tot en met 2015 – de (inkoop)kosten van beide activiteiten afzonderlijk veelal ongeveer gelijk zijn aan de omzet of deze zelfs overtreffen. Het beroep is ongegrond. De verzuimboete wordt verminderd in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-8-2021
V-N Vandaag 2021/1938
FutD 2021-2576
NLF 2021/1620
V-N 2021/39.20.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/1457

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2015 met dagtekening 15 maart 2019 aan eiseres een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.447.

Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 602 aan belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd van € 369.

Bij uitspraak op bezwaar van 31 maart 2020 is verweerder gedeeltelijk aan het bezwaar van eiseres tegemoet gekomen. Verweerder heeft daarbij de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.447. De belastingrente heeft verweerder verminderd tot € 0.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2021. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [medewerker 1] , bijgestaan door [medewerker 2] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiseres drijft in 2015 twee ondernemingen onder de namen BS [A] en BS [S] . Onder de naam BS [A] verricht eiseres administratieve werkzaamheden. Onder de naam BS [S] verricht zij werkzaamheden op het gebied van het opvoeden/trainen van [hondenras] en exploiteert zij een webshop met producten en diensten voor hondeneigenaren.

1.2.

Sinds 2008 is met beide ondernemingen jaarlijks een negatief resultaat behaald, met uitzondering van het jaar 2010. In dat jaar is met BS [A] een positief resultaat behaald van € 2.888.

1.3.

Op 19 november 2016 heeft eiseres aangifte gedaan voor de IB/PVV 2015. Zij heeft in deze aangifte geen omzet aangegeven. Het aangegeven inkomen uit box 1 van € 23.447 bestaat volledig uit een WAO-uitkering.

1.4.

In haar aangifte omzetbelasting 2015 heeft eiseres een omzet aangegeven van € 32.271.

1.5.

Verweerder heeft eiseres verzocht om nadere gegevens. Eiseres heeft meermaals om uitstel verzocht en het uitstel is verleend tot 1 juni 2018. Eiseres heeft de gevraagde gegevens niet voor 1 juni 2018 verstrekt.

1.6.

Verweerder heeft met dagtekening 27 februari 2019 aan eiseres meegedeeld bij het opleggen van de aanslag af te wijken van de aangifte en een bedrag van € 15.000 in aanmerking te nemen als resultaat uit overige werkzaamheden.

1.7.

Bij het opleggen van de aanslag heeft verweerder een verzuimboete opgelegd op grond van artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

1.8.

Eiseres heeft met dagtekening 22 april 2019 bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

1.9.

Met dagtekening 28 oktober 2019 heeft eiseres een verbeterde aangifte IB/PVV 2015 ingediend. Daarbij heeft ze een resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening aangegeven voor BS [A] van € 10.092 negatief en voor BS [S] van € 1.111.

1.10.

De onder 1.9. genoemde aangifte is door verweerder aangemerkt als een nadere motivering op het bezwaarschrift.

1.11.

Verweerder heeft met dagtekening 5 november 2019 aan eiseres meegedeeld zich op het standpunt te stellen dat er geen sprake is van een bron van inkomen ten aanzien van BS [A] en BS [S] .

1.12.

Eiseres heeft met dagtekening 23 december 2019 nogmaals een verbeterde aangifte ingediend. Daarbij heeft ze een resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening aangegeven voor BS [S] van € 6.100 negatief.

1.13.

Op 25 februari 2020 heeft er een gesprek plaatsgevonden waarbij aanwezig waren eiseres en haar toenmalig gemachtigde en namens de Belastingdienst onder meer mr. [X] .

1.14.

Van het onder 1.13. genoemde gesprek is een verslag op 17 maart 2020 per e-mail aan de toenmalig gemachtigde van eiseres verzonden.

1.15.

Gemachtigde van eiseres heeft op 23 maart 2020 per e-mail laten weten dat het hoorverslag het gesprek niet juist en volledig weergeeft en aangegeven tijd nodig te hebben om te reageren.

1.16.

Verweerder heeft eiseres per e-mail van 23 maart 2020 een termijn gegeven tot en met 27 maart 2020 om te reageren op het hoorverslag.

1.17.

Met dagtekening 31 maart 2020 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan. Deze uitspraak op bezwaar bevat een rechtsmiddelenverwijzing.

1.18.

Eiseres heeft per e-mail van 6 april 2020 op het hoorverslag gereageerd.

1.19.

Met dagtekening 17 april 2020 heeft verweerder nogmaals uitspraak op bezwaar gedaan in de vorm van een nieuwe aanslag.

Geschil

2. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

i. Zijn de hoorplicht en/of het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden?

ii. Is de aanslag IB/PVV tot een te hoog bedrag opgelegd? Meer specifiek is in geschil de vraag of de activiteiten van BS [A] en BS [S] een bron van inkomen vormen.

iii. Heeft verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

iv. Is de verzuimboete terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd?

3. Tussen partijen is niet in geschil dat de activiteiten van BS [A] enerzijds en de activiteiten van BS [S] anderzijds twee los van elkaar staande activiteiten zijn.

Vooraf

4. Zowel de brief van 31 maart 2020 als de aanslag van 17 april 2020 hebben als opschrift ‘uitspraak op bezwaar’ en bevatten bovendien een rechtsmiddelenverwijzing. De wet biedt geen ruimte om meermaals uitspraak op bezwaar te doen. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de aanslag van 17 april 2020 slechts een cijfermatige uitwerking betreft van de uitspraak op bezwaar van 31 maart 2020. De rechtbank gaat er daarom voor het navolgende vanuit dat de brief van 31 maart 2020 de uitspraak op bezwaar is.

Beoordeling

Hoorplicht en/of zorgvuldigheidsbeginsel

5. Eiseres is van mening dat de uitspraak op bezwaar niet voldoet aan de eisen die de AWR daaraan stelt. Zij voert daarbij aan dat het hoorgesprek niet is aangekondigd als hoorgesprek, dat de personen die deelnamen aan het hoorgesprek ook bij de totstandkoming van het besluit al betrokken zijn geweest en dat ook de reactie van eiseres op het hoorverslag niet is afgewacht voordat er uitspraak op bezwaar is gedaan. De uitspraak op bezwaar moet daarom volgens eiseres worden vernietigd.

6. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat eiseres zich tijdens het hoorgesprek liet vertegenwoordigen door een gemachtigde die er wel van op de hoogte was dat het om een hoorgesprek ging en dat de personen die bij het hoorgesprek aanwezig waren niet betrokken zijn geweest bij de bestreden aanslag. Ook heeft eiseres wel de tijd gekregen om te reageren op het hoorverslag, maar heeft ze niet binnen de gestelde termijn gereageerd.

7. De rechtbank leest in het standpunt van eiseres een beroep op schending van de hoorplicht en/of schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Voordat op het bezwaar wordt beslist, moet een belanghebbende in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord en van het horen moet een verslag worden gemaakt.1 Belanghebbende moet ook in de gelegenheid worden gesteld om zich over het verslag uit te laten.2

8. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat het gesprek van 25 februari 2020 niet is aangekondigd als een hoorgesprek niet maakt dat dit gesprek niet de status heeft van een hoorgesprek. Nu het gesprek plaatsvond tijdens de bezwaarprocedure, eiseres en verweerder standpunten en argumenten hebben uitgewisseld tijdens het gesprek waarbij eiseres zich liet bijstaan door een professioneel gemachtigde en van het gesprek bovendien een verslag is gemaakt, heeft het gesprek naar het oordeel van de rechtbank de status van een hoorgesprek. Verweerder heeft eiseres in de gelegenheid gesteld om te reageren op het hoorverslag en daarvoor een termijn gesteld van 10 dagen. De rechtbank acht deze termijn niet onredelijk en volgt eiseres daarom niet in haar standpunt dat zij recht had op een periode van drie weken om te reageren op het verslag. Dat de reactie van eiseres op het hoorverslag niet binnen de gestelde termijn is ingediend, maar pas nadat uitspraak op bezwaar was gedaan, en daarom door verweerder niet is meegenomen bij de uitspraak op bezwaar komt naar het oordeel van de rechtbank voor risico van eiseres. De rechtbank vindt in de dossierstukken geen aanwijzingen dat de namens verweerder bij het hoorgesprek betrokken personen ook al bij de voorbereiding van de bestreden aanslag betrokken zijn geweest. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet op dit punt.

9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de totstandkoming van de uitspraak op bezwaar niet onzorgvuldig te werk is gegaan en dat evenmin de hoorplicht is geschonden. De onder 5. genoemde beroepsgronden van eiseres kunnen niet slagen.

Bron van inkomen

10. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een bron van inkomen. Eiseres is van mening dat de vraag of sprake is van een bron van inkomen moet worden beoordeeld op basis van de informatie die tot en met 2015 beschikbaar is en niet op basis van de resultaten van latere jaren. Verweerder heeft gedurende de jaren 2000 tot en met 2014 de met BS [A] behaalde resultaten als bron van inkomen geaccepteerd en heeft nooit gevraagd om een bedrijfsplan of een marktonderzoek. Verweerder had eerder moeten aangeven een ander standpunt in te nemen en had ook beter moeten motiveren waarom er geen bron van inkomen is, aldus eiseres. Van de activiteiten die ze met haar webshop BS [S] verrichtte, is de objectieve voordeelsverwachting volgens eiseres een gegeven. Ook het feit dat zij in 2016 een bedrijfspand heeft gekocht is volgens eiseres een aanwijzing dat er in 2015 sprake was van een bron van inkomen.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een bron van inkomen, ook niet in de jaren vóór 2015. Volgens verweerder ontbreekt de objectieve voordeelsverwachting gelet op de resultaten uit eerdere jaren mede bezien in het licht van hetgeen over latere jaren bekend is geworden. Verweerder voert aan dat uit de cijfers blijkt dat de omzet veelal gelijk is aan de inkoopkosten. Er ontbreekt een winstmarge. Alleen dat is al een reden waarom er geen sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, aldus verweerder. Daarnaast heeft eiseres geen berekeningen en cijfers overgelegd waaruit de objectieve voordeelsverwachting blijkt.

12. De rechtbank overweegt dat, wil er sprake zijn van een bron van inkomen, volgens vaste jurisprudentie onder meer redelijkerwijs moet zijn te verwachten dat de bron – eventueel in de toekomst – een positieve opbrengst zal geven. De vraag of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen.3

13. De rechtbank is van oordeel dat de bewijslast dat sprake is van een bron van inkomen op eiseres rust. Zij moet aannemelijk maken dat er sprake is van een bron van inkomen. Het is niet zo, zoals eiseres lijkt te menen, dat het aan verweerder is om te bewijzen dat er geen sprake is van een bron van inkomen.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij objectief gezien een positieve opbrengst zou kunnen behalen met beide activiteiten. Zo is er geen bedrijfsplan en er zijn geen gegevens van marktonderzoek. Ook heeft eiseres geen begroting gemaakt. Uit de resultaten sinds 2008 kan naar het oordeel van de rechtbank eveneens geen voordeel worden afgeleid. De rechtbank deelt niet de opvatting van eiseres dat wie een webshop start altijd objectief voordeel verwacht. Eiseres heeft verklaard dat zij ongewoon hoge kosten heeft gemaakt buiten haar toedoen en dat bij het wegstrepen van die hoge kosten de opbrengst wel positief zou zijn geweest, maar ook daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat zij objectief bezien een positieve opbrengst zou kunnen behalen met de activiteiten. De rechtbank verwijst daarbij naar de door eiseres gemaakte berekeningen4 waaruit valt af te leiden dat – in elk geval in de jaren 2012 tot en met 2015 – de (inkoop)kosten van beide activiteiten afzonderlijk veelal ongeveer gelijk zijn aan de omzet of deze zelfs overtreffen.

15. De onder 10. genoemde beroepsgrond van eiseres slaagt niet.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

16. Eiseres betoogt dat niet alle relevante stukken zijn overgelegd door verweerder, met name de notities van telefoongesprekken.

17. De verplichting van verweerder om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen5 strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het in beroep bestreden besluit aan de rechter en de wederpartij beschikbaar worden gesteld. Deze verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden.6

18. Eiseres heeft verklaard dat door het niet overleggen van de stukken een verkeerd beeld van haar wordt geschetst, namelijk alsof ze maar heeft stilgezeten terwijl ze wel vaak telefonisch contact heeft gehad met verweerder. De rechtbank is van oordeel dat die enkele omstandigheid – of eiseres wel of niet heeft stilgezeten – niet relevant is voor de beoordeling van deze zaak. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om deze stukken alsnog op te vragen bij verweerder. De onder 16. genoemde beroepsgrond van eiseres slaagt niet.

Verzuimboete

19. Eiseres heeft ter zitting erkend dat zij aangifte heeft gedaan buiten de termijn. Het niet binnen de termijn doen van aangifte vormt een beboetbaar feit.7 Op grond van de wet bedraagt de verzuimboete over 2015 ten hoogste € 5.278. Volgens het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst wordt bij het te laat indienen van de aangifte een verzuimboete opgelegd van 7% van het wettelijk maximum. Dat is € 369. Bij het opleggen van een verzuimboete speelt de mate van schuld geen rol. Alleen bij afwezigheid van alle schuld wordt geen verzuimboete opgelegd. De bewijslast dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld ligt bij eiseres. Eiseres heeft geen omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld. De rechtbank acht de boete daarom in beginsel passend en geboden.

20. Wel dient nog de vraag te worden beantwoord of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en zo ja, wat daarvan de gevolgen zijn voor de hoogte van de verzuimboete (undue delay)8. De aanslag waarop de verzuimboete is aangekondigd is van 15 maart 2019. Op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn met 5 maanden overschreden. De verzuimboete moet daarom met 5% worden verminderd tot € 350.9 Omdat de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn ambtshalve heeft geconstateerd is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Conclusie

21. Het beroep is ongegrond. De boete vermindert de rechtbank tot € 350.

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover het betreft de beslissing over de verzuimboete;

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van € 350;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.D. Mathey-Bal, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier, op 4 augustus 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

w.g.griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

1 Artikelen 7:2, eerste lid en 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2 Artikel 9, vijfde lid, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB).

3 Hoge Raad 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707.

4 Bijlage 22 bij het verweerschrift.

5 Artikel 8:42 eerste lid van de Awb.

6 Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672 en Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1670.

7 Artikel 67a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

8 Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.

9 Hof Amsterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298.