Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2591

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
23-06-2021
Zaaknummer
LEE 20/1406
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van een eerder besluit. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd. De Svb mocht het herzieningsverzoek afwijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Ook is het bestreden besluit niet evident onredelijk. Het beroep is ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/1406


uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.H. Weermeijer),

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. A.P. van den Berg).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde-partij], gevestigd te [plaats] ,

(gemachtigde: mr. J.H. Weermeijer).

Procesverloop

In het besluit van 24 december 2019 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek om herziening van het besluit op bezwaar van 20 maart 2018 afgewezen.

In het besluit van 15 april 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nog nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2021 op zitting behandeld. Het beroep is gelijktijdig behandeld met het beroep in de zaken met nummer LEE 20/1400 en

LEE 20/1403. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiseres en derde-partij en de gemachtigde van verweerder. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1.1.

Bij besluit van 24 juni 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit op bezwaar van

12 december 2014, heeft verweerder op eiser de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing verklaard over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014. Daarbij heeft verweerder aan eiser een A1‑verklaring verstrekt.

1.2.

Bij uitspraak van 30 maart 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:1598) heeft deze rechtbank het door eiser daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft bij uitspraak van 29 december 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:4469) de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daarbij is verweerder opgedragen om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 24 juni 2014.

1.3.

Op 20 maart 2018 heeft verweerder een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarbij heeft verweerder het besluit van 24 juni 2014 herroepen en een nieuwe A1-verklaring afgegeven, waarin is vastgesteld dat op eiser de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is over de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 februari 2014. De CRvB heeft in zijn gerectificeerde uitspraak van 28 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2797) het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van

6 december 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:4360) heeft de CRvB het verzoek van eiser om de uitspraak van 28 februari 2019 te herzien, afgewezen.

1.4.

Op 22 september 2019 heeft eiser een verzoek ingediend om herziening van het besluit op bezwaar van 20 maart 2018.

2. Bij het primaire besluit, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen, omdat niet is gebleken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Volgens verweerder is het bestreden besluit niet onmiskenbaar onjuist.

3. Eiser heeft de juistheid van het bestreden besluit gemotiveerd bestreden. Een bespreking van wat hij in de (aanvullende) gronden van beroep naar voren heeft gebracht, zal hieronder plaatsvinden.

4. Beoordeling door de rechtbank.

4.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder het verzoek van eiser om terug te komen van het besluit van 20 maart 2018 heeft mogen afwijzen op grond dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast is de vraag of het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.2.

Verweerder heeft het verzoek van eiser om terug te komen van het besluit van

20 maart 2018 afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is (vergelijk de uitspraak van de CRvB van

29 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3548).

4.3.

Om terug te komen van een besluit moet sprake zijn van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het moet dan gaan om feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar voor het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Bewijsstukken van eerder aangevoerde feiten of omstandigheden zijn ook nieuw gebleken feiten, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd (vergelijk de uitspraak van de CRvB van 19 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2959).

4.4.

In het beroepschrift van 4 mei 2020 heeft eiser een aantal argumenten genoemd op grond waarvan hij meent dat verweerder aanleiding had moeten zien om terug te komen van het besluit van 20 maart 2018. Op de zitting is aan de orde gesteld wat de nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden zijn. De gemachtigde van eiser heeft gesteld dat uit verslagen van de Belastingdienst blijkt dat verweerder evidente fouten heeft gemaakt bij de berekening van de vaartijden van eiser. Hij heeft verder gesteld dat verweerder zelfstandig onderzoek had moeten doen naar de werktijden van eiser en dat de vaartijden niet van belang zijn.

4.5.

De ter ondersteuning van het herzieningsverzoek overgelegde e-mail van [naam collega] van 11 december 2019, het Bordbuch over het eerste halfjaar 2014 en de brief van de Belastingdienst van 29 juli 2016 zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser die gegevens had kunnen aanvoeren in de procedure tegen het besluit van 20 maart 2018. Dat, zoals eiser stelt, verweerder zelfstandig onderzoek had moeten doen naar de werktijden, kan evenmin worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, omdat die stelling ook aangevoerd had kunnen worden tegen voornoemd besluit. De verwijzing van eiser naar de beslissing van de Belastingdienst in de zaak van

[naam collega 2] is ook geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, al was het maar omdat die beslissing ziet op een andere periode.

4.6.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het standpunt van verweerder, dat eiser aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist. Dit kan de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van

20 maart 2018 dragen.

5. Eiser heeft aangevoerd dat uit de stukken van de Belastingdienst blijkt dat verweerder evidente fouten heeft gemaakt bij de berekening van de vaartijden. Hij heeft verder betoogd dat verweerder het vaartijdenboek niet goed heeft verwerkt. Met deze stellingen beoogt eiser in feite de discussie over de juistheid van het besluit van 20 maart 2018 opnieuw te voeren. Hierin bestaat echter geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit van 15 april 2020 evident onredelijk is. Daarbij betrekt de rechtbank dat de stukken van de Belastingdienst waar eiser op doelt, zoals verweerder op de zitting heeft aangegeven, bij hem bekend waren en dat de CRvB daarover al een oordeel heeft gegeven. Eiser heeft dat niet betwist.

6. Uit wat is overwogen onder 4.1 tot en met 5 volgt dat verweerder het herzieningsverzoek van eiser mocht afwijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb en dat de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk is.

7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent voor eiser dat het bestreden besluit in stand blijft.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 10 juni 2021 door mr. C.H. de Groot, voorzitter, en mr. H. van der Werff en mr. A.G.D. Overmars, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Als de zaak spoedeisend is, kunnen partijen de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om het treffen van een voorlopige voorziening.