Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:3176

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
23-07-2021
Zaaknummer
C/18/205298 / KG ZA 21-73
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering tot schorsing tenuitvoerlegging arbitraal vonnis. Arbitragecommissie heeft haar bevoegdheden niet overschreden. Geen noodtoestand ontstaan. Enkele mogelijkheid van vernietiging arbitrale vonnissen door het gerechtshof is op zichzelf onvoldoende voor het geven voor de gevorderde voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/205298 / KG ZA 21-73

Vonnis in kort geding van 6 mei 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. H.G.M. van Zutphen te Almelo,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. A.H. van der Wal te Heerenveen.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden (tevens eisers in voorwaardelijke reconventie) zullen gezamenlijk gedaagden worden genoemd. Gedaagden sub 1 en 2 zullen de erven worden genoemd. Gedaagde sub 3 zal [gedaagde sub 3] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding,

de aanvullende producties van de zijde van [eiser] ,

de conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie,

de brief van 29 april 2021 met producties van de zijde van gedaagden,

de mondelinge behandeling op 3 mei 2021,

de pleitnota van [eiser] ,

de pleitnota van gedaagden.

1.2.

Onmiddellijk na sluiting van de mondelinge behandeling is aangezegd dat het vonnis donderdag 6 mei 2021 zal worden uitgesproken en aan partijen zal worden verstrekt in kop-staart vorm en dat de motivering zo spoedig mogelijk daarna zal worden gegeven. Het kop-staart vonnis is op 6 mei 2021 aan partijen verstrekt; het onderhavige vonnis bevat de uitwerking van het kop-staart vonnis en zal om die reden eveneens op 6 mei 2021 zijn gedateerd.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en wijlen zijn broer [naam] hebben tot 18 februari 2017 de agrarische maatschap [de maatschap] (KvK [KvK nummer] ) (hierna: de maatschap) gevoerd. Op 18 februari 2017 is [naam] overleden.

2.2.

Tussen de erven en [eiser] heeft een arbitrage procedure plaatsgevonden. De arbitragecommissie heeft (tussen)vonnissen gewezen op 5 maart 2018, 22 juli 2018, 10 maart 2019, 16 september 2019, 18 mei 2020 en 15 april 2021 (twee).

2.3.

In het vonnis van 5 maart 2018 heeft de arbitragecommissie een voorlopige voorziening uitgesproken waarbij aan de erven de exploitatie van de boerderij is toegekend voor de duur van de arbitrageprocedure. De arbitragecommissie heeft in haar tussenvonnis van 19 september 2019 geoordeeld dat de maatschap door het overlijden van [naam] is beëindigd en dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat indien [eiser] het bedrijf wenst voort te zetten, hij daarvoor een vergoeding betaalt die is gebaseerd op de vrije waarde in het economisch verkeer van de tot de maatschap behorende roerende en onroerende goederen. Die waarde dient te worden bepaald door middel van een openbare verkoop van het bedrijf met alle toebehoren, welke verkoop zo spoedig mogelijk in gang moet worden gezet. [eiser] kan in het kader van de verkoop een bod op het bedrijf uitbrengen.

2.4.

In het vonnis van 18 mei 2020 heeft de arbitragecommissie [eiser] veroordeeld om binnen vijf werkdagen na dagtekening van die uitspraak mee te werken aan de omzetting van de bedrijfsbankrekeningen van en/en-rekeningen naar en/of-rekeningen, één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of ieder dagdeel dat [eiser] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 5.000,00. De arbitragecommissie heeft in haar vonnis in r.o. 5.7 overwogen:

‘(…) Overzetting van deze rekeningen op naam van de erven ligt naar het oordeel van de arbitragecommissie niet in de rede, aangezien zij bij tussenvonnis van 22 juli 2018 [eiser] reeds heeft veroordeeld tot medewerking aan de omzetting van deze bedrijfsrekeningen naar en/of-rekeningen. Kennelijk heeft [eiser] daaraan tot op heden geen gehoor gegeven, terwijl door de erven onbetwist is gesteld dat [eiser] eenvoudig zijn medewerking aan bedoelde omzetting kan geven door het (met de erven) invullen van een hiertoe bestemd formulier van de Rabobank. Deze omzetting betreft de twee bedrijfsbankrekeningen, bij partijen genoegzaam bekend, (…). Aangezien [eiser] geen gehoor heeft gegeven aan de eerdere veroordeling tot medewerking aan de omzetting, is de arbitragecommissie van oordeel dat de door de erven gevorderde dwangsomveroordeling nu wel voor toewijzing in aanmerking komt (…)

2.5.

Op 15 april 2020 heeft de arbitragecommissie twee vonnissen gewezen. In het ene vonnis heeft de arbitragecommissie [eiser] nogmaals veroordeeld om, binnen 7 dagen na betekening van de uitspraak, mee te werken aan de omzetting van de tenaamstelling van de twee bedrijfsbankrekeningen van de (voormalige) maatschap van en/en-rekeningen naar en/of-rekeningen, zulks op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of ieder dagdeel dat hij hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 75.000,00.

2.6.

Verder heeft de arbitragecommissie over het door [eiser] gevoerde verweer dat de arbitragecommissie slechts bevoegd was om de vraag te beantwoorden op welke wijze en wanneer de maatschap destijds is geëindigd, het volgende geoordeeld:

5.3 De vordering van de erven tot veroordeling van [eiser] om mee te werken aan de omzetting van de beide bedrijfsrekeningen is niet voor het eerst in de onderhavige procedure ingesteld. (…) De arbitragecommissie heeft die vordering bij haar vonnis van 18 mei 2020 toegewezen en [eiser] veroordeeld om zijn medewerking te verlenen op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat hij hiermee in gebreke zou blijven, met een maximum van € 5.000,-. Desondanks heeft [eiser] niet willen meewerken aan de totstandkoming van de door de Rabobank gevraagde verklaring/brief van partijen waarmee de omzetting van de bedrijfsrekeningen zou kunnen worden gerealiseerd. Hij heeft hierdoor de opgelegde dwangsommen verbeurd en die na een executiegeding aan de erven moeten betalen.

5.4

Uit het voorgaande volgt dat de arbitragecommissie nu voor de derde maal heeft te oordelen over dezelfde vordering van de erven, terwijl [eiser] in de onderhavige procedure voor het eerst de stelling heeft betrokken dat de arbitragecommissie niet bevoegd is om hierover te oordelen. Op grond van artikel 1052 lid 2 Rv. had [eiser] dit verweer moeten voeren toen de erven deze vordering voor de eerste keer instelden. Nu hij dat heeft nagelaten, moet het beroep op de onbevoegdheid van de arbitragecommissie, wat daar verder ook van zij, als te laat worden beschouwd en kan dit niet leiden tot de conclusie dat de arbitragecommissie onbevoegd is om over deze vordering te oordelen. De verwijzing door [eiser] naar de brief van de arbitragecommissie aan partijen van 9 juni 2020 kan alleen al daarom niet tot een andere conclusie leiden, omdat deze brief geen betrekking heeft op de bevoegdheid van de arbitragecommissie.

5.5

Het feit dat [eiser] van mening is dat de arbitragecommissie zich moet terugtrekken, omdat hij haar, gelet op haar uitspraken tot nu toe, niet onpartijdig vindt, wordt door de commissie weliswaar betreurd, maar kan geen aanleiding zijn voor het teruggeven van haar opdracht, in de eerste plaats omdat de erven zich daartegen verzetten en in de tweede plaats, omdat de wet in artikel 1033 Rv voorziet in een daarvoor geëigende procedure.

2.7.

In het tweede op 15 april 2020 gewezen vonnis heeft de arbitragecommissie allereerst het beroep van [eiser] op de onbevoegdheid van de arbitragecommissie verworpen. De arbitragecommissie heeft daarover het volgende overwogen:

Uit deze bepaling [artikel 12 van het maatschapscontract – aanvulling vrzr.], welke ingevolge artikel 1020 lid 5 Rv. moet worden beschouwd als een overeenkomst tot arbitrage, kan worden afgeleid dat de scheidsmannen bevoegd zijn om over alle geschillen, juridische en feitelijke, te oordelen die de maatschap betreffen, waaronder uitdrukkelijk ook begrepen de geschillen die de liquidatie betreffen. Aangezien deze bepaling ook geldt als akte van compromis dient zij te worden beschouwd als de aanduiding van hetgeen partijen aan arbitrage wensen te onderwerpen. Hieruit vloeit voort dat de arbitragecommissie in beginsel ook bevoegd is om te oordelen over de uitleg van de OvO, nu geschillen daarover kunnen worden beschouwd als geschillen die de maatschap tijdens en in het kader van de liquidatie betroffen. De commissie verwijst in dit verband ook naar haar vonnis van 5 maart 2018 waarin zij (in de overwegingen 2.1 - 2.3) zich bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] uit onrechtmatige daad.

4.5

Het voorgaande brengt mee dat de onbevoegdheid van de arbitragecommissie slechts kan worden gebaseerd op een latere, uitdrukkelijke beperking daarvan door partijen. (…) Concluderend kan worden vastgesteld dat er in de stukken geen aanwijzingen zijn te vinden voor het oordeel dat partijen naderhand uitdrukkelijk de bevoegdheid van de arbitragecommissie hebben beperkt. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat artikel 12 van het maatschapscontract de basis is voor de bevoegdheid van de arbitragecommissie, hetgeen meebrengt dat ook de onderhavige vorderingen van partijen door haar kunnen worden beoordeeld. Dit is ook in lijn met liet standpunt van [eiser] in de discussie tussen partijen naar aanleiding van zijn vorderingen uit onrechtmatige daad die (onder meer) onderwerp zijn geweest van het vonnis van de commissie van 5 maart 2018. Hetzelfde geldt voor de beoordeling van de OvO, welke een onderdeel vormt van de liquidatie van de maatschap, zodat de uitleg daarvan evenzeer binnen de bevoegdheid van de arbitragecommissie valt.

4.6

Ten overvloede overweegt de arbitragecommissie nog dat zij niet alleen over de in de vorige overweging vermelde vragen heeft geoordeeld, maar ook over diverse andere vragen, (…). Al deze onderwerpen laten zien dat de arbitragecommissie kennelijk ook door partijen steeds bevoegd is geacht om daarover te oordelen. [eiser] heeft bij al die gelegenheden nooit een beroep op de onbevoegdheid van de commissie gedaan, terwijl hij dat op grond van de artikel 1048a Rv., zoals nader uitgewerkt in artikel 1052 lid 2 Rv. toen direct had behoren te doen. (…)

4.7

De verwijzing door [eiser] naar de brief van de arbitragecommissie aan partijen van 9 juni 2020 kan alleen al daarom niet tot een andere conclusie leiden, omdat deze brief geen betrekking heeft op de bevoegdheid van de arbitragecommissie.

2.8.

Verder heeft de arbitragecommissie in het tweede vonnis van 15 april 2020 een tijdsplanning vastgesteld met betrekking tot de openbare verkoop van de boerderij. [eiser] is veroordeelt om binnen 7 dagen na betekening van deze uitspraak zijn akkoord met deze tijdsplanning aan de notaris mee te delen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat hij hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,00. De reconventionele vordering van [eiser] dat de tenuitvoerlegging van de arbitrale vonnissen zal worden geschorst totdat het gerechtshof zich heeft uitgesproken over de vordering tot vernietiging van de arbitrale vonnissen, is door de arbitragecommissie afgewezen.

2.9.

Bij brieven van 2 en 4 juni 2020 heeft [eiser] de arbitragecommissie een termijn van 5 dagen gegeven om het vonnis te heroverwegen, waarbij hij heeft aangegeven dat als zij daar niet meer akkoord gaat zij aan [eiser] een dwangsom verschuldigd is. Verder heeft [eiser] aangegeven dat hij door de beslissingen van de arbitragecommissie schade zal lijden, waarvoor hij de arbitragecommissie hoofdelijk aansprakelijk stelt.

2.10.

Bij brief van 9 juni 2020 heeft de arbitragecommissie in antwoord op de brieven van [eiser] kenbaar gemaakt dat zij de ingebrekestelling van [eiser] van de hand wijst, evenals de persoonlijke aansprakelijkstelling van ieder van de scheidsmannen. Verder heeft zij geschreven dat zij uit de brieven afleidt dat [eiser] van mening is dat de arbiters niet onpartijdig zijn en hem geen eerlijk proces hebben geboden, waardoor de conclusie voor de hand ligt dat [eiser] in hun oordeel over mogelijke andere geschilpunten die in deze procedure misschien nog naar voren zullen komen, weinig tot geen vertrouwen zal hebben, hetgeen geen goede basis is voor een voortzetting van haar werkzaamheden.

2.11.

Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 3 augustus 2020 heeft de voorzieningenrechter aan de erven verlof verleend tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de arbitragecommissie van 18 mei 2020.

2.12.

Tussen de erven en [eiser] is op 23 augustus 2020 een overeenkomst van opdracht gesloten ten behoeve van de openbare verkoop van de boerderij. Daarbij is vastgelegd dat [eiser] in de gelegenheid wordt gesteld om het hoogste bod dat is uitgebracht te evenaren en dat, indien [eiser] hiertoe bereid en in staat is, het bedrijf in dat geval aan hem zal worden toegedeeld. In de overeenkomst van opdracht is een verkooptraject vastgelegd. De notaris heeft deze overeenkomst van opdracht eveneens ondertekend, waarmee hij de opdracht heeft aanvaard de openbare verkoop te organiseren en begeleiden.

2.13.

[eiser] heeft de vernietiging van alle vonnissen van de arbitragecommissie tot en met het vonnis van 18 mei 2020 ingeroepen. Deze vernietigingsprocedure wordt gevoerd ten overstaan van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat de procedure heeft doorverwezen naar het gerechtshof Amsterdam. Op 16 september 2021 is pleidooi vastgesteld.

2.14.

Op 18 februari 2017, zijnde vlak voor het overlijden van [naam] , heeft [rentmeester] (hierna: [rentmeester] ), verbonden als rentmeester aan de Noordelijke Rentmeesterskamer B.V., op grond van een persoonlijke volmacht van [naam] een teeltpachtpachtovereenkomst (d.d. 17 februari 2017) gesloten met [gedaagde sub 3] .

2.15.

Vanaf 2018 heeft [rentmeester] namens de maatschap eveneens met [gedaagde sub 3] teeltpachtovereenkomsten afgesloten; zo ook in februari 2021 voor de periode van 15 februari 2021 tot en met 31 oktober 2021. Bij de registratie van deze pachtovereenkomst is een bedrijfsnummer van de Suikerunie gebruikt.

2.16.

[eiser] heeft op 14 maart 2021 voor de periode van 15 februari 2021 tot en met 31 oktober 2021 een teeltpachtovereenkomst gesloten met [naam 2] ten behoeve van het perceel bouwland behorende bij de boerderij.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening:

a. (de uitvoerbaarheid bij voorraad van) het vonnis van 18 mei 2020 en de vonnissen van 15 april 2021 van de arbitragecommissie gewezen in de procedure tussen [eiser] als gedaagde en de erven als eisers, te schorsen en;

de erven te verbieden om, na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, voornoemd vonnis van 18 mei 2020 en de vonnissen van l5 april 2021, al dan niet na het verkregen verlof van de rechtbank, te executeren, totdat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, eindarrest heeft gewezen in de procedure tussen [eiser] als appellant en de erven als geïntimeerde, die door eiser tegen dit vonnis van 18 mei 2020 aanhangig is gemaakt en tegen de vonnissen van 15 april 2021 nog aanhangig zal maken, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, die de erven in gebreke zijn om aan dit vonnis te voldoen, althans op straffe van een dwangsom als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.

Tevens:

te bepalen:

dat [eiser] bevoegd is, tot het moment waarop over de vordering tot vernietiging onherroepelijk is beslist, overeenkomsten ten behoeve van de exploitatie van de landbouwonderneming te sluiten, derhalve tot het moment dat in rechte en in laatste instantie, is geoordeeld omtrent de vernietiging van de vonnissen van de arbitragecommissie door het gerechtshof;

te gebieden:

[gedaagde sub 3] , de toegang tot het akkerland, gelegen te [woonplaats] sectie [kadasternummer] , 6.30.00 hectare te ontzeggen, en voor zover [gedaagde sub 3] al toegang heeft verkregen en of zich heeft verschaft, deze toegang te verbieden en de bebouwing van de betreffende grond en verbouwing van gewassen te verbieden omdat deze partij niet bevoegd is als zodanig te handelen, wegens het ontbreken van een (volledige) geldige titel en of registratie bij de Grondkamer en/of RVO;

[naam 2] te [woonplaats] , toegang te verlenen tot het hiervoor genoemde akkerland en de bebouwing van het betreffende akkerland toe te staan conform de bevoegdelijk gesloten teeltpachtovereenkomst met [naam 2] te [woonplaats] , met daarin de overeengekomen voorwaarden;

de erven te verbieden om, na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, voornoemde vonnissen van de arbitragecommissie te executeren, totdat het gerechtshof eindarrest heeft gewezen in de procedure tussen [eiser] als appellant en de erven als geïntimeerde, die door [eiser] tegen alle vonnissen aanhangig is gemaakt, waarbij de vernietiging van deze vonnissen is gevraagd;

de vonnissen van de arbitragecommissie te schorsen, dan wel op te schorten, tevens de vonnissen van 15 april 2021, tot het moment waarop over de vordering tot vernietiging onherroepelijk is beslist;

alles op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, die de erven in gebreke zijn om aan dit vonnis te voldoen, althans op straffe van een dwangsom als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;

met veroordeling van de erven in de kosten van deze procedure, te betalen binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis en tegen behoorlijk bewijs van kwijting, inclusief het salaris van de advocaat van [eiser] en de verschotten, zulks te vermeerderen met de nakosten op de voet van het liquidatietarief, met bepaling dat over de proceskosten-veroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn indien niet is voldaan aan die veroordeling binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis.

3.2.

Gedaagden voeren verweer.

4 Het geschil in voorwaardelijke reconventie

4.1.

De erven vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad onder de voorwaarde dat [eiser] in conventie in het gelijk mocht worden gesteld, derhalve in voorwaardelijke reconventie:

  1. de tijdsplanning voor de openbare verkoop van de boerderij met landerijen en aanbehoren aan de [adres] vast te stellen, zoals deze is opgenomen in overweging 5.12 van het arbitraal vonnis d.d. 15 april 2021 over de overeenkomst van opdracht;

  2. [eiser] te veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis schriftelijk zijn akkoord met deze tijdsplanning aan de notaris mee te delen, op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor ieder dag dat hij hiermee in gebreke blijft, met een maximum van de aldus door [eiser] te verbeuren dwangsommen op een bedrag ad € 100.000,00;

  3. [eiser] te veroordelen in de kosten van dit geding.

4.2.

[eiser] voert verweer.

5 De beoordeling in conventie en in voorwaardelijke reconventie

5.1.

[eiser] heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van het vonnis van 18 mei 2020 en de vonnissen van 15 april 2021 van de arbitragecommissie op voet van artikel 1066 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te schorsen.

5.2.

Vaststaat dat reeds een procedure tot vernietiging van de hiervoor genoemde arbitrale vonnissen bij het gerechtshof is aangebracht. Het gerechtshof is daarmee de eerst aangewezene om van een verzoek tot schorsing kennis te nemen. De wetgever heeft blijkens de wetsgeschiedenis de mogelijkheid opengelaten dat het in gevallen van onverwijlde spoed mogelijk is om een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis in kort geding bij de voorzieningenrechter op de voet van artikel 254 Rv en artikel 438 lid 2 Rv in te stellen (MvT, Kamerstukken II 1983/84, 18464, 3, p. 30). De voorzieningenrechter heeft derhalve na te gaan of sprake is van zodanige onverwijlde spoed.

5.3.

Ter onderbouwing van het spoedeisend belang heeft [eiser] gesteld dat de executie van de vonnissen van de arbitragecommissie voor [eiser] betekent dat hij wordt beroofd van zijn rechtsmiddel en de mogelijkheid dat de zaak door het gerechtshof wordt beoordeeld. [eiser] betoogt dat door de nieuwe vonnissen een onomkeerbare situatie dreigt te ontstaan, vandaar dat volgens [eiser] de schorsing daarvan moet worden uitgesproken. Verder heeft [eiser] aangevoerd dat het akkerland bewerkt moet worden en dat het belang van de onderneming daarbij dient te prevaleren. Volgens [eiser] is hij bevoegd om een teeltpachtovereenkomst af te sluiten en zijn de erven of [rentmeester] dat niet. [eiser] geeft aan dat dit tot schade leidt en dat hij bij het voorkomen daarvan een spoedeisend belang heeft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] daarmee het spoedeisend belang voldoende onderbouwd en kan hij in zoverre worden ontvangen in zijn vordering.

5.4.

Inhoudelijk overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In het onderhavige geval is sprake van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis. Nu gesteld noch is gebleken dat een arbitraal appel is overeengekomen, gaat het arbitraal vonnis (tezamen met de eventueel daaraan voorafgaande tussenvonnissen) op de dag van totstandkoming van dat eindvonnis in kracht van gewijsde. In dat geval heeft als uitgangspunt te gelden dat voor schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis slechts plaats is indien die tenuitvoerlegging misbruik van (executie)bevoegdheid ex artikel 3:13 Burgerlijk Wetboek (BW) oplevert (Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026).

5.5.

Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter in het onderhavige executiegeschil, in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 22 april 1983 (ECLI:NL:HR:1983:AG4575), de tenuitvoerlegging van het vonnis slechts kan schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen van de geëxecuteerde, die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn, indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na deze vonnissen voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde (in casu [eiser] ) een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Zoals ook [eiser] terecht in zijn dagvaarding heeft gesteld dient de onderhavige procedure niet een verkapt hoger beroep te zijn van de hiervoor genoemde arbitrale vonnissen. [eiser] heeft dat erkend en heeft aangegeven daarom ook geen inhoudelijke argumenten aan te voeren tegen de vonnissen, zoals het gesloten stelsel van rechtsmiddelen mee brengt.

5.6.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat van een klaarblijkelijke feitelijke of juridisch misslag pas sprake is wanneer het gaat om een evidente fout. Bij de beoordeling of sprake is van een evidente fout, moet terughoudendheid worden betracht. Voor zover [eiser] heeft willen stellen dat er sprake is van een juridische of feitelijke misslag kan hij daarin niet worden gevolgd.

5.7.

[eiser] betoogt – verkort weergegeven – dat de arbitragecommissie haar bevoegdheden heeft overschreden door vonnissen te wijzen waar [eiser] (samen met de erven) geen opdracht toe heeft gegeven. Voor zover dit al zou zijn te plaatsen onder een juridische misslag, heeft te gelden dat de arbitragecommissie blijkens de vonnissen van 15 april 2021 reeds meerdere malen heeft moeten oordelen over dezelfde vordering, terwijl [eiser] pas op dat moment voor het eerst de stelling heeft betrokken dat de arbitragecommissie niet bevoegd zou zijn om daarover te oordelen. De voorzieningenrechter is op grond van artikel 1052 lid Rv voorshands van oordeel dat dit verweer had moeten worden gevoerd op het moment die vordering voor de eerste keer was ingesteld. Dat heeft [eiser] niet gedaan. Verder is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken dat de arbitragecommissie met het wijzen van het arbitrale vonnis van 15 april 2021 ten aanzien van de uitleg van de overeenkomst van opdracht onbevoegd was hierover te oordelen. De arbitragecommissie heeft overwogen dat zij op grond van het maatschapscontract in beginsel ook bevoegd is te oordelen over deze overeenkomst en dat de onbevoegdheid van de arbitragecommissie slechts kan worden gebaseerd op een latere, uitdrukkelijke beperking daarvan door partijen. Niet is gebleken dat partijen een dergelijke beperking aan de arbitragecommissie hebben opgelegd. Sterker nog, uit de vonnissen van de arbitragecommissie blijkt dat zij over diverse door partijen aan haar voorgelegde vragen heeft geoordeeld en dat de arbitragecommissie daarmee kennelijk door partijen steeds bevoegd is geacht om daarover te oordelen. De voorzieningenrechter schaart zich achter deze overwegingen.

5.8.

De voorzieningenrechter is verder voorshands van oordeel dat niet is gebleken dat de tenuitvoerlegging op grond van na de gewezen arbitrale vonnissen voorgevallen of aan het licht gekomen feiten aan de zijde van [eiser] een noodtoestand zal doen ontstaan. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat het volgens hem niet de bedoeling kan zijn dat door executie de mogelijkheden voor het uitoefenen van een (buitengewoon) rechtsmiddel ongedaan worden gemaakt en dat de executie van de vonnissen dient te worden opgeschort tot het moment dat over de vernietiging door het gerechtshof is geoordeeld omdat de vernietigingsprocedure anders een dode letter wordt, maar de enkele mogelijkheid van vernietiging van de arbitrale vonnissen door het gerechtshof is op zichzelf niet voldoende voor het geven van een voorziening als thans door [eiser] is gevraagd en is derhalve niet de categoriseren als een noodtoestand. De onvoldoende nader onderbouwde stelling van [eiser] dat hij schade zal lijden bij de executie van de arbitrale vonnissen schiet daarvoor eveneens te kort.

5.9.

Het vorenstaande brengt mee dat de vorderingen van [eiser] met betrekking tot de schorsing van de vonnissen van de arbitragecommissie worden afgewezen.

5.10.

[eiser] heeft daarnaast gevorderd te bepalen dat hij bevoegd is, tot het moment waarop over de vordering tot vernietiging onherroepelijk is beslist, overeenkomsten ten behoeve van de exploitatie van de landbouwonderneming te sluiten, [gedaagde sub 3] de toegang tot het akkerland te ontzeggen en de verbouwing van gewassen te verbieden omdat [gedaagde sub 3] volgens [eiser] niet bevoegd is als zodanig te handelen wegens het ontbreken van een (volledige) geldige titel en/of registratie en [naam 2] toegang te verlenen tot het akkerland en de bebouwing van het betreffende akkerland toe te staan.

5.11.

[eiser] heeft in dat kader gesteld dat teeltpachtovereenkomst met [gedaagde sub 3] van februari 2021, voor de periode 15 februari tot en met 31 oktober 2021, onbevoegd is gesloten. Er bestaat volgens hem geen volmacht op grond waarvan de erven namens de (voormalig) maatschap een teeltpachtovereenkomst kunnen sluiten met [gedaagde sub 3] . Verder is de overeenkomst volgens [eiser] geen duurzame voortzetting van de onderneming en is de bewerking van de grond niet op de juiste manier geregistreerd bij de grondkamer. De teeltpachtovereenkomst met [naam 2] doet volgens [eiser] recht aan de positie van [eiser] en ziet op een duurzame voortzetting van het landbouwbedrijf van de maatschap.

5.12.

De voorzieningenrechter overweegt dat de arbitragecommissie heeft geoordeeld dat aan de erven de exploitatie van de boerderij is toegekend. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen, te meer niet nu hij reeds heeft geoordeeld dat de vonnissen van de arbitragecommissie niet zullen worden geschorst. Bovendien is niet gebleken dat [eiser] door de overeenkomst met [gedaagde sub 3] schade lijdt, zoals door hem is gesteld, doordat de teeltpachtovereenkomst niet juist zou zijn geregistreerd. De erven hebben dit nadrukkelijk weersproken en [eiser] heeft dit niet nader onderbouwd. Evenmin is gebleken dat er geen sprake zou zijn van een duurzame voortzetting van de onderneming. [gedaagde sub 3] bebouwt het akkerland behorende bij de boerderij immers al vanaf 2017 en het is niet gebleken dat door de teeltpachtovereenkomst met [gedaagde sub 3] schade is geleden door de onderneming.

5.13.

De vorderingen van [eiser] met betrekking tot de teeltpachtovereenkomst liggen daarom eveneens voor afwijzing gereed.

5.14.

Nu de vorderingen van [eiser] worden afgewezen, behoeft de vordering in voorwaardelijke reconventie geen bespreking meer.

5.15.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden vastgesteld op:

- griffierecht € 667,00

- salaris advocaat € 1.016,00

Totaal € 1.683,00

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

wijst de vorderingen af;

6.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op € 1.683,00;

6.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2021.

c: 598