Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2833

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-06-2021
Datum publicatie
08-07-2021
Zaaknummer
20/3282
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toekenning schadevergoeding na mijnbouw / eerder voorgelegde schade / hardheidsclausule

In geschil is of verweerder zich terecht onbevoegd heeft verklaard om de vóór

31 maart 2017 gemelde schade mee te nemen bij de behandeling van eisers aanvraag van 8 mei 2018.

Bij verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat zich de in artikel 2, vierde lid, aanhef en onder a, van de Tijdelijke wet Groningen (de TwG) beschreven situatie voordoet. Ter zitting is besproken of er sprake is van een zaak waarop de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de TwG van toepassing is. Ter zitting is gesproken over de toelichting bij artikel 14, tweede lid, van het Besluit mijnbouwschade Groningen (Stcrt. 2018, nr. 6398, blz. 14) en de toelichting bij artikel 2, vijfde lid, van de TwG (de Nota). Uit de in de Nota opgenomen toelichting, waarbij onder meer is gerefereerd aan een brief van de voorzitter van de Tijdelijke Commissie, blijkt dat bij de totstandkoming van artikel 2, vijfde lid, van de TwG is gedacht aan het geval waarbij sprake is van een combinatie van (zeer) ernstige schade en een buitengewoon procesverloop (blz. 22 en blz. 27).

Eiser heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij inziet dat zijn situatie niet vergelijkbaar is met de in de Nota geschetste combinatie.

De rechtbank komt tot het oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd niet maakt dat

de bij verweerschrift door verweerder gegeven toelichting geen stand kan houden. De wetgever heeft ervoor gekozen om verweerder in een zaak met omstandigheden als de onderhavige niet te laten beslissen over de vóór 31 maart 2017 gemelde schade. De rechtbank ziet in hetgeen door eiser naar voren is gebracht geen grond gelegen voor het oordeel dat, anders dan verweerder betoogt, in onderhavig geval herbeoordeling van de schade door verweerder aangewezen is. Dit betekent dat het besluit van verweerder om zich niet bevoegd te achten te beslissen over de voor 31 maart 2017 gemelde schade in stand blijft.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/361
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/3282


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te Groningen, eiser

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Feenstra en mr. K. Winterink).

Procesverloop

In het besluit van 7 november 2019 (het primaire besluit) heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister) aan eiser op grond van het Besluit mijnbouwschade Groningen (het BMG) een schadevergoeding van in totaal € 3.865,48 inclusief rente toegekend wegens schade aan het pand op het perceel [adres] te Groningen (het pand).

Op 1 juli 2020 is de Tijdelijke wet Groningen (de TwG) in werking getreden. Op grond van artikel 2, eerste lid, van deze wet is er een Instituut Mijnbouwschade Groningen (Instituut). Op grond van artikel 21, eerste lid, van deze wet worden de besluiten die zijn genomen door de deelcommissie mijnbouwschade aangemerkt als besluiten van het Instituut. Op grond van het vierde lid van artikel 21 neemt het Instituut de zaken over in de staat waarin ze zich bevinden. De rechtbank duidt in deze uitspraak daarom zowel de minister als het Instituut als verweerder aan.

In het besluit van 1 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat eiser in zijn totaliteit een schadevergoeding krijgt van € 5.888,94 inclusief rente.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2021. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling van dit beroep neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

1.1.

Op 1 april 2016 heeft eiser bij het Centrum Veilig Wonen (CVW) een aanvraag ingediend voor vergoeding van bevingsschade aan het pand. Op 11 november 2016 heeft
J. Uilhoorn van het Expertisebureau Noord een schadeopname verricht (NAM0122208). De bevindingen zijn opgenomen in het expertiserapport van 23 november 2016. In dit rapport zijn waargenomen schades gecategoriseerd als C (schade die niet zelfstandig in verband gebracht kan worden met aardbevingen). Tevens is een voucherdossier opgemaakt (NAM213733).

1.2.

Op 8 mei 2018 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend voor vergoeding van schade door mijnbouw aan het pand.

1.3.

In het kader van de behandeling van die aanvraag heeft op 17 april 2019 een schadeopname plaatsgevonden door een vertegenwoordiger van Brands Bouw B.V.
Vervolgens heeft B. van der Kwaak (Van der Kwaak) de bevindingen opgenomen in het adviesrapport van 21 mei 2019. In dit rapport is geconcludeerd dat schade 2 tot en met 11, 13, 14 en 16 tot en met 20 identiek zijn aan in NAM0122208 opgenomen schade. Verder is de vergoeding voor herstel van schades 1, 12, 15, 21 en 22 vastgesteld op
€ 3.077,12. Verergering van die schades door mijnbouwactiviteiten kan volgens de deskundige niet worden uitgesloten.

1.4.

Op 25 juni 2019 heeft eiser een zienswijze ingediend. Daarbij is naar voren gebracht dat destijds niet akkoord is gegaan met de conclusie van het CVW en ook niet is ingegaan op het aanbod ter finale kwijting. Eiser is het er niet mee eens dat eerder behandelde schade niet wordt meegenomen. Op 3 september 2019 heeft eiser een aanvullende zienswijze ingediend.

1.5.

Op 7 november 2019 heeft verweerder het hiervoor onder ‘Procesverloop’ genoemde primaire besluit genomen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

1.6.

Tijdens de bezwaarfase heeft W. de Weerd Bel (De Weerd Bel) een oplegnotitie ingediend. Die notitie is gedateerd 30 maart 2019 [de rechtbank leest: 2020].

Op 20 april 2020 heeft eiser een reactie ingediend. Op 1 mei 2020 heeft verweerder een reactie ingediend.

1.7.

In het kader van de behandeling van het bezwaarschrift heeft de Commissie Advisering Bezwaarschriften Schade door Mijnbouw (de bezwaaradviescommissie) op
16 juni 2020 een hoorzitting gehouden. Eiser is aldaar gehoord. Tevens was [persoon 1] aanwezig. Eiser heeft tijdens de hoorzitting naar voren gebracht dat hij zich benadeeld voelt, nu eerder door het CVW en de NAM beoordeelde schades buiten de behandeling worden gelaten. Eiser heeft hiertoe gesteld dat hij het voucheraanbod van € 1.500,- heeft afgewezen en nu wordt afgerekend op het feit dat hij eerder al schade heeft gemeld.

1.8.

Bij advies van 4 augustus 2020 heeft de bezwaaradviescommissie verweerder geadviseerd om het bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond te verklaren en aan eiser een aanvullende schadevergoeding voor de schades 12, 15 en 22 toe te kennen en de bezwaren voor het overige ongegrond te verklaren. Verder is overwogen dat op grond van artikel 14, eerste lid, van het BMG de bevoegdheid van verweerder beperkt is tot schades die niet al eerder door de NAM of het CVW in behandeling zijn genomen. Volgens de bezwaaradviescommissie biedt het BMG nadrukkelijk geen mogelijkheid eerder afgewezen schade nog eens te laten behandelen en kan deze afwijzing door eiser bij de civiele rechter worden aangevochten.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van 4 augustus 2020.

3. Eiser voert – kort samengevat – aan dat verweerder ten onrechte reeds door het CVW behandelde schades buiten behandeling heeft gelaten. Eiser meent dat sprake is van rechtsongelijkheid aangezien verweerder niet ontkent dat als er geen schades bij het CVW waren gemeld, die schades nu wel zouden zijn meegenomen. Volgens eiser kan en mag het niet zo zijn dat door het eerder kenbaar maken van schade, die onder een ander regime is afgewezen, nu achter het net wordt gevist. Eiser heeft verder een beroep gedaan op het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).

3.1.

In reactie hierop heeft verweerder – kort samengevat – het standpunt ingenomen dat hij op grond van artikel 2, vierde lid, aanhef en onder a, van de TwG, niet bevoegd is om de voor 31 maart 2017 gemelde (en in het rapport NAM0122208 opgenomen) schades 2 tot en met 11, 13, 14 en 16 tot en met 20 te behandelen. Verweerder heeft ter toelichting gesteld dat de gedachte achter artikel 2, vierde lid, aanhef en onder a, van de TwG is dat verweerder zich alleen buigt over schades die nog niet zijn beoordeeld en dat uitgangspunt van de wetgever is geweest dat situaties waarin de schademelder zich heeft neergelegd bij de uitkomst van zijn schadeprocedure, moet worden beschouwd als afgedaan. Volgens verweerder zou herbeoordeling van (een substantieel deel van) de 100.000 schadedossiers van het CVW het onmogelijk maken om nieuwe schademeldingen met de vereiste voortvarendheid te behandelen.

Verweerder heeft zich in het verweerschrift verder op het standpunt gesteld dat eiser geen beroep toekomt op de in artikel 2, vijfde lid, van de TwG opgenomen hardheidsclausule. Volgens verweerder zou gedacht kunnen worden aan het geval waarbij sprake is van een combinatie van (zeer) ernstige schade en een buitengewoon procesverloop, zoals genoemd in de Nota naar aanleiding van het verslag (de Nota; Tweede Kamer, vergaderjaar 2019-2020, 35 250, nr. 8), maar is van onbillijkheden van overwegende aard in het geval van eiser niet gebleken. Uit het procesverloop maakt verweerder op dat eiser kennelijk heeft berust in de uitkomst van de procedure bij het CVW; voor zover verweerder bekend, heeft eiser het rapport van 23 november 2016 niet laten toetsen door een contra-expert dan wel zijn zaak voorgelegd aan de Arbiter bodembeweging. Daarom wordt gesteld dat de situatie van eiser juist een situatie is die de wetgever voor ogen heeft gehad bij het opstellen van artikel 2, vierde lid, aanhef en onder a, van de TwG.

Ook heeft verweerder aangevoerd dat het beroep op artikel 4:6 van de Awb geen doel treft.

Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is naar verweerders visie geen sprake, nu eiser de conclusie van Van der Kwaak niet heeft betwist en verweerder op basis van die conclusie heeft toegelicht waarom hij niet bevoegd is om de eerder behandelde schade te behandelen. Van gewekt vertrouwen of schending van het rechtszekerheidsbeginsel is volgens verweerder evenmin sprake, gelet op de bevoegdheidsverdeling uit het BMG en de TwG. Tot slot heeft verweerder aangevoerd dat van gelijke of rechtens vergelijkbare omstandigheden in dit geval geen sprake is.

4. In geschil is of verweerder zich terecht onbevoegd heeft verklaard om de vóór

31 maart 2017 -op 1 april 2016- gemelde schade mee te nemen bij de behandeling van eisers aanvraag van 8 mei 2018.

4.1.

In het op 21 mei 2019 opgestelde rapport is geconcludeerd dat 16 van de 23 beschreven schades als C-schades zijn gerapporteerd in het op 23 november 2016 opgestelde rapport. In de conclusies behorend bij laatstgenoemd rapport is geconcludeerd dat er geen sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende schade. Eiser heeft de wens geuit dat deze schades door verweerder van een herbeoordeling worden voorzien. Mede daarom is na inwerkingtreding van het BMG op 8 mei 2018 opnieuw schade gemeld.

4.2.

Bij verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat zich de in artikel 2, vierde lid, aanhef en onder a, van de TwG beschreven situatie voordoet: “Het Instituut is niet bevoegd om een aanvraag om vergoeding van schade te behandelen indien deze schade betreft waarvoor voor 31 maart 2017, 12:00 uur een schademelding – of claim is voorgelegd aan het CVW of de exploitant.”

4.3.

Ter zitting is besproken of er sprake is van een zaak waarop de hardheidsclausule van toepassing is. In artikel 2, vijfde lid, van de TwG is, in navolging van artikel 14, tweede lid, van het BMG, het volgende bepaald: “Het Instituut kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, afwijken van het bepaalde in het vierde lid, onder a, ten einde onbillijkheden van overwegende aard te voorkomen.”

Ter zitting is gesproken over de toelichting bij artikel 14, tweede lid, van het BMG (Stcrt. 2018, nr. 6398, blz. 14) en de toelichting bij artikel 2, vijfde lid, van de TwG (de Nota). Uit de in de Nota opgenomen toelichting, waarbij onder meer is gerefereerd aan een brief van de voorzitter van de Tijdelijke Commissie, blijkt dat bij de totstandkoming van artikel 2, vijfde lid, van de TwG is gedacht aan het geval waarbij sprake is van een combinatie van (zeer) ernstige schade en een buitengewoon procesverloop (blz. 22 en blz. 27).
Eiser heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij inziet dat zijn situatie niet vergelijkbaar is met de in de Nota geschetste combinatie.

4.4.

De rechtbank komt tot het oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd niet maakt dat
de bij verweerschrift door verweerder gegeven toelichting geen stand kan houden. De wetgever heeft ervoor gekozen om verweerder in een zaak met omstandigheden als de onderhavige niet te laten beslissen over de vóór 31 maart 2017 gemelde schade. De rechtbank ziet in hetgeen door eiser naar voren is gebracht geen grond gelegen voor het oordeel dat, anders dan verweerder betoogt, in onderhavig geval herbeoordeling van de schade door verweerder aangewezen is.

4.5.

In dat licht bezien wordt in het betoog van eiser geen grond gezien voor het oordeel dat sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, gewekt vertrouwen, schending van het rechtszekerheidsbeginsel of schending van het gelijkheidsbeginsel.

4.6.

Dit betekent dat het besluit van verweerder om zich niet bevoegd te achten te beslissen over de voor 31 maart 2017 gemelde schade in stand blijft.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier, op 28 juni 2021. De uitspraak wordt openbaargemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hoger beroepschrift. U moet dit hoger beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.