Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2644

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
18/224037-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Steekincident Lewenborg. Verdachte veroordeeld voor medeplegen van doodslag. Straf: 21 maanden jeugddetentie en onvoorwaardelijke PIJ-maatregel

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77c
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77i
Wetboek van Strafrecht 77s
Wetboek van Strafrecht 285
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0546
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/224037-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 juni 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,

wonende te Groningen,

thans gedetineerd te JJI De Hunnerberg.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 april 2021 en 17 mei 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S. Weening, advocaat te Maastricht.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. Th. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 3 september 2020 / in of omstreeks de periode van 3 tot en met 4 september 2020 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg - zakelijk weergegeven - samen met haar, verdachtes, medeverdachte(n), althans alleen, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp(randig) en/of puntig voorwerp, in de buik(streek) en/of in/onder de/het borst(been) en/of in de hals, althans in het lichaam, te steken (, als gevolg waarvan die [slachtoffer] is komen te overlijden);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 3 september 2020 / in of omstreeks de periode van 3 tot en met 4 september 2020 te Groningen (tezamen en in vereniging) [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft/hebben beroofd,
door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg - zakelijk weergegeven - die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp(randig) en/of puntig voorwerp, in de buik(streek) en/of in/onder de/het borst(been) en/of in de hals, althans in het lichaam, te steken (, als gevolg waarvan die [slachtoffer] is komen te overlijden) bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 3 september 2020 / in of omstreeks de periode van 3 tot en met 4 september 2020 te Groningen opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door - zakelijk weergegeven- die [slachtoffer] met een afspraak (via Instagram en/of anderszins via gebruikmaking van social media) voor een ontmoeting naar de plaats van het misdrijf te lokken en/of (aldus) een zogenoemde setup te organiseren en/of (vervolgens) die [slachtoffer] (aldaar) aan te spreken en/of (daarmee) af te leiden;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 3 september 2020 / in of omstreeks de periode van 3 tot en met 4 september 2020 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door samen met haar, verdachtes, medeverdachte(n), althans alleen, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp(randig) en/of puntig voorwerp, in de buik(streek) en/of in/onder de/het borst(been) en/of in de hals, althans in het lichaam, te steken;

meer meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 3 september 2020 / in of omstreeks de periode van 3 tot en met 4 september 2020 te Groningen (tezamen en in vereniging) [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft/hebben beroofd,
door die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp(randig) en/of puntig voorwerp, in de buik(streek) en/of in/onder de/het borst(been) en/of in de hals, althans in het lichaam, te steken bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 3 september 2020/ in of omstreeks de periode van 3 tot en met 4 september 2020 te Groningen opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door - zakelijk weergegeven- die [slachtoffer] met een afspraak (via Instagram en/of anderszins via gebruikmaking van social media) voor een ontmoeting naar de plaats van het misdrijf te lokken en/of (aldus) een zogenoemde setup te organiseren en/of (vervolgens) die [slachtoffer] (aldaar) aan te spreken en/of (daarmee) af te leiden;

meest subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 3 september 2020/ in of omstreeks de periode van 3 tot en met 4 september 2020 te Groningen, tezamen en vereniging met een of meer anderen, althans alleen, en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] heeft mishandeld, door opzettelijk, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, geweld toe te passen op de buik(streek) en/of in/onder de/het borst(been) en/of in de hals, althans op het lichaam, van die [slachtoffer] (,welk feit de dood ten gevolge heeft gehad).

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde medeplegen van moord gevorderd.

Ten aanzien van de voorbedachte raad heeft de officier van justitie aangevoerd dat er, voorafgaand aan de “set-up” van 3 september 2020, al eerder een plan was om [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) onder valse voorwendselen ergens naar toe te lokken en geweld te gaan gebruiken. Zowel bij de eerste als bij de tweede “set-up” stond het vast dat er een mes meegenomen zou worden. Voorts zijn er verschillende Whatsapp-berichten waarin gesproken wordt over steken. Verder zijn er direct voorafgaand aan het steekincident meerdere momenten geweest waarop bij medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 1] ) gelegenheid tot beraad heeft kunnen bestaan; zowel op het moment dat hij met medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) op het bruggetje stond te wachten als het moment dat zij het schoolplein opliepen. In die tijd had [medeverdachte 1] zich kunnen bedenken en weg kunnen gaan, hetgeen hij niet heeft gedaan. Door direct nadat hij bij [slachtoffer] was aangekomen op hem in te steken heeft hij zijn voornemen om te steken tot uitvoering gebracht. De enige contra-indicatie die pleit tegen het aannemen van voorbedachte raad is de verklaring van [medeverdachte 1] , inhoudende dat hij pas ging steken nadat hij een beweging bij [slachtoffer] dacht te zien die erop leek alsof hij een mes wilde trekken. Deze beweging is echter door geen van de medeverdachten waargenomen. Het voorgaande betekent dat de aanwijzingen die pleiten voor voorbedachte raad in aantal en ook groter in gewicht zijn dan de enige aanwijzing die pleiten tegen het bestaan van voorbedachte raad.

De officier van justitie heeft voorts gemotiveerd aangevoerd dat en waarom [verdachte] een intellectuele en materiele bijdrage aan het levensdelict heeft geleverd die van voldoende gewicht is geweest om haar als medepleger van een levensdelict aan te kunnen merken, nu zij een cruciale rol heeft gehad bij het organiseren en uitvoeren van de “set-up”, terwijl ze wist of in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat daarbij dodelijk geweld tegen [slachtoffer] zou worden gebruikt.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, onder verwijzing naar in zijn pleitnota opgenomen jurisprudentie, gemotiveerd betoogd dat [verdachte] integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde nu er zich in het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevinden om tot een bewezenverklaring te komen.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat [verdachte] niet als pleger of medepleger van de fatale steek kan worden aangemerkt en evenmin als medeplichtige daaraan. Daarbij is allereerst van belang dat [verdachte] zelf geen enkele geweldshandeling heeft verricht; het is [medeverdachte 1] geweest die [slachtoffer] heeft doodgestoken en het delict is dus volledig door hem uitgevoerd. [verdachte]

was enkel aanwezig op het moment dat [slachtoffer] gestoken werd en zij heeft niet de gelegenheid gehad om zich daarvan te distantiëren, nu zij niet wist dat [medeverdachte 1] een mes bij zich had en [medeverdachte 1] [slachtoffer] al had gestoken voordat zij begreep wat er gebeurde. Dat [verdachte] betrokken was bij het maken van de afspraak met [slachtoffer] en hem naar de plaats delict heeft gelokt, maakt haar evenmin tot medepleger. Voor zover die bijdrage al genoeg zou zijn om van een nauwe en bewuste samenwerking te kunnen spreken, is van belang dat haar opzet zeker niet gericht was op de dood van [slachtoffer] , zoals ook blijkt uit het feit dat zij [medeverdachte 1] nadrukkelijk heeft gezegd dat hij geen wapen mee mocht nemen. Voor zover er al een gezamenlijk plan was waaraan [verdachte] heeft meegewerkt, dan was dat een plan om [slachtoffer] in elkaar te slaan en is [medeverdachte 1] veel verder gegaan dan waar hun oorspronkelijke (gezamenlijke) bedoeling op was gericht, door zonder medeweten van [verdachte] een mes mee te nemen en dat tegen [slachtoffer] te gebruiken. [verdachte] had geen enkele reden om met een zo vergaande afwijking van het plan rekening te houden en heeft het handelen van [medeverdachte 1] en de verstrekkende gevolgen daarvan dan ook niet bewust aanvaard. Diens excessieve handeling valt dus buiten het (voorwaardelijke) opzet van [verdachte] . Daarmee kan zij niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden voor de dood van [slachtoffer] , ook niet als medeplichtige.

Oordeel van de rechtbank

Vaststelling van de feiten

De rechtbank gaat op basis van de hierna opgenomen bewijsmiddelen uit van de volgende feitelijke gang van zaken.

Op 4 september 2020 omstreeks 00.30 uur werd op het schoolplein van De Vuurtoren in Lewenborg het levenloze lichaam van een man aangetroffen, naar later bleek de 19-jarige [slachtoffer] .

Op het lichaam van het slachtoffer is sectie verricht. Blijkens het sectierapport zijn er op het lichaam van [slachtoffer] twee steekletsels aangetroffen; één steekletsel links laag in de hals en een steekletsel hoog op de buik. Deze letsels zijn bij leven ontstaan door uitwendig mechanisch klievend/perforerend geweld, zoals steken met één of meerdere scherprandige voorwerpen zoals een mes. Het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door één steekletsel in de buik.

In de middag van 4 september 2020 zijn [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden en verhoord. Zij hebben erkend dat er in de avond van 3 september 2020 rond 23.15 uur op het schoolplein een confrontatie heeft plaatsgevonden met [slachtoffer] .

Aan die – uiteindelijk fataal afgelopen – confrontatie is het volgende voorafgegaan.

[slachtoffer] zocht vanaf 20 augustus 2020 contact met [verdachte] . [verdachte] heeft haar vriend, [medeverdachte 1] , voorgehouden dat [slachtoffer] haar stalkte en dat hij haar lastig viel. [medeverdachte 1] was hier niet van gediend en om [slachtoffer] ter verantwoording te roepen is er een plan gemaakt om hem in een “set-up” te gooien. Al enkele dagen na het eerste contact tussen [verdachte] en [slachtoffer] was er het plan om [slachtoffer] in een “set-up” te gooien. Een “set-up” houdt in dat [verdachte] met [slachtoffer] af ging spreken, waarbij, zonder dat [slachtoffer] dat wist, er naast [verdachte] ook andere personen mee zouden komen. [medeverdachte 1] heeft in de nacht van 21 op 22 augustus 2020 over deze eerste “set-up” gesproken met zijn vriend [naam] . [verdachte] was ervan op de hoogte dat [medeverdachte 1] met zijn vriend over de “set-up” aan het praten was. Deze eerste “set-up” is op het laatste moment niet doorgegaan.

Na anderhalve week, op 3 september 2020, is er opnieuw een plan bedacht om [slachtoffer] in een “set-up” te gooien. [verdachte] had in de middag hierover al contact gehad met [medeverdachte 1] . Gedurende de dag door heeft [verdachte] ook contact gehouden met [slachtoffer] . In de avond zat [verdachte] , samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan de keukentafel, waar zij het plan om [slachtoffer] in een “set-up” te gooien verder bespraken.

Aan tafel heeft [medeverdachte 1] gezegd dat hij [slachtoffer] op zijn bek wilde slaan. [medeverdachte 2] heeft hierop geantwoord dat hij [slachtoffer] dan ook op zijn bek wilde slaan.

[verdachte] heeft vervolgens [slachtoffer] een berichtje gestuurd waarin zij aangaf dat zij naar het schoolplein, waar [slachtoffer] op dat moment was, toe zou komen.

[verdachte] is vervolgens samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar het schoolplein van De Vuurtoren in Lewenborg gegaan, waar de ontmoeting zou plaatsvinden. [medeverdachte 1] heeft op het laatste moment besloten om zijn mes uit de woning te halen en mee te nemen. [verdachte] en [medeverdachte 2] stonden toen al bij de scooters om naar het schoolplein te gaan. [medeverdachte 1] is bij [medeverdachte 2] achterop de scooter gegaan omdat [medeverdachte 1] zelf geen scooter en overigens ook geen rijbewijs had.

Eenmaal in de buurt van het schoolplein aangekomen hebben zij de scooters verdekt opgesteld zodat [slachtoffer] niet door zou hebben dat [verdachte] niet alleen was. [verdachte] is als eerste het schoolplein opgegaan en is een gesprekje met [slachtoffer] begonnen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , die op dat moment nog op de brug bij het schoolplein stonden te wachten, zijn enkele momenten later naar [verdachte] en [slachtoffer] op het schoolplein toegelopen.

[medeverdachte 1] heeft, nadat hij met [medeverdachte 2] bij [slachtoffer] en [verdachte] was aangekomen, vrijwel direct zijn mes gepakt en heeft [slachtoffer] in zijn buik gestoken en daarmee de fatale steekwond toegebracht.

[verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn vervolgens weggerend met achterlating van [slachtoffer] . Zij zijn vervolgens samen naar het huis van [medeverdachte 1] gegaan. Thuis kwamen zij er na enige tijd achter dat [slachtoffer] overleden was doordat zij de online nieuwsberichten hierover volgden.

[medeverdachte 1] heeft thuis het mes waar hij [slachtoffer] mee heeft gestoken met een doekje schoongemaakt en op aandringen van [verdachte] heeft hij het doekje in de wc gegooid. De volgende ochtend heeft [medeverdachte 1] dit mes aan [verdachte] gegeven. [verdachte] heeft dit mes, samen met het mes van [medeverdachte 2] en haar eigen mes, aan haar moeder gegeven zodat zij de messen kon verstoppen.

Vrijspraak primair en subsidiair ten laste gelegde: geen medeplegen van of medeplichtigheid aan moord

De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat er bij [verdachte] voorbedachte raad bestond op het om het leven brengen van [slachtoffer] en dat zij om die reden moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord en de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan moord. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad moet de rechtbank vaststellen dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht bepaalt van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.1

De rechtbank is van oordeel dat een aanwijzing voor het aannemen van voorbedachte raad zou kunnen zijn dat er een eerder plan was om [slachtoffer] in de val te lokken, waarbij door [medeverdachte 1] ook is gesproken over het meenemen van messen. Deze eerdere “set-up” zou plaatsvinden enkele weken voor 3 september 2020 maar is uiteindelijk niet doorgegaan. Bij de organisatie van de tweede “set-up”, aan de keukentafel in de woning van [medeverdachte 1] , in de avond van 3 september 2020, is door verdachten niet uitdrukkelijk gesproken over het meenemen van messen en al helemaal niet over het gebruiken daarvan. De rechtbank gaat om die reden uit van de juistheid van de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij op het laatste moment besloot, toen [medeverdachte 2] en [verdachte] al buiten stonden bij de scooters, om een mes mee te nemen. Uit deze gang van zaken blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er sprake was van een vooropgezet plan om [slachtoffer] te doden maar van een impulsief besluit van [medeverdachte 1] om een mes mee te nemen. Van een serieus voornemen of een plan om [slachtoffer] te doden op het moment dat de afspraak met [slachtoffer] werd gemaakt en vlak voor het vertrek naar het schoolplein blijkt de rechtbank hieruit niet.

De rechtbank heeft ook de vele Whatsappberichten over [slachtoffer] die in de aanloop naar de vorige “set-up” en de gebeurtenissen op 3 september 2020 tussen [medeverdachte 1] , [verdachte] en anderen zijn verstuurd meegewogen in haar oordeel. De rechtbank ziet in de inhoud van de berichten aanwijzingen voor de stelling dat er wellicht rekening werd gehouden met de mogelijkheid dat er bij deze of de eerdere confrontatie serieus geweld zou kunnen worden gebruikt tegen [slachtoffer] , maar, zoals hierboven al gezegd, de rechtbank is er niet van overtuigd geraakt dat [medeverdachte 1] of [verdachte] op enig moment voor de fatale steek een weloverwogen wilsbesluit heeft genomen om [slachtoffer] om het leven te brengen.

De rechtbank heeft in het vonnis van heden in de strafzaak tegen [medeverdachte 1] nog aandacht besteed aan de vraag of het feit dat hij uiteindelijk wel een mes naar het schoolplein heeft meegenomen, alsnog tot de conclusie zou moeten leiden dat hij met voorbedachte raad gehandeld heeft. Los van het gegeven dat de rechtbank die vraag in dat vonnis ontkennend heeft beantwoord, raakt dit hoe dan ook niet aan het oordeel over [verdachte] , nu vast staat dat zij niet wist dat [medeverdachte 1] het mes had gepakt. In hoeverre zij daar wel rekening mee had moeten houden, en wat dit betekent voor haar strafrechtelijke aansprakelijkheid, wordt hieronder nader besproken.

Bewezenverklaring meer subsidiair ten laste gelegde: wel medeplegen van doodslag

Vooropgesteld moet worden dat er geen bewijs is dat [verdachte] zelf geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer] . De fatale messteek in de buik is toegebracht door [medeverdachte 1] , zoals hij zelf ook vanaf het eerste begin heeft toegegeven. Er is daarnaast bij het onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer] weliswaar nog een tweede, ondiepere, steekverwonding aangetroffen in de halsstreek, maar op welke wijze en door wie deze is toegebracht kan op grond van het dossier niet met zekerheid worden gezegd. Concrete aanwijzingen dat [verdachte] daarvoor verantwoordelijk is, zijn er in ieder geval niet.

Toch komt de rechtbank tot het oordeel dat [verdachte] evenzeer, dat wil zeggen als medepleger, schuldig is aan de doodslag die [medeverdachte 1] heeft gepleegd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Hiervoor is al beschreven dat het fatale steekincident heeft plaatsgevonden tijdens een confrontatie tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer] op het schoolplein waar [verdachte] en [slachtoffer] afgesproken hadden om elkaar te ontmoeten. Zowel als het gaat om de reden dat het in de avond van 3 september 2020 tot een confrontatie is gekomen als bij de totstandkoming en organisatie van de “set-up” heeft [verdachte] een cruciale, onmisbare rol gespeeld.

Haar betrokkenheid begint bij het feit dat zij [medeverdachte 1] meermalen heeft gezegd dat [slachtoffer] haar lastig viel en vele berichten naar haar stuurde, iets wat overigens uit het onderzoek helemaal niet is gebleken, terwijl ze wist dat [medeverdachte 1] jaloers was en moeite had om te accepteren dat zij contact had met andere mannen. Hierover hadden zij al meermalen ruzie gehad. Het gevolg van het vermeende lastigvallen door [slachtoffer] was dat [medeverdachte 1] meende dat [slachtoffer] op hardhandige wijze duidelijk gemaakt moest worden dat hij op moest houden met contact zoeken. Dit heeft er toe geleid dat er al in de nacht van 21 op 22 augustus 2020 tussen [medeverdachte 1] en een vriend van hem, [naam] , via Whatsapp gesproken werd om [slachtoffer] in de val te lokken, een plan waarvan [verdachte] blijkens de inhoud van de berichtjes die zij op hetzelfde moment aan [slachtoffer] stuurde, op de hoogte was, maar waaraan zij op dat moment niet wilde meewerken. In deze conversatie werd overigens ook gesproken over het steken van [slachtoffer] .

Toen [slachtoffer] in de avond van 3 september 2020 weer contact met [verdachte] zocht, heeft zij wel meegewerkt aan zo’n “set-up”. Nadat zij die avond de afspraak had gemaakt om hem te ontmoeten, heeft ze vervolgens contact met hem gehouden, waarbij onder meer is besproken waar en hoe laat ze elkaar zouden zien. In de tussentijd heeft ze samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het plan voor de “set-up” verder vorm gegeven en uiteindelijk ook uitgevoerd: ze is samen met de twee anderen naar het schoolplein gereden, waar ze, zoals al eerder opgemerkt, de scooters op enige afstand hebben geparkeerd om te voorkomen dat [slachtoffer] hen zou horen aankomen. Daarna is zij vooruit gelopen, terwijl [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] even verderop wachtten, om [slachtoffer] op zijn gemak te stellen en heeft ze [slachtoffer] aan de praat gehouden -alles exact zoals was afgesproken- totdat [medeverdachte 1] het schoolplein op kwam lopen en daar, vrijwel meteen, [slachtoffer] in zijn buik stak.

De “set-up” die [slachtoffer] fataal is geworden is dus, zo blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het voorgaande, in nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] bedacht en uitgevoerd.2 Zij was de enige verbindende schakel tussen [slachtoffer] en [medeverdachte 1] . Ook nadat verdachten wisten dat hun ontmoeting met [slachtoffer] op het schoolplein een voor hem fatale afloop had is [verdachte] overigens niet gestopt met het spelen van een behoorlijk belangrijke rol; ze heeft zich thuis bemoeid met het schoonmaken van het mes waarmee de steek was toegebracht en ze heeft er later, de volgende ochtend, voor gezorgd dat dit mes en andere messen die verdachten voorhanden hadden bij haar moeder terecht zijn gekomen om te verstoppen.

De rechtbank is bovendien van oordeel dat [verdachte] bij het organiseren van de “set-up” bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat daarbij door [medeverdachte 1] geweld zou worden gebruikt, niet alleen het “voor de bek slaan” waarover die avond aan de keukentafel is gesproken, maar ook veel risicovoller geweld met gebruik van een steekwapen.

Daarbij is in de eerste plaats van belang dat [verdachte] ervan op de hoogte was dat [medeverdachte 1] in het bezit was van meerdere messen en ook regelmatig een mes bij zich droeg. Nog meer van belang is dat bij een eerder plan om [slachtoffer] in de val te lokken, nadrukkelijk over het meenemen en gebruiken van steekwapens is gesproken. In het Whatsapp-gesprek tussen [medeverdachte 1] en diens vriend [naam] in de nacht van 21 op 22 augustus 2020 roept [medeverdachte 1] [naam] immers op om een “chat” of een “rami” mee te nemen als er een afspraak met [slachtoffer] komt – woorden waarmee, zo is niet in geschil, een machete en een mes worden bedoeld. Zoals hiervoor al opgemerkt, was [verdachte] van de inhoud van dit gesprek op de hoogte. Dat dit het geval was blijkt ook uit de berichtjes die [medeverdachte 1] en [verdachte] elkaar de volgende ochtend sturen en waarin [medeverdachte 1] opmerkt dat [verdachte] niet wilde dat hij “gisteren” zou gaan “steken” en [verdachte] reageert dat [medeverdachte 1] alles mag doen met [slachtoffer] , behalve “steken waar ik bij ben”.

De “set-up” die tot de fatale confrontatie met [slachtoffer] heeft geleid, vond slechts anderhalve week later plaats. Voor [verdachte] was hoe dan ook duidelijk dat daarbij geweld zou worden gebruikt en gezien het voorgaande was de kans ook aanmerkelijk dat [medeverdachte 1] het niet zou houden bij slaan en schoppen, maar, net als hij de vorige keer ook al wilde doen, een mes mee zou nemen en daarmee zou steken, zoals ook is gebeurd. Dat dit geen uitdrukkelijk onderdeel was van het plan dat op 3 september 2020 aan de keukentafel is gemaakt en [medeverdachte 1] pas op het laatste moment heeft besloten om het mes te pakken doet daar niet aan af; van het risico wist dat [medeverdachte 1] een mes mee zou nemen en daar had ze rekening mee moeten houden, zoals ze eerder ook deed. Ook het feit dat [verdachte] vlak voor hun vertrek naar het schoolplein nog tegen [medeverdachte 1] heeft gezegd dat hij geen wapen mee mocht nemen doet niet af aan de aanmerkelijkheid van die kans. Dat zij het nodig vond om dat nog eens uitdrukkelijk tegen [medeverdachte 1] te zeggen vormt immers des te meer de bevestiging dat zij inderdaad ernstig rekening hield met die mogelijkheid. Desondanks heeft zij haar (onmisbare) medewerking verleend aan het maken van de afspraak met [slachtoffer] en aan het verder uitvoeren van de “set-up”. Als zij echt had willen voorkomen dat [medeverdachte 1] bewapend met een mes de confrontatie aan zou gaan, dan had zij dat heel simpel kunnen bewerkstelligen, namelijk door of de afspraak niet te maken, of door [slachtoffer] te waarschuwen. Dan was – net zoals zij daar bij de eerste “set-up” voor heeft gezorgd – ook de tweede “set-up” afgeblazen. Dat heeft zij niet gedaan.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat [verdachte] niet alleen nauw en bewust heeft samengewerkt bij het opzetten en uitvoeren van de valstrik waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen, maar ook dat zij dat gedaan heeft terwijl zij zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat [medeverdachte 1] bij de confrontatie met [slachtoffer] een mes zou meenemen en, omdat de hele confrontatie er van begin af aan op gericht was om hem op gewelddadige wijze ter verantwoording te roepen, te gebruiken. Het gebruik van een mes in een dergelijke situatie bergt op zijn beurt weer de aanmerkelijke kans in zich dat daarmee fatale verwondingen worden toegebracht, een risico dat algemeen bekend mag worden verondersteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verdachte] door toch aan de “set-up” mee te werken bewust dat risico op de koop toe heeft genomen en dat zij daarmee ook het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

Hoewel [verdachte] , zoals al opgemerkt, zelf geen geweld heeft gebruikt, betekent de hierboven beschreven nauwe en bewuste samenwerking tussen haar en [medeverdachte 1] dat de rechtbank haar de fatale steek ook toerekent. Juridisch vertaalt zich dit in de bewezenverklaring dat [verdachte] en [medeverdachte 1] samen de messteek hebben toegebracht.

Bewijsmiddelen meer subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 17 mei 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 20 augustus 2020 zocht [slachtoffer] voor het eerst contact met mij. Het klopt dat er eerder het plan was om met [slachtoffer] af te spreken. Op 2 september 2020 vroeg [slachtoffer] aan mij of ik met hem wilde afspreken. Toen kon ik niet en toen zei ik dat ik de avond erna wel kon. Op 3 september 2020 ben ik naar [medeverdachte 1] toe gegaan. Ik heb het toen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over de ontmoeting met [slachtoffer] gehad. We zouden bij het schoolplein van De Vuurtoren afspreken. Het was de bedoeling dat we erheen gingen en dat [medeverdachte 1] met [slachtoffer] zou praten. Het klopt wel dat het doel was dat [slachtoffer] een klap op zijn bek zou krijgen. We hadden afgesproken om de scooters niet helemaal naar het schoolplein te rijden. Ik zou dan alvast vooruit lopen en met [slachtoffer] praten en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zouden dan nog even wachten. Het klopt dat ik een soort lokaas was. Ik was met [slachtoffer] via Instagram aan het praten toen hij onderweg was naar de Vuurtoren. Toen ik op het schoolplein bij [slachtoffer] aan kwam raakte ik in gesprek met [slachtoffer] . Toen kwamen [medeverdachte 1] aanlopen en hij gaf [slachtoffer] een klap in zijn buik. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en ik zijn toen weggerend. Later wist ik dat [medeverdachte 1] [slachtoffer] had gestoken. Thuis hebben we het nieuwsbericht gelezen dat [slachtoffer] overleden was.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 september 2020, opgenomen op pagina 586 e.v., van onderzoek BOOT/NNRAB20005, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2] :
V: Hoe vaak heb jij gestoken?
A: 1 keer.
V: Jullie komen bij jullie thuis aan. Wat gebeurt er dan?
A: We zaten gewoon een beetje daarover te zitten praten ofzo..
V: Wat heb jij toen met het mes gedaan?
A: Euhh der zat troep op, dus schoongemaakt
V: Goed, dan maak je het mes schoon en wat doe je met het mes en het doekje?
A: Ik weet niet wat ik met het doekje heb gedaan... prullenbak....
V: In de prullenbak? Weet je dat zeker?
A: Nee ik heb het laatst in de wc gegooid omdat [verdachte] tegen mij zegt; gooi het in de wc.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 september 2020, opgenomen op pagina 636 e.v., van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2] :
V: [verdachte] zegt tegen jou: geef mij dat mes maar. Wat zou ze er dan mee doen?
A: Wegdoen. Ze was toen bij haar moeder. Haar moeder heeft het toen in de auto gedaan.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 september 2020, opgenomen op pagina 680 e.v., van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2] :

V: Maar je neemt wel een machette en een mes mee.

A. Ja dat had ik toen ook gedaan toch?

V: Waarom? Als je iemand op zijn bek wilt slaan?

A: Voorzorg altijd, het is toch de stalker van mijn vriendin, dus. Dus voor de zekerheid neem ik dat gewoon mee. Ja. Iedereen die daar, iedereen in Lewenborg bijna heeft een machetti, pistolen, uh keukenmessen, dan ga ik niet onbeveiligd over straat lopen.

V: Je zegt van [verdachte] die werd gestalkt door hem, die kreeg heel vaak berichtjes van hem.

A: Ja..

V: Die wil afspreken en dat die een foto wou.

A: Ja ja.

V: Uhm, je zegt: ik heb zelf één of twee keer zo’n berichtje gezien

A: Ja misschien drie, maar verder niet.

V: Oké. Die telefoons, dat heeft [naam] (fon) net ook gezegd en dat wordt ook nagekeken. En wij zien eigenlijk uh... Dat jij zegt dat ze heel vaak berichtjes van [slachtoffer] kreeg. Dat zien wij niet.

A: Ooh.

V: We zien het niet op de telefoon van [slachtoffer] , we zien het niet op de telefoon van [verdachte] .

A: Ooh maar [verdachte] heeft wel vaker tegen mij gezegd dat hij berichtjes naar haar stuurde zeg maar, maar ik heb niet altijd op haar telefoon gebleken. Ze heeft het niet altijd laten zien snap je.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 september 2020, opgenomen op p. 57 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :

Gisteravond zei [verdachte] tegen mij dat ze [slachtoffer] in een ’’set-up’’ wilde gooien. Daarmee bedoelde [verdachte] dat ze met [slachtoffer] ergens af wilde spreken en dat [medeverdachte 1] daar dan ook zou komen en dat [medeverdachte 1] dan [slachtoffer] zou slopen. Ongeveer 2 uren later, toen was het 00:16 uur berichtte [verdachte] mij via Snapchat dat [medeverdachte 1] [slachtoffer] had gestoken. [verdachte] vertelt mij alles en heeft ook gezegd dat [medeverdachte 1] een mes bij zich draagt.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 oktober 2020, opgenomen op p. 414 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relatering van verbalisant:

De chat tussen verdachte [verdachte] en slachtoffer [slachtoffer] via

Instagram is veilig gesteld door in te loggen op het Instagram-account van verdachte [verdachte] , te weten [accountnaam] (zie proces-verbaal van bevindingen FDO-015).

Ik verbalisant heb de schermopname van het veilig stellen van de chat bekeken. Ik zie dat wordt ingelogd op de account [accountnaam] . Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat [accountnaam] haar Instragram-account is. Ik zie dat vervolgens de chatberichten worden geopend. Ik zie dat in de lijst van verschillende chatberichten die van [slachtoffer] worden geselecteerd. Het account [slachtoffer] is vermoedelijk het Instagram-account van slachtoffer [slachtoffer] . Ik zie dat omhoog gescrold wordt in de chatberichten tot het eerste bericht op 20 augustus 2020 om 22.02 uur. Ik zie de volgende berichten:

tijdstip

[slachtoffer]

[accountnaam]

20 augustus 2020 22:02_

Eyy kom eem chillen dann_

Wtf

Wat denk je zelf

K ken je niet eens en heb een vriend

21 augustus 2020 5:53

Je wilt toch dat ik reageer

[lachende emoticon met tranen]

21 augustus 2020 12:57

Jij dmt mij toch

21 augustus 2020 15:12

Dat betekend wel datje het leuk

vind dat ik je een dm heb

gestuurd [knipogende emoticon]

Nou nee ik heb een vriend

21 augustus 2020 23:07

Maakt toch niet, alsnog kunnen we afspreken

Uit*

Kan

Kom morgen mee naar shisha lounge dann?

No

Kom nu

Of straks

Ben nu niet bij mn boy

Waar ben je dan?

Lwb

Waar lwb dan?

Gwn osso

Maar kan wel buiten komen

Tot hoelaat kan je? Moet eerst nog wat fixen in stadje.

Kan tot laat laat

Ben je alleen?

Nee m’n ouders zijn thuis

Maar verder wel

Aii, moet je nog wat uit stadje?

Noh hoeft niet

Haha thanks

Ey besef he moest om 5 uur

vannacht werken tot half 5, en moet morgen weer om 5 uur en ben nu nog stad [lachende

emoticon met tranen]__

Oh

Oké

Kom straks nog eem vuurtoren dan die school in lwb

Ja kan wel

Kom zwebadje

Anders

Welke?

Euhh

Aqau nog iets

Jdk

Idk

Is in lwb

Kom anders maar gw vuurtoren

Nee k ga echt niet lopen zover

Je zei net nog kan wel [lachende emoticon met tranen]

Kan wel maar heb echt geen zin

Anders kom morgen avond laat, want moet over 3 uur werken en ben net thuis

Tenzij je nu nog eem vuurtje

komt is toch gezellig zie je [slachtoffer] ook nog even;)

Je ben echt een topper als je

nog even komt.

Dan Zie je [slachtoffer] ?

Jij bent dat toch

Ja [lachende emoticon met tranen]

Wtf dan

Ik had het daar over mijzelf

Hm Okey

Kom je dan nog?

Kan

Is goed, hoelaat ben je er ongeveer?

Euhh

Even wachten tot mn ma weer thuis is

Hoelang duurt dat ongv?

10 min ofZo

15

Is goed

Okey

Is ze er alweer?

Ja nu net

Aii, ga je nu onderweg?

Ja

Dan kom ik nu ook vuurtje

Ai

E

Kom anders die speeltuin bij lichtboei flat

Die aan die fietspad

??

Btr daar

I Nooo sta nu al vuurtje

Ga daar heen beter

Kom gw vuurtje kom op [lachende emoticon met tranen]

Nee kom daar

?

Ik weet zeker je gaat niet alleen, met wie ben je nog meer?

K ben alleen

Waar ben je nu?

Zwembadje

Vlakbij winkelcentrum zeker?

Ja

Ben je op de fiets of lopend?

Lipend

Ainooo [lachende emoticon met tranen]

10 min

Denk ik

Zoiets

Kom speeltuin ja

?

??

K ben daar nu zo

??

Aii

Ai

Zeg maar wanneer je er bent zit nu nog ergens dichtbij

Okey

Zit nu in een ander speeltuintje dichtbij

Okey

Waar ben jij nu dan?

Vlakbij

Moet zo wel weer weg he waar ben je dan?

?

?

Reageer effe

Ben je er al?

?

Eyy

Bruhh

Waarom skip je nu dan?

Beetje in een setup gooien kom op [lachen emoticon met tranen]

Proberen te*

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 september 2020, opgenomen op p. 237 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relatering van verbalisant:

In het onderzoek naar de dood van [slachtoffer] is de telefoon van [medeverdachte 2] , geboren 30 november 2020 te Groningen, in beslag genomen.

De afdeling digitale Opsporing van de politie Noord-Nederland heeft de data van het toestel

forensisch veiliggesteld. De inhoud van het toestel werd via de Cellibrite Reader versie 7.36 voor mij toegankelijk gemaakt. Ik heb op deze wijze onderzoek aan de gegevens in het toestel gedaan.

Zoekterm [slachtoffer]
In het toestel is gericht onderzoek gedaan naar gegevens betreffende het dodelijke steekincident. Uit onderzoek is gebleken dat het nummer 31612519643 in gebruik is bij [naam] , geboren [geboortedatum] 2004. Het betreft een chatgesprek op 21 augustus 2020.
Ik zie de volgende inhoud van de whatsapp chat tussen [medeverdachte 2] en [naam] :


[medeverdachte 1] : Die guy zegt kom vuur toren dus [verdachte] zegt geen zin ontlopen kom zwembad (01:06 uur)
[medeverdachte 1] : Zegt nee (01:06 uur)
: Enzo (01:06 uur)
: Ofzo (01:06 uur)

[medeverdachte 1] : [geen tekst] (01:06 uur)
: Gelijk pussy doen net wou die nog komen (01:07 uur)
: Kkr sjap (01:07 uur)
[naam] : Zeg gwn aii vuur kan wel (01:11 uur)

[medeverdachte 1] : [verdachte] wil nie (01:11 uur)

[medeverdachte 1] : [geen tekst} (01:11 uur)
[naam] : Kom wij gaan (01:12 uur)
[medeverdachte 1] : Ja kan wel wacht ff (01:13 uur)
: Als die komt neem wel chat of rami mee (01:14 uur)

[naam] : See (01:15 uur)

[naam] : Hoe laat (01:15 uur)

[medeverdachte 1] : Vuurtoren kan wel maar lin is zo terug dan op bed dus ik zeg we gaan met jouw chille

(01:18 uur)
[naam] : Wie is die guy dan (01:20 uur)
[medeverdachte 1] : Idk (01:20 uur)
[naam] : Vraag die naam (01:20 uur)
[medeverdachte 1] : [slachtoffer] (01:44 uur)
[medeverdachte 1] : We vragen 9f hij bij die flat can [naam] komt (01:45 uur)

[medeverdachte 1] : Die speel tuin van jouw (01:45 uur)

[naam] : Ik snap het niet meer (01:45 uur)

[medeverdachte 1] : Wacht fd (01:45 uur)

[medeverdachte 1] : Hij wil vuur (01:45 uur)

[medeverdachte 1] : Maaar wij niet (01:46 uur)

[naam] : Wie wil vuur (01:46 uur)

[medeverdachte 1] : Die guy (01:46 uur)

[medeverdachte 1] : Wik bij vuur toren (01:46 uur)

[medeverdachte 1] : Wij bij speel tuin (01:46 uur)

[naam] : Is hij met [naam] (01:46 uur)

[medeverdachte 1] : Nee (01:46 uur)

[medeverdachte 1] : [geen inhoud] (01:46 uur)

[medeverdachte 1] : Bij die Osso daar willen we dat, hij komt (01:46 uur)

[medeverdachte 1] : Bij die speel tin (01:47 uur)

[naam] : Ohww (01:47 uur)

[medeverdachte 1] : Tuim (01:47 uur)

[medeverdachte 1] : Tuin (01:47 uur)

[medeverdachte 1] : Kom zo die speel tuin (01:57 uur)

[medeverdachte 1] : Bij jouw (01:57 uur)

[medeverdachte 1] : Hij gaat daar nu heen (01:57 uur)

[medeverdachte 1] : Kom zo die speel tuin (01:57 uur)

[medeverdachte 1] : Bij jouw (01:57 uur)

[medeverdachte 1] : Hij gaat daar nu heen (01:57 uur)

[medeverdachte 1] : Wij ook nog niet daar zijn wacht ff om de hoek (01:57 uur)

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 november 2020, opgenomen op p. 288 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relatering van verbalisant:

In het onderzoek van TGO Boot zijn met toestemming van de rechter-commissaris zogenaamde teliotaps aangesloten op de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] .

Teliotap op [verdachte]

Op 12 oktober 2020 (TA007, sessienr. 113) belt [verdachte] met nn-man. Er wordt o.a. gezegd:

[verdachte] zegt dat [medeverdachte 1] altijd een mes in zijn broek had zitten als hij naar buiten ging.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 maart 2021 (met bijlage), los bijgevoegd bij voornoemd dossier, inhoudend relatering van verbalisant:

In het onderzoek naar de dood van [slachtoffer] is de telefoon van verdachte [verdachte] in beslag genomen (zie Kvl IBN-004). Op 1 maart 2021 heb ik, verbalisant [verdachte] , aanvullend onderzoek gedaan aan het toestel van [verdachte] , gericht op de communicatie tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] in de periode van 19 augustus 2020 en 2 september 2020. Dat betreft de periode vlak voor het eerste

contact tussen het slachtoffer [slachtoffer] en [verdachte] en de datum van het

steekincident.

Voor een volledige weergave van de chats in de periode 19 augustus 2020 tot en met 2 september 2020 wordt verwezen naar bijlage 1.

Bijlage 1:

Incoming = [medeverdachte 2]

Outgoing = [verdachte]

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2020, opgenomen op p. 1 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relatering van verbalisant:

Op 4 september 2020 omstreeks 00.30 uur kregen wij verbalisanten de opdracht te gaan naar de Vaargeul in Groningen. Op het schoolplein zagen wij een voor ons onbekende man liggen. Wij zagen dat de man met zijn rug op de grond lag. Ik zag dat de persoon bleek van kleur was. Ik voelde geen hartslag.

11. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2020.09.04.055, d.d. 7 september 2020, opgenomen op p. 1255 e.v. van voornoemd dossier, opgemaakt door H.H. de Boer (forensisch patholoog), op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende als zijn/haar verklaring:

Naam: [slachtoffer]

Geboortedatum : [geboortedatum] 2001

SIN-nr. lichaam: AAMA2926NL


Op het lichaam waren 2 steekletsels, alle met omgevende bloeduitstorting:
i. Links laag in de hals, op ca. 156 cm van de voetzoolrand en ca. 7 cm van het midden, was een steekletsel van ca. 2,3 cm (C), met één scherp en één stomp uiteinde. Hierbij was er een rugwaarts, voetwaarts en naar rechts gericht wondkanaal van tenminste ca. 5 cm, met o.a. perforatie van enkele kleine onderhuidse bloedvaten en de linkerborstholte. De linkerlong was niet geraakt.
ii. Hoog op de buik, op ca. 130 cm van de voetzoolrand en iets rechts van het midden, was een steekletsel van ca. 5,6 cm (D), met één scherp en één stomp uiteinde. Hierbij was er een rugwaarts, hoofdwaarts en minimaal naar links gericht wondkanaal van ca. 18,5 cm, met o.a. perforatie van de lever, de aorta, de poortader (v. porta), de linkernierader (v. renalis sinistra) en de bovenste buikslagader (a. mesenterica sup.). Ook was er beschadiging van de 1e lendenwervel en de linkerlendenspier.

Voorlopige interpretatie
De sectie betrof een man (sub 2) met onder andere de letsels sub 3. Deze letsels zijn bij leven ontstaan door uitwendig mechanisch klievend/perforerend geweld, zoals steken met één of meerdere scherprandige voorwerpen zoals een mes. Het betrof in totaal 2 steekletsels.
Bij het steekletsel sub 3-ii was er o.a. perforatie van de lever en meerdere zeer grote bloedvaten. Perforatie hiervan heeft -gezien de bevindingen sub 4- geleid tot zeer ernstig bloedverlies, hetgeen middels weefselschade door zuurstoftekort het overlijden volledig verklaart. Bij het steekletsel sub 3-i waren er geen belangrijke structuren, zoals grote bloedvaten of essentiële organen geraakt. Dit letsel kan derhalve op zich het overlijden niet verklaren. Wel kan het letsels hebben bijgedragen aan de snelheid van het overlijden, door een bijdrage aan het bloedverlies en het induceren van ademhalingsstoornissen door een klaplong.


Voorlopige conclusie:
Het overlijden van [slachtoffer] , 19 jaren oud geworden, wordt verklaard door één steekletsel in de buik.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

zij op omstreeks 3 september 2020 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door samen met haar medeverdachte, die [slachtoffer] met een mes in de buikstreek te steken.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van doodslag.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] , met toepassing van het jeugdstrafrecht, ter zake het door haar bewezen geachte feit wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 21 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van

de onvoorwaardelijke maatregel tot Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, bepleit dat er bij de strafoplegging rekening gehouden dient te worden met het feit dat [verdachte] first offender is en dat zij verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht. Ten aanzien van de gevorderde PIJ-maatregel heeft de raadsman aangevoerd dat deze maatregel een ultimum remedium is; indien de rechtbank deze maatregel wil opleggen dan dient, gelet op het aandeel van [verdachte] , meegewogen te worden of deze maatregel proportioneel is.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over haar opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Aard en ernst van het bewezenverklaarde

Op 3 september 2020 heeft [medeverdachte 2] , de toenmalige vriend van verdachte [verdachte] , op het schoolplein van De Vuurtoren in Lewenborg een einde gemaakt aan het leven van [slachtoffer] en zich zodoende schuldig gemaakt aan doodslag.

[medeverdachte 1] was daar die avond om de confrontatie met [slachtoffer] te zoeken, aan wie hij duidelijk wilde maken dat hij op moest houden contact te zoeken met [verdachte] . Eerder die avond had hij, samen met [verdachte] en zijn vriend en medeverdachte [medeverdachte 2] , het plan gemaakt om [slachtoffer] in de val te lokken, waarbij [verdachte] met [slachtoffer] zou afspreken, waar dus – zonder dat [slachtoffer] dat wist - ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij zouden zijn. Vlak voor vertrek heeft [medeverdachte 1] een mes bij zich gestoken en met dat mes heeft hij [slachtoffer] vrijwel meteen bij aankomst op het schoolplein in zijn buik gestoken.

[verdachte] heeft bij het opzetten en uitvoeren van de “set-up”, de valstrik die voor [slachtoffer] uiteindelijk fataal is afgelopen, een cruciale rol gespeeld. Door te overdrijven hoe vaak [slachtoffer] contact met haar zocht, heeft ze [medeverdachte 1] zover gebracht dat hij [slachtoffer] op gewelddadige wijze tot de orde wilde roepen. In plaats van [slachtoffer] te waarschuwen dat [medeverdachte 1] op een confrontatie uit was, is zij vervolgens juist degene geweest die de afspraak met [slachtoffer] heeft gemaakt en die, eenmaal bij het schoolplein aangekomen, vooruit is gelopen om hem op zijn gemak te stellen en aan de praat te houden tot [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] eraan kwamen. Zij heeft dit alles gedaan terwijl ze wist dat de kans groot was dat [medeverdachte 1] bij de confrontatie met [slachtoffer] een mes bij zich zou hebben en zou gebruiken. De rechtbank houdt haar daarom medeverantwoordelijk voor de dood van [slachtoffer] , ook al heeft ze zelf geen geweld gebruikt.

[verdachte] heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag; een van de zwaarste feiten die de wet kent. Dat dit een zeer ernstig feit betreft behoeft geen uitleg. Door de zinloze dood van [slachtoffer] is de ouders van [slachtoffer] , zijn familie en vrienden onherstelbaar leed aangedaan, zoals ook is gebleken uit de slachtofferverklaringen van de ouders die zij ter zitting voorgelezen hebben. Het is extra pijnlijk dat [slachtoffer] mogelijk nog had kunnen leven indien er door de verdachten tijdig hulp was ingeschakeld.

Het overlijden van [slachtoffer] heeft ook de samenleving en de buurt waarin hij woonde geschokt. Het steekincident vond plaats op een schoolplein, midden in een woonwijk. Zulk ernstig geweld roept in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid op, al helemaal omdat geen reden was waarom deze ruzie zo uit de hand moest lopen. Dat het hier fataal is afgelopen wijt de rechtbank aan het groeiende en zeer zorgelijke maatschappelijke probleem dat steeds meer jongeren heel makkelijk lijken te denken over het bij zich dragen van messen en andere wapens. Ze staan er dan niet bij stil dat de drempel om het wapen vervolgens te gebruiken dan wel heel laag wordt.

Strafblad en rapportages

Uit [verdachte] haar uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Over [verdachte] zijn verschillende rapportages uitgebracht. De rechtbank heeft met name acht geslagen op de volgende rapportages:

- het advies van de reclassering d.d. 24 februari 2021;

- de rapportage van het Triple onderzoek Pro Justitia d.d. 8 februari 2021, bestaande uit:

- het Psychiatrisch Onderzoek opgesteld door A.A.M. Smits, (kinder- en jeugd)psychiater;

- het Psychologisch Onderzoek opgesteld door M.J.E. van Kempen, gezondheidszorgpsycholoog;

- het Forensisch Milieuonderzoek opgesteld door W. de Kruijf, forensisch milieuonderzoeker.

Ter terechtzitting is op de rapportages een toelichting gegeven door de psychiater A.A.M. Smits en de psycholoog M.J.E. van Kempen en namens de reclassering S. Wolthuis.

Toepassing van het jeugdstrafrecht

De rechtbank dient bij de strafoplegging als eerste de vraag te beantwoorden of in het kader van het adolescentenstrafrecht toepassing van het jeugdstrafrecht aan de orde is. Ten tijde van het feit was [verdachte] net anderhalve week 18 jaar oud, zodat in beginsel het commune (volwassenen) strafrecht dient te worden toegepast. Op grond van artikel 77c Sr kan de rechter adolescenten van 18 tot 23 jaar berechten op grond van het jeugdstrafrecht, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank heeft acht geslagen op de adviezen van de psychiater en de psycholoog. Hieruit volgt dat zij adviseren om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht. Zo kent [verdachte] forse ontwikkelingsachterstanden en dient zij vooraleerst toe te komen aan leeftijdsadequate ontwikkelingstaken van een adolescent. Haar handelingsvaardigheden zijn nog beperkt op grond van beperkt cognitief functioneren en beperkte sociaal-emotionele en probleemoplossende vaardigheden. [verdachte] heeft verder een gebrekkige gewetensontwikkeling en heeft moeite met inschatten van risico’s van eigen handelen. Zowel de psychiater als de psycholoog achten een pedagogisch klimaat noodzakelijk en ook mogelijk. [verdachte] gedijt, zoals het verblijf binnen de JJI duidelijk maakt, in een pedagogisch groepsklimaat en bij de mogelijkheid tot scholing. Ook de reclassering heeft in haar rapport geadviseerd om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht.

Gelet op voornoemd rapportages en al hetgeen overigens uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken omtrent [verdachte] , zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen.

Conclusies en adviezen van de gedragsdeskundigen

De psychiater en de psycholoog hebben beschreven dat er bij [verdachte] sprake is van complexe meervoudige problematiek. In cognitieve zin is sprake van laagbegaafdheid en ongelijk ontwikkelde deelvaardigheden; in het bijzonder liggen de handelingsgerichte vaardigheden op (zeer) moeilijk lerend niveau. Daarnaast is sprake van een onveilige gehechtheid als gevolg van pedagogische en affectieve tekortkomingen in de opvoeding door welwillende maar met eigen problematiek behepte ouders. [verdachte] heeft een normoverschrijdende gedragsstoornis ontwikkeld met beperkte prosociale emoties en haar persoonlijkheidsontwikkeling is al langer durend ernstig bedreigd, wat inmiddels de diagnose andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (met borderline- en antisociale trekken) rechtvaardigt. Van het voorgaande was ten tijde van het ten laste gelegde sprake en dit beïnvloedde [verdachte] haar gedragskeuzes en gedragingen. Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde in verminderde mate aan [verdachte] toe te rekenen. Het risico op gewelddadig recidive wordt hoog geacht en het risico op ernstig lichamelijk letsel wordt matig geacht. Het risico op een dodingsdelict of acuut geweld wordt laag geacht. Door de psychiater en de psycholoog word geadviseerd om de noodzakelijke behandeling te organiseren in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

De rechtbank neemt bovenstaande conclusie ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid over, maakt die tot de hare en verklaart [verdachte] daarom verminderd toerekeningsvatbaar

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het bovengenoemde advies van de reclassering. Hieruit volgt dat de reclassering zich aansluit bij het advies van de psychiater en de psycholoog. De reclassering heeft in het rapport verder uitgebreid weergegeven dat een behandeling in een ander kader dan een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel als nauwelijks te realiseren verondersteld moet worden.

Jeugddetentie

Gelet op het feit dat [verdachte] berecht wordt onder het jeugdstrafrecht kan aan haar een jeugddetentie opgelegd worden voor de duur van maximaal 24 maanden.

De rechtbank is van oordeel dat uit een oogpunt van vergelding slechts de maximaal aan [verdachte] opgelegde jeugddetentie recht doet aan de ernst van de feiten. De rechtbank ziet echter, in de omstandigheid dat het feit haar in verminderde mate kan worden toegerekend, aanleiding om de straf enigszins te matigen.

De rechtbank zal daarom aan [verdachte] jeugddetentie opleggen voor de duur van 21 maanden, met aftrek van de periode dat zij in voorarrest heeft verbleven.

Maatregel Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen

De rechtbank is met alle deskundigen van oordeel dat het noodzakelijk is dat [verdachte] een intensieve en langdurige behandeling nodig heeft die niet binnen een ander kader dan een PIJ-maatregel kan plaatsvinden. De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel een uiterst middel is dat met grote terughoudendheid moet worden ingezet, zeker wanneer - zoals in dit geval - de verdachte geen strafblad heeft en nog niet eerder een andere, minder ingrijpende vorm van behandeling heeft gehad. Desondanks acht de rechtbank deze maatregel, mede gezien de eensluidende adviezen van de deskundigen, passend en noodzakelijk. Het gaat hier om een zeer ernstig feit en de kans op herhaling voor soortelijke ernstige feiten is groot als er geen behandeling plaatsvindt. Daar komt bij dat er bij [verdachte] sprake is van complexe meervoudige problematiek, en dat het daarom, maar ook vanwege haar problematische thuissituatie, niet realistisch is om te verwachten dat deze behandeling buiten een JJI goed van de grond kan komen.

De rechtbank merkt daarbij nog op dat aan de wettelijke vereisten voor oplegging van een PIJ-maatregel is voldaan. Het gaat om een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en behandeling en begeleiding van [verdachte] is, zoals hiervoor ook al is overwogen noodzakelijk voor haar zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling.

De rechtbank overweegt verder dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en dat bij [verdachte] tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Verlenging van de PIJ- maatregel is in dit geval mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [benadeelde partij 1] , tot een bedrag van € 4.031,29 ter zake van materiële schade, € 20.000,- ter vergoeding van affectieschade en € 20.000,- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [benadeelde partij 2] , tot een bedrag van € 4.031,29 ter zake van materiële schade, € 20.000,- ter vergoeding van affectieschade en € 20.000,- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Beide benadeelde partijen zijn ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. Schaap, advocaat te Groningen. De raadsvrouw heeft verzocht om in het vonnis een overweging op te nemen waarin wordt bepaald dat de verdachten en hun familie het strafdossier niet zullen openbaren en/of verspreiden aan derden of op social media kanalen zullen verspreiden en/of openbaren, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding van deze bepaling. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de benadeelde partijen ten behoeve van het opsporingsonderzoek veel privacygevoelige informatie aan de politie hebben overlegd, waarbij zij er vanuit gingen dat er met deze informatie vertrouwelijk omgegaan zou worden. Deze informatie bevindt zich nu in het strafdossier. Om de privacy van hun zoon en de nalatenschap te beheersen dient bovenstaande bepaling opgenomen te worden; dit kan in de vorm van een overweging ten overvloede of door oplegging van een bijzondere voorwaarde.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen geheel toegewezen kunnen worden, vermeerderd met de wettelijke rente en onder toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de gevorderde shockschade heeft de officier van justitie, onder verwijzing naar een vergelijkbare uitspraak, aangevoerd dat er voldaan is aan het confrontatievereiste.3

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen afgewezen moeten worden, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de vordering voor zover deze zien op de shockschade af te wijzen, nu er niet is voldaan aan de daarvoor geldende vereisten.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt ten aanzien van de materiële schade en de affectieschade als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partijen de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Deze schadeposten, waarvan de hoogte niet door [verdachte] is betwist, zullen daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 september 2020.

Ten aanzien van de schadepost die ziet op de shockschade oordeelt de rechtbank als volgt. Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan vergoeding van shockschade plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (1) het waarnemen van het ten laste gelegde, of (2) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan.4 Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het ten laste gelegde is gedood of verwond. Of gesproken kan worden van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het misdrijf dient per individueel geval te worden beoordeeld, waarbij de rechtbank in het oog moet houden dat vergoeding van shockschade alleen onder strikte voorwaarden plaatsvindt.

Dat het overlijden van [slachtoffer] psychisch letsel teweeg heeft gebracht bij de benadeelde partijen is op basis van de overgelegde stukken voldoende komen vast te staan.

De shockschade is verder onderbouwd door aan te voeren dat de benadeelde partijen geconfronteerd zijn met de ernstige gevolgen van het geweldsmisdrijf, doordat zij hun zoon in het mortuarium hebben moeten identificeren.

Het behoeft geen motivering dat de confrontatie in het mortuarium met het levenloze lichaam van hun zoon voor de ouders zeer schokkend moet zijn geweest. Het is ook ontzettend triest dat zij vanuit hun huis elke dag uitkijken op het schoolplein van De Vuurtoren; de plaats waar hun zoon op 3 september 2020 om het leven is gekomen.

De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op de strenge eisen die in de jurisprudentie worden gesteld aan de toekenning van shockschade, er geen sprake is geweest van ofwel het waarnemen van het strafbare feit ofwel de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Deze zaak verschilt van de door de raadsvrouw van de benadeelde partijen en de officier van justitie aangehaalde jurisprudentie, in die zin dat de identificatie van de benadeelde partijen met hun zoon niet op dezelfde dag, maar na vier dagen heeft plaatsgevonden. Aan het vereiste van directe confrontatie is hier dus niet voldaan. De rechtbank ziet om deze redenen geen ruimte om een vergoeding voor shockschade toe te kennen. De benadeelde partijen zullen daarom in dit deel van de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan de rechtbank hierboven heeft geoordeeld dat deze voor vergoeding in aanmerking komt. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door de medeverdachte is betaald, [verdachte] dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat [verdachte] tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed. De rechtbank zal de gijzeling daarbij bepalen op nul dagen.

De rechtbank zal [verdachte] veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De rechtbank is verder, met de officier van justitie, van oordeel dat het strafrecht geen mogelijkheid biedt om het door de raadsvrouw verzochte openbaringsverbod op te leggen. De rechtbank wil er echter vanuit gaan dat de verdachten en hun families ook zonder dit openbaringsverbod het fatsoen en het respect hebben om discreet om te gaan met de stukken en de informatie waar zij uit hoofde van deze strafzaak de beschikking over hebben gekregen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 77c, 77g, 77i, 77s, en 287 van het Wetboek van Strafrecht.


Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 21 maanden

en

plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 24.031,29 (zegge: vierentwintig duizend en eenendertig euro en negenentwintig eurocent euro), (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2020).

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] te betalen een bedrag van € 24.031,29 (zegge: vierentwintig duizend en eenendertig euro en negenentwintig eurocent euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2020. Dit bedrag bestaat uit € 4.031,29 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte niet volledig betaalt, dat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte – al dan niet samen met haar mededader - aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 24.031,29 (zegge: vierentwintig duizend en eenendertig euro en negenentwintig eurocent euro), (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2020).

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] te betalen een bedrag van € 24.031,29 (zegge: vierentwintig duizend en eenendertig euro en negenentwintig eurocent euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2020. Dit bedrag bestaat uit € 4.031,29 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte niet volledig betaalt, dat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte – al dan niet samen met haar mededader - aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. S. Timmermans en mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door mr. S. Fokkert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni 2021.

1 HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761.

2 De rol van [medeverdachte 2] bij de valstrik is door de rechtbank in haar vonnis van heden in diens strafzaak aangemerkt als die van medeplichtige.

3 Rb Noord-Nederland 27 oktober 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3678, Rb Midden-Nederland 20 maart 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:1046, Hof Amsterdam 16 december 2019, ECLI:NL:GHAM:2019:4432;

4 HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356.