Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2635

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
18/224034-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Steekincident Lewenborg. Verdachte veroordeeld voor medeplichtigheid aan het medeplegen van doodslag. 90 dagen jeugddetentie waarvan 33 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77i
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77gg
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0547
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/224034-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 juni 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 april 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. Th. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 september 2020/ in of omstreeks de periode van 3 tot en met 4 september 2020 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg - zakelijk weergegeven - samen met zijn, verdachtes, medeverdachte(n), althans alleen, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp(randig) en/of puntig voorwerp, in de buik(streek) en/of in/onder de/het borst(been) en/of in de hals, althans in het lichaam, te steken (, als gevolg waarvan die [slachtoffer] is komen te overlijden),
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 september 2020 / in of omstreeks de periode van 3 tot en met 4 september 2020 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door samen met zijn, verdachtes, medeverdachte(n), althans alleen, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp(randig) en/of puntig voorwerp, in de buik(streek) en/of in/onder de/het borst(been) en/of in de hals, althans in het lichaam, te steken,

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 3 september 2020 / in of omstreeks de periode van 3 tot en met 4 september 2020 te Groningen (al dan niet tezamen en in vereniging)

[slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft/hebben beroofd, door met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg - zakelijk weergegeven - die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp(randig) en/of puntig voorwerp, in de buik(streek) en/of in/onder de/het borst(been) en/of in de hals, althans in het lichaam, te steken (, als gevolg waarvan die [slachtoffer] is komen te overlijden)

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 3 september 2020 / in of omstreeks de periode van 3 tot en met 4 september 2020 te Groningen

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door - zakelijk weergegeven-

-(samen) met een of meer ander(en) ( [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ) (op (de) scooter(s)) naar de plaats van het delict / de vooraf afgesproken plaats is gegaan (in het bezit van een of meer mes(sen) (al dan niet in de buddyseat van zijn, verdachtes, scooter)), en/of

waarbij hij, verdachte, die [medeverdachte 1] achterop zijn, verdachtes, scooter naar (en van) de plaats van het delict / de vooraf afgesproken plaats heeft vervoerd, en/of

terwijl hij, verdachte, wist dat er geweld zou worden toegepast op die [slachtoffer] , en/of

- die [slachtoffer] op de plaats van het delict / de vooraf afgesproken plaats (van een afstand) op te wachten en/of (vervolgens) (samen met [medeverdachte 1] ) (onverhoeds) te benaderen en/of aldus een dreigende situatie voor die [slachtoffer] te creëren,

waarna (vervolgens) die [slachtoffer] door een of meer van die anderen ( [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ) met een mes is gestoken, althans er geweld op die [slachtoffer] is toegepast (,als gevolg waarvan die [slachtoffer] is komen te overlijden).


meer, meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 september 2020/ in of omstreeks de periode van 3 tot en met 4 september 2020 te Groningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een jas, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- zakelijk weergegeven - met dit(/het) plan (te weten: een jas na bedreiging van en/of geweld tegen die [slachtoffer] af te nemen) (samen) met een of meer ander(en) ( [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ) (op de scooter) naar de plaats van het delict / de vooraf afgesproken plaats is gegaan (in het bezit van een of meer mes(sen) (al dan niet in de buddyseat van zijn, verdachtes, scooter)) en/of die [slachtoffer] aldaar heeft opgewacht en/of (vervolgens) heeft benaderd en/of waarna (vervolgens) die [slachtoffer] door een of meer van die anderen ( [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ) met een mes is gestoken, althans er geweld op die [slachtoffer] is toegepast, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer, meer, meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 september 2020/ in of omstreeks de periode van 3 tot en met 4 september 2020 te Groningen, tezamen en vereniging met een of meer anderen, althans alleen, en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] heeft mishandeld,

door opzettelijk, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, geweld toe te passen op de buik(streek) en/of in/onder de/het borst(been) en/of in de hals, althans op het lichaam, van die [slachtoffer] (,welk feit de dood ten gevolge heeft gehad),


meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 en/of 4 september 2020 te Groningen, als getuige van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin een ander (te weten [slachtoffer] ) verkeert, heeft nagelaten om deze ( [slachtoffer] ) die hulp te verlenen of te verschaffen die hij, verdachte, hem zonder gevaar voor zichzelf of anderen redelijkerwijs te kunnen duchten, had kunnen verlenen of verschaffen, terwijl de dood van de hulpbehoevende ( [slachtoffer] ) is gevolgd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde nu er zich in het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevinden om tot een bewezenverklaring te komen.

De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor het meer, meer subsidiair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gemotiveerd bepleit dat verdachte (hierna: [verdachte] ) integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde in verband met het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

De raadsman heeft ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde aangevoerd dat [verdachte] geen betrokkenheid heeft gehad bij het maken van de afspraak met [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). [verdachte] is meegegaan naar de afspraak om geen andere reden dan dat hij altijd mee ging met medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Hij had zelf geen intentie om geweld te gebruiken en had geen reden om aan te nemen dat [medeverdachte 1] dit wel zou doen. [verdachte] wist niet dat [medeverdachte 1] een mes bij zich had en hoefde daar ook geen rekening mee te houden, laat staan dat hij aanleiding had om te denken dat [medeverdachte 1] het mes zou gaan gebruiken. [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer] plotseling in een opwelling gestoken. [verdachte] had daar geen enkele rol bij. Het voorgaande betekent dat er geen sprake is van dubbel opzet en dat ook niet gezegd kan worden dat [verdachte] één en ander heeft bevorderd of ondersteund, zodat [verdachte] niet als medeplichtige aangemerkt kan worden.

Oordeel van de rechtbank

Vaststelling van de feiten

De rechtbank gaat op basis van de hierna opgenomen bewijsmiddelen uit van de volgende feitelijke gang van zaken.

Op 4 september 2020 omstreeks 00.30 uur werd op het schoolplein van De Vuurtoren in Lewenborg het levenloze lichaam van een man aangetroffen, naar later bleek de 19-jarige [slachtoffer] .

Op het lichaam van het slachtoffer is sectie verricht. Blijkens het sectierapport zijn er op het lichaam van [slachtoffer] twee steekletsels aangetroffen; één steekletsel links laag in de hals en een steekletsel hoog in de buik. Deze letsels zijn bij leven ontstaan door uitwendig mechanisch klievend/perforerend geweld, zoals steken met één of meerdere scherprandige voorwerpen zoals een mes. Het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door de gevolgen van het steekletsel in de buik.

In de middag van 4 september 2020 zijn [verdachte] , [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) aangehouden en verhoord. Zij hebben erkend dat er in de avond van 3 september 2020 rond 23.15 uur op het schoolplein een confrontatie heeft plaatsgevonden met [slachtoffer] .

Aan die – uiteindelijk fataal afgelopen – confrontatie is het volgende voorafgegaan. Eerder die avond zaten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij elkaar aan de keukentafel in de woning van [medeverdachte 1] . Daar hoorde [verdachte] van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat [slachtoffer] wederom contact zocht met [medeverdachte 2] en met haar probeerde af te spreken, ondanks het feit dat hij wist dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een relatie met elkaar hadden. Toen is er door [medeverdachte 1] het plan bedacht om [slachtoffer] in een “set-up” te gooien, dat wil zeggen dat [medeverdachte 2] inderdaad met [slachtoffer] zou afspreken, maar dat – zonder dat hij dat wist – [medeverdachte 1] en [verdachte] mee zouden gaan. [medeverdachte 1] heeft op enig moment aan tafel gezegd dat hij [slachtoffer] daarbij op zijn bek wilde slaan. [verdachte] heeft hierop geantwoord dat hij [slachtoffer] dan ook op zijn bek wilde slaan.

[medeverdachte 2] heeft vervolgens [slachtoffer] een berichtje gestuurd waarin zij aangaf dat zij naar het schoolplein, waar [slachtoffer] op dat moment was, toe zou komen.

[verdachte] is vervolgens samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar het schoolplein van De Vuurtoren in Lewenborg gegaan, waar de ontmoeting zou plaatsvinden. [medeverdachte 1] heeft op het laatste moment besloten om zijn mes uit de woning te halen en mee te nemen. [verdachte] en [medeverdachte 2] waren toen al bij de scooters om naar het schoolplein te gaan. [verdachte] heeft [medeverdachte 1] achterop de scooter meegenomen omdat [medeverdachte 1] zelf geen scooter en overigens ook geen rijbewijs had.

Eenmaal in de buurt van het schoolplein aangekomen hebben zij de scooters verdekt opgesteld zodat [slachtoffer] niet door zou hebben dat [medeverdachte 2] niet alleen was. [medeverdachte 2] is als eerste het schoolplein opgegaan en is een gesprekje met [slachtoffer] begonnen. [verdachte] en [medeverdachte 1] , die op dat moment nog op de brug bij het schoolplein stonden te wachten, zijn enkele momenten later naar [medeverdachte 2] en [slachtoffer] op het schoolplein toegelopen.

[medeverdachte 1] heeft, nadat hij met [verdachte] bij [slachtoffer] en [medeverdachte 2] was aangekomen, vrijwel direct zijn mes gepakt en heeft [slachtoffer] in zijn buik gestoken en daarmee de fatale steekwond toegebracht.

[verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn vervolgens weggerend met achterlating van [slachtoffer] . Zij zijn vervolgens samen naar het huis van [medeverdachte 1] gegaan. Thuis kwamen zij er na enige tijd achter dat [slachtoffer] overleden was doordat zij de online nieuwsberichten hierover volgden.

[medeverdachte 1] heeft thuis het mes waar hij [slachtoffer] mee heeft gestoken met een doekje schoongemaakt en op aandringen van [medeverdachte 2] heeft hij het doekje in de wc gegooid. De volgende ochtend heeft [medeverdachte 1] dit mes aan [medeverdachte 2] gegeven. [medeverdachte 2] heeft dit mes, samen met het mes van [verdachte] en haar eigen mes, aan haar moeder gegeven zodat zij de messen kon verstoppen.

Vrijspraak primair en subsidiair ten laste gelegde: geen medeplegen van moord of doodslag

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat er zich in het dossier geen bewijsmiddelen bevinden waaruit volgt dat [verdachte] zelf verantwoordelijk is geweest voor het toebrengen van één van de twee steekletsels die bij het onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer] zijn aangetroffen. [medeverdachte 1] heeft immers bekend dat hij de fatale steek in de buik heeft toegebracht en de rechtbank heeft geen reden om daaraan te twijfelen. Van de tweede steek, in de halsstreek, is niet komen vast te staan wie deze heeft toegebracht. Alle verdachten ontkennen dit gedaan te hebben en het overige bewijs is niet eenduidig. Concrete, ondubbelzinnige aanwijzingen dat [verdachte] deze steek heeft toegebracht zijn er in ieder geval niet.

Net als de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank daarnaast van oordeel dat [verdachte] evenmin als medepleger kan worden aangemerkt van het dodelijke geweld dat [medeverdachte 1] heeft gebruikt. Daarvoor moet immers in de eerste plaats kunnen worden vastgesteld dat ook [verdachte] opzet had, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op de dood van [slachtoffer] . Ook voor die aanname ontbreekt echter het bewijs. Uit niets blijkt dat [verdachte] uit was op de dood van [slachtoffer] en ook niet dat hij de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard door mee te gaan met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de “set-up”. [medeverdachte 1] heeft het mes waarmee hij de fatale steek heeft toegebracht pas op het laatste moment, en buiten het zicht van [verdachte] , bij zich gestoken, terwijl aan de keukentafel wel over “slopen”, maar niet over het gebruik van een mes is gesproken. Het eerste moment waarop buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat [verdachte] wist dat [medeverdachte 1] een mes had, was het moment waarop [medeverdachte 1] daarmee stak. Dat hij daarbij aanwezig was staat vast, maar is in het licht van het voorgaande onvoldoende om van medeplegen te kunnen spreken.

Dat betekent dat [verdachte] zich niet schuldig heeft gemaakt aan het plegen of medeplegen van doodslag of (in het verlengde daarvan) moord, zodat hij van het primair en subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring meer subsidiair ten laste gelegde: wel medeplichtigheid aan doodslag

Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of [verdachte] op 3 september 2020 medeplichtig is geweest aan de doodslag op [slachtoffer] .

Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid (aan het medeplegen) van doodslag is vereist dat de verdachte opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft tot-, dan wel opzettelijk behulpzaam is geweest bij het (mede)plegen van die doodslag.

Daarbij verdient opmerking dat uit de artikelen 47, 48 en 49 van het Wetboek van Strafrecht, -bezien in onderling verband en samenhang-, volgt dat het opzet van de medeplichtige niet geheel gericht hoeft te zijn op het door de dader(s) gepleegde gronddelict (in dit geval het medeplegen van doodslag). Voldoende is dat het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht voldoende verband houdt met het door de dader(s) gepleegde gronddelict.

Uit de eerder beschreven gang van zaken volgt dat [verdachte] wist dat er die avond op het schoolplein een confrontatie met [slachtoffer] zou gaan plaatsvinden, en ook dat de kans aanmerkelijk was dat daarbij (enig) geweld zou worden gebruikt. Hij was er immers bij toen eerder die avond aan de keukentafel de “set-up” werd besproken en hij had [medeverdachte 1] horen zeggen dat hij [slachtoffer] daarbij wel “op zijn bek” wilde slaan. Toch heeft hij meegeholpen om de “set-up” te verwezenlijken. Hij is niet alleen zelf meegegaan, maar heeft ook [medeverdachte 1] – die zelf geen scooter of rijbewijs had – achterop zijn scooter meegenomen, hij heeft meegewerkt aan het plan om de scooters een stukje verderop te parkeren om te voorkomen dat [slachtoffer] hen zou horen, hij is samen met [medeverdachte 1] op het bruggetje vlakbij het schoolplein blijven wachten om [medeverdachte 2] de kans te geven [slachtoffer] aan te spreken, en is vervolgens samen met [medeverdachte 1] naar [slachtoffer] en [medeverdachte 2] gelopen, waar hij vlak bij [slachtoffer] is gaan staan en zo heeft bijgedragen aan het onverhoedse en dreigende karakter van de confrontatie.

Met het voorgaande staat vast dat [verdachte] opzettelijk heeft bijgedragen aan de totstandkoming van een confrontatie, waarbij hij de kans dat daarbij door [medeverdachte 1] enig geweld zou worden gebruikt op zijn minst bewust heeft aanvaard.

In het onderhavige geval is het geweld dat [medeverdachte 1] uiteindelijk gepleegd heeft echter (veel) verder gegaan dan het geweld waarop zijn opzet was gericht; [verdachte] had slechts opzet op het plegen van een mishandeling terwijl, zo heeft de rechtbank in de vonnissen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vandaag overwogen, bij de andere twee wel sprake was van (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] . Het opzet van [verdachte] en het opzet van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] lopen naar het oordeel van de rechtbank echter niet zodanig ver uiteen dat er onvoldoende verband te leggen is tussen de geweldshandelingen waarop het opzet van [verdachte] zag en de geweldshandelingen die uiteindelijk gepleegd zijn. In alle gevallen was het opzet immers gericht op het plegen van geweld tegen [slachtoffer] .

Zoals hierboven al overwogen, heeft [verdachte] bewust meegeholpen om de confrontatie waarbij het (uiteindelijk fatale) geweld heeft plaatsgevonden mogelijk te maken. Dit maakt dat de rechtbank tot de conclusie komt dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] medeplichtig is geweest aan het medeplegen van het opzettelijk van het leven beroven van [slachtoffer] . De rechtbank merkt daarbij wel op dat zij bij de strafoplegging vanzelfsprekend rekening zal houden met het beduidend minder verstrekkende opzet van [verdachte] .

Bewijsmiddelen ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde:

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 september 2020, opgenomen op pagina 1045 e.v., van onderzoek BOOT/NNRAB20005, inhoudende als verklaring van verdachte:

A: Ik hoorde dat [slachtoffer] [medeverdachte 2] wou fixen ofzo. Dat hoorde ik gewoon al de hele tijd. [medeverdachte 2] ging daar afspreken ofzo.

V: En jullie waren toen nog op de Valreep?

A: Ja het was gewoon ter plekke dat ze vroegen ga je mee

V: En welke afspraak hadden ze gemaakt?

A: Dat ze gingen afspreken. Bij de vuurtoren.

V: En wie ging er afspreken?

A: [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .

V: En?

A: Die [slachtoffer] .

V: En toen?

A: Toen gingen we daarheen.

V: Waar ging je heen?

A: Naar de vuurtoren.

V: Hoe ging dat precies?

A: Oh ja we gingen dus de scooters daar neerzetten want die man mocht ze niet horen ofzo want [medeverdachte 1] moest onverwachts komen want hij ging met [medeverdachte 2] afspreken.

V: Waarheen?

A: [medeverdachte 1] en ik moesten even blijven wachten want [medeverdachte 2] moest even met die guy blijven praten.

V: Waar gingen jullie wachten?

A: Bij een bruggetje.

V: Maar toen jullie bij de Aldi waren, wie zijn er toen allemaal naar de school gelopen?

A: Wij drieën.

V: En toen bleven jullie bij het bruggetje staan en toen liep [medeverdachte 2] door.

A: Ja

V: En dan sta je daar met zijn allen. En dan?

A: Ja [medeverdachte 1] pakte die mes en stak die hem gewoon in hem.

V: En hoe gingen jullie daar heen?

A: Scooter.

V: Met de scooter?

A: Ja

V: En hoeveel?

A: Met twee scooters

V: En wie zat er op de ene scooter?

A: [medeverdachte 2]

V: En op de andere scooter?

A: Ikke en [medeverdachte 1]

V: En wie reed er?

A: Ikke. Ik heb een rijbewijs.

V: Wat gebeurde er toen want jullie zitten op die scooter en komen dan thuis. Jullie gaan naar binnen en dan? Je bent nog met zijn drieën?
V: Ja
V: Wat doen jullie dan?
A: Op internet kijken wat er met die man of die nog leefde of dat hij dood is.
V: Hoe deed je dat?
A: Gewoon de site van 112 gewoon
V: Wie deed dat?
A: [medeverdachte 2] . En toen gingen we de hele tijd kijken en toen zagen we dat die man overleden was.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 september 2020, opgenomen op pagina 636 e.v., van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1] :

V: Wat is dan de reactie van [medeverdachte 2] en [verdachte] als jij zegt: spreek maar af dan sla ik hem op zijn bek?

A: Ja [verdachte] zei: dan sla ik hem ook op zijn bek.

A: En ik deed een steekbeweging naar voren en hij een stap voorwaarts. En toen heb ik hem gewoon geraakt.

V: Waar heb je hem geraakt?

A: Ja hier gewoon.

O: Verdachte wijst op zijn buik/zij.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 september 2020, opgenomen op pagina 912 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2] :

V: Wat wist [verdachte] van dit plan?

A: [verdachte] wist alleen dat [medeverdachte 1] iemand op zijn bek zou gaan slaan. Hij wist toen dat wij naar een jongen zouden gaan die mij lastig viel en dat [medeverdachte 1] daar heen zou gaan om hem op zijn bek te slaan.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 september 2020, opgenomen op p. 57 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :

A: Gisteravond (de rechtbank begrijpt: 3 september 2020), zei [medeverdachte 2] tegen mij dat ze [slachtoffer] in een set-up wilde gooien. Ongeveer 2 uren later, toen was het 00:16 uur berichtte [medeverdachte 2] mij via Snapchat dat [medeverdachte 1] [slachtoffer] had gestoken.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2020, opgenomen op p. 1 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relatering van verbalisant:

Op 4 september 2020 omstreeks 00.30 uur kregen wij verbalisanten de opdracht te gaan naar de Vaargeul in Groningen. Op het schoolplein zagen wij een voor ons onbekende man liggen. Wij zagen dat de man met zijn rug op de grond lag. Ik zag dat de persoon bleek van kleur was. Ik voelde geen hartslag.

6. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2020.09.04.055, d.d. 7 september 2020, opgenomen op p. 1255 e.v. van voornoemd dossier, opgemaakt door H.H. de Boer (forensisch patholoog), op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende als zijn/haar verklaring:

Naam: [slachtoffer]

Geboortedatum : 28 april 2001

SIN-nr. lichaam: AAMA2926NL


Op het lichaam waren 2 steekletsels, alle met omgevende bloeduitstorting:
i. Links laag in de hals, op ca. 156 cm van de voetzoolrand en ca. 7 cm van het midden, was een steekletsel van ca. 2,3 cm (C), met één scherp en één stomp uiteinde. Hierbij was er een rugwaarts, voetwaarts en naar rechts gericht wondkanaal van tenminste ca. 5 cm, met o.a. perforatie van enkele kleine onderhuidse bloedvaten en de linkerborstholte. De linkerlong was niet geraakt.
ii. Hoog op de buik, op ca. 130 cm van de voetzoolrand en iets rechts van het midden, was een steekletsel van ca. 5,6 cm (D), met één scherp en één stomp uiteinde. Hierbij was er een rugwaarts, hoofdwaarts en minimaal naar links gericht wondkanaal van ca. 18,5 cm, met o.a. perforatie van de lever, de aorta, de poortader (v. porta), de linkernierader (v. renalis sinistra) en de bovenste buikslagader (a. mesenterica sup.). Ook was er beschadiging van de 1e lendenwervel en de linkerlendenspier.

Voorlopige interpretatie
De sectie betrof een man (sub 2) met onder andere de letsels sub 3. Deze letsels zijn bij leven ontstaan door uitwendig mechanisch klievend/perforerend geweld, zoals steken met één of meerdere scherprandige voorwerpen zoals een mes. Het betrof in totaal 2 steekletsels.
Bij het steekletsel sub 3-ii was er o.a. perforatie van de lever en meerdere zeer grote bloedvaten. Perforatie hiervan heeft -gezien de bevindingen sub 4- geleid tot zeer ernstig bloedverlies, hetgeen middels weefselschade door zuurstoftekort het overlijden volledig verklaart. Bij het steekletsel sub 3-i waren er geen belangrijke structuren, zoals grote bloedvaten of essentiële organen geraakt. Dit letsel kan derhalve op zich het overlijden niet verklaren. Wel kan het letsels hebben bijgedragen aan de snelheid van het overlijden, door een bijdrage aan het bloedverlies en het induceren van ademhalingsstoornissen door een klaplong.


Voorlopige conclusie:
Het overlijden van [slachtoffer] , 19 jaren oud geworden, wordt verklaard door één steekletsel in de buik.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 3 september 2020 te Groningen, tezamen en in vereniging, [slachtoffer] opzettelijk van het leven hebben beroofd, door met dat opzet - zakelijk weergegeven - die [slachtoffer] met een mes in de buikstreek te steken, als gevolg waarvan die [slachtoffer] is komen te overlijden, bij en tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 3 september 2020 te Groningen opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door - zakelijk weergegeven -

- samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op de scooters naar de plaats van het delict is gegaan, in het bezit van messen en waarbij hij, verdachte, die [medeverdachte 1] achterop zijn, verdachtes, scooter naar en van de plaats van het delict heeft vervoerd, en terwijl hij, verdachte, wist dat er geweld zou worden toegepast op die [slachtoffer] , en

- die [slachtoffer] op de plaats van het delict van een afstand op te wachten en vervolgens samen met [medeverdachte 1] onverhoeds te benaderen en aldus een dreigende situatie voor die [slachtoffer] te creëren, waarna vervolgens die [slachtoffer] door [medeverdachte 1] met een mes is gestoken, als gevolg waarvan die [slachtoffer] is komen te overlijden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan medeplegen van doodslag.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] ter zake van het meer, meer subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 57 dagen met aftrek van de tijd die [verdachte] in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan [verdachte] op te leggen de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de PIJ-maatregel), geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht en de begeleiding dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, bepleit om aan [verdachte] geen (voorwaardelijke) PIJ-maatregel op te leggen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat [verdachte] enkel mee is gegaan naar de “set-up” en daar zelf geen geweld heeft gebruikt. Oplegging van een (voorwaardelijke) PIJ-maatregel is derhalve disproportioneel. [verdachte] is bovendien tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis de goede weg ingeslagen en die ontwikkeling zou door oplegging van een (voorwaardelijke) PIJ-maatregel doorbroken worden. Mocht de rechtbank het nodig vinden, dan kan aan [verdachte] een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden opgelegd worden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Aard en ernst van het bewezenverklaarde

Verdachte, [verdachte] , heeft zich op 3 september 2020 schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan medeplegen van doodslag op [slachtoffer] .

Op de avond van 3 september 2020 hebben medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in aanwezigheid van [verdachte] , het plan gemaakt om [slachtoffer] op te zoeken om hem door het geven van “een klap op de bek” duidelijk te maken dat hij moest ophouden contact te zoeken met [medeverdachte 2] , die op dat moment immers al een relatie had met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] heeft om die reden een afspraak met [slachtoffer] gemaakt voor een ontmoeting later die avond op het schoolplein van De Vuurtoren in Lewenborg. Een ontmoeting waar dus – zonder dat [slachtoffer] dat wist – ook [medeverdachte 1] en [verdachte] zouden zijn. Hier is [slachtoffer] niet, zoals eigenlijk de bedoeling was, geslagen, maar vrijwel meteen door [medeverdachte 1] met een mes in zijn buik gestoken, waardoor hij is overleden. [verdachte] heeft aan deze fataal afgelopen “set-up” meegewerkt door [medeverdachte 1] , die zelf niet kon rijden, achterop zijn scooter richting het schoolplein te brengen, door zijn scooter een stukje verderop te parkeren om te voorkomen dat [slachtoffer] hen zou horen aankomen, en door vervolgens mee te lopen met [medeverdachte 1] toen die de confrontatie met [slachtoffer] wilde aangaan.

[verdachte] is door de keuzes die hij heeft gemaakt en de wijze waarop hij heeft gehandeld medeplichtig geweest aan de doodslag op [slachtoffer] . Dat dit een zeer ernstig feit betreft behoeft geen uitleg. Door de zinloze dood van [slachtoffer] is de ouders van [slachtoffer] , zijn familie en vrienden onherstelbaar leed aangedaan, zoals ook is gebleken uit de slachtofferverklaringen van de ouders die zij ter zitting voorgelezen hebben. Het is extra pijnlijk dat [slachtoffer] mogelijk nog had kunnen leven indien er door de verdachten tijdig hulp was ingeschakeld.

Het overlijden van [slachtoffer] heeft ook de samenleving en de buurt waarin hij woonde geschokt. Het steekincident vond plaats op een schoolplein, midden in een woonwijk. Zulk ernstig geweld roept in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid op, al helemaal omdat er helemaal geen reden was waarom deze ruzie zo uit de hand moest lopen.

Dat het hier fataal is afgelopen wijt de rechtbank aan het groeiende en zeer zorgelijke maatschappelijke probleem dat steeds meer jongeren heel makkelijk lijken te denken over het bij zich dragen van messen en andere wapens. Ze staan er dan niet bij stil dat de drempel om het wapen vervolgens te gebruiken dan wel heel laag wordt.

Strafblad en rapportages

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] geen relevant strafblad heeft. Afgezien van een tweetal overtredingen is hij nooit eerder met politie en justitie in aanraking geweest.

Over [verdachte] zijn verschillende rapportages uitgebracht. De rechtbank heeft met name acht geslagen op de volgende rapportages:

- het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) d.d. 20 april 2021;

- het advies van de Jeugdreclassering d.d. 9 april 2021;

- de rapportage van het Triple onderzoek Pro Justitia d.d. 3 maart 2021, bestaande uit:

- het psychiatrisch rapport opgesteld door A.X. Rutten, (kinder- en jeugd)psychiater;

- het psychologisch rapport opgesteld door M.J.E. van Kempen, gezondheidszorgpsycholoog;

- het forensisch milieuonderzoek opgesteld door W. de Kruijf, forensisch milieuonderzoeker.

Ter terechtzitting is op de rapportages een toelichting gegeven door de psychiater A.X. Rutten, de psycholoog M.J.E. van Kempen, namens de Raad N.D. Soppe en namens de jeugdreclassering H. Drevel.

Zowel de psychiater als de psycholoog hebben beschreven dat [verdachte] in een zeer onveilige situatie is opgegroeid en daardoor ernstig in zijn ontwikkeling is geschaad. Bij hem is op dit moment sprake van verschillende gedragsstoornissen, die er in het kort op neerkomen dat hij er moeite mee heeft om problemen op een goede, sociale manier op te lossen, zijn boosheid en andere emoties niet altijd goed in de hand heeft en slecht in staat is om zich te verplaatsen in de gevoelens van anderen of de gevolgen van zijn keuzes te overzien. Dat is bij deze gebeurtenis ook het geval geweest. De psychiater en psycholoog hebben daarom de rechtbank geadviseerd om het bewezen verklaarde in verminderde mate aan hem toe te rekenen. De rechtbank zal dit advies overnemen.

Over de verdere ontwikkeling van [verdachte] zijn grote zorgen en het gevaar voor herhaling wordt als hoog ingeschat. Beide gedragsdeskundigen hebben daarom gepleit voor een langdurige en intensieve behandeling, in een verplicht kader om er zo voor te zorgen dat [verdachte] zich daar niet aan kan onttrekken. Hun advies is dan ook om aan [verdachte] een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De Raad en de jeugdreclassering hebben zich bij het advies van de psychiater en psycholoog om [verdachte] een verplichte behandeling te laten ondergaan aangesloten. Zij hebben daarbij wel ter terechtzitting aangegeven dat, mocht de rechtbank van oordeel zijn dat het aandeel van [verdachte] beperkt is geweest, met een lichter kader zou kunnen worden volstaan.

Overwegingen over de strafmaat en de gevorderde maatregel

De rechtbank is met alle deskundigen van oordeel dat het noodzakelijk is dat [verdachte] een behandeling ondergaat, zowel om de kans op herhaling terug te dringen als om [verdachte] de kans te geven zijn leven op orde te krijgen nu hij nog aan het begin van zijn volwassenheid staat. Bij de beantwoording van de vraag in welk kader dit zou moeten gebeuren, zal de rechtbank eerst stilstaan bij de strafwaardigheid van wat [verdachte] gedaan heeft.

[verdachte] heeft, zo heeft de rechtbank hierboven al overwogen, door zijn handelen en keuzes een bijdrage geleverd aan de confrontatie die [slachtoffer] uiteindelijk het leven heeft gekost. Daarom wordt hij veroordeeld voor medeplichtigheid aan doodslag. Zijn rol is echter wel van een beduidend ander gewicht geweest dan die van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [verdachte] heeft immers zelf geen geweld gebruikt, hij heeft geen bepalende rol gespeeld bij het plannen van de “set-up” en zijn opzet was ook niet op de dood van [slachtoffer] gericht. Als gebeurd was wat [verdachte] voor ogen stond, dan was het bij een mishandeling gebleven. De rechtbank zal bij de strafoplegging dan ook aansluiting zoeken bij de straffen die doorgaans voor zo’n feit aan minderjarigen worden opgelegd, waarbij de rechtbank er in strafverzwarende zin wel rekening mee zal houden dat dit geen spontane actie is geweest, maar dat, ook door [verdachte] , van te voren is bedacht en gepland om geweld te gaan gebruiken.

In dat licht acht de rechtbank het opleggen van een PIJ-maatregel, zowel in voorwaardelijke als in onvoorwaardelijke zin, niet in verhouding staan tot hetgeen [verdachte] feitelijk verweten kan worden. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat er wellicht alle reden is om aan te nemen dat de kans groot is dat [verdachte] zonder behandeling weer nieuwe strafbare feiten gaat plegen, maar dat nergens uit blijkt dat het dan zou gaan om het plegen van ernstig geweld. Uit zijn strafblad of levensloop blijkt dat niet, en ook in dit geval is hij niet degene geweest die zich aan het dodelijke geweld schuldig heeft gemaakt. Het opleggen van zo’n zware maatregel is dus ook niet nodig om de maatschappij te beschermen. [verdachte] heeft bovendien tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis aangetoond dat hij zich kan houden aan gedragsvoorwaarden.

De rechtbank zal daarom voor een andere afdoening kiezen.

De rechtbank is van oordeel dat door oplegging van een deels voorwaardelijke jeugddetentie recht gedaan wordt aan de ernst van het bewezenverklaarde. De voorlopige hechtenis van [verdachte] is 30 oktober 2020 geschorst en de rechtbank vindt het, gezien bovenomschreven rol van [verdachte] en het feit dat de rechtbank [verdachte] verminderd toerekeningsvatbaar acht, niet passend dat [verdachte] opnieuw vast komt te zitten. Bovendien zouden de negatieve gevolgen van jeugddetentie de positieve ontwikkeling die [verdachte] inmiddels heeft doorgemaakt kunnen doorbreken. Daarom zal de rechtbank het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie gelijk stellen aan de tijd die [verdachte] inmiddels in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Een gedeelte van de jeugddetentie zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen als stok achter de deur om [verdachte] ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. Daarbij acht de rechtbank het op grond van hetgeen hiervoor is beschreven over de huidige persoonlijke omstandigheden en de benodigde behandeling noodzakelijk dat aan [verdachte] de bijzondere voorwaarden zoals hierna geformuleerd worden opgelegd. De rechtbank ziet, gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid en de straffen die in soortgelijke zaken opgelegd worden, geen ruimte voor een groter voorwaardelijk gedeelte dan de rechtbank zal opleggen.

Alles afwegende acht de rechtbank de hierna in het dictum opgenomen straf passend en geboden.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [benadeelde partij 1] , tot een bedrag van € 4.031,29 ter zake van materiële schade, € 20.000,- ter vergoeding van affectieschade en € 20.000,- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [benadeelde partij 2] , tot een bedrag van € 4.031,29 ter zake van materiële schade, € 20.000,- ter vergoeding van affectieschade en € 20.000,- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Beide benadeelde partijen zijn ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. Schaap, advocaat te Groningen. De raadsvrouw heeft verzocht om in het vonnis een overweging op te nemen waarin wordt bepaald dat de verdachten en hun familie het strafdossier niet zullen openbaren en/of verspreiden aan derden of op social media kanalen zullen verspreiden en/of openbaren, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding van deze bepaling. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de benadeelde partijen ten behoeve van het opsporingsonderzoek veel privacygevoelige informatie aan de politie hebben overlegd, waarbij zij er vanuit gingen dat er met deze informatie vertrouwelijk omgegaan zou worden. Deze informatie bevindt zich nu in het strafdossier. Om de privacy van hun zoon en de nalatenschap te beheersen dient bovenstaande bepaling opgenomen te worden; dit kan in de vorm van een overweging ten overvloede of door oplegging van een bijzondere voorwaarde.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden, nu er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de opgevoerde schade en het door haar bewezenverklaarde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen afgewezen moeten worden, gelet op de bepleite vrijspraak.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van [verdachte] en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade is toegebracht.

De rechtbank overweegt daartoe nu [verdachte] , als medeplichtige, geen onmiddellijke, actieve bijdrage geleverd heeft aan de dood van [slachtoffer] en daarmee aan de als de gevolg daarvan gestelde ontstane schades bij de benadeelden. De handelingen van de [verdachte] staan in dat opzicht in een veel verder verwijderd verband tot de gestelde schade dan bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

Daarom zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering en bepalen dat de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

De rechtbank is verder, met de officier van justitie, van oordeel dat het strafrecht geen mogelijkheid biedt om het door de raadsvrouw verzochte openbaringsverbod op te leggen. De rechtbank gaat er echter vanuit dat de verdachten en hun families ook zonder dit openbaringsverbod het fatsoen en het respect hebben om discreet om te gaan met de stukken en de informatie waar zij uit hoofde van deze strafzaak de beschikking over hebben gekregen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 48, 49, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht.


Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 33 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij de Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen en dat veroordeelde zich gedurende en door voornoemde instelling te bepalen periode meldt bij de jeugdreclassering en dat hij zich daarna zal blijven melden zo lang en zo frequent als deze instelling dat noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde zich onder behandeling stelt van of meewerkt aan een door de jeugdreclassering geïndiceerde behandeling/traject voor zover en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;

3. dat veroordeelde zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang voor zover en zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht.

Geeft aan Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis (met ingang van heden).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. J. van Bruggen en mr. S. Timmermans, rechters, bijgestaan door mr. S. Fokkert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni 2021.