Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:3345

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
04-08-2021
Zaaknummer
18/145671-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Verdachte heeft zich midden in de nacht en onder invloed van alcohol als passagier in een rijdende taxi schuldig gemaakt aan aanranding van een jonge vrouwelijke taxichauffeur. Gedurende de rit op de snelweg heeft verdachte het slachtoffer meerdere keren naar zich toegetrokken en daarbij meermalen langs haar bedekte borst gewreven. Ook is verdachte veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan het slachtoffer.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 246
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/145671-20

Vonnis van de meervoudige strafkamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

3 augustus 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting 20 juli 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. Albayrak, advocaat te Heerenveen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 6 december 2019 tot en met 7 december 2019, op

de Rijksweg A7, te of bij Drachten, in de gemeente Smallingerland en/of te of bij

Hoogkerk, in de gemeente Groningen, in elk geval in Nederland,

door een feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer

ontuchtige handelingen, bestaande uit het betasten, althans aanraken van de

bedekte borst(en) van die [slachtoffer],

en bestaande die feitelijkheid hieruit dat verdachte tijdens een taxirit, die door die

[slachtoffer] als taxichaufeusse werd uitgevoerd, (zo) plotseling en/of onverhoeds

en/of tegen de wil van die [slachtoffer] de bedekte borst(en) heeft

betast/aangeraakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en wordt ondersteund door drie getuigenverklaringen over haar gemoedstoestand vlak na het feit. Verdachte verklaart dat de aangifte klopt, behalve het aanraken van de borst, omdat hij het zich anders wel zou kunnen herinneren. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte op dit punt ongeloofwaardig en volgt de aangifte. Het gaat hier niet om het toevallig aanraken door het spreken met handen en voeten, aangeefster haar borst is meerdere keren aangeraakt.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken en hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte betwist dat hij een van de borsten van aangeefster zou hebben betast. De ontkenning van verdachte vindt onder meer ondersteuning in het uitgevoerde DNA-onderzoek. Volgens aangeefster zou verdachte vijf keer met zijn hand over haar bedekte rechterborst hebben gewreven, er is echter geen DNA van verdachte op het shirt van aangeefster aangetroffen. Daarnaast ziet de raadsman ondersteuning voor de ontkenning van verdachte in de verklaring van [naam 1], die spreekt over een vergelijkbare situatie waarbij geen sprake was van het betasten van de borsten. Als verdachte iemand zou zijn die borsten betast, zou hij dat ook in de situatie met [naam 1] hebben geprobeerd.

De raadsman is van mening dat de verklaring van aangeefster dan ook onvoldoende steun vindt in andere omstandigheden en verklaringen. De door haar collega’s omschreven gemoedstoestand van aangeefster zou ook veroorzaakt kunnen zijn door de algehele ervaring van de taxirit en niet zozeer door de aanraking van de borsten.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er wel voldoende bewijs aanwezig is, dan is de raadsman van mening dat er geen sprake is van opzet, omdat verdachte niet bewust de borst van aangeefster heeft aangeraakt. Verdachte geeft aan dat als hij wat “krûperich” wordt, hij spreekt met zijn armen en benen. Hij heeft daarbij dan kennelijk per ongeluk aangeefster aangeraakt. Mede gelet op de uitslag van het DNA-onderzoek, moet deze aanraking vluchtig zijn geweest.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 20 juli 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Fan 6 op 7 desimber 2019 siet ik as klant yn de taksi by [slachtoffer]. Wy riden op de A7 fan Drachten yn de rjochting fan Hoogkerk.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 december 2019, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019324575 d.d. 15 mei 2020, inhoudend als verklaring van [slachtoffer]:

In de nacht van 6 op 7 december 2019 reed ik als taxichauffeur met een mannelijke klant in mijn taxi. Ik ben vervolgens de snelweg A7 opgereden. Ik reed 130 kilometer per uur toen de man mij steeds met zijn linkerhand om mijn hoofd heen pakte en mij naar zich toetrok. Hij pakte mij bij mijn kin en nek en trok mij naar zich toe. Met de rug van zijn linkerhand wreef hij dan over mijn gehele rechterborst. Dat is wel vijf keer gebeurd. Ik kon hier niet op reageren, het regende hard en we reden op de snelweg. Ik voelde mij machteloos. Ik was mij erg bewust dat wij op de snelweg reden en dat ik niet kon stoppen. Ik ben op de snelweg echt bang geweest, ik kon geen kant uit.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 11 december 2019, opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 2]:

Ik was op 7 december 2019 aan het werk toen [slachtoffer] belde. Ze belt alleen als er echt iets is. Ik had toen een wat paniekerig, zenuwachtig meisje aan de telefoon. Ze vertelde mij dat ze een klant in de auto had gehad die aan haar had gezeten. Ze klonk niet zoals ze normaal klinkt. Ze klonk aangedaan en sprak in eerste instantie ook niet vloeiend. Ze had duidelijk hulp nodig, want ze wist niet wat ze moest doen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d.

18 december 2019, opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 3]:

[slachtoffer] stond in de nacht van 6 op 7 december 2019 in een keer voor de balie op het bedrijf. Toen ze op de zaak kwam wist ik gelijk dat er iets niet in orde was. [slachtoffer] vertelde dat een klant haar betast had. Ik zag aan haar gezicht dat het serieus was. Ik zag dat haar handen en lip trilden en het huilen haar nader stond dan het lachen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d.

11 december 2019, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 4]:

Op 7 december 2019 heeft [slachtoffer] verteld dat de man haar onder het rijden betast had aan haar borst. Ik zag dat ze hierbij met haar hand over haar rechterborst streek. Ik zag dat ze ontdaan was. Het was onder het rijden en ze kon niet stoppen. De klant betreft de heer [verdachte] uit Harkema.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat aangeefster gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Zowel bij de politie, als tegen haar collega’s. Uit de aangifte blijkt dat verdachte aangeefster onder het rijden steeds naar zich toe heeft getrokken en daarbij meermalen met de rug van zijn linkerhand over haar rechterborst heeft gewreven. De verklaring van aangeefster wordt bovendien ondersteund door de verklaringen van haar collega’s, de getuigen [naam 2], [naam 3] en [naam 4], en in het bijzonder met betrekking tot haar gemoedstoestand na de taxirit met verdachte. Hieruit leidt de rechtbank af dat er meer is gebeurd dan alleen het naar zich toe trekken, waar verdachte over verklaart. Verdachte daarentegen heeft wisselend verklaard. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat de aangifte klopt, behalve wat betreft het aanraken van de borst van aangeefster. Volgens verdachte zou hij het zich herinneren als hij iemand bij de borsten had vastgepakt.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte met handen en voeten spreekt en aangeefster per ongeluk bij haar borst aangeraakt zou hebben. De rechtbank verwerpt dit verweer. Bij het vijf keer over de borst wrijven is er geen sprake meer van een toevallige aanraking.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat de ontkenning van verdachte wordt ondersteund door het DNA-onderzoek, nu er geen DNA van verdachte op de kleding van aangeefster is aangetroffen, en de verklaring van [naam 1]. De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van DNA niet betekent dat verdachte het feit niet zou kunnen hebben gepleegd, omdat niet elke aanraking een bruikbaar spoor met een goed DNA-profiel oplevert. Ook ziet de rechtbank geen ondersteuning van de ontkenning van verdachte in de verklaring van [naam 1]. Het feit dat verdachte, bij een eerder incident met een vrouwelijke taxichauffeur niet de borsten heeft betast, wil niet zeggen dat verdachte dat bij aangeefster ook niet heeft gedaan. Overigens blijkt uit de verklaring van [naam 1] dat verdachte bij haar incident wel over haar borsten heeft gesproken.

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank dan ook bewezen dat verdachte

aangeefster heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen. Verdachte heeft aangeefster tijdens een taxirit, rond middernacht, op de snelweg, terwijl aangeefster met een snelheid van 130 kilometer per uur reed, plotseling en onverhoeds en tegen haar wil meermalen haar bedekte borst aangeraakt. Ondanks dat aangeefster heeft aangegeven dat ze het niet wilde, bleef verdachte doorgaan.

De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 6 december 2019 tot en met 7 december 2019, op de Rijksweg A7, bij Drachten en bij Hoogkerk, door een feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het aanraken van de bedekte borst van die [slachtoffer], en bestaande die feitelijkheid hieruit dat verdachte tijdens een taxirit, die door die [slachtoffer] als taxichaufeusse werd uitgevoerd, plotseling en onverhoeds en tegen de wil van die [slachtoffer] de bedekte borst heeft aangeraakt.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat een taakstraf een passende strafmodaliteit is. Hij heeft daartoe aangevoerd dat artikel 22b Sr. niet van toepassing is, nu het niet gaat om een ernstige aantasting van de integriteit. De raadsman heeft verzocht bij de hoogte van een eventueel op te leggen taakstraf er rekening mee te houden dat verdachte geen recidive heeft en sprake is van een laag recidiverisico. Daarbij heeft de raadsman verzocht aan te sluiten bij de uitspraken van de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2018:4442) en het gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2021:93), waarin een werkstraf van 50 uren is opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich midden in de nacht en onder invloed van alcohol als passagier in een rijdende taxi schuldig gemaakt aan aanranding van een jonge vrouwelijke taxichauffeur. Gedurende de rit op de snelweg heeft verdachte het slachtoffer meerdere keren naar zich toegetrokken en daarbij meermalen langs haar bedekte borst gewreven. Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer. Uit de aangifte en de ter zitting gegeven toelichting op de schadevordering blijkt dat het voorval veel impact op het slachtoffer heeft gehad. Het voorval heeft haar veiligheidsgevoel beschadigd en zij is bang om ’s nachts op de taxi te rijden. Daarnaast heeft het voorval ook voor onrust gezorgd onder haar collega taxichauffeurs. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Taxichauffeurs moeten gewoon hun werk kunnen doen en van dergelijk gedrag verschoond blijven.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf ook kennis genomen van het reclasseringsadvies van 14 juni 2021, waaruit volgt dat de leefgebieden psychosociaal functioneren en middelengebruik van verdachte als delict gerelateerd en risico verhogend kunnen worden beschouwd. De reclassering is van mening dat er vooral sprake is geweest van ontremming van gedrag onder invloed van overmatig alcohol. De reclassering ziet geen toegevoegde waarde in het opleggen van interventies of toezicht en adviseert om een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.

Met betrekking tot de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop en het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf. Wel acht de rechtbank een (deels) voorwaardelijke taakstraf op zijn plaats, om verdachte ervan te weerhouden al dan niet onder invloed van alcohol opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 138,50 ter vergoeding van materiële schade en € 1.216,80 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en onder toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Zij heeft daartoe aangevoerd dat hoewel de vordering niet schriftelijk is onderbouwd, de rechtbank de schade met betrekking tot het shirt en de inkomstenderving kan schatten, mede nu de werkgever ter zitting het uurtarief heeft bevestigd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht om de vordering af te wijzen, gelet op de door hem bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu de vordering niet met schriftelijke bewijsstukken is onderbouwd. De benadeelde partij heeft aangegeven bang te zijn om haar werk uit te voeren en alleen op vrijdagnacht te werken en niet op zaterdagnacht. Hoewel de raadsman niets wil afdoen aan het vervelende voorval, kan hij niet volgen dat de angst van de benadeelde partij zich alleen beperkt tot de zaterdagnacht, nu het voorval met verdachte op de vrijdagnacht heeft plaats gevonden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de gevorderde materiële schade met betrekking tot het shirt (€ 80,00) en de gederfde inkomsten van de desbetreffende nacht (€ 58,50) toewijzen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij deze gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.

De gevorderde gederfde inkomsten in verband met het niet meer werken op zaterdagnacht acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd, nu onderliggende stukken ontbreken. In het licht van de omstandigheid dat de benadeelde partij op vrijdagnachten wel rijdt, valt niet zonder nadere onderbouwing in te zien om welke reden zij dat op zaterdagnachten niet doet. De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 138,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 december 2019.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 40 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de taakstraf niet naar behoren verricht.

Ten aanzien van 18/145671-20:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 138,50 (zegge: honderdachtendertig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

6 december 2019.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] te betalen een bedrag van € 138,50 (zegge: honderdachtendertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 december 2019, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 2 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 138,50 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands, voorzitter, mr. M.M. Spooren en

mr. J.A.P. Senior, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 augustus 2021.