Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2728

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
08-07-2021
Zaaknummer
LEE 21/1735
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

woningsluiting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 21/1735


uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juni 2021 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker(gemachtigde: mr. H.L. Thiescheffer),

en

de burgemeester van de gemeente Leeuwarden, verweerder(gemachtigde: mr. E. Verdoorn),

Als derde-partij neemt aan het geding deel: Woningcorporatie Elkien, te Heerenveen.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de woning van verzoeker aan de [adres verzoeker] te [plaats verzoeker] (de woning) gesloten voor een periode van 6 maanden met ingang van 17 juni 2021 om 14:00 uur.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens de derde-partij is [medewerker woningcorporatie] verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter acht het spoedeisende belang in dit geval gegeven, omdat de woning op korte termijn wordt gesloten. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd het besluit te schorsen. Verweerder heeft op 10 juni 2021 aangegeven dat het besluit wordt opgeschort tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

3. Verweerder heeft besloten de woning met ingang van 17 juni 2021 te sluiten voor een periode van zes maanden. Hiertoe heeft verweerder gesteld dat de politie tijdens een controle in de woning van verzoeker een tweetal kleurloze plastic zakken met respectievelijk 1,94 en 0,69 gram amfetamine en een stuk plastic met 0,90 gram amfetamine heeft aangetroffen. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat uit het onderzoek van de politie blijkt van meerdere indicaties die wijzen op een ernstige situatie. Zo heeft verweerder gewezen op de hoeveelheid amfetamine welke is aangetroffen in de woning en dat uit het politieonderzoek blijkt van een MMA-melding met betrekking tot drugshandel vanuit verzoekers woning met een zeer frequente aanloop van drugsgebruikers. Verder is in 2016 in een toenmalige woning van verzoeker een handelshoeveelheid drugs aangetroffen, en is uit het posten van de politie rondom verzoekers huidige woning gebleken dat er gebruikers dan wel personen die in de politiesystemen voorkomen met betrekking tot de Opiumwet verzoekers woning kort bezoeken. Ten tijde van de inval op 18 februari 2021 was bovendien een tweetal personen in de woning van verzoeker die bij de politie ambtshalve bekend staan als gebruikers. Gelet hier is, aldus verweerder, sprake van een ernstige situatie, hetgeen met zich brengt dat niet kan worden volstaan met een waarschuwing.

4. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

5. Verweerder heeft op 16 januari 2020 de ‘Beleidsregels Opiumwet 13b’ vastgesteld. In paragraaf 3 is onder meer opgenomen dat het inzetten van artikel 13 Opiumwet uitzonderlijk is en alleen gebeurt in ernstige situaties. Bij het bepalen van de ernst van de situatie wordt gebruik gemaakt van de indicatorenlijst die is opgenomen in paragraaf 4. In paragraaf 3 is aangegeven dat een algemeen uitgangspunt bij de beoordeling van de ernst van de situatie is dat bij harddrugs, meer dan 30 gram softdrugs of meer dan 20 hennepplanten altijd sprake is van een ernstige situatie en in beginsel tot sluiting zal worden overgegaan. Daarnaast is, in paragraaf 3 en 4, aangegeven dat bij het aantreffen van (alleen) een geringe handelshoeveelheid softdrugs - minder dan 30 gram of minder dan 20 hennepplanten - onder voorwaarden kan worden volstaan met een waarschuwing, tenzij op grond van de overige indicatoren (alsnog) sprake is van een ernstige situatie. In paragraaf 5 is aangegeven dat zowel voor woningen als voor lokalen (al dan niet publiek toegankelijk) bij een sluiting in beginsel wordt uitgegaan van een sluitingsperiode van zes maanden. Hierbij is aangegeven dat deze termijn nodig is om de geschonden openbare orde te herstellen en de doelen te bereiken die met de sluiting worden voorgestaan. Daarnaast is hierbij aangegeven dat op dit uitgangspunt een uitzondering is gemaakt bij het aantreffen van (alleen) een handelshoeveelheid softdrugs of hennep. In dat geval wordt uitgegaan van een sluitingsperiode van 3 maanden.

6. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de AbRS), waaronder de uitspraak van 1 mei 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:1435), is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet naar zijn tekst niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5 gram softdrugs, de door het openbaar ministerie gehanteerde grenzen voor eigen gebruik, de aangetroffen drugs in beginsel geacht worden deels of geheel bestemd te zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om voor het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat in de woning van verzoeker 3,54 gram amfetamine is aangetroffen. Ingevolge vaste jurisprudentie van de AbRS is dit in beginsel een handelshoeveelheid. Als verzoeker stelt dat die hoeveelheid voor eigen gebruik is dan is het aan hem om dat niet alleen te stellen maar ook door middel van een onderbouwing aannemelijk te maken. De enkele kale stelling dat verzoeker al vanaf 1987 gebruiker is van amfetamine en dat het nadelig zou zijn voor zijn gezondheid als hij hiermee zou stoppen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om aannemelijk te achten dat de drugs een andere bestemming hadden dan voor de handel.

7.1.

Verzoeker betoogt dat er geen drugs vanuit de woning is verhandeld en dat er ook geen sprake is van overlast. De voorzieningenrechter overweegt dat dit niet kan leiden tot een andere uitkomst. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat ingevolge vaste jurisprudentie van de AbRS, waaronder de uitspraak van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912), uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, hetgeen op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. Gelet hierop kan de voorzieningenrechter aan het betoog van verzoeker dat ter plaatse geen sprake is geweest van overlast niet de waarde toekennen die verzoeker hieraan graag toegekend zou zien. Ten aanzien van de betwisting van verzoeker van de MMA-melding overweegt de voorzieningenrechter dat deze melding blijkt uit de bestuurlijke rapportage van 13 april 2021. De bestuurlijke rapportage is opgemaakt op basis van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Uit vaste jurisprudentie van de AbRS volgt dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en bestuurlijke rapportages, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt (zie onder meer de uitspraak van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2222). De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangedragen geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet van de op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en bestuurlijke rapportage uit mocht gaan.

7.2.

Gelet op het vorenoverwogene was verweerder dan ook bevoegd om handhavend op te treden. Nu er meer dan een gebruikershoeveelheid harddrugs is aangetroffen is er, aldus de voorzieningenrechter, sprake van een ‘ernstige situatie’ in de zin van het gemeentelijke beleid zodat verweerder niet heeft kunnen volstaan met een waarschuwing.

8. De voorzieningenrechter overweegt vervolgens dat verweerder bij de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet beschikt over beleidsruimte, zodat het sluitingsbevel op terughoudende wijze dient te worden getoetst. Uit vaste jurisprudentie van de AbRS (onder meer de uitspraak van 9 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3057) volgt wel dat het feit dat een besluit tot sluiting in overeenstemming is met de beleidsregel, niet zonder meer betekent dat verweerder terecht tot sluiting heeft besloten. Verweerder dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. In geschil is de vraag of verweerder in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat geen aanleiding bestaat om een andere, lichtere maatregel te treffen.

9. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen grond wordt gevonden voor de conclusie dat de woningsluiting zodanig onevenredig is in verhouding tot het doel van de Beleidsregels, dat hij van toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet had moeten afzien. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

9.1.

Aan het betoog van verzoeker dat het lastig is om voor een periode van 6 maanden vervangende woonruimte te vinden heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter - hoewel het aannemelijk is dat de tijdelijke sluiting van de woning een negatief effect zal hebben op het leven van verzoeker - geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat het feit dat verzoeker door de sluiting de woning tijdelijk moet verlaten een logisch gevolg is van de woningsluiting. Dit wordt in beginsel geacht te zijn verdisconteerd in het door verweerder gehanteerde beleid. Door verzoeker is niet gesteld dat verblijf in deze woning om bepaalde redenen noodzakelijk is of dat bij sluiting van de woning voor hem een noodsituatie ontstaat. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker zijn betoog dat hij geen vervangende woonruimte kan vinden niet heeft onderbouwd en dat niet is gebleken - aan de hand van objectieve gegevens - dat verzoeker financieel of anderszins niet in staat is tijdelijk vervangende woonruimte te krijgen. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat verzoeker zelf heeft verklaard dat hij iedere nacht bij een goede vriendin slaapt die ernstige epilepsie heeft om ervoor te zorgen dat zij in de ochtend weer wakker wordt.

9.2.

Daarnaast betoogt verzoeker dat hij een tere gezondheid heeft doordat in de nasleep van een verkeersongeval in 1976 zijn milt is weggenomen. Indien de woning wordt gesloten bestaat de kans dat hij opnieuw dakloos zal worden hetgeen zijn gezondheid geen goed zal doen. Hierbij geeft verzoeker aan dat hij 67 jaar is en dat hij niet fysiek psychisch en fysiek weerbaar is. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft verzoeker gewezen op diverse brieven van het Medisch Centrum Leeuwarden. Met betrekking tot dit betoog overweegt de voorzieningenrechter dat ook hierin geen aanleiding wordt gezien voor het aannemen van bijzondere omstandigheden. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat uit de overgelegde medische stukken niet is af te leiden dat verzoeker op medische gronden een bijzondere binding heeft met de woning en hij niet in staat is de woning te verlaten en een andere (al dan niet tijdelijk) woning te betrekken.

10. Gelet op het vorenoverwogene heeft het bezwaarschrift tegen het primaire besluit naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen. Ook anderszins is geen grond voor toewijzing van de voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

11. Verweerder heeft gewacht met het tenuitvoerleggen van de opgelegde maatregel. Om verzoeker de kans te bieden de nodige maatregelen te nemen zal de voorzieningenrechter bepalen dat de sluiting ingaat op dinsdag 29 juni 2021 en zes maanden daarna eindigt, dus op woensdag 29 december 2021.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

  • -

    bepaalt dat de woningsluiting ingaat op 29 juni 2021 om 14:00 uur.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2021.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.