Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2610

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-06-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
18/271419-20
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2021:10897
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kantonrechter. Verzet tegen strafbeschikking. Zich niet houden aan een (tijdelijk) demonstratieverbod. Wet openbare manifestaties artikelen 5 en 11. Demonstratie met landbouwvoertuigen bij een bedrijf in Wijster door boeren uit protest tegen stikstofbeleid. Geheel voorwaardelijke geldboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/271419-20

Vonnis van de politierechter d.d. 21 juni 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 mei 2021. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 7 juni 2021.

De kantonrechter heeft bepaald dat schriftelijk vonnis wordt gewezen.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Het ingestelde verzet

Verdachte heeft, op de voet van artikel 257e van het Wetboek van Strafvordering,
bij (gemotiveerd) verzetschrift van 15 november 2020 tijdig verzet ingesteld tegen de

ten aanzien van verdachte uitgevaardigde strafbeschikking van 6 november 2020.

Verdachte is ontvankelijk in zijn verzet.

Tenlastelegging

Bij aanvang van zijn repliek heeft de officier van justitie - in reactie op het pleidooi van de raadsman - medegedeeld dat de raadsman juist heeft begrepen dat de tenlastelegging ziet op de demonstratie in Wijster “bij [bedrijfsnaam 1] ” en dat het demonstratieverbod is uitgevaardigd door de burgemeester “in zijn rol als (plv) voorzitter van de veiligheidsregio Drenthe”. Vervolgens heeft de officier van justitie een vordering wijziging tenlastelegging ingediend, strekkende tot toevoeging van voornoemde zinsneden in de tenlastelegging. De kantonrechter heeft de vordering - gehoord de raadsman - toegewezen.

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 juli 2020 te Wijster, al dan niet tezamen en in vereniging,

een demonstratie bij [bedrijfsnaam 1] heeft gehouden en/of heeft deelgenomen aan een demonstratie waarvoor een verbod is gegeven, te weten demonstraties, waarbij landbouwvoertuigen worden ingezet op wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, de daaraan liggende parkeerterreinen en andere openbare plaatsen

en/of

heeft gehandeld in strijd met een door de burgemeester in zijn rol als (plv) voorzitter van de veiligheidsregio Drenthe op grond van artikel 5 lid 1 Wet openbare manifestaties gestelde voorschrift en/of beperking,

immers heeft verdachte

- bij die demonstratie gereden met en/of zich bevonden in een trekker en/of landbouwvoertuig en/of

- deelgenomen aan die demonstratie waarbij trekkers en/of

landbouwvoertuigen zijn ingezet.

Opmerking vooraf

Op de terechtzitting van 31 mei 2021 zijn de zaak van verdachte en de zaken van de medeverdachten tegelijkertijd behandeld. Kort vóór het begin van de terechtzitting bleek dat er veel publieke belangstelling voor het bijwonen van de zitting was, in het bijzonder van familie, vrienden en medestanders van verdachte en de medeverdachten.

In verband met de door de rechtspraak genomen maatregelen om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, kon niet iedereen die dat wilde, de terechtzitting bijwonen.
De kantonrechter heeft aan het begin van de terechtzitting aangegeven, dat dat haar speet.

Gelet op deze beperkte mogelijkheid voor publiek om bij de terechtzitting aanwezig te zijn, heeft de kantonrechter ervoor gekozen om, in dit vonnis, het standpunt van de officier van justitie en het standpunt van de raadsman meer uitgebreid weer te geven. Dit, om diegenen die de terechtzitting hadden willen bijwonen, toch zoveel mogelijk in de gelegenheid te stellen, kennis te nemen van het standpunt van enerzijds de officier van justitie en anderzijds de verdediging.

Deze meer uitgebreide weergave van de standpunten van de officier van justitie en de raadsman maakt dit vonnis wel lang. Daarom volgt hier een leeswijzer:

  • -

    standpunt van de officier van justitie: pagina 2 tot en met 4;

  • -

    standpunt van de verdediging: pagina 5 tot en met 7;

  • -

    repliek en dupliek: pagina 8;

  • -

    verklaring ter terechtzitting van verdachte: pagina 8;

  • -

    oordeel van de kantonrechter: vanaf pagina 9.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in zijn (schriftelijke) requisitoir benadrukt dat het recht om te demonstreren een fundamenteel mensenrecht is. Maar niet ‘alles’ is toegestaan bij een demonstratie. Er kunnen beperkingen aan het recht om te demonstreren worden gesteld om redenen van openbare orde, het tegengaan van onveilige situaties of het voorkomen van strafbare feiten.

In dit geval was voor de duur van één week - van 6 juli 2020 tot en met 13 juli 2020 - een beperking gesteld aan het demonstratierecht. Die beperking hield in dat niet mocht worden gedemonstreerd met behulp van landbouwvoertuigen. Toch gebeurde dat op 8 juli 2020. Verdachte heeft voor overtreding van die beperking op het demonstratierecht een strafbeschikking gekregen, waartegen hij in verzet is gegaan.

Deze beperking op het demonstratierecht kent een voorgeschiedenis. Vanaf het najaar van 2019 zijn er in Nederland relatief veel boerenprotesten geweest. In de voorzomer van 2020 liep het aantal protesten snel op. Ook in Drenthe was sprake van een flink aantal onaangekondigde acties met landbouwvoertuigen/ trekkers. Zo zijn in Drenthe onaangekondigd distributiecentra en knooppunten geblokkeerd. Op 2 juli 2020 is vliegveld Eelde betreden met vernielingen ten gevolge. Ook landelijk waren er vernielingen. In Groningen is de deur van het Provinciehuis met een trekker open geramd. Er is een politiepaard aangereden. Er is door afzettingen heen gereden. De opstelling van de organisatoren alsook de onvoorspelbaarheid van de acties leverden volgens de Veiligheidsregio’s van Drenthe, Groningen en Friesland wanordelijkheden op die onder meer de verkeersveiligheid in het gedrang brachten. Ook vormden de acties een bedreiging voor de levensreddende taken van hulpdiensten. Deze diensten worden in hun taken gehinderd door de grote voertuigen die wegen blokkeren. Daarop hebben voornoemde Veiligheidsregio’s [op 6 juli 2020] besloten dat voor de duur van één week - van 6 juli 2020 tot en met 13 juli 2020 - niet mag worden gedemonstreerd met inzet van landbouwvoertuigen op wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, de daaraan liggende parkeerterreinen en andere openbare plaatsen. De voorzieningenrechter uit Groningen heeft het soortgelijke, voor de provincie Groningen geldende, besluit rechtmatig geacht.

Ten aanzien van de demonstratie op 8 juli 2020 bij afvalverwerkingsbedrijf [bedrijfsnaam 1] in Wijster heeft de officier van justitie het volgende naar voren gebracht.

Op 8 juli 2020 vanaf circa 04:00 uur werden de wegen bij afvalverwerkingsbedrijf [bedrijfsnaam 1] geblokkeerd op de [adres] in Wijster. Op twee toegangswegen stonden landbouwvoertuigen, maar ook andere auto’s en vrachtwagens. Een aantal daarvan voerde Nederlandse vlaggen,

op de kop. Na een aantal uren gingen de betrokken voertuigen naar het loonbedrijf van [bedrijfsnaam 2] , zeer nabij één van de blokkades, ook op de [adres] .

Iedereen werd aangehouden en overgebracht naar het cellencomplex aan de Balkengracht in Assen. Dit waren meer dan 50 personen. Er was veel personeel op de been, maar toch lijkt deze actie onderschat. Aan de verdachten is, binnen het cellencomplex, de maximale vrijheid gegeven. Er zijn weinig beperkingen opgelegd. Zo mochten zij hun telefoon bij zich houden. De luchtplaats waar verdachten mochten verblijven, was 55 vierkante meter. Die ruimte is door verdachten niet ten volle benut. Verdachten hebben ervoor gekozen met elkaar te praten en bij elkaar te staan. Wel is het een gegeven dat niet op alle momenten de corona-maatregel van anderhalve meter afstand kon worden nageleefd. Echter, het was in het kader van de aanhoudingen en de afhandeling van deze strafzaken, de voorgeleiding en de verhoren, noodzakelijk dat zij werden opgehouden. Dit is op een ruimhartige manier, met zoveel mogelijk vrijheid en ruimte, toegepast. Vandaar ook dat telkens een deel van de verdachten op de luchtplaats mocht verblijven gedurende de ophouding. Al met al levert de gang van zaken geen inbreuk op enig recht op.

Ten aanzien van het strafdossier in het algemeen heeft de officier van justitie het volgende naar voren gebracht.

De opbouw van het strafdossier is niet optimaal te noemen. Vooraf was besloten dat handhaving van het demonstratieverbod met landbouwvoertuigen, voor de hand en in de rede lag. Daarbij was vooraf ingezet op vastlegging via camera’s, met het oog op een goede dossieropbouw. Dat is niet gelukt, niet goed gegaan. Als gevolg hiervan is nu sprake van een gemankeerd onderzoek naar de feiten, waarbij vooral moet worden afgegaan op de specifieke bevindingen van enkele verbalisanten ter plaatse en de eigen verklaringen van verdachten.
Het gemankeerde onderzoek heeft ertoe geleid dat is besloten een groot aantal verdachten niet te vervolgen (c.q. aan hen geen strafbeschikking op te leggen), omdat de bewijspositie te mager was. In de visie van het Openbaar Ministerie geldt evenwel voor een aantal verdachten dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat zij zich hebben opgehouden bij de demonstratie bij [bedrijfsnaam 1] , bij welke demonstratie gebruik werd gemaakt van landbouwvoertuigen.

Er zijn diverse processen-verbaal waaruit blijkt dat er blokkades met onder meer landbouwvoertuigen bij [bedrijfsnaam 1] hebben plaatsgevonden en dat de landbouwvoertuigen en overige voertuigen vervolgens naar [bedrijfsnaam 2] zijn gegaan. Een aanhouding van een persoon bij [bedrijfsnaam 2] impliceert derhalve dat die persoon daarvóór aanwezig is geweest bij de demonstratie bij [bedrijfsnaam 1] .

Ten aanzien van de (in de zaak van verdachte en/of van een of meer van de medeverdachten van toepassing zijnde) verweren heeft de officier het volgende naar voren gebracht.

Het verweer dat het demonstratieverbod (tijdelijke beperking op het demonstratierecht) niet voor verdachten gold omdat zij niet met een landbouwvoertuig, maar met de auto of anderszins aanwezig waren, gaat niet op. Want zij maakten aldus wel deel uit van een demonstratie waar landbouwvoertuigen bij werden ingezet. Dat was het geldende verbod. Het was een gezamenlijke demonstratie en een ieder had opzet op het delict. De social media oproep over een trekker-tour, was daar ook op gericht.

Het verweer dat verdachten niet wisten dat er een demonstratieverbod was, gaat niet op. Gelet op de landelijke aandacht die voor het verbod bestond, is onaannemelijk dat verdachten “het niet wisten”, waarbij komt dat zij deel uitmaken van de boerengemeenschap waarin dit een hot topic was.

Het verweer dat de doodlopende weg, waaraan het loonbedrijf van [bedrijfsnaam 2] ligt, een “eigen weg” op het perceel van [bedrijfsnaam 2] is en daarmee geen “openbare weg” is waarvoor het demonstratieverbod gold, is niet relevant. De overtreding - de demonstratie bij [bedrijfsnaam 1] - was op de openbare weg. Alle verdachten hebben daaraan deelgenomen. Vervolgens zijn de verdachten aangehouden bij het loonbedrijf [bedrijfsnaam 2] . Voor zover verdachten niet zelf al hebben verklaard aanwezig te zijn geweest bij de demonstratie bij [bedrijfsnaam 1] , kan gelet op de diverse processen-verbaal van bevindingen worden vastgesteld dat alle verdachten daarvóór aanwezig waren bij de demonstratie bij [bedrijfsnaam 1] .

Het verweer dat sprake is van willekeur, gaat niet op. Er zijn 54 mensen aangehouden geweest. Er zijn 28 zaken geseponeerd wegens onvoldoende bewijs, 6 personen zijn onterecht als verdachte aangemerkt, in één zaak achtte het openbaar ministerie zich niet-ontvankelijk en er zijn 19 strafbeschikkingen uitgevaardigd. De vervolgingsbeslissing laat zich slechts in beperkte mate toetsen. Bij het beoordelen van het bewijs is ruimhartig en in het voordeel van verdachten geredeneerd. Dit heeft geleid tot veel sepots, maar daardoor kan zeker niet worden gezegd dat er lichtzinnig zou zijn overgegaan tot het opleggen van strafbeschikkingen. Er is telkens een redelijke en billijke afweging gemaakt. De vervolging c.q. het opleggen van een strafbeschikking diende een voor strafrechtelijke handhaving beschermd belang, namelijk dat als er een verbod wordt ingesteld om onder meer de verkeersveiligheid te dienen, dit gehandhaafd wordt en het moedwillig overtreden ervan niet kan worden getolereerd. Daar zit ook precies de ernst van het feit in.

Ten aanzien van de individuele zaak heeft de officier het volgende naar voren gebracht.

Verdachte [verdachte] is op 8 juli 2020 in de ochtend aangehouden op het terrein van [bedrijfsnaam 2] aan de [adres] in Wijster.

Verdachte heeft tijdens het politieverhoor op 8 juli 2020 verklaard dat hij die dag meedeed met een trekker toertocht. De zuster van verdachte was er ook bij. Zij heeft verklaard dat zij wél wist van het demonstratieverbod. Vader [vader verdachte] had geregeld om zich daar te verzamelen. Uit een [door de officier van justitie ter terechtzitting overgelegd] krantenartikel van december 2020 blijkt ook dat vader [vader verdachte] één van de initiatiefnemers is geweest.

Gelet op al het voorgaande acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan de demonstratie bij [bedrijfsnaam 1] .

De officier van justitie heeft gevorderd dat de strafbeschikking van 6 november 2020 zal worden vernietigd en dat verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van € 390,00, subsidiair zeven dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, aan de hand van de pleitnota, het volgende naar voren gebracht.

Bij wijze van inleiding heeft de raadsman benadrukt dat duidelijk is dat de meeste boeren die op 8 juli 202 in Wijster waren een gemeenschappelijk idee hadden: het stikstofbeleid van de regering doet boeren tekort. Door middel van uitoefening van het grondrecht van demonstratie - neergelegd in de Grondwet en in verdragen zoals het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) - kan invloed worden uitgeoefend op het beleid. Uiteraard hebben betogingen in de openbare ruimte vrijwel altijd gevolgen voor de omgeving. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft bepaald dat in een democratie tolerantie voor dat soort hinder moet bestaan. Er bestaat nu eenmaal geen recht om je nooit aan anderen te hoeven storen, of nooit overlast van iemand anders standpunten en acties te hoeven ondervinden.

De raadsman heeft de volgende verweren gevoerd.

De dagvaarding is nietig.

De inhoud van het lijvige proces-verbaal, in het bijzonder een aantal processen-verbaal van verbalisanten die ter plaatse waren, is warrig, vaag en onduidelijk. Uitgaande van het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] gaat de verdediging ervan uit dat het verwijt op de dagvaarding betrekking heeft op de actie bij de hoofdentree van [bedrijfsnaam 1] .

Volgens dat proces-verbaal hebben in de vroege ochtend van 8 juli 2020 (05:00 uur) diverse voertuigen bij de hoofdentree van [bedrijfsnaam 1] aan de [adres] in Wijster gestaan. Na 06:30 uur heeft de groep zich verplaatst naar het terrein behorend bij de [adres] .

Alle verdachten zijn grofweg tussen circa 10:00 uur en 10:40 uur aangehouden op het terrein van [bedrijfsnaam 2] op de [adres] . De aanhouding - gegrond op artikel 11 van de Wet openbare manifestaties, waarin is bepaald dat de feiten overtredingen zijn - heeft dus plaatsgevonden zo’n vier uur na de blokkade bij [bedrijfsnaam 1] . Op grond van artikel 54 van het Wetboek van Strafvordering kan een aanhouding wegens een overtreding enkel op heterdaad geschieden. Een tijdspanne van vier uur na een blokkade, levert geen heterdaadsituatie meer op. Daarom is sprake van een onrechtmatige aanhouding. Bovendien blijkt niet dat sprake is geweest van een last tot aanhouding door de officier van justitie. De politie zelf relateert dat de aanhouding op heterdaad was. Dat kan niets anders betekenen dan dat de politie kennelijk de locatie op het terrein van [bedrijfsnaam 2] als pleegplaats ziet.

Een en ander betekent dat de dagvaarding niet voldoet aan de eis dat het verwijt voldoende duidelijk en concreet moet zijn, zodanig dat de verdachte weet waartegen hij zich moet verdedigen. De dagvaarding is om die reden nietig.

Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk wegens schending van het gelijkheidsbeginsel.

De politie ter plaatse was de regie kwijt. Er is lukraak, willekeurig en zonder aandacht te hebben voor de concrete individuele rol van een persoon aangehouden. Uit het dossier blijkt slechts dat een groep bij de hoofdingang van [bedrijfsnaam 1] stond. De groep verplaatste zich naar het terrein van [bedrijfsnaam 2] . Uren later is iedereen op het erf aangehouden. Daar zijn verdachten bij, van wie de zaken nadien door het Openbaar Ministerie zijn geseponeerd. De enkele aanwezigheid op het terrein was kennelijk voldoende om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld aan deelname aan een verbonden demonstratie. De aanhoudingen zijn dan ook willekeurig.

Ook de vervolgingsbeslissingen zijn willekeurig. De groep bij de poort van [bedrijfsnaam 1] is niet geïndividualiseerd. Er zijn aangehouden personen die met de eigen auto zijn gekomen en die dus niet kunnen worden gelinkt aan een tractor. Maar sommigen van hen worden wél vervolgd, en anderen zijn niet vervolgd. Een bijrijder op een tractor is niet vervolgd. Een persoon die naar eigen zeggen aan het kijken was in Wijster en nadien op het erf van [bedrijfsnaam 2] stond, is niet vervolgd. De rollen van de personen die wel en niet zijn vervolgd, zijn volkomen inwisselbaar. Uit niets blijkt dat ten aanzien van sommige verdachten meer of belastend materiaal aanwezig is waardoor zij - anders dan aanwezigen met een vergelijkbare rol - wel vervolgd zouden moeten worden. Dit levert schending van het gelijkheidsbeginsel op.

Uitgangspunt is dat aan het Openbaar Ministerie op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering een ruime, zelfstandige beslissingsbevoegdheid toekomt ten aanzien van de vraag of na het opsporingsonderzoek wel of niet tot vervolging wordt overgegaan. Deze ruime bevoegdheid wordt begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Gelet op de geconstateerde schending van het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel leidt vervolging van verdachte en de medeverdachten tot schending van de beginselen van een goede procesorde.

Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Er kleven nogal wat gebreken aan het voorbereidende onderzoek. Zo is de aanhouding onrechtmatig. Er is geen sprake van een heterdaadsituatie. Buiten heterdaad mag bij een overtreding niet worden aangehouden. Bovendien is in sommige gevallen de locatie van de aanhouding aantoonbaar onjuist geverbaliseerd. Zo is in sommige gevallen geverbaliseerd dat is aangehouden op de [adres] (het adres van [bedrijfsnaam 1] ), terwijl de aanhouding was op de [adres] (het adres van loonbedrijf [bedrijfsnaam 2] ). Het tekent de onzorgvuldigheid.

Maar er is meer. In sommige gevallen is het met de voorgeleiding fout gegaan. Verdachten zijn, in strijd met de wet, niet voorgeleid of (te) laat voorgeleid. De politie heeft, bij de aanhouding en overbrenging van de arrestanten naar het politiebureau, en ook op het politiebureau zelf, de corona-regels niet nageleefd. Zo zijn de verdachten met meerdere personen tegelijk in een politiebusje geplaatst. Verder zijn zij met tientallen op de luchtplaats van het politiebureau in Assen geplaatst. Aldus is gehandeld in strijd met verschillende zorgplichtbepalingen.

Gelet op al het vorenstaande is sprake van diverse onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidende onderzoek. Daar komt nog bij het gebrek aan verbalisering. Opvallend is dat over de wijze van aanhouding en het vervoer naar en het verblijf op het bureau van politie niets is gerelateerd. Al deze vormverzuimen tezamen dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Ten aanzien van het bewijs heeft de raadsman het volgende naar voren gebracht.

Ten laste is gelegd dat is deelgenomen aan een demonstratie waarvoor een verbod is gegeven. Blijkens de tenlastelegging is dit verbod door de burgemeester uitgevaardigd. Dit is onjuist. Het is een verbod van de plv. voorzitter van de Veiligheidsregio. Om deze reden kan het deel van de tenlastelegging na ‘en/of’ niet bewezen worden.

In artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 is ‘wegen’ gedefinieerd als: ‘alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden’. Openbare wegen en paden dus. De toegangsweg (vanaf de doorgaande [adres] ) naar het erf van [bedrijfsnaam 2] is een pad (inmiddels asfaltweggetje). Dit pad is niet een voor het openbaar verkeer openstaande weg. Het pad is eigendom van [bedrijfsnaam 2] . Ook is de toegang verboden voor onbevoegden. Dit laatste is met een bord bij het begin van het weggetje en met een bord later op het weggetje aangegeven. Het erf is als zodanig afgeschermd van de openbare [adres] . Om in strijd met het demonstratieverbod te kunnen handelen, moet sprake zijn van een betoging op de openbare weg. Nu het erf van [bedrijfsnaam 2] geen weg is, kan het verwijt enkel en alleen betrekking hebben op datgene wat er bij de poort van [bedrijfsnaam 1] is gebeurd.

Artikel 11 van de Wet openbare manifestaties kent het woord ‘demonstratie’ niet, wel het woord ‘betoging’. In de tenlastelegging wordt gesproken over een ‘demonstratie’. Zo er al bewijs is, leidt dit tot een kwalificatieprobleem en dient verdachte om die reden te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het besluit van 6 juli 2020 van de plv. voorzitter van de Veiligheidsregio Drenthe waarbij het demonstratierecht is beperkt, is onrechtmatig, onvoldoende gemotiveerd en genomen in strijd met de beperkte uitleg van artikel 2 van de Wet openbare manifestaties. Ter onderbouwing hiervan geldt het volgende.

Gelet op artikel 2 van de Wet openbare manifestatie is beperking van het demonstratierecht slechts mogelijk ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Wat het gezondheidsrisico betreft: in het besluit is vermeld dat de afgelopen dagen is gebleken dat bij de demonstraties ook de COVID-regels niet in acht kunnen worden genomen. Er is geen verdere onderbouwing. Aan de besluitvorming ligt geen medisch advies van de GGD o.i.d. ten grondslag, zodat de gezondheidsrisico’s ongefundeerd zijn.

Wat het verkeersbelang betreft: er wordt in het besluit gewezen op eerdere demonstraties waarbij de doorstroming van het verkeer ernstig werd belemmerd. Welke demonstraties dat waren, op welke dag en met welke betogers, blijkt niet. Overigens is een vlotte doorstroming in het verkeer geen doorslaggevend argument, omdat een demonstratie, blokkade of anderszins altijd de doorstroming verhindert. Daarnaast is in het besluit geen onderscheid gemaakt naar het type weg. Het maakt verschil of met landbouwvoertuigen een snelweg of andere doorgangsweg wordt geblokkeerd, of dat een toerit naar een bedrijf wordt vol gezet met voertuigen. In de eerste gevallen is de verkeersveiligheid in het geding, in het tweede geval niet. In casu is het besluit veel te ruim.

Wat het voorkomen van wanordelijkheden betreft: het criterium ‘ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden’ in de zin van de Wet openbare manifestaties houdt niet hetzelfde in als de frase ‘ter handhaving van de openbare orde’. ‘Wanordelijkheden’ in de zin van deze Wet zijn uitsluitend strafbare handelingen. Opvallend is dat in het besluit juist wel naar de ‘openbare orde’ wordt verwezen. Dit is onjuist. Welke strafbare feiten zouden worden gepleegd, blijkt niet.

Bij dit alles komt dat niet is kunnen worden vastgesteld dat het besluit van de Veiligheidsregio is gepubliceerd.

Nu niet te bewijzen is dat is gedemonstreerd in strijd met een rechtmatig gegeven verbod, dient vrijspraak te volgen, dan wel een ontslag van rechtsvervolging omdat een overtreding van een voorschrift dat onderdeel uitmaakt van een onrechtmatig bevel, niet als strafbaar feit kan worden gekwalificeerd.

Ten aanzien van de individuele rol van verdachte heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

Verdachte [verdachte] was volgens eigen zeggen bezig met een toertocht. Uit niets blijkt dat hij bij [bedrijfsnaam 1] is geweest.

Er is een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] waarin deze schrijft dat om 08:09 uur zich een tractor bij een stoet voegde die betrokken was bij de demonstratie. Het ging om een rode Allis Chalmers. De verbalisant heeft een foto bijgevoegd. Volgens verbalisant staat verdachte geheel rechts op de foto met de tractor aan zijn rechterzijde.

Verdachte betwist deze persoon te zijn. De kleding komt volgens verdachte niet overeen. Het kapsel lijkt een beetje, maar dat is te weinig om een herkenning op te baseren. Meer is er niet.

Gelet op al het voorgaande dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsman.

Repliek van de officier van justitie

Het verweer dat de dagvaarding nietig is, dient te worden verworpen. Alle verdachten wisten dat het ging om een demonstratie bij [bedrijfsnaam 1] in Wijster.

Er is sprake van aanhoudingen op heterdaad. De heterdaadsituatie liep door. De politie had enige tijd nodig om zich gereed te maken voor het doen van de aanhoudingen, gelet op het aantal aan te houden personen en de situatie ter plekke.

Wat de vervolgingsbeslissingen betreft: na de demonstratie bij [bedrijfsnaam 1] met onder meer landbouwvoertuigen, zijn de landbouwvoertuigen en overige voertuigen vervolgens naar [bedrijfsnaam 2] gegaan. Derhalve zou kunnen worden geconcludeerd dat de personen die bij [bedrijfsnaam 2] waren, daarvóór aanwezig waren is bij de demonstratie. Bij de te nemen vervolgingsbeslissingen is evenwel besloten om niet louter te kijken naar de aanwezigheid bij [bedrijfsnaam 2] , maar om eerst tot vervolging over te gaan als er méér was, zoals bijvoorbeeld een proces-verbaal van bevindingen en/of de verklaring van de betrokkene, waaruit de aanwezigheid bij de demonstratie ondubbelzinnig volgde.

Juist is dat er vormfouten zijn gemaakt bij de voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie.
Zo zijn er verdachten die te laat zijn voorgeleid. Ook zijn er verdachten die in het geheel niet zijn voorgeleid. In sommige gevallen duurde het afhoren te lang. Dit alles had te maken met het grote aantal verdachten. Het nadeel voor verdachten is beperkt gebleven. Vastgesteld kan worden dat er sprake is geweest van vormverzuim, zonder daar verdere consequenties aan te verbinden.

Dat de coronamaatregelen niet (steeds) konden worden nageleefd, vloeit eveneens voort uit het grote aantal verdachten waarmee de politie werd geconfronteerd. Niet handhaven was geen optie.

De raadsman heeft in zijn dupliek aangegeven dat hij de verweren handhaaft.

Verklaring van verdachte ter terechtzitting

Ter terechtzitting heeft verdachte, op vragen van de kantonrechter, verklaard dat hij blijft bij zijn bij de politie afgelegde verklaring. Die verklaring houdt in dat hij niet wist dat er een verbod was op manifestaties met landbouwvoertuigen; dat hij die dag, 8 juli 2020, samen met ongeveer 20 man, met een trekker meedeed aan een trekker toertocht; dat met zijn vader was afgesproken dat zij zich daar zouden verzamelen; dat hij op die plek was omdat zij aan het pauzeren waren; dat hij eerder al een boete heeft gekregen van € 390,-; dat hij, met de trekker, naar huis wilde gaan en is tegengehouden door de politie; dat hij toen terug moest naar de plek waar alle andere mensen stonden; dat hij als gevolg daarvan niet naar huis kon gaan.

Ter terechtzitting heeft de kantonrechter met verdachte het proces-verbaal van 8 juli 2020 van verbalisant [verbalisant 2] doorgenomen (pagina 254 e.v. van het dossier). Verbalisant schrijft daarin het volgende:

“Ik zag dat uit de demonstratie een tractor zich afzonderde en mijn richting op kwam rijden.
Ik zag dat de verdachte [ [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2001] hierna om de neergezette wegafzetting wilde rijden. Ik hoorde de bestuurder zeggen dat hij bezig was aan een tractor stoet en niks te maken had met de boerendemonstratie. Ik hoorde de verdachte zeggen dat hij eerder op de avond al een bekeuring had gehad. Nadat het gesprek met verdachte afgelopen was zag ik dat de verdachte terug reed met zijn tractor. Ik zag dat de verdachte zich vervolgens weer voegde bij de overige tractors welke betrokken waren bij de demonstratie. Ik zag dat de tractor een Allis-Chalmers betrof, rood van kleur. Als bijlage heb ik een foto bijgevoegd. Op deze foto staat verdachte geheel rechts op de foto met de tractor aan zijn rechterzijde. (…)”

De kantonrechter heeft ter terechtzitting vastgesteld dat de foto (pagina 257 van het dossier) niet heel duidelijk is; dat de persoon op de foto die volgens verbalisant verdachte is, een kapsel heeft dat enigszins lijkt op dat van verdachte; en dat het postuur van die persoon enigszins overeenkomt met dat van verdachte.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet de persoon op de foto is; dat hij daar voor 100% zeker van is; dat hij die dag ook niet zo’n broek droeg als de persoon op de foto draagt.

OORDEEL VAN DE KANTONRECHTER

Hierboven zijn - meer uitgebreid - de standpunten van de officier van justitie en de verdediging weergegeven. Verder is de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte opgenomen.

In het hiernavolgende geeft de kantonrechter haar oordeel.

Op basis van de stukken in het dossier kan het volgende worden vastgesteld.

Bij besluit van 6 juli 2020 heeft de plv. voorzitter van de Veiligheidsregio Drenthe - op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties - demonstraties, waarbij landbouwvoertuigen worden ingezet op wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994,

de daaraan liggende parkeerterreinen en andere openbare plaatsen, verboden.

In het besluit is vermeld dat dit verbod geldt in het gebied van de Veiligheidsregio Drenthe,

dat wil zeggen in de provincie Drenthe, voor de periode ingaande op maandag 6 juli 2020 om 20:00 uur en eindigend op maandag 13 juli [2020] om 07:00 uur.

In het dossier bevinden zich diverse processen-verbaal van bevindingen over de gebeurtenissen op 8 juli 2020. Zo volgt uit het proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2020 van verbalisant [verbalisant 1] (pagina 6 e.v. van het dossier) dat die dag in ieder geval vanaf 04:30 uur bij de hoofdentree van [bedrijfsnaam 1] meerdere landbouwvoertuigen, vrachtwagens en personenauto’s stonden die de hoofdentree blokkeerden. De politie heeft daarop de omliggende wegen afgesloten om in- en uitvoer van voertuigen uit te sluiten. Omstreeks 06:30 uur zette de stoet landbouwvoertuigen, vrachtwagens en personenauto’s die zich bij [bedrijfsnaam 1] bevond, zich in beweging. De stoet reed vanaf [bedrijfsnaam 1] het (doodlopende) gedeelte van de [adres] op dat leidt naar het loonbedrijf van [bedrijfsnaam 2] . Alle zich bij [bedrijfsnaam 1] bevindende voertuigen zijn naar deze locatie gereden. Enige uren later - nadat er meerdere eenheden Mobiele Eenheid en overige diensten ter plaatse waren - zijn op het terrein van [bedrijfsnaam 2] de aanhoudingen verricht.

VOORVRAGEN

1.

Het eerste verweer van de verdediging is dat de dagvaarding nietig is omdat, gelet op de tekst ervan, voor verdachte onvoldoende duidelijk en concreet is, wat hem wordt verweten.

De kantonrechter gaat ervan uit dat dit verweer is achterhaald, gelet op de ter terechtzitting toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging. Het gaat dus om deelname, door verdachte, aan - kort gezegd - een verboden demonstratie, op 8 juli 2020, bij [bedrijfsnaam 1] in Wijster.

Het gaat dus niet - want daarin school volgens de verdediging de onduidelijkheid of de onvoldoende concreetheid - om deelname aan een verboden demonstratie die dag op het terrein van [bedrijfsnaam 2] . Daar kan, met de gewijzigde tenlastelegging, geen misverstand meer over bestaan.

Overigens moet de kantonrechter van het hart dat zij de indruk heeft dat, althans bij verdachte en de medeverdachten, nooit enige onduidelijkheid heeft bestaan over wat er werd bedoeld met de (oorspronkelijke) tekst van de tenlastelegging. Ook bij het verhoor door de politie van verdachte en de medeverdachten is telkens klip en klaar dat het gaat om de demonstratie bij [bedrijfsnaam 1] in Wijster.

Voor zover al er sprake zou zijn van onduidelijkheid, lijkt die onduidelijkheid samen te hangen met de aanname van de raadsman dat de omstandigheid dat de politie zelf telkens heeft opgeschreven dat alle verdachten “op heterdaad” zijn aangehouden, niets anders kan betekenen dan dat de politie kennelijk de locatie op het terrein van [bedrijfsnaam 2] als pleegplaats ziet. In dit verband heeft de raadsman opgemerkt dat een aanhouding wegens een overtreding enkel op heterdaad kan.

De kantonrechter ziet de situatie anders. Het strafbare feit was de deelname aan de demonstratie bij [bedrijfsnaam 1] . Weliswaar zijn verdachte en de medeverdachten pas enkele uren na het opbreken, zo rond 06:30 uur, van de demonstratie bij [bedrijfsnaam 1] , aangehouden op het terrein van [bedrijfsnaam 2] , maar deze aanhoudingen zijn wel degelijk aan te merken als “op heterdaad “. Daarbij heeft de kantonrechter betrokken dat uit artikel 128 van het Wetboek van Strafvordering en de jurisprudentie blijkt dat “heterdaad” onder omstandigheden lang kan duren. In dit geval heeft te gelden dat de politie, alvorens over te gaan tot de aanhoudingen,
de komst van eenheden van de Mobiele Eenheid en overige diensten heeft afgewacht. Dat de politie dit niet zo heeft mogen doen, is niet gebleken.

In elk geval is, met de gewijzigde tenlastelegging, nu duidelijk dat de tenlastelegging het oog heeft op de deelname van verdachte, op 8 juli 2020, aan de verboden demonstratie bij [bedrijfsnaam 1] in Wijster. Dit betekent dat de kantonrechter al hetgeen door de verdediging is opgeworpen omtrent de vraag of de weg die naar het loonbedrijf van [bedrijfsnaam 2] leidt, al dan niet een weg is in de zin van de Wegenverkeersweg 1994 en/of is aan te merken als een andere openbare plaats, niet meer hoeft te bespreken.

Het verweer wordt verworpen.

2.

Het tweede verweer van de verdediging is dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging.

Het Openbaar Ministerie kan slechts dan niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van een verdachte als sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Van een dergelijke inbreuk is in het onderhavige geval niet gebleken. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.

Het standpunt van de verdediging dat de aanhoudingen van verdachte en de medeverdachten en de nadien genomen vervolgingsbeslissingen willekeurig zijn en (daarmee) in strijd met het gelijkheidsbeginsel, volgt de kantonrechter niet.

Wat de aanhoudingen betreft: de verdediging stelt dat de enkele aanwezigheid op het terrein van [bedrijfsnaam 2] kennelijk voldoende was om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld aan deelname aan een verboden demonstratie.

De kantonrechter onderschrijft die stelling in zoverre dat ook zij uit het dossier afleidt dat bijkans alle aanwezigen op het terrein van [bedrijfsnaam 2] zijn aangehouden, hetgeen impliceert dat de enkele aanwezigheid op dat terrein kennelijk voldoende was om een redelijk vermoeden van schuld aan te nemen. Maar dit komt de kantonrechter op zich ook niet vreemd voor. De politie had rond 06:30 uur de stoet bij [bedrijfsnaam 1] naar het terrein van [bedrijfsnaam 2] zien wegrijden. Het gedeelte van de [adres] dat leidt naar de boerderij van [bedrijfsnaam 2] is doodlopend. Gelet voorts op de afsluiting, door de politie, van de omliggende wegen, is niet onbegrijpelijk dat de politie ervoor heeft gekozen om ten aanzien van alle aanwezigen op het terrein van [bedrijfsnaam 2] uit te gaan van een redelijk vermoeden van schuld en over te gaan tot aanhouding. Gelet op de situatie ter plaatse en het grote aantal deelnemers aan de verboden demonstratie, die na het opbreken ervan zich allemaal naar [bedrijfsnaam 2] hebben begeven, gaat de kantonrechter ervan uit dat het voor de politie ook niet doenlijk is geweest om, ten tijde van de aanhoudingen, te individualiseren naar, zoals de raadsman kennelijk voorstaat, de rol van de verschillende verdachten bij de deelname aan de verboden demonstratie. De politie was daar ook niet toe gehouden.

Wat de vervolgingsbeslissingen betreft: krachtens het in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het Openbaar Ministerie om te beslissen óf, en zo ja, wíe wordt vervolgd, waarbij het Openbaar Ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid heeft. Slechts indien zou blijken dat het Openbaar Ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag, of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kunnen raken. Van strijd met de redelijkheid en billijkheid is de kantonrechter niet gebleken. De verdediging stelt dat de rollen van diegenen die wel en niet zijn vervolgd, volkomen inwisselbaar zijn.

Dit valt uit de door de verdediging naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet af te leiden. De kantonrechter verwijst in dit verband verder naar hetgeen de officier van justitie hierover ter terechtzitting heeft meegedeeld in zijn repliek, te weten dat bij de vervolgingsbeslissingen niet louter is gekeken naar de aanwezigheid bij [bedrijfsnaam 2] , maar om eerst tot vervolging over te gaan bij nader bewijs.

Het verweer wordt verworpen.

3

Het derde verweer van de verdediging is dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Volgens de verdediging is er sprake van zodanige vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek dat deze, alle tezamen, dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De kantonrechter volgt de verdediging hierin niet. Zij overweegt daartoe als volgt.

Anders dan de verdediging stelt, is de aanhouding op heterdaad van verdachte (en de medeverdachten) rechtmatig. De kantonrechter verwijst naar hetgeen zij hiervoor onder 1,
bij de bespreking van het eerste verweer van de verdediging, reeds heeft verwogen over de aanhouding op heterdaad.

De verdediging heeft erop gewezen dat in sommige gevallen is geverbaliseerd dat is aangehouden op het adres [adres] , terwijl is aangehouden op het adres [adres] .
De kantonrechter kan de verdediging volgen waar zij stelt dat dit slordig is.

De kantonrechter verbindt hier geen consequenties aan.

In sommige gevallen zijn de verdachten niet voorgeleid of (te) laat voorgeleid.

In een proces-verbaal van 26 augustus 2020 van verbalisant [verbalisant 3] (pagina 1 e.v. van

het dossier) is vermeld dat door de hectiek van de vele aangehouden verdachten op die dag,
in een aantal - nader aangeduide - gevallen de termijnen voor voorgeleiding niet zijn gehaald. Dit heeft in een aantal gevallen geresulteerd in de beslissing dat verdachten direct na de voorgeleiding zijn heengezonden en in een later stadium telefonisch als verdachte zijn verhoord.

De kantonrechter heeft geconstateerd dat verdachte op 8 juli 2020 om 09:56 uur is aangehouden en overgebracht naar het politiebureau, waar hij die dag om 15:35 uur is verhoord. Om 16:06 uur hij is voorgeleid. Daarna is hij heengezonden.

Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op. De kantonrechter is van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan.

Dat de corona-regels niet zijn nageleefd bij de overbrenging van de verdachten naar het politiebureau en/of op het politiebureau zelf, mag zo zijn. Daaraan kent de kantonrechter evenwel niet die betekenis toe die de verdediging daaraan kennelijk toegekend wil zien.
Anders gezegd: aan de constatering dat de corona-regels niet zijn nageleefd - hetgeen te maken had met het grote aantal verdachten waar de politie niet op was voorbereid en waar zij naar het oordeel van de kantonrechter ook bezwaarlijk op voorbereid kón zijn -, kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat niet in redelijkheid kon worden overgegaan tot de aanhouding, overbrenging en ophouding van verdachte en de medeverdachten.

Dat de verbaliseringsplicht in ernstige mate is geschonden, volgt de kantonrechter niet.
De kantonrechter verwijst hiervoor allereerst naar het hiervoor reeds vermelde proces-verbaal van 26 augustus 2020 van verbalisant [verbalisant 3] . Voorts verwijst de kantonrechter naar de processen-verbaal (met bijlagen) van respectievelijk 22 augustus 2020 (verbalisant [verbalisant 1] ),
8 juli 2020 (verbalisant [verbalisant 1] ), 8 juli 2020 (verbalisant [verbalisant 4] ), 8 juli 2020 (verbalisant [verbalisant 5] ), 8 juli 2020 (verbalisant [verbalisant 6] ) en 8 juli 2020 (verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] ) (pagina’s 3 tot en met 19 van het dossier). Verder verwijst de kantonrechter in dit verband naar het proces-verbaal (met bijlage) van 8 juli 2020 (verbalisant [verbalisant 2] ) (pagina 254 e.v. van het dossier).

Het verweer wordt verworpen.

BEWIJSOVERWEGINGEN

De verdediging heeft er terecht op gewezen dat artikel 11 van de Wet openbare manifestaties het woord ‘demonstratie’ niet kent, wel het woord ‘betoging’. De kantonrechter volgt de verdediging evenwel niet waar zij stelt dat dit een kwalificatieprobleem oplevert.

De woorden ‘demonstratie’ en ‘betoging’ zijn synoniemen.

De kantonrechter volgt de verdediging niet waar zij stelt dat het besluit van 6 juli 2020 van de plv. voorzitter van de Veiligheidsregio Drenthe onrechtmatig is. De kantonrechter verwijst hiervoor naar het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2020 van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, afdeling Bestuursrecht (ECLI:NL:RBNNE:2020:2417). In die uitspraak oordeelt de voorzieningenrechter over een gelijksoortig besluit van - eveneens - 6 juli 2020 betreffende de Veiligheidsregio Groningen, dat dat besluit rechtmatig is te achten.

De kantonrechter verenigt zich met de overwegingen van de voorzieningenrechter in de uitspraak van 9 juli 2020 en maakt die - mutatis mutandis - tot de hare. Aldus is naar het oordeel van de kantonrechter bij het nemen van het besluit van 6 juli 2020 van de plv. voorzitter van de Veiligheidsregio Drenthe voldaan aan de voorwaarden waaronder enige beperking van het recht op demonstratie op grond van artikel 9 van de Grondwet en artikel 11 van het EVRM is toegestaan; dat is ook voldoende uitgelegd in het besluit van 6 juli 2020 en van een disproportioneel besluit is geen sprake.

Voorts heeft de verdediging nog aangevoerd dat niet is kunnen worden vastgesteld dat het besluit van de Veiligheidsregio Drenthe is gepubliceerd.

De kantonrechter wijst op het proces-verbaal van 26 augustus 2020 van verbalisant [verbalisant 3] waarin is vermeld dat het besluit is verstrekt aan de media en is gepubliceerd op diverse internetsites.

De verdenking

Aan verdachte wordt verweten dat hij op 8 juli 2020 bij [bedrijfsnaam 1] in Wijster heeft deelgenomen aan een demonstratie waarvoor een verbod is gegeven, te weten een demonstratie, waarbij landbouwvoertuigen worden ingezet op wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 2020.

De kantonrechter stelt vast dat verdachte in de ochtend van 8 juli 2020 is aangehouden op het terrein van [bedrijfsnaam 2] (pagina 246 van het dossier). Verdachte heeft bij het politieverhoor op
8 juli 2020 (pagina 251 van het dossier) verklaard dat hij die dag met een trekker meedeed aan een trekker toertocht en dat hij “op die plek” [de kantonrechter begrijpt: bij [bedrijfsnaam 1] in Wijster] was omdat ze aan het pauzeren waren. Wat ook zij van het waarheidsgehalte van deze verklaring, deze verklaring impliceert dat verdachte, met een trekker, heeft deelgenomen aan de demonstratie bij [bedrijfsnaam 1] in Wijster.

De kantonrechter wijst verder nog op het proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2020 van verbalisant [verbalisant 2] (pagina 254 e.v. van het dossier), waaruit volgt dat verdachte op
8 juli 2020 rond 08:09 uur op de [adres] te Wijster was.

Conclusie

De kantonrechter is van oordeel dat op grond van al het voorgaande het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Bewezenverklaring

De kantonrechter acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 8 juli 2020 te Wijster bij [bedrijfsnaam 1] heeft deelgenomen aan een demonstratie waarvoor een verbod is gegeven, te weten demonstraties, waarbij landbouwvoertuigen worden ingezet op wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, de daaraan liggende parkeerterreinen en andere openbare plaatsen en heeft gehandeld in strijd met een door de burgemeester in zijn rol als (plv) voorzitter van de Veiligheidsregio Drenthe op grond van artikel 5 lid 1 Wet openbare manifestaties gestelde beperking,

immers heeft verdachte

- bij die demonstratie gereden met een trekker en

- deelgenomen aan die demonstratie waarbij trekkers en landbouwvoertuigen zijn ingezet.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de kantonrechter dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met een gegeven voorschrift, beperking of verbod als bedoeld in artikel 5 van de Wet openbare manifestaties

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De kantonrechter acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de kantonrechter rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 mei 2021, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en/of justitie in aanraking is geweest, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De kantonrechter heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelname aan een verboden demonstratie.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de kantonrechter vast dat het handelen van verdachte en de medeverdachten zijn oorsprong vindt in de toegenomen druk op de agrarische sector, onder meer door de huidige stikstofcrisis die voor hen grote economische onzekerheid meebrengt. De kantonrechter heeft hier oog voor. Ook heeft zij oog voor de impact die de huidige situatie kan hebben op het welzijn van verdachten en hun naasten.

Dit alles neemt niet weg dat verdachte het demonstratieverbod heeft overtreden. Ook verdachte dient zich aan de regels te houden. Een straf is dan ook op zijn plaats.

De kantonrechter zal rekening houden met het feit dat andere op 8 juli 2020 in de groep aangehouden verdachten niet zijn vervolgd.

Voorts zal de kantonrechter rekening houden met de omstandigheid dat verdachte na zijn aanhouding enkele uren op het politiebureau heeft moeten verblijven. De grote groep verdachten stond een meer voortvarende afdoening door de politie in de weg.

De kantonrechter acht, alles afwegende, een voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden, met een proeftijd van één jaar. De kantonrechter hoopt dat de voorwaardelijke straf verdachte er van weerhoudt zich opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Toepassing van wetsartikelen

De kantonrechter heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 11 van de Wet openbare manifestaties.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

Uitspraak

De kantonrechter:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

- een geldboete van € 390,00.

Bepaalt dat deze geldboete, bij gebreken van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van zeven dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op één jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De kantonrechter vernietigt de strafbeschikking van 6 november 2020.

In deze zaak is het verlofstelstel van toepassing.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Depping, kantonrechter,

bijgestaan door mr. J.D. Zwaagstra, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de kantonrechter in deze rechtbank van
21 juni 2021.