Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2727

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
08-07-2021
Zaaknummer
LEE 21/437
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Sluiting van woning en loods o.g.v. artikel 13b Opiumwet. Voorbereidingshandelingen voor hennepkwekerij. Aannemelijk dat eisers wisten of ernstige redenen hadden om te vermoeden dat de voorhanden voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage. Voldoende aannemelijk dat het pand een schakel heeft gevormd in de productie en distributie van drugs. Duur van de sluiting overeenkomstig beleidsregel, terecht aangesloten bij het aantal hennepplanten dat op de locatie verbouwd kan worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 21/437


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2021 in de zaak tussen

[naam eiser 1] en [naam eiser 2] , te [woonplaats eisers] , eisers

(gemachtigde: mr. M.A. Jansen),

en

De burgemeester van de gemeente Waadhoeke, verweerder

(gemachtigde: mr. E.F. van der Goot).

Procesverloop

In het besluit van 2 november 2020 (primair besluit) heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat de woning en de loods op het adres [adres eisers] te [woonplaats eisers] (hierna: de woning en de loods) voor een periode van twaalf maanden worden gesloten.

Bij uitspraak van 18 november 2020 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eisers om een voorlopige voorziening te treffen, afgewezen.

In het besluit van 7 januari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de rechtbank verzocht het beroep versneld te behandelen. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2021. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam medewerker verweerder] .

Overwegingen

1. Naar aanleiding van een melding via Meld Misdaad Anoniem heeft de politie onderzoek gedaan naar de woning en de loods van eisers. Op 30 juli 2020 heeft de politie een onderzoek ter plaatse ingesteld en in de loods en de woning verschillende goederen aangetroffen. In de loods betrof het 855 gebruikte plantenpotten, 2 slakkenhuizen, 8 verkleurde koolstoffilters, 27 kleine ronde vaten met daarin onder andere 105 assimilatielampen, 9 liter plantgroeimiddel, nieuwe filterdoeken, houten panelen voorzien van isolatiemateriaal, meerdere meters elektriciteitskabel, droognetten en plastic buisjes ten behoeve van droognetten. In de woning betrof het 1 slakkenhuis, 1 vervuild koolstoffilter, 3 knipscharen waarvan 2 vervuild, 1 schakelklok, 1 weegschaal in een koffer met daarin meerdere sealbags, gebruikte plastic handschoenen, hennepgruis en henneptopjes. Het voorgaande is vastgelegd in een bestuurlijke rapportage d.d. 11 september 2020. Verweerder heeft bij het primaire besluit, na eisers in de gelegenheid te hebben gesteld om hun zienswijzen kenbaar te maken, besloten om de woning en de loods te sluiten voor de duur van 12 maanden. Verweerder heeft het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

2. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren, kort samengevat, de volgende gronden aan. Eisers vinden dat verweerder niet bevoegd is om de woning en de loods op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten. Zij heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de uitleg van de strafrechter van het begrip “bestemd zijn tot”. De jurisprudentie vereist dat sprake is van een toekomstgerichte intentie. Verweerder hoeft weliswaar niet strafrechtelijk te bewijzen, maar op haar ligt wel de bewijslast om ook dit aspect voldoende aannemelijk te maken. Er is geen toereikende motivering gegeven. Als verweerder wel bevoegd was, dan had zij moeten volstaan met een waarschuwing, nu de noodzaak van de sluiting niet is aangetoond. Tot slot voeren eisers aan dat bij het bepalen van de duur van de sluiting ten onrechte niet de bekend gemaakte richtlijn is gehanteerd, maar is uitgegaan van de theoretische mogelijkheden. Bij toepassing van die richtlijn moet geconcludeerd worden dat een kwekerij van een omvang zoals die door verweerder is geschetst, onmogelijk kan hebben bestaan op deze locatie. Daarbij kan worden berekend wat de omvang van een kwekerij maximaal zou kunnen zijn geweest. Daaruit volgt dat dit nooit meer dan 450 planten kunnen zijn geweest, en, indien wordt uitgegaan van de aangetroffen plantenpotten en het stroomverbruik dat technisch mogelijk is, niet meer dan 220 planten. Als verweerder in [plaats aangehaalde casus] kiest voor de lichtere categorie, dient zij dat ook bij eisers te doen, zodat een sluiting van drie maanden passend zou zijn, in plaats van één jaar.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het voldoende was dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat eisers wisten of ernstige redenen hadden om te vermoeden dat de voorhanden voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage. Strafrechtelijke jurisprudentie kan niet één op één worden toegepast. Verweerder volhardt in het standpunt dat zij bevoegd was om de woning en de loods te sluiten en dat de opgelegde sluiting noodzakelijk en evenredig is. De aangehaalde casus in [plaats aangehaalde casus] is niet vergelijkbaar met het onderhavige geval. Er is wel vergelijkbaar gehandeld, door in beide gevallen aan te sluiten bij de hoeveelheid hennep die kan worden geproduceerd.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Bevoegdheid

4.1

Verweerder is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in verband met artikel 11a van de Opiumwet, bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang als in een woning of lokaal of op een erf voorwerpen of stoffen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk in strijd met artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet te handelen, zoals door middel van hennepteelt. In een dergelijk geval is het de betrokkene die in strijd met artikel 11a van de Opiumwet heeft gehandeld. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 11a en 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet (Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, p. 4, en Kamerstukken II 2017/18, 34 763, nr. 6, p. 5) volgt dat de aangetroffen situatie van dien aard moet zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorhanden voorwerpen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld. Dan gaat het bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stof, de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie en andere uit het opsporingsonderzoek blijkende feitelijkheden zoals resultaten van tapgesprekken of observaties. De beoordeling of sprake is van het beroeps- of bedrijfsmatig in strijd handelen met artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet is volgens paragraaf 3.2.1. van de Aanwijzing Opiumwet, in het geval van een hennepplantage, afhankelijk van het aantal planten, de mate van de professionaliteit en het doel van de teelt.

Om bevoegd te zijn op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet is het niet nodig dat alle aangetroffen voorwerpen tegelijk geschikt zijn om een volledige beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten. Voldoende is dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de betrokkene wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de voorhanden voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage. Ook indien slechts een deel van de voorwerpen voorhanden is die nodig zijn om een beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten, kan de burgemeester bevoegd zijn, mits de voorhanden voorwerpen daartoe bestemd zijn. Zoals ook volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet (Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, p. 3) is van belang of het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het in redelijkheid aannemelijk kunnen vinden dat de aangetroffen goederen bestemd waren voor het opzetten van een hennepplantage en dat het pand een schakel heeft gevormd in de productie en distributie van drugs. Gezien het gebruikte karakter van een deel van de goederen, is het aannemelijk dat die goederen eerder voor hennepteelt zijn gebruikt. Daarnaast is vastgesteld dat in de meterkast van de woning de loodjes zijn verwijderd. Dit was ten tijde van het nemen van het primaire besluit recent gebeurd, gezien het feit dat de netbeheerder in mei 2020 nieuwe loodjes heeft aangebracht. De stelling van eisers dat de netbeheerder de loodjes heeft verwijderd en dat hij nog terug zou komen om nieuwe loodjes aan te brengen, is niet onderbouwd en overtuigt de rechtbank niet. Daarnaast zijn onder meer hennepgruis en henneptoppen aangetroffen. Dit tezamen maakt aannemelijk dat op het adres kort voor het aantreffen van de goederen activiteiten in verband met hennepteelt hebben plaatsgevonden. Eisers hebben dit niet ontkend. Tevens maakt dit aannemelijk dat verzoekers wisten of ernstige redenen hadden om te vermoeden dat de voorhanden voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bevoegd is tot sluiting over te gaan. Deze bevoegdheid betreft niet alleen de loods maar ook de woning. Gezien de in de woning en de loods aangetroffen goederen en de omstandigheid dat de loods vanuit de woning van elektriciteit wordt voorzien, is aannemelijk dat de woning en de loods in samenhang gebruikt zijn voor het voorhanden hebben in de zin van artikel 11a van de Opiumwet. De aangevoerde gronden treffen geen doel.

Noodzaak

4.2

Eisers hebben ter zitting verwezen naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 1 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1150) ter onderbouwing van hun stelling dat er geen noodzaak is tot het sluiten van de woning en de loods. Naar het oordeel van de rechtbank is de onderhavige situatie niet vergelijkbaar met de casus in de genoemde uitspraak, aangezien er in die casus om meerdere redenen sprake was van twijfel over de rol die de woning heeft gespeeld bij de drugshandel. In het onderhavige geval is juist op basis van alle aangetroffen goederen, de melding via Meld Misdaad Anoniem en de netmeting door netbeheerder Liander, voldoende aannemelijk dat het pand een schakel heeft gevormd in de productie en distributie van drugs. Verweerder heeft de sluiting in redelijkheid noodzakelijk kunnen achten. Deze grond treft eveneens geen doel.

Duur van de sluiting

4.3

Verweerder heeft voor de uitvoering van haar bevoegdheid de Beleidsregel Opiumwet 13b Gemeente Waadhoeke (de Beleidsregel) vastgesteld. Zij moet op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overeenkomstig deze beleidsregel beslissen, tenzij dat wegens bijzondere omstandigheden gevolgen voor eisers heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de sluiting van de woning en de loods te dienen doelen.

Uit de Beleidsregel blijkt dat verweerder bij het aantreffen van voorbereidingshandelingen een individuele afweging moet maken. Daarbij wordt gekeken naar de feiten en omstandigheden in de desbetreffende situatie en de eventuele constateringen uit het verleden. Daarbij is opgemerkt dat o.a. het soort en de hoeveelheid aangetroffen goederen van belang is, maar dat de gegeven opsomming niet cumulatief of limitatief is. Verweerder heeft overwogen dat het zo kan zijn dat bepaalde voorbereidingshandelingen nog niet zijn uitgevoerd. Dat de stroomvoorziening het nog niet mogelijk maakte om de gestelde grote hennepkwekerij op te zetten, maakt nog niet dat het in het geheel niet mogelijk is. Verweerder heeft het goed denkbaar geacht dat de stroomvoorziening daartoe nog in voorbereiding was. De verbroken zegels in de meterkast gaven daartoe volgens verweerder een eerste aanwijzing. Uitgaande van het gezamenlijk gebruik van de woning en de loods was het volgens verweerder mogelijk om een grote kwekerij op te zetten waaruit een opbrengst van meer dan 750 gram kan voortvloeien. Uitgaand van minimaal 1 hennepplant per aangetroffen plantenpot is verweerder uitgegaan van een totaal van 855 hennepplanten, die overeenkomstig de Beleidsregel gelijk staan aan 855 gram softdrugs. Ter zitting heeft verweerder daarbij aangetekend dat de werkelijke opbrengst van 855 planten een veelvoud is van 855 gram softdrugs.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid tot de bovengenoemde uitleg en toepassing van haar Beleidsregel kunnen komen. Zij had daarom naar het oordeel van de rechtbank de vrijheid om de duur van de sluiting te baseren op het aantal planten dat in de beschikbare ruimte gekweekt zou kunnen worden met zowel de aangetroffen goederen, als nog ontbrekende goederen of middelen die ook benodigd zouden zijn. Verweerder heeft terecht, anders dan in de casus in [plaats aangehaalde casus] , zowel de woning als de schuur in haar beoordeling betrokken, omdat er in beide bouwwerken goederen zijn gevonden die gezamenlijk bestemd zijn voor het aanleggen van een hennepplantage en ook beide bouwwerken daarvoor geschikt zijn of kunnen worden gemaakt.

Bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld van persoonlijke aard, op grond waarvan verweerder van sluiting had moeten afzien zijn niet aangevoerd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook in redelijkheid haar bevoegdheid tot het sluiten van de woning en de loods kunnen gebruiken zoals zij dat heeft gedaan. Gelet op de aard en de ernst van de overtreding en het feit dat eiser een antecedent heeft met betrekking tot het vervaardigen van softdrugs, had verweerder ook niet hoeven volstaan met een waarschuwing. Ook deze gronden treffen dan ook geen doel.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. S. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. T.C.A. Hofman-Aupers, griffier, op 17 juni 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.