Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2589

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
23-06-2021
Zaaknummer
20/3141
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroep ongegrond, schadeoorzaak juist, geen aanleiding herstelwerkzaamheden voor onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/3141

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

(mr. K.A. Waarheid)

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een vergoeding toegekend van € 21.435,03.

Bij brief van 26 oktober 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift.

Bij besluit van 13 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en aan eiser een aanvullende vergoeding van € 1.302,72 toegekend.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het beroep, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, van rechtswege mede betrekking op het besluit van 13 november 2020. Eiser heeft op 18 december 2020 beroepsgronden ingediend tegen dat besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en de deskundige P.J. Vrieling. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Feenstra en mr. K. Winterink. Ook is J.N. Handgraaf, deskundige, verschenen.

Feiten en omstandigheden.

1. Eiser is woonachtig aan [adres] te [plaats] . De woning is in 1930 gebouwd en eiser is sinds 2003 eigenaar van deze woning.

2. Op 8 januari 2018 heeft eiser bij het Centrum Veilig Wonen melding gedaan van schade aan zijn woning, die naar zijn overtuiging het gevolg is van trillingen van de bodem als gevolg van gaswinning.

3.1.

Op 29 januari 2019 heeft een schade-expert een opname gedaan in de woning van eiser, in dit geval K. Schellevis (hierna: Schellevis).

3.2.

Op 5 maart 2019 heeft eiser een aanvraag voor vergoeding van bijkomende kosten ingediend. Eiser heeft daarbij gevraagd om vergoeding voor thuisblijven bij schade-opname van 2 dagdelen.

3.3.

Schellevis heeft zijn bevindingen opgenomen in een rapportage van 26 maart 2019.

3.4.

Het rapport van Schellevis is op 10 april 2019 aan eiser toegezonden. Eiser heeft bij brief van 19 augustus 2019 aangegeven dat hij het niet eens is met de bevindingen van de deskundige. Eiser heeft bij zijn reactie een schrijven van Bouwservice Enrico Tap gevoegd.

3.5.

Naar aanleiding van de zienswijze heeft de deskundige zijn bevindingen heroverwogen. Dit heeft geleid tot een aanpassing van het rapport op 16 december 2019.

3.6.

Bij besluit van 18 februari 2020 heeft verweerder, onder overneming van het advies van de deskundige, aan eiser een vergoeding van € 21.435,03 toegekend. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van de schade van € 19.631,10, bijkomende kosten van € 945,00 en wettelijke rente van € 858,93. Hierbij heeft verweerder één dagdeel vergoedt voor de schadeopname.

3.7.

Eiser heeft bij brief van 25 maart 2019 daartegen bezwaar gemaakt. Eiser heeft daarbij aangegeven het niet eens te zijn met een aantal voorgestelde methodes voor herstel en de kosten die op grond daarvan vergoedt worden.

3.8.

In bezwaar heeft verweerder aan eiser een aanvullende vergoeding toegekend voor het de- en hermonteren van de waterontharder voor herstel van schade 29 (scheurvorming in de binnenmuur). Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

Het karakter van het primaire besluit

4. Omdat verweerder na instelling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift een besluit op bezwaar heeft genomen, heeft eiser geen belang meer bij een uitspraak op het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit: herstelmethodiek en de hoogte van de schadevergoeding

5.1.

De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser zich richt tegen de wijze waarop de schade volgens verweerder hersteld moet worden en de kosten die deze wijze van herstel met zich mee brengen. Hierbij zijn de regels van het civielrechtelijke aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht van toepassing, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat bij de begroting van (vermogens)schade degene die schade heeft geleden zoveel als mogelijk moet worden teruggebracht in de toestand waarin hij (met een redelijke mate van waarschijnlijkheid) zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zich niet zou hebben voorgedaan. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de uitspraken van de Hoge Raad (HR) van 5 december 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BE9998) en van 10 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:208).

5.2.

Om inzicht te verkrijgen in de omvang van de schade en de kosten van herstel heeft verweerder zich laten adviseren door een onafhankelijke deskundige. De rechtbank stelt voorop dat, indien uit een advies van een door een bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, dat bestuursorgaan volgens vaste jurisprudentie, zie bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:56, bij het nemen van een besluit van dat advies mag uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder bij een aantal schades een onjuiste herstelmethodiek voorschrijft en daarom de schadevergoeding te laag heeft vastgesteld.

Eiser heeft ter onderbouwing van dit standpunt een rapportage van D. Bosscher van Vergnes Expertise bv (hierna: Bosscher), van 28 januari 2021 ingebracht. Verweerder heeft ter nadere onderbouwing van het standpunt dat er geen gebreken kleven aan het deskundigenrapport een notitie van N. Handgraaf van deskundigenbureau 10BE van 28 februari 2021 overgelegd waarin deze reageert op de stellingen van eiser.

Schade 1 en 6 (gescheurd metselwerk in buitenmuur)

6.1.1.

Eiser is van mening dat de gescheurde stenen moeten worden vervangen, het repareren met pasta levert een zwak punt in de muur. Bovendien is bij schade 6 sprake van twee gescheurde stenen en niet één.

6.1.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de stenen gerepareerd kunnen worden met pasta op kleur. Dit is beter omdat het vervangen door nieuwe stenen zou leiden tot kleurverschil. Dat er twee stenen gescheurd zouden zijn maakt voor de kosten van herstel niet uit, voor herstel van voegwerk heeft verweerder al 0,5 m² gerekend. Dat is voldoende ook voor twee stenen.

6.1.3.

Ter zitting heeft verweerder nog nader onderbouwd dat bij één of twee gescheurde stenen het advies van de deskundige in zijn algemeenheid altijd is dat deze kunnen worden dichtgesmeerd met pasta. Het door eiser veronderstelde krachtverlies treedt volgens verweerder pas op bij meerdere kapotte stenen in één scheur. Samen met de verklaring van verweerder dat er op deze wijze geen sprake is van kleurverschil ziet de rechtbank geen aanleiding de voorgestelde herstelmethodiek van verweerder voor onjuist te houden.

Schade 5 en 15 (gescheurd stucwerk van metselwerk in buitenmuur)

6.2.1.

Volgens eiser is de scheur dermate diep dat het achterliggende metselwerk ook is aangetast. Om dit te kunnen repareren moeten spiraalankers worden geplaatst, waarvoor een gedeelte van het stucwerk moet worden verwijderd. Volgens eiser zijn dit aanvullende kostenposten die door verweerder niet zijn meegenomen.

6.2.2.

Verweerder stelt dat is niet onderbouwd waarom het plaatsen van spiraalankers noodzakelijk is. Verweerder is van mening, en dit is ook hetgeen is geadviseerd en berekend, dat met het constructief verlijmen van de muurdelen met twee-componentenmortel, het daarna overzetten met een laag stucwerk en daarna overschilderen van het gehele vlak, sprake is van schadeherstel die terugbrengt in de oude situatie. Het aanbrengen van spiraalankers en het vervangen van het metselwerk zou een verbetering zijn ten opzichte van de oude situatie.

6.2.3.

De rechtbank is van oordeel dat uit het deskundigenrapport en de verklaring van Handgraaf blijkt dat verweerder niet alleen (cosmetisch) herstel van het stucwerk heeft begroot, maar ook reparatie van de achterliggende scheuren in het metselwerk. Verweerder stelt dat dit gedaan kan worden met twee-componentenmortel. Waarom dit niet stevig genoeg zou zijn is door eiser niet aannemelijk gemaakt. Nu door verweerder ook bij het overzetten van het stucwerk het schoonmaken/de voorbehandeling in de begroting is opgenomen ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van de schade en de daarbij komende kosten door verweerder.

Schade 7 (gescheurd metselwerk onder deurkozijn buitenmuur)

6.3.1.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder voor het vrijgraven van de fundering een te laag bedrag heeft opgenomen. Ter zitting heeft de deskundige van eiser hier aan toegevoegd dat verweerder anders altijd een aparte post opneemt voor het fundatiewerk en het vrijgraven.

6.3.2.

Verweerder wijst op het calculatiemodel, daarin zijn verschillende reparatiemethoden opgenomen waartussen de deskundige kan kiezen. Hier heeft Schellevis als reparatiewerk het volgende opgenomen: herstel metselwerk fundering door plaatselijk vervangen stenen, inclusief vrijgraven, aanvullen en herstraten.

6.3.3.

Gelet op de omschrijving door Schellevis ziet de rechtbank geen aanleiding eiser te volgen in diens stelling dat geen kosten zijn opgenomen voor het vrijgraven van de fundering. Dat het totale herstel niet voor de door verweerder opgevoerde € 464,52 kan worden uitgevoerd is een stelling die door eiser niet nader is onderbouwd en daarom door de rechtbank niet gevolgd kan worden.

Schade 25 (gescheurd metselwerk)

6.4.1.

Eiser betoogt dat in de betreffende muur forse scheurvorming is ontstaan die door en door is met het metselwerk aan de buitenzijde. Eerder is ook al geoordeeld dat bij het herstellen van deze schade een acuut onveilige situatie zal ontstaan. Om de schade te kunnen herstellen dient het metselwerk en het stucwerk te worden vervangen om de scheefstand en de onveilige situatie op te heffen. Tevens moet de scheurvorming in de muur worden hersteld.

6.4.2.

Volgens verweerder kan de scheur gerepareerd worden door het constructief verlijmen van de twee muurdelen en het geheel hierna overzetten met een cementgebonden stucwerk. Deze herstelmethode doet recht aan duurzaam en esthetisch herstel. Het vervangen van het gehele metselwerk is volgens verweerder niet noodzakelijk en gaat verder dan louter schadeherstel. Scheefstand of schade in de buitenmuur is voorts niet door verweerder geconstateerd.

6.4.3.

De gestelde scheurvorming in de buitenmuur en scheefstand is door de deskundige van eiser weliswaar gesteld, maar niet nader onderbouwd door bijvoorbeeld fotomateriaal. Naar het oordeel van de rechtbank had dit echter wel op de weg van eiser gelegen, aangezien verweerder deze stelling ook al in bezwaar heeft weersproken. De opmerking van Vrieling dat daarvoor een hoogwerker nodig zou zijn, trouwens ook door de deskundige van verweerder ter zitting weersproken, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Nu dit niet is gebeurd, ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder niet te volgen in diens beoordeling van de feitelijke schade en de op grond daarvan geadviseerde herstelmethode.

Schade 11

6.5.1.

Deze schade betreft scheurvorming in de voeg direct aansluitend op de loodslabbe, boven het platte dak van de aanbouw. Eiser stelt zich op het standpunt dat de voeg gerepareerd moet worden met twee-componentenmortel, dit is constructief sterker. Ook ontbreekt het afdekken van het dak in de calculatie van de deskundige.

6.5.2.

Het afdekken en opruimen van de voorgeschreven -kleine- werkzaamheden worden geacht bij de normale werkzaamheden te horen, aldus verweerder. Voorts wordt twee-componentenmortel gebruikt om eventueel gebroken metselwerk weer aan elkaar te “verlijmen”. Daarvan is hier geen sprake. Verweerder geeft aan dat de scheur is ontstaan door het uitzetten en krimpen van het lood, dat veel meer uitzet en krimpt dan het metselwerk waarmee het verbonden is. Er is hier geen sprake van een constructieve verbinding zodat twee-componentenmortel niet nodig is.

6.5.3.

De rechtbank acht op grond van bovenstaande verklaring van Handgraaf, die onvoldoende weersproken is door eiser, dat onvoldoende aanleiding bestaat om aan te nemen dat concrete twijfel bestaat ten aanzien van de juistheid of de volledigheid van het rapport van de deskundige van verweerder.

bijkomende kosten

6.6.1.

Eiser stelt tot slot dat zijn aanvullende kosten €5.389,- bedragen. Dit betreffen schoonmaakkosten, thuisblijfkosten tijdens schadeopname door verweerder (1 dagdeel), thuisblijfkosten tijdens schadeopname van contra-expert, thuisblijfkosten tijdens herstelwerkzaamheden, adviseringskosten opstellen zienswijze en een overlastvergoeding.

6.5.2.

De rechtbank stelt vast dat eiser heeft verzocht om vergoeding van bijkomende kosten voor het thuisblijven bij schadeopname. Dit is voor één dagdeel aan eiser vergoedt. Voorts heeft verweerder een overlastvergoeding en een extra overlast vergoeding aan eiser toegekend. Het thans meer gevorderde valt derhalve buiten de omvang van dit geding. Eiser zal voor bijvoorbeeld het thuisblijven bij herstelwerkzaamheden een aparte aanvraag moeten indienen.

7. Gelet op bovenstaande overwegingen ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder bij het nemen van een besluit niet van de adviezen van de ingeschakelde deskundigen mocht afgaan. Er is dus geen grond voor het oordeel dat aan eiser een ontoereikende schadevergoeding is uitgekeerd.

8. Gelet op bovenstaande overwegingen is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 13 november 2020 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra, griffier. De beslissing is genomen op 7 mei 2021 en de eerstvolgende maandag daarna in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.