Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2806

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-06-2021
Datum publicatie
07-07-2021
Zaaknummer
18/054008-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in de periode van 12 juni 2020 tot en met 23 februari 2021 schuldig gemaakt aan het dealen in amfetamine, GHB en MDMA en op 24 februari 2021 aan het voorhanden hebben van grote hoeveelheden harddrugs en softdrugs. Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden, met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Als bijzondere voorwaarden zal de rechtbank een meldplicht, een klinische opname in het IMC, inclusief vervoer daarnaartoe, een ambulante behandeling met de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, begeleid wonen en een drugsverbod opleggen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/054008-21

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/720079-19

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 juni 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 juni 2021.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.A. Pots, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 24 februari 2021 te Drachten, in gemeente Smallingerland, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ( in totaal) ongeveer 207,66 gram speed, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of

- ( in totaal) ongeveer 1921,51 gram GHB, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur en/of

- ( in totaal) ongeveer 44,58 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA

- ( in totaal) ongeveer 12,4 gram 2C-B, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B,

zijnde amfetamine en/of 4-hydroxyboterzuur (GHB) en/of MDMA en/of 2C-B (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2

hij op of omstreeks 24 februari 2021 te Drachten, in de gemeente Smallingerland opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) ongeveer 91,2 gram hennep en/of (in totaal) ongeveer 2,64 gram hasjiesj, in elk geval (in totaal) een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3

hij in of omstreeks de periode van 12 juni 2020 tot en met 23 februari 2021 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

(een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en/of 4-hydroxyboterzuur (GHB) en of MDMA en/of 2C-B, zijnde amfetamine en/of 4-hydroxyboterzuur (GHB) en/of MDMA en/of 2C-B (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1., 2. en 3.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat een veroordeling kan volgen ten aanzien van feiten 1., 2. en 3. Ten aanzien van feit 3. heeft hij aangevoerd dat niet de gehele ten laste gelegde periode bewezen kan worden. Er kan enkel een veroordeling volgen voor de periode vanaf eind december 2020 tot aan de aanhouding van verdachte op 24 februari 2021. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring die verdachte daarover heeft afgelegd geloofwaardig is. De verklaringen van de gebruikers die hebben verklaard dat verdachte al voor eind december 2020 heeft gedeald zijn minder betrouwbaar, omdat het een feit van algemene bekendheid is dat mensen met verslavingsproblematiek niet altijd goed weten wanneer zij van wie drugs hebben gekocht. Verder zegt de hoeveelheid drugs die bij verdachte is aangetroffen niets over de dealperiode.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feiten 1. en 2.

De rechtbank acht feiten 1. en 2. wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 juni 2021;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 25 februari 2021, opgenomen op pagina 34 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2021050359 van 4 mei 2021, inhoudend het relaas van verbalisanten;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verdovende middelen van 1 april 2021, opgenomen op pagina 97 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten;

4. een geschrift, inhoudende een rapport NFiDENT van 24 maart 2021, opgenomen op pagina 112 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van ing. [naam 1] ;

5. een geschrift, inhoudende een rapport NFiDENT van 24 maart 2021, opgenomen op pagina 113 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van ing. [naam 1] ;

6. een geschrift, inhoudende een rapport NFiDENT van 24 maart 2021, opgenomen op pagina 114 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van ing. [naam 1] ;

7. een geschrift, inhoudende een rapport NFiDENT van 29 maart 2021, opgenomen op pagina 115 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van ing. [naam 2] ;

8. een geschrift, inhoudende een rapport NFiDENT van 29 maart 2021, opgenomen op pagina 116 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van ing. [naam 2] ;

9. een geschrift, inhoudende een rapport NFiDENT van 29 maart 2021, opgenomen op pagina 117 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van ing. [naam 2] .

Ten aanzien van feit 3.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 11 juni 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Vanaf eind december 2020 tot 23 februari 2021 heb ik in drugs gehandeld. Ik had dagelijks een aantal klanten. Ik dealde voornamelijk in speed, maar ik heb ook GHB verkocht. Ik had de drugs altijd in een rugzak.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 17 juni 2020, opgenomen op pagina 39 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2021050359 van 4 mei 2021, inhoudend als relaas van verbalisant:

Ik verbalisant was op 15 juni 2020 belast met het onderzoek. In dit onderzoek werd verdachte [naam 3] op heterdaad aangehouden. Bij de fouillering bleek dat verdachte een zakje met een witte substantie had. In het verhoor verklaarde verdachte dat het natte speed betrof. Verdachte verklaarde dat hij dit sinds afgelopen vrijdag in zijn bezit had en had gekocht bij een [verdachte] . Nadat de verdachte dit had verklaard kreeg ik het idee, dat de omschreven persoon de mij ambtshalve bekende [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1983 te Smallingerland kon zijn. Om dit uit te sluiten heb ik verbalisant aan verdachte [naam 3] een foto getoond van [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1983 te Smallingerland. Ik heb aan verdachte gevraagd of dit de persoon betrof, waarvan hij zijn drugs kocht. Ik hoorde hem zeggen dat dit inderdaad de [verdachte] was, welke hij bedoelde. Hij zou hem voor 100 procent herkennen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 25 februari 2021, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 4] :

V: Heb je wel eerder drugs van [verdachte] gekocht

A: ja wiet. Hij heeft altijd de rugzak bij zich met hierin drugs

V: en harddrugs
A: Ook wel speed, maar de laatste tijd weed.

V: En daarvoor, wat betaal je voor de wiet bij [verdachte]

A: ik heb wel eens op de pof gekregen, dit was in november, ook betaal ik wel eens 20

euro voor een zakje wiet bij [verdachte]

V: Wat betaal jij voor de speed bij [verdachte]
A: Meestal 5 gram speed voor 20 euro, dit is vorig jaar geweest.

V: Vorig jaar heb je dus een paar keer speed gekocht bij deze [verdachte]

A: Klopt

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 25 februari 2021, opgenomen op pagina 46 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 5]:

A: [verdachte] . Ik heb wel eens van hem gekocht, GHB bedoel ik dan. Ik kreeg wel GHB van [verdachte] . Bij mij thuis had hij een cola-fles GHB bij zich, hij had dit in zijn tas meegenomen, dit was ongeveer een maand geleden. Hij verdeelde de GHB bij mij in de woning in kleinere porties. Hij deed dit in kleine Carvan Cevitam-flesjes. Hij verkocht dit.

V: Hoe lang is het geleden dat hij bij jouw thuis kwam om GHB te verdelen

A: Dat is afgelopen zomer geweest, in 2020. [verdachte] verdeelde de GHB bij mij in de woning, ik kreeg hiervoor in ruil wat GHB. Als hij bij mij in de woning GHB mocht maken of verdelen, kreeg ik ook wel een xtc-pilletje of wat speed. Hij bezorgt de drugs op de fiets bij de mensen langs.
O: Aan getuige wordt een foto getoond van [verdachte] , geboren op [geboortedatum]/1983
A: Ja, dat is genoemd [verdachte] .

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 15 juni 2021, opgenomen in het aanvullend procesdossier met nummer PL0100-2020152002-4, inhoudend als verklaring van [naam 3] :

V: Nu is er in jouw fouillering een wit goedje aangetroffen, wat is dat?
A: Dat is speed.
V: Hoelang heb je dat al in je bezit?
A: Vanaf vrijdag. Ik weet dat hij pillen verkoopt en MDMA en speed. Hij verkoopt ook wel GHB. Hij staat in mijn telefoon als [verdachte] .

Bewijsoverweging rechtbank ten aanzien van feit 3.

Verdachte heeft verklaard dat de handel in harddrugs gedurende een periode van eind december 2020 tot aan zijn aanhouding op 24 februari 2021 heeft plaatsgevonden en niet, zoals ten laste gelegd, al in de periode vanaf 12 juni 2020. De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaring van verdachte hierover geloofwaardig is en dat de verklaringen van de getuigen, die hebben verklaard al voor eind december 2020 drugs van verdachte te kopen, minder betrouwbaar zijn omdat het een feit van algemene bekendheid is dat mensen met verslavingsproblematiek niet altijd goed weten van wie zij hun drugs hebben afgenomen.

Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen volgt dat er meerdere getuigen zijn die, onafhankelijk van elkaar, hebben verklaard al voor eind december 2020 drugs van verdachte te hebben gekocht dan wel gekregen. Uit de getuigen verklaringen volgt dat verdachte ook in de periode van 12 juni 2020 tot eind december 2020 al drugs verkocht. De rechtbank ziet, gelet op het feit dat meerdere getuigen over deze periode hebben verklaard, geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze verklaringen. Ten aanzien van de begindatum van de ten laste gelegde periode heeft de rechtbank acht geslagen op de verklaring van getuige [naam 3] , die op 15 juni 2020 heeft verklaard de vrijdag daarvoor, hetgeen 12 juni 2020 was, speed van verdachte te hebben gekocht. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 12 juni 2020 tot en met 23 februari 2021 schuldig heeft gemaakt aan het dealen in amfetamine, GHB en MDMA.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1., 2. en 3. wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 24 februari 2021 te Drachten, in gemeente Smallingerland, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- in totaal 207,66 gram speed, een materiaal bevattende amfetamine en

- in totaal 1921,51 gram GHB, een materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur en

- in totaal 44,58 gram MDMA, een materiaal bevattende MDMA

- in totaal 12,4 gram 2C-B, een materiaal bevattende 2C-B,

zijnde amfetamine en 4-hydroxyboterzuur (GHB) en MDMA en 2C-B, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

hij op 24 februari 2021 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, opzettelijk aanwezig heeft gehad 91,2 gram hennep en 2,64 gram hasjiesj, in totaal een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

3.

hij in de periode van 12 juni 2020 tot en met 23 februari 2021 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en 4-hydroxyboterzuur (GHB) en MDMA,

zijnde amfetamine en 4-hydroxyboterzuur (GHB) en MDMA, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

2. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

3. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1., 2. en 3. wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 138 dagen en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met een proeftijd van drie jaren, zodat verdachte zich op 12 juli 2021 middels vervoer van DV&O naar het IMC kan laten vervoeren voor een opname, met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een klinische opname in het IMC, een ambulante behandeling met kortdurende opname, begeleid wonen, een drugs- en alcoholverbod en het meewerken aan middelencontroles.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 138 dagen, zodat verdachte daaropvolgend middels vervoer door DV&O kan worden opgenomen in het IMC, met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van drie jaren.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Verslavingszorg Noord Nederland van 21 mei 2021, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich in de periode van 12 juni 2020 tot en met 23 februari 2021 schuldig gemaakt aan het dealen in amfetamine, GHB en MDMA en op 24 februari 2021 aan het voorhanden hebben van grote hoeveelheden harddrugs en softdrugs. Verdachte heeft ter zitting een deels bekennende verklaring afgelegd, maar heeft geen volledige openheid van zaken gegeven ten aanzien van de dealperiode. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs gevaren voor de volksgezondheid opleveren, gepaard gaat met overlast in de samenleving en leidt tot vele vormen van criminaliteit. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij aan deze drugscriminaliteit een bijdrage heeft geleverd. Voor dergelijke feiten dient een gevangenisstraf het uitgangspunt te zijn.

De rechtbank heeft er bij de strafbepaling in strafverzwarende zin rekening mee gehouden dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Daarnaast heeft de rechtbank bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte in de proeftijd van een eerdere veroordeling liep en onder toezicht van de reclassering stond. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich door deze voorwaardelijk opgelegde straf niet heeft laten weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Uit het reclasseringsrapport leidt de rechtbank af dat er bij verdachte sprake is van problematiek op het vlak van huisvesting, financiën, sociaal netwerk, middelengebruik en psychosociaal functioneren. Om zijn middelengebruik te bekostigen is verdachte in verdovende middelen gaan handelen. Hij is daardoor teruggevallen in oude patronen en in zijn oude, criminele, sociale netwerk. De aanwezigheid van bewindvoering en de open, ontvankelijke houding voor begeleiding en een klinische behandeling kunnen als beschermend worden aangemerkt. Verdachte was al in behandeling bij de Forensische Poli van VNN. Toch is gebleken dat verdachte onvoldoende heeft geprofiteerd van de behandelingen en geen openheid van zaken heeft gegeven. De behandeling bij de Forensische Poli blijkt niet toereikend. Gezien de hardnekkige (verslavings)problematiek van verdachte is een klinische opname geïndiceerd. Verdachte is aangemeld voor het Intramuraal Motivatie Centrum (IMC) van VNN in Beilen. Hij kan daar op 12 juli 2021 om 10:00 uur worden opgenomen. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een opname in een zorginstelling, een ambulante behandeling met de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een drugsverbod, een alcoholverbod en het meewerken aan middelencontroles.

Ondanks dat de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en het feit dat hij in een proeftijd opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet in het belang van verdachte, alsook niet in het belang van de samenleving is. De rechtbank acht hulp voor verdachte noodzakelijk en ziet daarvoor ruimte in het advies van de reclassering, in combinatie met een langdurige voorwaardelijke gevangenisstraf. Om recidive in de toekomst te voorkomen acht de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte aansluitend aan zijn onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgenomen in het IMC te Beilen, teneinde zich daar klinisch te laten behandelen.

Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden, met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Als bijzondere voorwaarden zal de rechtbank een meldplicht, een klinische opname in het IMC, inclusief vervoer daarnaartoe, een ambulante behandeling met de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, begeleid wonen en een drugsverbod opleggen.

Inbeslaggenomen goederen

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de inbeslaggenomen verdovende middelen te onttrekken aan het verkeer en het injectiemiddel en het geldbedrag van € 3.041,00 verbeurd te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor teruggave van een geldbedrag van € 2.000,00 aan verdachte, omdat dit geld betreft dat verdachte van een ander had geleend. Ten aanzien van de overige inbeslaggenomen goederen refereert de raadsman zich aan de vordering van de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten alle inbeslaggenomen drugs en het injectiemiddel, vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, omdat de feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank acht het inbeslaggenomen geldbedrag van € 3.041,00 vatbaar voor verbeurdverklaring omdat dit geld uit baten van de strafbare feiten zijn verkregen en deze toebehoren aan verdachte. De rechtbank ziet geen reden aan te nemen dat een deel van dit geldbedrag niet uit baten van het dealen in drugs zou zijn verkregen, omdat de verdediging niet heeft kunnen aantonen dat verdachte dit geld had geleend.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 3 september 2019 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 62 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 18 september 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 14 mei 2021 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van bovengenoemde straf met dien verstande dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 60 dagen moet worden omgezet in een taakstraf van 120 uren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor omzetting van de gevangenisstraf in een taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kan de rechtbank in beginsel de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van de straftoemeting heeft overwogen, ziet de rechtbank gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de binnenkort te starten klinische opname bij het IMC te Beilen, aanleiding om in plaats daarvan een taakstraf te gelasten. De rechtbank wijst de vordering na voorwaardelijke veroordeling toe en zet de gevangenisstraf van 60 dagen om in een taakstraf van 160 uren, conform de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 11 en 13a van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 678 dagen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 540 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich aansluitend aan zijn detentie, op 12 juli 2021 onder begeleiding van Dienst Vervoer & Ondersteuning (DV&O) zal begeven naar het Intramuraal Motivatie Centrum (IMC) van VNN te Beilen, teneinde zich daar om 10:00 uur te melden;

2. dat de veroordeelde zich aansluitend aan zijn detentie, op 12 juli 2021 om 10:00 uur, voor de duur van een jaar, of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, laat opnemen bij het Intramuraal Motivatie Centrum (IMC) van VNN te Beilen, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de huisregels en aanwijzingen die de zorginstelling hem in het kader van de behandeling zal geven;

3. dat veroordeelde zich binnen vijf dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie telefonisch meldt bij de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland, op het adres [adres], telefoonnummer [telefoonnummer] en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode, die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd en op door de reclassering te bepalen plaatsen en tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang die instelling dat noodzakelijk acht;

4. dat de veroordeelde zich, aansluitend aan de klinische opname, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, onder behandeling zal stellen van de Forensische Poli van VNN, of een soortgelijke zorgverlener, zulks ter bepaling door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die deskundige/instelling aan te geven, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener hem voor de behandeling zal geven. Bij terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, ter stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.

5. dat de veroordeelde, indien geïndiceerd, aansluitend aan de klinische opname, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, zulks ter bepaling door de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem zal opstellen;

6. dat de veroordeelde zich zal onthouden van het gebruik van drugs en zal meewerken aan controles ten aanzien van het gebruik van drugs door middel van urineonderzoek.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, te weten op 12 juli 2021.

Inbeslaggenomen goederen

Verklaart verbeurd de in beslag genomen:

 3041 EURO

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen:

  • -

    1 FLS Verdovende middelen

  • -

    1 STK Injectiemiddel

  • -

    1 STK Cocaïne

  • -

    8 STK Xtc

  • -

    35 STK Xtc

  • -

    1 STK Xtc

  • -

    13 STK Xtc

  • -

    15 STK Xtc

  • -

    1 STK Xtc

  • -

    8 STK Xtc

  • -

    12 STK Xtc

  • -

    10 STK Pil

  • -

    3 GR Hashish

  • -

    1 STK Medicijn

  • -

    1 STK Cocaïne

  • -

    28 STK Pil

  • -

    3 STK Hennep

  • -

    2 STK Hashish

  • -

    83 STK Pil

  • -

    26 STK Pil

  • -

    2 STK Verdovende middelen

  • -

    2 STK Verdovende middelen

  • -

    3 STK Amfetamine

  • -

    2 STK Amfetamine

  • -

    2 STK Amfetamine

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/720079-19:

Gelast het verrichten van een taakstraf voor de duur van 160 uren, in plaats van de last tot tenuitvoerlegging van gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, oorspronkelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 3 september 2019.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Spooren, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. B.F. Hammerle, rechters, bijgestaan door mr. C.G. Velvis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni 2021.

Mr. Spooren en mr. Hammerle zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.