Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2643

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
20-07-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4367
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanmaningskosten terecht in rekening gebracht. Verweerder mocht nog geen invorderingsmaatregelen treffen, omdat verweerder toen nog niet had beslist op eisers verzoek om uitstel van betaling van de naheffingsaanslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-7-2021
V-N Vandaag 2021/1804
FutD 2021-2360
Belastingblad 2021/351
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 19/4367 en 20/57

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 juni 2021 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Hoogeveen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 14 oktober 2019 aan eiser bij beschikking een bedrag van € 7 aan aanmaningskosten in rekening gebracht in verband met de aan eiser op 5 september 2019 opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.

Eveneens met dagtekening 14 oktober 2019 heeft verweerder aan eiser bij beschikking een bedrag van € 7 aan aanmaningskosten in rekening gebracht in verband met de aan eiser op 7 september 2019 opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.

Bij uitspraken op bezwaar van 10 december 2019 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2021 via een beeldverbinding. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens eiser is niemand verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting zonder inhoudelijke behandeling geschorst, omdat de uitnodiging voor deze zitting niet door eisers gemachtigde is ontvangen.

Het onderzoek ter zitting is opnieuw aangevangen op 7 juni 2021 te Groningen. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. De griffier heeft verweerder bij aangetekende brief, verzonden op 30 april 2021 op het door hem opgegeven adres onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. Volgens het ‘Track & Trace-systeem’ van PostNL is de aangetekende brief op 3 mei 2021 bij verweerder bezorgd. Gelet hierop, heeft de rechtbank vastgesteld dat de uitnodiging voor de zitting op regelmatige wijze aan het adres van verweerder is aangeboden.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Verweerder heeft aan eiser een tweetal naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd met dagtekening 5 september 2019 en 7 september 2019.

1.2.

Eiser heeft op 23 september 2019 bezwaarschriften ingediend tegen de bij 1.1 bedoelde naheffingsaanslagen. In zijn bezwaarschriften heeft eiser verzocht om uitstel van betaling voor het volledige bedrag van de naheffingsaanslagen.

1.3.

Verweerder heeft eiser op 14 oktober 2019 aangemaand de bij 1.1 bedoelde naheffingsaanslagen te betalen. Daarbij heeft hij ter zake van elk van deze aanmaningen een bedrag van € 7 aan aanmaningskosten in rekening gebracht aan eiser.

1.4.

Op de hiertegen gerichte bezwaren van eiser heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Hoogeveen de aanmaningskosten gehandhaafd. Daarbij is voor het eerst op het bij 1.2 bedoelde verzoek om uitstel gereageerd, in die zin dat uitstel van betaling is verleend tot 20 december 2019.

1.5.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift de door de heffingsambtenaar van de gemeente Hoogeveen genomen uitspraak op bezwaar bekrachtigd.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht aan eiser aanmaningskosten in rekening heeft gebracht.

3.1

Eiser stelt dat dat hij in zijn bezwaarschrift een uitdrukkelijk verzoek om uitstel van betaling heeft gedaan, die los moet worden gezien van het ingediende bezwaarschrift. Verweerder had, gedurende dit lopende verzoek om uitstel, volgens eiser op grond van de Leidraad invordering 2008 moeten handelen als ware dit verzoek toegewezen. Gelet hierop, is eiser van mening dat verweerder ten onrechte aanmaningskosten aan hem in rekening heeft gebracht.

3.2

Verweerder stelt dat hij niet zonder meer gehouden was om uitstel te verlenen. Gezien de geringe bedragen, lag het niet voor de hand om uitstel te verlenen. Daarnaast heeft eiser geen reden opgegeven bij het verzoek om uitstel. Het indienen van een bezwaar is in principe geen reden om uitstel te verlenen. Dit staat op de website vermeld, alsmede op de duplicaten van de naheffingsaanslagen en in de ontvangstbevestigingen van de bezwaarschriften. Als het eiser niet duidelijk was dat geen uitstel van betaling werd verleend, had hij hierover zelf moeten informeren bij verweerder. Door dit niet te doen, heeft eiser zelf het risico aanvaard dat er aanmaningen werden verstuurd.

3.3

De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 1 van de Leidraad invordering gemeentelijke belastingen Hoogeveen 2012 de invordering van gemeentelijke belastingen van de gemeente Hoogeveen geschiedt volgens de Leidraad Invordering 2008 inzake de rijksbelastingen behoudens voor zover in deze regeling hiervan wordt afgeweken.

3.4

In artikel 25.1.1 van de Leidraad Invordering 2008 staat:

Gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling handelt de ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek is toegewezen.

Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad, kan de ontvanger ondanks het verzoek om uitstel wel invorderingsmaatregelen treffen.”

3.5

De rechtbank overweegt dat verweerder niet, althans onvoldoende, heeft betwist dat eiser expliciet om uitstel van betaling heeft verzocht. De rechtbank overweegt verder dat verweerder evenmin heeft betwist dat hij niet eerder dan bij de bestreden uitspraken op bezwaar op dit verzoek om uitstel heeft gereageerd. De rechtbank overweegt dat verweerder ook niet, althans onvoldoende, heeft betwist dat de Leidraad Invordering 2008, waarop eiser zich heeft beroepen, van toepassing is. Gelet op artikel 25.1.1 van deze leidraad (zie bij 3.4), kon verweerder naar het oordeel van de rechtbank op 14 oktober 2019 nog geen invorderingsmaatregelen treffen, omdat verweerder toen nog niet had beslist op eisers verzoek om uitstel van betaling van de naheffingsaanslagen. Gesteld noch aannemelijk is geworden dat er aanwijzingen waren dat de belangen van de Staat zouden kunnen worden geschaad. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder eiser ten onrechte op 14 oktober 2019 heeft aangemaand om de naheffingsaanslagen te betalen. Dit brengt mee dat verweerder hiervoor ten onrechte aanmaningskosten aan eiser in rekening heeft gebracht.

3.6

Aan het bij 3.5 gegeven oordeel doet niet af dat het niet voor de hand zou liggen dat verweerder uitstel van betaling zou verlenen. Anders dan verweerder meent, was eiser naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden om zelf te informeren naar de stand van zaken over zijn verzoek om uitstel. Dit strookt immers niet met het bepaalde in artikel 25.1.1 van de Leidraad Invordering 2008. De rechtbank gaat ook voorbij aan verweerders stelling dat het indienen van een bezwaar geen reden is om uitstel te verlenen. Hier is immers sprake van een expliciet verzoek om uitstel van betaling, ook al is dat vermeld in de bezwaarschriften.

3.7

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar alsmede de beschikkingen inzake de aanmaningskosten.

4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. In verband met de samenhang van deze zaken is alleen in de zaak 19/4367 griffierecht geheven.

5.1

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten te veroordelen. Naar het oordeel van de rechtbank dienen deze twee zaken te worden aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

5.2

Op grond van het Bpb stelt de rechtbank de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.598 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van
€ 265 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1).

5.3

De door eiser gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting stelt de rechtbank vast op een bedrag van € 54,80 (berekend op basis van het tarief voor het openbaar vervoer, tweede klas, dagretour [woonplaats] -Groningen).

5.4

De rechtbank wijst eisers verzoek om vergoeding van verletkosten af. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser ter zitting heeft gesteld dat hij ondernemer is en hij om deze zitting bij te wonen een afspraak heeft moeten afzeggen. Ter zitting heeft eiser echter verklaard dat hij deze afspraak pas in de week voor de zitting heeft gemaakt. Op dat moment kon eiser naar het oordeel van de rechtbank al op de hoogte zijn van de datum van deze zitting, omdat de uitnodiging hiervoor al op 30 april 2021 aan eisers gemachtigde is verzonden. Gelet hierop, is het naar het oordeel van de rechtbank aan eiser zelf te wijten dat hij de door hem gestelde winst heeft gederfd1. Eiser heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat hij zonder de door hem gemaakte afspraak ook winst zou derven.

5.5

Eiser heeft ter zitting gesteld dat hij zich niet langer op het standpunt stelt dat de uitspraken op bezwaar onbevoegdelijk zijn genomen, omdat deze later door verweerder zijn bekrachtigd. Eiser heeft echter gesteld dat verweerder hierom wel moet worden veroordeeld in de proceskosten. Deze stelling kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven, omdat de rechtbank wegens de gegrondverklaring van de beroepen al aanleiding heeft gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

5.6

Gelet op het voorgaande bedragen de totale te vergoeden proceskosten € 1.652,80. Dat leidt tot een vergoeding van € 826,40 per zaak.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de beschikkingen inzake de aanmaningskosten;

- draagt verweerder op het voor de zaak 19/4376 betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 826,40 per zaak (in totaal € 1.652,80).

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.D. Mathey-Bal, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Hiemstra, griffier, op 22 juni 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.

w.g. rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

1 Vergelijk Hoge Raad 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0885