Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2715

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-06-2021
Datum publicatie
01-07-2021
Zaaknummer
LEE 20-1980 en 20-1981
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek PAS-meldingen. Derde-belanghebbenden hebben zelfstandig beroepsrecht en zijn daarom niet ambtshalve als partij aangemerkt. Onder locatiegegevens worden ook verstaan de in de PAS-meldingen vermelde bedrijfsadresgegevens, aangezien die een emissiegegeven betreffen. Opleggen van een dwangsom aan verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2021/89 met annotatie van B. Arentz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummers: LEE 20/1980 en 20/1981

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juni 2021 in de zaken tussen

[verzoekster] , gevestigd te Nijmegen, verzoekster,

(gemachtigde: mr. V. Wösten),

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), verweerder,

(gemachtigde: mr. J.E.W. Tieleman).

Procesverloop

Bij deelbesluit I van 6 juni 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder deels op het verzoek ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van verzoekster beslist en zijn de niet-agrarische PAS-meldingen openbaar gemaakt met uitzondering van de naam van de melder en de locatiegegevens.

Bij deelbesluit II van 1 juli 2019 (het primaire besluit II) heeft verweerder deels op het verzoek ingevolge de Wob van verzoekster beslist en zijn de agrarische en niet-agrarische PAS-meldingen over prioritaire projecten openbaar gemaakt met uitzondering van de naam van de melder en de locatiegegevens.

Bij deelbesluit III van 23 juli 2019 (het primaire besluit III) heeft verweerder deels op het verzoek ingevolge de Wob van verzoekster beslist en zijn de PAS-meldingen openbaar gemaakt met uitzondering van de naam van de melder en de locatiegegevens.

Bij besluit van 10 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaarschrift van verzoekster ongegrond verklaard en de primaire besluiten I, II en III van 6 juni, respectievelijk 1 juli en 23 juli 2019 gehandhaafd. Het bestreden besluit heeft betrekking op de PAS-meldingen die zijn gedaan door ongeveer 3.500 bedrijven. Verweerder heeft alle bedrijven aangeschreven en desgewenst zijn die bedrijven in de gelegenheid gesteld om via een e-mailbericht een zienswijze, gericht tegen het voornemen, bij verweerder in te dienen.

Tegen het bestreden besluit heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 20/300. Tevens heeft verzoekster bij brief van 10 januari 2020 aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoekschrift is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 20/301.

Verweerder heeft bij brief van 10 maart 2020 de voorzieningenrechter verzocht ten aanzien van een aantal documenten toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en wel in die zin dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis zal mogen nemen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 12 maart 2020.

Verzoekster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J.H. Keinemans, A.C. van Manen en P. Wessels.

Derde-belanghebbenden zijn met kennisgeving niet verschenen.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster de eerder gegeven toestemming in de zin van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bevestigd.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Bij besluit van 1 april 2020 heeft verweerder het bestreden besluit van 10 december 2019 gewijzigd, in die zin dat naar aanleiding van het Wob-verzoek van verzoekster de PAS-meldingen die gedaan zijn door tien derde-belanghebbenden, afzonderlijk openbaar zijn gemaakt. Verweerder is hiertoe overgegaan op verzoek van de voorzieningenrechter opdat de procedure met een beperkt aantal belanghebbenden zou kunnen worden voortgezet.

De procedure met betrekking tot de overgebleven belanghebbenden zal worden voortgezet onder andere nummers en geschorst blijven totdat de onderhavige uitspraak gezag van gewijsde heeft gekregen dan wel er door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) definitief uitspraak is gedaan in een eventueel hoger beroep tegen de onderhavige uitspraak.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening van rechtswege mede betrekking op het besluit van 1 april 2020.

Het onderzoek ter zitting is ten aanzien van het besluit van 1 april 2020 hervat op 30 juni 2020. De rechtbank heeft de tien derde-belanghebbenden die de PAS-meldingen hebben gedaan ambtshalve aangemerkt als derde-partij en hen in de gelegenheid gesteld om aan het geding deel te nemen. Omdat hun namen mede onderwerp zijn van dit geding zijn deze belanghebbenden in deze uitspraak slechts aangeduid met het Romeinse cijfer waarmee zij in het besluit van 1 april 2020 zijn aangeduid. De naam van derde-belanghebbende VI is bij verzoekster bekend en verzoekster heeft verklaard die naam niet openbaar te zullen maken.

Verzoekster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Derde-belanghebbenden II en VIII hebben zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.T.A.M. van Mierlo

Namens derde-belanghebbende III zijn twee van de maten verschenen.

Derde-belanghebbende VI is in persoon verschenen.

Bij uitspraak van 3 juli 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:2388) heeft de voorzieningenrechter het beroep van derde-belanghebbende gegrond verklaard en het besluit van 1 april 2020 vernietigd, voor zover daarin de deelbesluiten I, II en III om de locatiegegevens in de PAS-meldingen niet openbaar te maken, zijn gehandhaafd. Verder heeft de voorzieningenrechter in voormelde uitspraak zelf in de zaak voorzien en het bezwaarschrift van derde-belanghebbende alsnog gegrond verklaard, in die zin dat de locatiegegevens uit de PAS-meldingen alsnog openbaar worden gemaakt en bepaald dat de openbaarmaking door verweerder van voormelde locatiegegevens niet eerder zal plaatsvinden dan op 24 juli 2020 en niet later zal plaatsvinden dan op 31 juli 2020.

Daarnaast heeft de voorzieningenrechter in voormelde uitspraak het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Bij uitspraak van 27 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:153) heeft de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State (AbRvS) in hoger beroep voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.

Met deze uitspraak van de AbRvS is voor deze tien melders einduitspraak gedaan, zodat die geen deel meer uitmaken van het onderhavige geschil.

Ter uitvoering van de uitspraak van de AbRvS heeft verweerder bij besluit van 4 maart 2021 (het bestreden besluit) het besluit op bezwaar van 10 december 2019 ingetrokken, het bezwaarschrift van derde-belanghebbende alsnog gegrond verklaard en de primaire besluiten I, II en III van 6 juni, respectievelijk 1 juli en 23 juli 2019 herzien, in die zin dat alsnog locatiegegevens, zoals opgenomen in de PAS-meldingen, openbaar zijn gemaakt.

Tegen het bestreden besluit heeft verzoekster nadere gronden ingediend bij de rechtbank.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 16 juni 2021.

Verzoekster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde mr. E. van Kerkhoven.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming gegeven.

Overwegingen

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld de voorzieningenrechter van de bestuursrechter op verzoeker een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef, en onder a, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder document: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

Ingevolge artikel 1, aanhef, en onder b, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder bestuurlijke aangelegenheid: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan.

Ingevolge artikel 1, aanhef, en onder g, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder milieu-informatie: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 19.1a van de Wet milieubeheer (Wm).

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wob vermeldt de verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Wob wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wob verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:

a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken,

b. kennisneming van de inhoud toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of

d. inlichtingen daaruit te verschaffen.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wob verstrekt het bestuursorgaan de informatie in de door de verzoeker verzochte vorm, tenzij:

a. het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet gevergd kan worden;

b. de informatie reeds in een andere, voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is.

Ingevolge artikel 7, derde lid, van de Wob verstrekt het bestuursorgaan, indien het verzoek betrekking heeft op milieu-informatie als bedoeld in artikel 19.1a, eerste lid, onder b, van de Wm, zo nodig, en indien deze informatie voorhanden is, tevens informatie over de methoden die zijn gebruikt bij het samenstellen van eerstbedoelde informatie.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit: bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wob blijft, voor zover thans van belang, het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen:

(…);

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…);

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Ingevolge artikel 10, vierde lid, van de Wob zijn het eerste lid, aanhef en onder c en d, het tweede lid, aanhef en onder e, en het zevende lid, aanhef en onder a, niet van toepassing voor zover het milieu-informatie betreft die betrekking heeft op emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voor zover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang.

Ingevolge artikel 10, zevende lid, van de Wob blijft het verstrekken van milieu-informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;

b. de beveiliging van bedrijven en het voorkomen van sabotage.

(…).

2.2. Ingevolge artikel 19.1a, eerste lid, van de Wm wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen verstaan onder milieu-informatie: alle informatie, neergelegd in documenten, over:

a. de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water, bodem, land, landschap en natuurgebieden met inbegrip van vochtige biotopen, kust- en zeegebieden, biologische diversiteit en haar componenten, met inbegrip van genetisch gemodificeerde organismen, en de interactie tussen deze elementen;

b. factoren, zoals stoffen, energie, geluid, straling of afval, met inbegrip van radioactief afval, emissies, lozingen en ander vrijkomen van stoffen in het milieu die de onder a. bedoelde elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten;

c. maatregelen, met inbegrip van bestuurlijke maatregelen, zoals beleidsmaatregelen, wetgeving, plannen, programma’s, milieuakkoorden en activiteiten die op de onder a. en b. bedoelde elementen en factoren van het milieu een uitwerking hebben of kunnen hebben, alsmede maatregelen of activiteiten ter bescherming van die elementen.

Overwegingen

3. Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4. De voorzieningenrechter acht het spoedeisende belang aan de zijde van verzoekster in dit geval gegeven.

5. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat de beoordeling van de zaak geen nader onderzoek meer vergt, terwijl ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden die zich tegen toepassing van artikel 8:86 van de Awb zouden verzetten. Er is derhalve aanleiding om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Procedureel

6. In procedureel opzicht overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Naar aanleiding van het door verweerder genomen 6:19-besluit van 4 maart 2021 zijn er door de gemachtigde van verzoekster nadere gronden ingediend. In het kader van dit 6:19-besluit heeft de voorzieningenrechter ervan afgezien om alle PAS-melders ambtshalve als partij in de zin van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb aan te merken, aangezien zij een zelfstandig beroepsrecht hadden tegen voormeld 6:19-besluit (zie daartoe de uitspraak met de procedurenummers LEE 21/813 e.v. van dezelfde datum). De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar een uitspraak van 23 oktober 2019 van de AbRvS, kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2019:3590.

Voorgeschiedenis

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het oorspronkelijke Wob-verzoek betrekking had op informatie voor wat betreft de PAS-meldingen van agrarische bedrijven en niet-agrarische bedrijven over de periode vanaf 1 juli 2015 tot en met de datum van het Wob-verzoek. Ter zitting van 12 maart 2020, en bevestigd ter zitting van 30 juni 2020, is door de gemachtigde van verzoekster te kennen gegeven dat zij geen belang heeft bij de namen van degenen die de PAS-melding hebben gedaan. Op verzoek van de voorzieningenrechter zijn door verweerder tien PAS-meldingen uit verschillende provincies afgesplitst en heeft verweerder het besluit op bezwaar van 10 december 2019 gewijzigd in die zin dat verweerder het heeft ingetrokken voor zover daarbij het bezwaar van verzoekster dat betrekking heeft op de PAS-meldingen van de tien belanghebbenden ongegrond is verklaard. Vervolgens heeft verweerder dat bezwaar in zoverre opnieuw ongegrond verklaard, waarbij voor de motivering is verwezen naar het besluit op bezwaar van 10 december 2019. Voormelde afsplitsing van deze tien zaken heeft plaatsgevonden in het kader van de beantwoording van de principiële vraag door de voorzieningenrechter of de in de PAS-meldingen vermelde locatiegegevens ook emissiegegevens zijn. Ter zitting van 30 juni 2020 heeft de gemachtigde namens de Minister verklaard dat uitvoering zal worden gegeven aan deze uitspraak voor de overige PAS-meldingen. In de uitspraak van 3 juli 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:2388) heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de locatie-gegevens in de PAS-meldingen ook emissiegegevens zijn. Vervolgens heeft de AbRvS met de uitspraak van 27 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:153) voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. De Minister heeft uitvoering gegeven aan de namens haar gedane belofte ter zitting door een nieuw besluit op bezwaar te nemen naar aanleiding van voormelde uitspraken. Dit bestreden besluit is genomen door de secretaris-generaal, de hoogste ambtenaar van het departement, na overleg met de Minister, zoals door de gemachtigde van de Minister ter zitting is bevestigd. In dit bestreden besluit van 4 maart 2021 heeft de Minister ter uitvoering van voormelde uitspraken de X- en Y-coördinaten van de emissiebron en de daarbij behorende kaartjes openbaar gemaakt.

Inhoudelijk geschilpunt

8.1. Gelet op rechtsoverweging 7. en de door de gemachtigde van verzoekster ingebrachte gronden naar aanleiding van het bestreden besluit van 4 maart 2021 beperkt het geschil zich in dit geval tot de vraag of de locatiegegevens ook de bedrijfsadressen waar de stikstof veroorzakende activiteiten plaatsvinden, omvatten.

8.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat de Minister in dit geval heeft geweigerd om de bedrijfsadressen uit de PAS-meldingen te verstrekken. In dit verband constateert de voorzieningenrechter dat de Minister zich in voormeld besluit op het standpunt heeft gesteld dat het geschil zoals voorgelegd aan de voorzieningenrechter en daarmee ook de uitspraak van de voorzieningenrechter zich zou hebben beperkt tot de coördinatiepunten van de emissiebronnen.

De voorzieningenrechter kan deze motivering van de Minister niet volgen al was het maar omdat, zoals ook uit rechtsoverweging 6. van de uitspraak van 3 juli 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:2388) blijkt dat ook de Minister er in haar verweer tegen het verzoek van uitging dat het geschil mede zag op de bedrijfsadresgegevens.

De voorzieningenrechter constateert ook dat voor zover daar al een misverstand over zou hebben kunnen bestaan, de Minister volledige duidelijkheid had kunnen verkrijgen over de betekenis van de uitspraak van de voorzieningenrechter door de uitspraak in het hoger beroep dat zij tegen deze uitspraak heeft ingediend. Dit betreft de uitspraak van 27 januari 2021 van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2021:153), en dan met name de rechtsoverwegingen 6.1, 6.2 en 6.6. In voormelde rechtsoverwegingen overwoog de AbRvS met betrekking tot de locatie-gegevens onder meer als volgt:

‘6.1. In het dossier zijn de geschoonde meldingsbevestigingen uit het AERIUS Register opgenomen. Die meldingsbevestigingen zijn gestandaardiseerd en bevatten vergelijkbare locatiegegevens. Uit de ongeschoonde versie van één van de PAS-meldingen blijkt dat deze melding aan voor deze zaak van belang zijnde locatiegegevens bevat: i) het adres van de persoon of rechtspersoon voor wie de melding is gedaan; ii) een kaartje genaamd "Locatie Situatie 1" en de bijbehorende locatiegegevens van de "Emissie (per bron) Situatie 1" en iii) een kaartje genaamd "Locatie Situatie 2" en de bijbehorende locatiegegevens van de "Emissie (per bron) Situatie 2". Verder bevat de melding iv) locatiegegevens in de vorm van een kaartje over de "Depositie natuurgebieden". De minister heeft deze locatiegegevens en vergelijkbare locatiegegevens in de verstrekte PAS-meldingen weggelakt.

6.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze locatiegegevens zijn aan te merken als milieu-informatie in de zin van artikel 19.1a, eerste lid, van de Wm. Dat heeft de minister ook niet bestreden. Voor het locatiegegeven dat bestaat uit het adres van de natuurlijke of rechtspersoon voor wie de melding is gedaan, geldt hierbij de nuancering dat dit adres alleen milieu-informatie is, indien het adres gelijk is aan de locatie van de activiteiten waarvoor de melding is gedaan . Dat locatiegegevens zijn aan te merken als milieu-informatie, kan ook worden afgeleid uit de door de minister en LTO Noord genoemde uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2019. De Afdeling heeft in die uitspraak locatiegegevens van inrichtingen/bedrijven die bij een bedrijfsverplaatsing van een nertsenfokkerij betrokken zijn geweest, aangemerkt als milieu-informatie (zie overweging 4.2). Anders dan de minister lijkt te veronderstellen, volgt uit die uitspraak echter niet dat locatiegegevens niet ook tegelijkertijd emissiegegevens kunnen zijn. Voor de vraag of de locatiegegevens uit de PAS-meldingen die in deze zaak centraal staan, naast milieu-informatie, ook emissiegegevens zijn, is het volgende van belang.

(…).

6.6. De hiervoor in overweging 6.1 onder i) tot en met iv) omschreven locatiegegevens in de PAS-meldingen hangen verder dusdanig met elkaar samen, dat geen mogelijkheid bestaat om het ene locatiegegeven wel en het andere locatiegegeven niet aan te merken als milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu. Dat is, zoals gezegd, alleen anders indien het adres van de natuurlijke of rechtspersoon voor wie de melding is gedaan niet gelijk is aan de locatie van de activiteiten waarvoor de melding is gedaan. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, niet aan de openbaarmaking van de locatiegegevens in de weg kan staan. Deze bepaling is, gelet op artikel 10, vierde lid, van de Wob, niet van toepassing op de door MOB verzochte locatiegegevens in de tien PAS-meldingen.’

Uit voormelde uitspraak van de AbRvS en de hiervoor aangehaalde rechtsoverwegingen blijkt dat ook de AbRvS van oordeel is dat locatiegegevens als emissiegegevens dienen te worden beschouwd en dat de bedrijfsadresgegevens van de PAS-meldingen als locatiegegevens moeten worden aangemerkt. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat deze bedrijfsadresgegevens in de PAS-meldingen als locatiegegevens moeten worden beschouwd en tevens dat deze locatiegegevens als emissiegegevens moeten worden aangemerkt. Hieruit volgt dat het bestreden besluit van

4 maart 2021 door de Minister in strijd met het recht is genomen. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter verweerder opdragen om alsnog de bedrijfsadresgegevens in de PAS-meldingen openbaar te maken, tenzij dit adres niet gelijk is aan de locatie van de activiteiten waarvoor de melding is gedaan. Hierbij overweegt de voorzieningenrechter dat de aan de Minister gestelde opdracht geen betrekking heeft op het alsnog openbaar maken van de bedrijfsadresgegevens van twee afzonderlijke bedrijven, gelet op de uitspraak van heden in de zaken met de procedurenummers LEE 21/813 e.v.

8.3. In de onderhavige procedure heeft de gemachtigde van verzoekster aan de voorzieningenrechter verzocht om aan de uitspraak een dwangsom te verbinden. In dit verband heeft de gemachtigde van de Minister ter zitting bevestigd dat er uitvoering zal worden gegeven aan deze uitspraak van de voorzieningenrechter, tenzij er alsnog mogelijk hoger beroep zal worden ingesteld, en dat om die reden het opleggen van een dwangsom in dit geval niet nodig is.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de wijze waarop de Minister uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de voorzieningenrechter en de uitspraak van de AbRvS tot nu toe, niet zonder meer de verwachting kan worden ontleend dat zij onverkort en op de juiste wijze uitvoering zal geven aan deze uitspraak.

Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de motivering van het bestreden besluit van 4 maart 2021 evident in strijd is met voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter en evident in strijd is met, en in het geheel voorbij gaat aan, de voormelde uitspraak van de AbRvS.

Hierbij neemt de voorzieningenrechter voorts in aanmerking dat in het onderhavige bestreden besluit de adresgegevens zijn geweigerd met een beroep op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken bedrijven (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob), terwijl tegelijkertijd in het verweerschrift namens de Minister de stelling wordt ingenomen dat uitvoering is gegeven aan voormelde uitspraken door de X- en Y-coördinaten van de emissiebronnen en de bijbehorende kaartjes openbaar te maken, zodat het voor verzoekster eenvoudig mogelijk is om een bedrijfsadres te reconstrueren. Indien en voor zover kan worden aangenomen dat het inderdaad eenvoudig zou zijn om de bedrijfsadressen van de betrokken bedrijven te reconstrueren, valt niet in te zien op welke wijze dan de persoonlijke levenssfeer hier beschermd wordt door het niet verstrekken van het bijbehorende bedrijfsadres.

Verder is ter zitting door de gemachtigde van de Minister te kennen gegeven dat het vele maanden zal duren voordat de bedrijfsadresgegevens in de PAS-meldingen openbaar kunnen worden gemaakt. De voorzieningenrechter acht deze stellingname volkomen ongeloofwaardig. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor de hoogst ongebruikelijke stap om de Minister te veroordelen tot betaling van een dwangsom aan verzoekster in deze eenvoudige zaak.

9. Gelet op rechtsoverweging 8.2. is het beroep van verzoekster gegrond en komt het bestreden besluit van 4 maart 2021, voor zover daarin de deelbesluiten I, II en III om de bedrijfsadresgegevens in de PAS-meldingen niet openbaar te maken, zijn gehandhaafd, in zoverre wegens strijd met artikel 2, eerste lid, en artikel 10, vierde en zevende lid, van de Wob in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en sub a, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, inhoudende dat, doende hetgeen wat verweerder had behoren te doen, het bezwaarschrift van verzoekster tegen voormelde deelbesluiten alsnog gegrond wordt verklaard, in die zin dat de bedrijfsadresgegevens in de PAS-meldingen uiterlijk drie weken na de verzenddatum van deze uitspraak alsnog openbaar worden gemaakt door verweerder, tenzij dit adres niet gelijk is aan de locatie van de activiteiten waarvoor de melding is gedaan, bij gebreke waarvan verweerder een dwangsom verbeurt van € 36.000,-- ineens, en voorts voor elke dag daarna dat niet aan de uitspraak wordt voldaan € 1,-- per bedrijfsadres in de PAS-meldingen per dag verbeurt, met een maximum van € 36.000,--, zodat het totaal te verbeuren dwangsommen € 72.000,-- bedraagt, te betalen aan verzoekster. Verder ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dat is vernietigd.

10. Uit rechtsoverweging 9. volgt dat het beroep van verzoekster gegrond is en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.

11. Aangezien het beroep van verzoekster gegrond wordt verklaard, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van verzoekster te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kunnen deze kosten worden begroot op € 1.068,-- in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verder ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht ad

€ 354,-- aan haar dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van het beroep:

- verklaart het beroep van verzoekster gegrond en vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin de deelbesluiten I, II en III om de bedrijfsadresgegevens in de PAS-meldingen niet openbaar te maken, zijn gehandhaafd;

- voorziet zelf in de zaak en verklaart het bezwaarschrift van verzoekster alsnog gegrond, in die zin dat de bedrijfsadresgegevens uit de PAS-meldingen alsnog openbaar worden gemaakt, tenzij dit adres niet gelijk is aan de locatie van de activiteiten waarvoor de melding is gedaan;

- bepaalt dat de openbaarmaking door verweerder van voormelde bedrijfsadres-gegevens uiterlijk drie weken na de verzenddatum van deze uitspraak zal plaatsvinden, met uitzondering van de locatiegegevens voor zover die betrekking hebben op verzoekster sub II en sub VI in de uitspraak van heden in de zaken met de procedurenummers LEE 21/183 e.v.;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover vernietigd;

- bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 36.000,-- ineens verbeurt, indien niet binnen drie weken na de verzenddatum aan deze uitspraak is voldaan, en bepaalt voorts dat nadien voor elke dag daarna dat niet aan de uitspraak wordt voldaan, verweerder een dwangsom van € 1,-- per bedrijfsadres in de PAS-melding per dag verbeurt, met een maximum van € 36.000,--, te betalen aan verzoekster;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van

€ 1.068,-- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan haar dient te vergoeden;

- bepaalt dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht ad € 354,-- aan haar dient te vergoeden.

ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2021. De uitspraak is openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

De griffier De voorzieningenrechter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.