Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:3303

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
03-08-2021
Zaaknummer
18/066370-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt verdachte vrij van poging tot zware mishandeling.

Verdachte wordt veroordeeld tot drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf voor bedreiging en mishandeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/066370-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 augustus 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 juli 2021.

Verdachte is niet verschenen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij, op of omstreeks 10 juli 2018 te Bad Nieuweschans, gemeente Oldambt, [slachtoffer 1] heeft
bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een
(krachtig) luchtdrukwapen op die [slachtoffer 1] te richten en/of gericht te houden;
2.
hij, op of omstreeks 10 juli 2018 te Bad Nieuweschans, ter uitvoering van het door hem, verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een (krachtig) luchtdrukwapen (merk: Norica, type Storm, met identificatienummer [nummer] en serienummer [nummer]-), althans met een daarop gelijkend voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in de richting van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 10 juli 2018 te Bad Nieuweschans, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door met een (krachtig) luchtdrukwapen (merk: Norica, type Storm, met identificatienummer
[nummer] en serienummer [nummer]-), althans met een daarop gelijkend voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in de richting van die [slachtoffer 2] te schieten.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 en feit 2 primair. Ten aanzien van feit 2 primair heeft zij aangevoerd dat kan worden bewezen dat verdachte aangever heeft beschoten en hem heeft geraakt in zijn arm en zijn been. Ook heeft verdachte de telefoon van verdachte geraakt. Uit wapenonderzoek van het NFI is gebleken dat de luchtbuks waarmee verdachte heeft geschoten zeker geschikt is om letsel toe te brengen. Door met een dergelijke luchtbuks meermalen in een ongecontroleerde situatie iemand te beschieten, ontstaat de aanmerkelijke kans dat iemand zwaar lichamelijk letsel oploopt. In het bovenlichaam bevinden zich immers kwetsbare organen, die geraakt hadden kunnen worden wanneer de kogel net een aantal centimeters elders terecht was gekomen. Door aangever te beschieten heeft verdachte de kans dat dit gevolg in zou treden op de koop toegenomen. Verdachte had dus voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 2 primair

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever. In het dossier bevinden zich geen aanknopingspunten om aan te nemen dat verdachte daartoe de intentie had (vol opzet), zodat beoordeeld moet worden of sprake is van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Op grond van de stukken heeft de rechtbank niet vast kunnen stellen op welke lichaamsdelen van het slachtoffer verdachte gericht heeft met de luchtbuks. Wel is komen vast te staan dat verdachte aangever met de (kogeltjes uit de) luchtbuks heeft geraakt op zijn arm en enkel. Dat verdachte de luchtbuks op het hoofd en bovenlichaam van aangever heeft gericht, is daaruit echter niet af te leiden, terwijl ook anderszins daarvoor geen bewijs aanwezig is.

De rechtbank is daarom van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal verdachte daarom van het onder 2 primair ten laste gelegde vrijspreken.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

feit 1
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 11 juli 2018, opgenomen op pagina 4 e.v. van het dossier met nummer 2018212686 d.d. 12 augustus 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:
Vandaag 10 juli 2018 ben ik samen met mijn collega [slachtoffer 2] naar de woning
van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) aan de [straatnaam] te Bad Nieuweschans gegaan om daar een gesprek te voeren over de openstaande factuur van 1250 euro. Ik zag dat [verdachte] een wapen in zijn handen had. Hij kwam met het wapen bij mij staan en richtte het wapen op mij, hij richtte met het wapen op mijn gezicht.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 11 juli 2018, opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:
Op 10 juli 2018 parkeerde [slachtoffer 1] zijn auto voor de woning van de klant aan de [straatnaam] te Bad Nieuweschans. Vervolgens keek ik in de richting van de woning. Ik zag dat de klant op de oprit stond en een luchtbuks in zijn handen had. Op dit moment stonden wij, [slachtoffer 1], de jongen en ik, halverwege de oprit. Ik zag dat de klant vlak naast [slachtoffer 1] stond.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 11 juli 2018, opgenomen op pagina 121 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
Op 10 juli 2008 kwamen er twee mensen bij het huis van mijn ex. [slachtoffer 1] en een andere man. Ik ben naar binnen gegaan en heb een luchtbuks gepakt.

feit 2 subsidiair

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 11 juli 2018, opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:
Op 10 juli 2018 parkeerde [slachtoffer 1] zijn auto voor de woning van de klant aan de [straatnaam] te Bad Nieuweschans. Vervolgens keek ik in de richting van de woning. Ik zag dat de klant op de oprit stond en een luchtbuks in zijn handen had. Vervolgens zag ik dat de klant de buks tegen zijn schouder aan zette en deze mijn richting op richtte. Vervolgens hoorde ik een lichte knal en voelde ik een lichte tik tegen mijn enkel. Toen ik naar mijn enkel keek zag ik dat er een klein gaatje in mijn broek zat ter hoogte van mijn enkel. Vervolgens zag ik dat hij nog een keer de buks dubbelklapte en deze herlaadde. Vervolgens zag ik dat hij weer mijn richting op richtte en hoorde ik weer een knal. Vervolgens voelde ik dat iets mij raakte tegen mijn linkerarm. Toen ik naar mijn arm keek zag ik dat ik geschampt was door een kogeltje. Ik zag een schram op mijn arm en voelde een brandende pijn in mijn arm.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 11 juli 2018, opgenomen op pagina 4 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:
Nadat [verdachte] het geweer op [slachtoffer 2] richtte, begon hij op hem te schieten. Hij heeft [slachtoffer 2] op zijn been en arm geraakt.

3.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 11 juli 2018, opgenomen op pagina 121 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
Op 10 juli 2008 in kwamen er twee mensen bij het huis van mijn ex. [slachtoffer 1] en een andere man. Ik ben naar binnen gegaan en heb een luchtbuks gepakt.

4. Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 28 e.v., inhoudende:

Beslagene: [verdachte].

Goednummer: PL0100-2018177523-1029009.

Luchtdrukwapen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek wapen van Politie Noord-Nederland d.d. 1 augustus 2018, opgenomen op pagina 68 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Goednummer: PL0100-2018177523-1029009.

Spoor identificatienummer: [nummer].

Serienummer: [nummer]. Het is een luchtdrukwapen in de vorm van een geweer van het merk Norica, type Storm.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 en 2 subsidiair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.
hij op 10 juli 2018 te Bad Nieuweschans, gemeente Oldambt, [slachtoffer 1] heeft
bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een luchtdrukwapen op die [slachtoffer 1] te richten.
2.
hij op 10 juli 2018 te Bad Nieuweschans [slachtoffer 2] heeft mishandeld door met een luchtdrukwapen (merk: Norica, type Storm, met identificatienummer [nummer] en serienummer [nummer]-) meermalen in de richting van die [slachtoffer 2] te schieten.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

2 subsidiair mishandeling

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 en 2 primair wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van aangever [slachtoffer 1] door een luchtbuks op hem te richten. Aangever was naar het huis van verdachte gekomen om een nog openstaande schuld te innen. In plaats van het bespreken van dit conflict heeft verdachte een luchtbuks uit zijn woning gepakt en heeft hij niet geschuwd om dit wapen op aangever te richten.

Vervolgens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling door met deze luchtbuks te schieten op aangever [slachtoffer 2]. Aangever heeft hierdoor letsel aan zijn arm en been opgelopen. Verdachte heeft blijk gegeven geen respect voor de lichamelijke integriteit van anderen te hebben. Verdachte lijkt niet in staat te zijn om een conflict bespreekbaar te maken, maar in plaats daarvan naar geweld te grijpen. Daarbij schuwt hij niet om een luchtbuks op een ander te richten en zelfs met dit wapen te schieten. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Gelet op de rol van de aangevers zelf in dit feitencomplex en gelet op het tijdsverloop in deze zaak zal de rechtbank deze gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen. Om dezelfde redenen stelt de rechtbank de op te leggen proeftijd bij de voorwaardelijke straf vast op 1 jaar.


Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

1 luchtbuks, 5.5. mm (goednummer PL 0100-2018177523-1029009)

vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu de feiten met behulp van dit voorwerp zijn begaan en het voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank acht de aan verdachte toebehorende inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

  • -

    500 stuks patronen (goednummer PL 0100-2018177523-1029008)

  • -

    1 vuurwapen 5.6 mm (pistool) (goednummer PL 0100-2018177523-1029011)

  • -

    2 gevulde patroonhouders (goednummer PL 0100-2018177523-1029012)

  • -

    1 doosje munitie (goednummer PL 0100-2018177523-1029013)

  • -

    10 kogelpunten (goednummer PL 0100-2018177523-1029003)

vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu zij bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten zijn aangetroffen en zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 599,- ter vergoeding van materiële schade en € 350,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 115,- ter vergoeding van materiële schade en € 5.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij

[slachtoffer 1] in de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De immateriële schade kan worden toegewezen, verhoogd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 865,-, verhoogd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde materiële schade van € 115,- kan geheel worden toegewezen en de immateriële schade moet worden gematigd tot een bedrag van
€ 750,-.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is door het bewezen verklaarde geen rechtstreekse materiële schade toegebracht aan de benadeelde partij [slachtoffer 1]. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij
[slachtoffer 1] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De rechtbank zal de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid bepalen op € 250,-. De vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 250,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 juli 2018.

Voorts is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] de gestelde materiële schade van € 115,- heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde. De rechtbank zal de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid bepalen op € 500,- De vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 615,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 juli 2018.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 36f, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 1 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

  • -

    500 stuks patronen (goednummer PL 0100-2018177523-1029008)

  • -

    1 luchtbuks, 5.5. mm (goednummer PL 0100-2018177523-1029009)

  • -

    1 vuurwapen 5.6 mm (pistool) (goednummer PL 0100-2018177523-1029011)

  • -

    2 gevulde patroonhouders (goednummer PL 0100-2018177523-1029012)

  • -

    1 doosje munitie (goednummer PL 0100-2018177523-1029013)

  • -

    10 kogelpunten (goednummer PL 0100-2018177523-1029003)

Ten aanzien van 18/066370-20, feit 1

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 250,-zegge: tweehonderd vijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2018.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 250,-, te verhogen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2018. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 5 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/066370-20, feit 2 subsidiair

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 615,- (zegge: zeshonderd vijftien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2018.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 615,-, te verhogen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2018. Dit bedrag bestaat uit € 115,- aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 12 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Brouwer, voorzitter, mr. S. Zwarts en mr. C.J. Hoedt, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 augustus 2021.