Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:3343

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
04-08-2021
Zaaknummer
18/090537-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting, een poging tot oplichting en het doen van valse aangifte bij de politie. Hij heeft twee keer een valse schadeclaim ingediend bij zijn verzekeringsmaatschappij en zich voorgedaan als benadeelde van een diefstal uit zijn woning, terwijl de door hem opgegeven laptop en mobiele telefoon niet weggenomen waren. Daarnaast heeft de verdachte bij de politie aangifte gedaan van diefstal van een mobiele telefoon uit zijn woning, terwijl die diefstal niet had plaatsgevonden. Met deze aangifte en een valselijk opgemaakt schadeformulier is de verzekering vervolgens bewogen om ten onrechte verzekeringsgelden aan de verdachte uit de keren. Bij de tweede schadeclaim kreeg de verzekering argwaan en is het bij een poging gebleven.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 188
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/090537-19

Vonnis van de meervoudige strafkamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

3 augustus 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting 20 juli 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 9 juli 2017 tot en met 28 augustus 2017 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, " [benadeelde partij] " heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 19.390,03 Euro, althans een geldbedrag, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader toen aldaar met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid bij [benadeelde partij] een schadeclaim ingediend in verband met een gepleegde woninginbraak, (te weten) een woninginbraak op 9 juli 2017, op aan de [straatnaam] te Leeuwarden (waarvan aangifte was gedaan bij de Politie Noord-Nederland), daarbij doen voorkomen, dat (onder meer) (dure) kleding en/of een laptop (een Macbook Pro), in elk geval een hoeveelheid goederen met een totale waarde van 21.155,73 euro was weggenomen en zich aldus heeft/hebben voorgedaan als benadeelde(n) van een woninginbraak/diefstal,

terwijl voornoemde woninginbraak niet was gepleegd, waardoor voornoemde " [benadeelde partij] " werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij in of omstreeks de periode van 31 december 2017 tot en met 31 januari 2018, te

Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, althans in Nederland, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door (een) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag, met vorenomschreven oogmerk,- zakelijk weergegeven -, opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, bij [benadeelde partij] een schadeclaim heeft ingediend, betreffende de schade tengevolge van een op 31 december 2017 te Leeuwarden plaatsgevonden woninginbraak waarbij (onder meer) een mobiele telefoon, te weten een Apple Iphone X , was weggenomen en zich aldus heeft/hebben voorgedaan als benadeelde(n) van een diefstal, (waarvan aangifte was gedaan bij de Politie Noord-Nederland), terwijl deze woninginbraak/diefstal niet was gepleegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 juli 2017 tot en met

31 december 2017 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, (telkens) aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, door respectievelijk op 9 juli 2017 en/of op 31 december 2017 bij de Politie Noord-Nederland aangifte te doen van (een) woninginbra(a)k(en), althans van diefstal van (onder meer) een laptop, te weten een Macbook Pro, en/of een mobiele telefoon, Apple Iphone X, (telkens) wetende dat dat/die strafbare feit(en) niet is/zijn gepleegd;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1., feit 2. en feit 3. Op 9 juli 2017 is aangifte gedaan van een woninginbraak waarbij een Apple Macbook en kleding zijn weggenomen. De betreffende Macbook en ook een deel van de kleding zijn op 9 november 2018 in de woning van verdachte aangetroffen bij een doorzoeking in een andere strafzaak. De verdachte heeft de verzekeringsmaatschappij opgelicht door deze goederen ten onrechte bij de verzekeringsmaatschappij te claimen. Op 31 december 2017 heeft verdachte weer geprobeerd de verzekeringsmaatschappij op te lichten door, na het doen van aangifte van een woninginbraak, een schadeclaim in te dienen en daarbij een Apple iPhone X op te geven die verdachte nog in zijn bezit had. Verdachte heeft erkend dat hij de iPhone nog in zijn bezit had en vandaag ter zitting heeft hij verklaard de Macbook op een later moment onder het matras terug te hebben gevonden zonder de verzekeringsmaatschappij hiervan op de hoogte te hebben gesteld.

Ten aanzien van het ontbreken van het woord ‘diefstal’ aan het slot van de omschrijving van feit 1. van de tenlastelegging, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat woninginbraak diefstal impliceert waardoor ‘diefstal’ in de omschrijving kan worden ingelezen en dat overigens het woord ‘diefstal’ wel is opgenomen in de voorafgaande bijzin van de omschrijving van dit feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van feit 1. moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. In de tenlastelegging is opgenomen dat de schadeclaim door verdachte is ingediend in verband met een gepleegde woninginbraak op 9 juli 2017, terwijl die woninginbraak niet was gepleegd. Verdachte erkent de Macbook bij de schadeclaim te hebben opgevoerd, terwijl deze nog in zijn bezit was. Echter, niet is komen vast te staan dat de woninginbraak niet is gepleegd en het woord ‘diefstal’ ontbreekt in de cursief genoemde zinsnede. Gelet hierop kan de tenlastelegging niet worden bewezen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat, gelet op het feit dat het woord ‘diefstal’ van de Apple iPhone X wel in de tenlastelegging is opgenomen, dit feit bewezen kan worden verklaard. Echter is dit feit dan ten onrechte dubbel opgenomen onder feit 3.

De raadsman heeft verder bepleit dat feit 3. voor wat betreft de Macbook Pro bewezen kan worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten 1., 2. en 3. wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank stelt daarvoor aan de hand van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 9 juli 2017 is door de toenmalige partner van verdachte, [naam 1] , aangifte gedaan van diefstal met braak uit de woning gelegen aan de [straatnaam] te Leeuwarden. In de aangifte heeft zij verklaard op dit adres samen te wonen met de verdachte. Bij de inbraak zouden onder meer kleding, een soundbar en een Apple Macbook Pro zijn weggenomen. Op 13 juli 2017 heeft verdachte in een gesprek met verbalisanten aangegeven dat nog meer goederen zouden zijn weggenomen, te weten een mobiele telefoon, twee horloges en een digitale fotocamera. Verdachte had sinds 2016 een inboedelverzekering bij [benadeelde partij] en heeft van deze inbraakschade een claim ingediend. [benadeelde partij] heeft verdachte vervolgens schadeloos gesteld voor een geldbedrag van 19.390,03 euro’s.

Op 31 december 2017 is door verdachte aangifte gedaan van inbraak in zijn woning, waarbij onder meer een Apple iPhone X zou zijn weggenomen. In januari 2018 heeft verdachte wederom een schadeclaim bij [benadeelde partij] ingediend. Hierop heeft [benadeelde partij] een onderzoek laten instellen door een extern onderzoeksbureau. Uit dit onderzoek is gebleken dat verdachte de opgegeven iPhone X nog in zijn bezit had. In een

e-mail aan de onderzoeker erkent verdachte de iPhone X ten onrechte bij de verzekeringsmaatschappij te hebben geclaimd. [benadeelde partij] heeft als gevolg hiervan besloten niet tot uitkering over te gaan maar een minnelijke regeling te treffen met verdachte, inhoudende de terugbetaling van (een deel van) deze vordering. Verdachte heeft hier echter niet aan voldaan.

Op 9 november 2018 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning aan de [straatnaam] te Leeuwarden, in verband met een ander strafrechtelijk onderzoek. Tijdens deze doorzoeking zijn kleding en elektronica, waaronder een Apple Macbook Pro, conservatoir in beslag genomen. Bij het invoeren van deze goederen in de politiesystemen, constateerde de verbalisant dat de betreffende Macbook geregistreerd stond als gestolen bij een woninginbraak aan de [straatnaam] te Leeuwarden op 9 juli 2017.

De politie Noord-Nederland heeft [benadeelde partij] hiervan vervolgens op de hoogte gesteld, omdat zij vermoedde dat er sprake is van verzekeringsfraude. De verzekeringsmaatschappij heeft op 22 februari 2019 een civiele procedure aanhangig gemaakt. De kantonrechter heeft verdachte veroordeeld tot terugbetaling aan [benadeelde partij] van de geclaimde schadevergoeding. [benadeelde partij] heeft naar aanleiding hiervan aangifte gedaan van oplichting en het doen van valse aangifte.

Verdachte is in deze zaak door de politie in november 2018 gehoord en geconfronteerd met het feit dat de in zijn woning aangetroffen Macbook dezelfde betrof als die hij als gestolen had opgegeven bij de woninginbraak. Verdachte verklaarde destijds dat hij na de inbraak een Macbook voor 1.600 euro’s cash van een vreemde had gekocht op Marktplaats en dat hij er pas later achter kwam dat het dezelfde Macbook betrof.

Ter zitting heeft verdachte zijn verklaring gewijzigd en verklaard de Macbook korte tijd na de woninginbraak terug te hebben gevonden onder het matras in zijn woning, maar de verzekeringsmaatschappij hier niet van op de hoogte te hebben gesteld. Met betrekking tot de aangetroffen kleding in de woning van verdachte tijdens de doorzoeking op 9 november 2018, heeft verdachte verklaard dat een deel van die kleding aan zijn neef toebehoorde en hij een deel van de kleding opnieuw had aangeschaft.

Ten aanzien van feit 1.

De rechtbank acht niet bewezen dat geen woninginbraak heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht voorts niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde partij] heeft opgelicht door ten onrechte te claimen dat dure kleding was weggenomen bij de woninginbraak. Ter terechtzitting is mede gelet op de verklaring van verdachte onvoldoende komen vast te staan dat de als opgegeven weggenomen kleding dezelfde kleding betrof die later in de woning van verdachte is aangetroffen. Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte [benadeelde partij] heeft opgelicht door de schade als gevolg van diefstal van de Macbook te claimen.

De rechtbank verwerpt daarbij het verweer van de raadsman dat geen bewezenverklaring kan volgen omdat het woord ‘diefstal’ niet is opgenomen aan het slot van de omschrijving van dit feit.

Het ontbreken van het woord ‘diefstal’ in de ten laste gelegde zinsnede “terwijl voornoemde woninginbraak niet was gepleegd” beschouwt de rechtbank als een kennelijke verschrijving die aldus wordt verbeterd dat in plaats daarvan wordt gelezen "terwijl voornoemde woninginbraak/ diefstal niet was gepleegd”. Daarbij overweegt de rechtbank dat in de zinsnede daaraan voorafgaand ‘diefstal’ wel is opgenomen en dat uit het dossier blijkt dat er aangifte is gedaan van gekwalificeerde diefstal uit/ in de woning. Bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting is verder gebleken dat ook voor verdachte duidelijk was dat hem de ten onrechte ingediende schadeclaim van de diefstal van de Macbook Pro werd verweten, zodat hij door deze verbetering niet in zijn belangen wordt geschaad.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 maart 2019, opgenomen op pagina 16-17 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019068540 van 6 maart 2020, inhoudende als verklaring van [naam 2] , namens [benadeelde partij] :

Ik doe aangifte van oplichting door [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993. Genoemd persoon heeft door het doen van een valse aangifte, of het laten doen van valse aangifte bij de politie, [benadeelde partij] bewogen om een schadebedrag aan de verzekerde,

[verdachte] , uit te keren;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d.

12 november 2018, opgenomen op pagina 15 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Er is op zondag 9 juli 2017 aangifte gedaan van woninginbraak aan de [straatnaam] te Leeuwarden, waarbij onder andere een Macbook Pro is weggenomen en bijna anderhalf jaar later wordt in dezelfde woning de weggenomen Macbook Pro aangetroffen. Ik heb beide serienummers met elkaar vergeleken en beide kwamen overeen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 juli 2017, opgenomen op pagina 29-34 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam 1] :

Ik woon samen met mijn vriend aan de [straatnaam] in Leeuwarden. Op 09 juli 2017, zag ik dat er ingebroken was. Onze hele woning is overhoop gehaald. In ieder geval is een laptop weggenomen. De laptop is van het merk Apple, type: Macbook Pro. Wij hebben hem in juni 2017 gekocht voor ongeveer 2850,- euro bij de Mediamarkt.

4. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 juli 2021, voor zover inhoudend:

De laptop (de rechtbank begrijpt: de Macbook Pro) ben ik een paar dagen later tegengekomen onder het matras nadat ik de schadeclaim bij de verzekeringsmaatschappij had ingediend. Ik heb de verzekeringsmaatschappij daar toen niet van op de hoogte gesteld.

Ten aanzien van feit 2. en feit 3.

De rechtbank acht de feiten 2. en 3. wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 3. merkt de rechtbank op dat zij bewezen acht dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, voor zover het feit ziet op de valse aangifte van diefstal op 31 december 2017, waarbij de Apple iPhone X zou zijn weggenomen. De aangifte van de woninginbraak op

9 juli 2017 is door [naam 1] gedaan. Niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [naam 1] en verdachte, waardoor dat gedeelte van de tenlastelegging niet kan worden bewezen en verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank acht echter wel bewezen dat verdachte een valse aangifte heeft gedaan met betrekking tot de iPhone X. Het feit dat de rechtbank feit 2. ook bewezen acht staat hier niet aan in de weg. Het betreffen immers twee verschillende strafbare feiten die verschillende rechtsgoederen beschermen.

Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking op heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 juli 2021;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 maart 2019,

opgenomen op pagina 16-17 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019068540 van 6 maart 2020, inhoudende de verklaring van [naam 2] , namens [benadeelde partij] ;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 januari 2018, opgenomen op pagina 78-82 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [verdachte] ;

4. Een schriftelijk bescheid van 22 februari 2019, inhoudende een dagvaarding om te verschijnen voor de kantonrechter, opgenomen op pagina 19-28 van voornoemd dossier.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1., 2. en 3. wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 9 juli 2017 tot en met 28 augustus 2017 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen " [benadeelde partij] " heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, hebbende verdachte toen aldaar met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk bij [benadeelde partij] een schadeclaim ingediend in verband met een gepleegde woninginbraak, (te weten) een woninginbraak op 9 juli 2017, op aan de [straatnaam] te Leeuwarden (waarvan aangifte was gedaan bij de Politie Noord-Nederland), daarbij doen voorkomen, dat een laptop (een Macbook Pro), was weggenomen en zich aldus heeft voorgedaan als benadeelde van een diefstal, terwijl voornoemde diefstal niet was gepleegd,

waardoor voornoemde " [benadeelde partij] " werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2. hij in of omstreeks de periode van 31 december 2017 tot en met 31 januari 2018, te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep [benadeelde partij] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag, met vorenomschreven oogmerk,- zakelijk weergegeven -, opzettelijk valselijk en bedrieglijk, bij [benadeelde partij] een schadeclaim heeft ingediend, betreffende de schade tengevolge van een op 31 december 2017 te Leeuwarden plaatsgevonden woninginbraak waarbij onder meereen mobiele telefoon, te weten een Apple Iphone X , was weggenomen en zich aldus heeft voorgedaan als benadeelde van een diefstal, waarvan aangifte was gedaan bij de Politie Noord-Nederland, terwijl deze diefstal niet was gepleegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. hij op 31 december 2017 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, alleen, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, door op 31 december 2017 bij de Politie Noord-Nederland aangifte te doen van diefstal van een mobiele telefoon, Apple Iphone X, wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Oplichting.

2. Poging tot oplichting.

3. Aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht, gelet op de door hem bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 1., om aan verdachte een taakstraf op te leggen en geen voorwaardelijke gevangenisstraf.

De raadsman heeft verder aangevoerd zich in de door de officier van justitie geëiste taakstraf te kunnen vinden, maar heeft de rechtbank verzocht, mocht de rechtbank de raadsman volgen in zijn verweer, rekening te houden met een lager benadelingsbedrag.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting, een poging tot oplichting en het doen van valse aangifte bij de politie. Hij heeft twee keer een valse schadeclaim ingediend bij zijn verzekeringsmaatschappij en zich voorgedaan als benadeelde van een diefstal uit zijn woning, terwijl de door hem opgegeven laptop en mobiele telefoon niet weggenomen waren. Daarnaast heeft de verdachte bij de politie aangifte gedaan van diefstal van een mobiele telefoon uit zijn woning, terwijl die diefstal niet had plaatsgevonden. Met deze aangifte en een valselijk opgemaakt schadeformulier is de verzekering vervolgens bewogen om ten onrechte verzekeringsgelden aan de verdachte uit de keren. Bij de tweede schadeclaim kreeg de verzekering argwaan en is het bij een poging gebleven.

De verdachte heeft door aldus te handelen uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Bovendien heeft hij het vertrouwen dat de verzekeraar moet kunnen stellen in zijn cliënten, geschaad.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank het tijdsverloop in deze zaak meegewogen. Het gaat om strafbare feiten begaan in 2017 en begin 2018. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op het voorgaande en nu de rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie, ziet de rechtbank geen aanleiding voor oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf. Wel acht de rechtbank een (deels) voorwaardelijke straf op zijn plaats.

De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 63, 188 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 40 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de taakstraf niet naar behoren verricht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.P. Senior, voorzitter, mr. G.W.G. Wijnands en

mr. M.M. Spooren, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 augustus 2021.