Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2592

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
23-06-2021
Zaaknummer
LEE 20/1016
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

oepasselijke socialezekerheidswetgeving. Verweerder heeft terecht met toepassing van artikel 13, eerste lid, onder a, van Vo 883/2004 en artikel 14, achtste lid, van Vo 987/2009 vastgesteld dat over de periode in geding de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is op eiser. Nederland is partij bij de Rijnvarendenovereenkomst (Stcrt. 25 februari 2011, nr. 3397), zodat de Svb de bijzondere aanwijsregels als in die overeenkomst opgenomen, in het geval van eiser heeft toegepast. De Svb is bij de vaststelling uitgegaan van het aantal uren dat is opgenomen in de vaartijdenboeken. Dit is in lijn met vaste rechtspraak van de CRvB. Eiser heeft in de periode een substantieel gedeelte in Nederland gewerkt. Nu eiser in Nederland woonde, was de Svb bevoegd om op eiser de toepasselijke socialezekerheidswetgeving vast te stellen en een A1-verklaring af te geven. Beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat niet op. Het beroep is ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/1016


uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.H. Weermeijer),

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. A.P. van den Berg).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde-partij], gevestigd te [plaats] ,

(gemachtigde: mr. J.H. Weermeijer).

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder op eiser over de periode van 1 mei 2016 tot en met 31 augustus 2018 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing verklaard. Over die periode heeft verweerder een A1-verklaring afgegeven.

Bij besluit van 6 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2021 op zitting behandeld. Het beroep is gelijktijdig behandeld met het beroep in de zaak met nummer LEE 20/1017. Hierbij zijn verschenen eiser, de gemachtigde van eiser en derde-partij en de gemachtigde van verweerder. Na de behandeling op de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1.1.

Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit. Van 1 mei 2016 tot en met 31 augustus 2018 (periode in geding) is eiser werkzaam geweest als kapitein aan boord van het Rijnvaartschip ‘ [naam schip] ’ (het schip). Het schip heeft een in Nederland gevestigde eigenaar en exploitant.

1.2.

In de periode in geding was eiser in loondienst werkzaam bij de in [plaats]

gevestigde onderneming [naam onderneming] . Eiser werkte in voornoemde periode in verschillende lidstaten van de Europese Unie, te weten België, Duitsland en Nederland.

1.3.

Het voor [plaats] bevoegde orgaan ( [naam orgaan] orgaan) heeft verweerder bij brief van 25 juli 2017 verzocht de toepasselijke sociale verzekeringswetgeving over de periode in geding voorlopig vast te stellen. Daarbij is verwezen naar artikel 6 van Verordening (EG) nr. 987/2009 (Vo 987/2009).

1.4.

Bij brief van 13 maart 2019 heeft de exploitant van [naam B.V.] geschreven dat eiser in de periode van 1 februari 2016 tot en met heden werkzaam is aan boord van het schip. Daarbij is een vaartijdenboek van de [naam schip] over het jaar 2018 gevoegd. Bij e-mail van 18 april 2019 heeft eiser een arbeidsovereenkomst en Bordbücher (vaartijdenboeken) over 2016 en 2017 ingezonden.

2. Bij het bestreden besluit, onder handhaving van het primaire besluit, heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de vaartijdenboeken van het schip laten zien dat in 2016 28%, in 2017 24% en in 2018 26% van de tijd in Nederland werd gevaren en dat eiser aldus in de periode in geding een substantieel gedeelte in zijn woonland Nederland werkte. Hoewel het percentage in 2017 minder is dan de norm van 25%, is volgens verweerder in dat jaar toch sprake van substantieel werken in Nederland. Verweerder heeft hierbij rekening gehouden met de omstandigheden dat eiser in Nederland woont, dat het schip in Nederland is geregistreerd en dat de eigenaar en exploitant van het schip in Nederland zijn gevestigd. Volgens verweerder kunnen de werktijden worden bepaald aan de hand van de vaartijden die zijn opgenomen in het vaartijdenboek van het schip en wordt geen rekening gehouden met slaap- of rusttijden.

3. Eiser heeft de juistheid van het bestreden besluit gemotiveerd bestreden. Een bespreking van wat hij in de (aanvullende) gronden van beroep naar voren heeft gebracht, zal hieronder plaatsvinden.

4. Beoordeling door de rechtbank.

Toepasselijke socialezekerheidswetgeving

4.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder over de periode in geding terecht de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op eiser van toepassing heeft verklaard.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser ten tijde van belang in Nederland woonde. Evenmin is in geschil dat verweerder de toepasselijke socialezekerheidswetgeving heeft vastgesteld aan de hand van artikel 13, eerste lid, onder a, van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004), artikel 14, achtste lid, en artikel 16 van Vo 987/2009 en de Praktische gids over de toepasselijke wetgeving in de EU, de EER en Zwitserland, deel II, paragraaf 3 en paragraaf 4, waarin een aantal algemene richtsnoeren voor de toepassing van artikel 14, achtste lid, van Vo 987/2009 zijn opgenomen.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht met toepassing van artikel 13, eerste lid, onder a, van Vo 883/2004 en artikel 14, achtste lid, van Vo 987/2009 heeft vastgesteld dat over de periode in geding de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is op eiser. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) mag verweerder bij de beoordeling van het aantal uren dat een persoon werkzaam is in Nederland uitgaan van de vaar- en ligtijden van het binnenvaartschip waarop wordt gewerkt. De omvang van de activiteiten van het schip in Nederland mag door verweerder worden gezien als indicatie voor de omvang van de werkzaamheden in Nederland van de werknemers. Daarbij mag verweerder rekening houden met vaartijden van het schip over eerdere of latere perioden. Daarnaast mag verweerder rekening houden met overige omstandigheden, zoals de lidstaat van vestiging van de eigenaar en de exploitant en de thuishaven van het schip. Ook is door de CRvB geoordeeld dat de (enigszins grofmazige) vaststellingsmethodiek die verweerder hanteert om te bepalen of opvarenden van binnenvaartschepen al dan niet een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden in Nederland plegen te verrichten niet in strijd is met het Unierecht. Daarbij geldt dat het Unierecht niet voorziet in een absolute 25%-maatstaf voor de toepassing van artikel 13, eerste lid, van Vo 883/2004 en is aanvaardbaar geacht dat verweerder ten aanzien van werknemers in de binnenvaart uitgaat van een bandbreedte van vijf procentpunten. Dit betekent dat een werknemer die minder dan 25% in de lidstaat van zijn woonplaats werkt, toch geacht mag worden een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden te verrichten in zijn woonstaat indien er voldoende overige omstandigheden zijn die daarop duiden. Vergelijk in dit kader de uitspraak van 28 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:852, onder 4.2.5.2 en 4.3.2.2 (gerectificeerd bij uitspraak van

22 augustus 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2797) en de uitspraak van 22 oktober 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2609, onder 10.20). De rechtbank ziet geen aanleiding anders te overwegen dan de CRvB heeft gedaan in de hiervoor genoemde uitspraken.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat verweerder voor de vaststelling van het aantal uren dat eiser in de periode in geding in Nederland heeft gewerkt, de in de vaartijdenboeken van het schip opgenomen vaar- en ligtijden over de periode in geding als uitgangspunt heeft genomen. Daarbij heeft verweerder rekening gehouden met de onder 2 vermelde omstandigheden. Dat is in overeenstemming met de hiervoor onder 4.4 aangehaalde vaste rechtspraak. Verweerder heeft aan de hand van de vaartijdenboeken van het schip bepaald dat eiser in 2016 28%, in 2017 24%, en in 2018 26% van zijn in aanmerking te nemen werkzaamheden in Nederland verrichtte. Eiser heeft deze percentages niet gemotiveerd bestreden. De stelling dat niet duidelijk is waarop de 28% die eiser in Nederland heeft gewerkt is gebaseerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft het percentage van 28% over het jaar 2016 immers berekend aan de hand van de in het vaartijdenboek van het schip opgenomen gegevens. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het door verweerder berekende percentage van 28% over het jaar 2016 niet klopt.

4.6.

Voor zover eiser heeft gesteld dat de vaartijden niet de werktijden zijn en dat rusttijden geen vaartijden en dus ook geen werktijden kunnen zijn, slaagt dit niet. Hiertoe overweegt de rechtbank dat, zoals hiervoor onder 4.4 is overwogen, verweerder bij de beoordeling van het aantal uren dat eiser werkzaam is in Nederland mag uitgaan van de vaar- en ligtijden van het schip waarop wordt gewerkt. Zoals verweerder in het verweerschrift onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 29 december 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:4469, onder 4.3.2.5) terecht heeft gesteld, heeft hij het aantal door eiser in Nederland gewerkte uren berekend aan de hand van de vaartijden, zonder daarbij onderscheid te maken tussen arbeidsuren en rusttijden. De enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat verweerder de vaarboeken verkeerd heeft geïnterpreteerd, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft niet geconcretiseerd in welk opzicht verweerder de vaartijdenboeken onjuist zou hebben uitgelegd. Aan de verwijzing van eiser naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van het Constitutioneel Hof van het Vorstendom [plaats] van 12 oktober 2018, komt niet die betekenis die hij daaraan toegekend wenst te zien. Daarvoor is van belang – zoals verweerder op de zitting onweersproken heeft gesteld – dat het Hof bij einduitspraak van 4 december 2018 de vorderingen van [naam onderneming] heeft afgewezen.

4.7.

Eiser heeft verder gesteld dat het percentage in 2017 lager was dan 25% die als indicatie wordt genoemd in het achtste lid van artikel 14 van Vo 987/2009, maar dat verweerder toch aanneemt dat hij in 2017 substantieel in Nederland heeft gewerkt op het schip. De rechtbank overweegt hierover dat een werknemer die minder dan 25% in de lidstaat van zijn woonplaats werkt, toch geacht mag worden een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden te verrichten in zijn woonstaat indien er voldoende overige omstandigheden zijn die daarop duiden. Vergelijk de onder 4.4 genoemde uitspraak van de CRvB van 28 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2797, onder 4.3.2.2). Verweerder heeft in het bestreden besluit, ondanks dat de omvang van de werkzaamheden in 2017 is berekend op 24%, terecht aangenomen dat eiser in 2017 toch een substantieel gedeelte van zijn in aanmerking te nemen werkzaamheden in Nederland verrichtte. Verweerder heeft daarbij terecht gewezen op de omstandigheden dat de eigenaar en exploitant van het schip in Nederland zijn gevestigd, dat het schip in Nederland is geregistreerd en dat de vaartijden van het schip in 2016 en 2018 respectievelijk 28% en 26% waren. De stelling van eiser dat de eigenaar niet de exploitant is van het schip, leidt niet tot een ander oordeel. Op de Rijnvaartverklaring staat alleen de eigenaar vermeld en geen exploitant en in dat geval mag verweerder er vanuit gaan dat de scheepseigenaar ook de exploitant is van het schip. Eiser heeft het recht te bewijzen dat de werkelijke exploitatie van het schip niet plaatsvindt door de scheepseigenaar. Vergelijk hiervoor de uitspraak van de CRvB van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2817, onder 12.3.1 en 12.3.2). Eiser heeft echter niet met stukken aannemelijk gemaakt dat de werkelijke exploitatie van het schip door een ander dan de eigenaar heeft plaatsgevonden.

4.8.

De stelling van eiser dat hij in dienst was van een bedrijf dat in [plaats] is gevestigd en dat het [naam orgaan] orgaan heeft verzocht om de toepasselijke wetgeving vast te stellen, is onvoldoende om aan te nemen dat op hem de [naam orgaan] socialezekerheidswetgeving van toepassing is. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving plaatsvindt aan de hand van de in Vo 883/2004 opgenomen aanwijsregels. Op grond van artikel 16, eerste en tweede lid, van Vo 987/2009 stelt verweerder de toepasselijke socialezekerheidswetgeving vast en verstrekt hij een A1-verklaring. Het is niet in geschil dat eiser in de periode in geding in Nederland woonde, zodat verweerder daarom bevoegd was de op eiser toepasselijke socialezekerheidswetgeving vast te stellen en een A1-verklaring af te geven. De stelling van eiser dat verweerder daartoe niet bevoegd was, slaagt niet.

4.9.

Eiser heeft op de zitting gesteld dat in de zaak van T.J. [naam collega] is berekend dat hij respectievelijk 5% en 6% heeft gevaren. Los van het feit dat eiser deze stelling eerst ter zitting naar voren heeft gebracht, kan de enkele verwijzing naar de zaak [naam collega] niet tot een ander oordeel leiden over de door verweerder berekende percentages van de vaartijden over de periode in geding. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de feiten en omstandigheden in die zaak vergelijkbaar zijn met zijn zaak.

4.10.

Voor zover eiser op de zitting heeft gesteld dat het laden en lossen in Nederland plaatsvindt, dat in 2016 het schip een klein stukje in Nederland heeft gevaren en dat in 2017 en 2018 met het schip van Duitsland naar Antwerpen is gevaren, overweegt de rechtbank als volgt. De stelling van eiser is onvoldoende om aan te nemen dat hij in de periode in geding niet een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht. Daarbij betrekt de rechtbank dat verweerder op de zitting voldoende heeft toegelicht dat op basis van de vaartijdenboeken een berekening is gemaakt van de vaartijden van het schip over de periode in geding en dat daaruit is geconcludeerd dat eiser meer dan substantieel in Nederland heeft gewerkt. De niet onderbouwde stelling van eiser dat het schip hoofdzakelijk in Duitsland vaart, leidt niet tot een ander oordeel, alleen al omdat voor die stelling in de vaartijdenboeken geen aanknopingspunten zijn te vinden.

Conclusie

5. Op grond van het voorgaande heeft verweerder, zoals reeds overwogen onder 4.3, over de periode in geding terecht op grond van de algemene aanwijsregels van artikel 13, eerste lid, onder a, van Vo 883/2004 en artikel 14, achtste lid, van Vo 987/2009 de sociale zekerheidswetgeving van Nederland op eiser van toepassing geacht. Aangezien Nederland partij is bij de Rijnvarendenovereenkomst (Stcrt. 25 februari 2011, nr. 3397) heeft verweerder vervolgens de bijzondere aanwijsregels als in die overeenkomst opgenomen, in het geval van eiser toegepast. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat, omdat het Rijnvaartschip waarop eiser werkte in de betreffende periode door een in Nederland gevestigde onderneming werd geëxploiteerd, op grond van artikel 4, tweede lid, van die overeenkomst de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving over de periode in geding op eiser van toepassing is.

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent voor eiser dat het bestreden besluit in stand blijft.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 10 juni 2021 door mr. C.H. de Groot, voorzitter, en mr. H. van der Werff en mr. A.G.D. Overmars, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Als de zaak spoedeisend is, kunnen partijen de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om het treffen van een voorlopige voorziening.