Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:3341

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
05-08-2021
Zaaknummer
205475
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Schriftelijke aanwijzing van de GI is vervallen verklaard. Een schriftelijke aanwijzing is een ultimum remedium en moet het doel van de ondertoezichtstelling dienen. Het dient enkel ingezet te worden in gevallen waarin medewerking van de ouder niet door middel van overleg en overreding kan worden bereikt. In casu bestond er geen geschil over de bereidheid van de moeder om mee te werken aan de omgangsregeling zoals vastgesteld door de GI. De samenwerking tussen de moeder en de GI verliep positief, waardoor de noodzaak voor het opleggen van een schriftelijke aanwijzing ontbrak. Artikelen 1:263 jo. 1:264 jo. 1:265f van het Burgerlijk Wetboek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Groningen

Zaaknummer: C/18/205475 / JE RK 21-299

Datum uitspraak: 1 juli 2021

Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing

in de zaak van

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. S.F. Smidt, kantoorhoudende te Baarn,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,

die gevestigd is in Groningen,

hierna te noemen: de GI,

betreffende

[de minderjarige] , geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2017 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] .

Het procesverloop

De procedure is ingeleid met het verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 3 mei 2021, ingekomen bij de griffie op diezelfde dag.

Op 25 juni 2021 heeft de rechtbank aanvullende stukken van de moeder ontvangen.

Op 30 juni 2021 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Verschenen en gehoord zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- mevrouw [naam 1] en de heer [naam 2] , die de GI vertegenwoordigen.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

Bij beschikking van 29 oktober 2019 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is daarna verlengd, voor het laatst tot 29 oktober 2021.

Bij beschikking van 4 mei 2020 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een voorziening van pleegzorg voor de duur van de toen geldende ondertoezichtstelling, te weten tot 29 oktober 2020.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 21 oktober 2020 de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling in een voorziening voor pleegzorg, te weten tot 29 oktober 2021.

[de minderjarige] woont in een pleeggezin.

De GI heeft op 19 april 2021 in een schriftelijke aanwijzing de contacten tussen de met het gezag belaste ouder, de moeder, en [de minderjarige] beperkt, inhoudende dat:

"De omgang van u [lees: de moeder] met [de minderjarige] is vastgesteld op één maal per twee weken een omgang van 45 minuten onder begeleiding van pleegzorg dan wel JB Noord. Er zijn, mede in overleg met u, een aantal afspraken vastgelegd en deze luiden als volgt:

- Er is afgesproken dat u 15 minuten van tevoren aanwezig bent om u in de gelegenheid te stellen vragen te stellen aan pleegmoeder over [de minderjarige] .

- Conform het opgemaakte omgangsschema is er op bepaalde momenten ruimte om grootouders mee te nemen naar de omgang.

- U handelt naar instructies van de aanwezige professional waar nodig.

Indien er een goede samenwerking blijft bestaan en u zich blijft houden aan de gemaakte afspraken is JB Noord voornemens de omgang gefaseerd uit te breiden. Hierbij blijven de belangen en behoeften van [de minderjarige] centraal staan.

Indien u besluit zich niet aan deze aanwijzing(en) te houden, zijn wij genoodzaakt de duur en de frequentie van de omgang zou ter discussie kunnen komen te staan indien u zich niet aan de bovenstaande schriftelijke aanwijzing houdt."

Blijkens de notulen van de evaluatie van de omgangsregeling van 8 juni 2021 heeft de GI nieuwe afspraken gemaakt met de moeder betreffende uitbreiding/verandering van de omgang. De omgang vindt onder begeleiding plaats op kantoor van de GI, wat de moeder de mogelijkheid geeft om met [de minderjarige] naar de speeltuin of kinderboerderij te gaan. Voorts wordt de omgang met 15 minuten uitgebreid, wat betekent dat de moeder een uur per veertien dagen omgang heeft met [de minderjarige] .

Het verzoek van de moeder

De moeder verzoekt de rechtbank:

I. Primair te bepalen dat de schriftelijke aanwijzing van 19 april 2021 geheel dan wel gedeeltelijk vervallen wordt verklaard en dat de rechtbank zelfstandig een omgang vaststelt in de zin van artikel 1:265f lid 2 BW inhoudende de volgende omgangsregeling:

De omgang tussen [de minderjarige] en de moeder vindt plaats voor 45 minuten per twee weken. Na vier omgangsmomenten vindt een evaluatie plaats, waarna, als deze positief verloopt, de omgang zal worden uitgebreid naar 90 minuten per twee weken. Als dit weer vier omgangsmomenten goed verloopt, vindt een uitbreiding plaats van weer 45 minuten, enzovoort.

II. Dan wel subsidiair te bepalen dat de schriftelijke aanwijzing van 19 april 2021 van de GI gedeeltelijk of geheel vervallen wordt verklaard en een omgangsregeling vast te stellen zoals de rechtbank in goede justitie en in het belang van [de minderjarige] juist acht waarbij duidelijkheid wordt verschaft over gefaseerde uitbreiding van de omgang met de moeder.

De moeder verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Ter onderbouwing van haar verzoek voert de moeder aan dat de schriftelijke aanwijzing in strijd is met het noodzakelijkheidsvereiste, het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij stelt zich op het standpunt dat zij goed samenwerkt met de GI en dat zij ook akkoord was met de strekking van de schriftelijke aanwijzing. Verder is de moeder van mening dat de schriftelijke aanwijzing onvoldoende concreet is. De moeder stelt dat de GI een schriftelijke aanwijzing voornamelijk ziet als een procedurele verplichting om zodoende de ouders een eigen rechtsingang te geven. Zij concludeert daarom dat de schriftelijke aanwijzing overbodig is en verzoekt vervallenverklaring.

Het verweer van de GI

De GI heeft verweer gevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI aangegeven dat het protocol is van de GI om een schriftelijke aanwijzing te geven in de gevallen dat het contact tussen een ouder met gezag en minderjarige wordt bepaald/beperkt. De GI erkent dat de samenwerking met de moeder positief verloopt en dat zij ten aanzien van de inhoud van de schriftelijke aanwijzing op één lijn zitten. Sinds december 2020 wordt er een stijgende lijn waargenomen ten aanzien van de moeder. Vanwege deze positieve trend heeft de GI Elker verzocht om onderzoek te doen naar het woonperspectief van [de minderjarige] . In het perspectiefonderzoek, dat zich primair zal richten op de vraag of terugplaatsing bij de moeder mogelijk is, kan ook de duur, frequentie en uitbreiding van de omgangsmomenten en de nieuwe partner van de moeder worden meegenomen. Verder heeft de GI aangegeven niet langer voornemens te zijn om de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken om onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van de moeder. Het doel van de GI is om eerst het perspectiefonderzoek af te wachten en de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] gefaseerd uit te breiden, echter wil de GI dit doen op een tempo passend bij de behoeften van [de minderjarige] . Per 1 juli 2021 wordt de omgang uitgebreid met 15 minuten, waardoor de moeder in totaal één uur omgang per veertien dagen met [de minderjarige] heeft. De GI gaat de omgangsmomenten observeren, evalueren en nabespreken met de moeder.

De beoordeling

De kinderrechter overweegt als volgt.

Ontvankelijkheid

Gelet op artikel 1:264 lid 1 BW kan de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing op verzoek van een met het gezag belaste ouder geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. De kinderrechter stelt vast dat de moeder haar verzoek - gelet op de in artikel 1:264 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) genoemde termijn van twee weken na verzending van de schriftelijke aanwijzing - tijdig heeft ingediend, zodat zij kan worden ontvangen in haar verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

Ter beoordeling staat de vraag centraal of er redenen zijn om de schriftelijke aanwijzing van de GI ten aanzien van de beperking van de contacten van de moeder met [de minderjarige] vervallen te verklaren. Op grond van artikel 1:265f lid 1 BW kan de GI voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. De beslissing van de GI geldt op grond van lid 2 als een schriftelijke aanwijzing, in welk kader artikel 1:263 BW en artikel 1:264 BW van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Artikel 1:265f lid 2 BW bepaalt bovendien dat de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.

Artikel 1:263 lid 1 BW luidt als volgt:

"De gecertificeerde instelling kan ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen."

De rechtbank overweegt dat uit Tekst & Commentaar op artikel 1:263 lid 1 BW het volgende blijkt:

"De gecertificeerde instelling is bevoegd om een schriftelijke aanwijzing te geven aan de met het gezag belaste ouder of de minderjarige om hen zodoende te bewegen om mee te werken aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het geven van een aanwijzing is een vrij ingrijpende beslissing waartoe pas dient te worden overgegaan als de gewenste medewerking niet door overleg en overreding kan worden bereikt. De aanwijzing moet het doel van de ondertoezichtstelling dienen en mag niet in strijd komen met het recht (MvT, Kamerstukken II, 2008/09,32015,3,p.28). "

De ‘kan’-bepaling in het artikel 1:263 lid 1 BW leidt ertoe dat het een vrije bevoegdheid van de GI is om een schriftelijke aanwijzing op te leggen aan een gezaghebbende ouder of dit na te laten. Hoewel deze bevoegdheid verworden is tot een protocol van de GI, betreft het derhalve geen wettelijke plicht. De schriftelijke aanwijzing moet het doel van de ondertoezichtstelling dienen en mag volgens de wetgever niet in strijd komen met het recht. Los van de vraag of de schriftelijke aanwijzing in de gegeven omstandigheden nog actueel is nu de omgangsregeling inmiddels alweer is uitgebreid, kan een schriftelijke aanwijzing niet worden opgelegd als daar de noodzaak niet toe bestaat. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is het de kinderrechter gebleken dat de samenwerking tussen de moeder en de GI positief verloopt. Een schriftelijke aanwijzing moet beschouwd worden als een ultimum remedium dat enkel ingezet dient te worden in gevallen waarin medewerking van de ouder niet door middel van overleg en overreding kan worden bereikt. In het onderhavige geval bestaat er echter geen geschil over de bereidheid van de moeder om mee te werken aan de omgang zoals deze door de GI is bepaald. Zowel de GI als de moeder hebben tijdens de mondelinge behandeling hun positieve samenwerking bevestigd. Vanwege het feit dat de moeder de gewenste medewerking aan de omgangsregeling van de GI verleent, is de kinderrechter van oordeel dat er geen noodzaak voor een schriftelijke aanwijzing bestond. De kinderrechter concludeert dan ook dat de schriftelijke aanwijzing alleen hierom al vervallen dient te worden verklaard. De overige gronden die door de moeder zijn aangevoerd behoeven daarmee geen verdere bespreking meer.

De kinderrechter dient verder een beslissing te geven op het verzoek van de moeder om een omgangsregeling vast te stellen. De kinderrechter overweegt dat de uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] inmiddels in gang is gezet. Alle partijen zijn het erover eens dat ten aanzien van het tempo van de uitbreiding de behoeften van [de minderjarige] voorop staan en gevolgd dienen te worden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI expliciet aangegeven dat uitbreiding van de omgangsregeling het doel is. In het perspectiefonderzoek van Elker kan ook de uitbreiding van de omgangsmomenten, de duur, frequentie en het contact van [de minderjarige] met de nieuwe partner van de moeder worden meegenomen. De kinderrechter vindt het van groot belang dat het tempo van [de minderjarige] gevolgd wordt en zal daarom niet zelf een opbouw van de omgangsregeling vaststellen maar dit aan de GI overlaten. Dit verzoek van de moeder op dit onderdeel zal dan ook worden afgewezen.

De beslissing:

De kinderrechter:

verklaart de schriftelijke aanwijzing van de GI van 19 april 2021 vervallen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. T. ter Brugge, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken 1 juli 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. PGdeB