Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2499

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-05-2021
Datum publicatie
22-06-2021
Zaaknummer
20/350 en 20/1545
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WOZ. Samenstel. Verweerder heeft bij de objectafbakening ten onrechte twee verschillende objecten onderscheiden. Voor de toepassing van de Wet WOZ had van één groter object moeten worden uitgegaan, waarvoor één beschikking had moeten worden gegeven. Beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-6-2021
FutD 2021-2029
FutD 2021-2030
V-N Vandaag 2021/1566
NLF 2021/1395
Belastingblad 2021/296 met annotatie van M. Witkam
V-N 2021/37.15 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 20/350 en 20/1545

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 28 mei 2021 in de zaken tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde eiseres] ),

en

de heffingsambtenaar van de Werkmaatschappij 8KTD, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Bij beschikkingen van 28 februari 2019, in één geschrift vervat, heeft verweerder op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [adres 1] en [adres 2] te [plaats 1] (de onroerende zaken) vastgesteld voor het kalenderjaar 2019 op respectievelijk € 284.000 en € 296.000. In hetzelfde geschrift zijn ook aanslagen in de onroerendezaakbelasting (OZB) voor het kalenderjaar 2019 voor de onroerende zaken opgelegd van respectievelijk € 565,73 en € 589,63.

Bij uitspraken op bezwaar (in één geschrift vervat) van 19 december 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger eiseres] , kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiseres is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaken. De onroerende zaken zijn aaneengeschakelde twee-onder-een-kapwoningen. In de onroerende zaken exploiteert eiseres een kleinschalige woonvoorziening voor mensen met een visuele en verstandelijke beperking, waarvan sommigen rolstoelgebonden zijn.

Geschil en beoordeling

2. Partijen twisten over de juistheid van de door verweerder toegepaste objectafbakening. Eiseres betoogt dat de [adres 1] en [adres 2] moeten worden aangemerkt als één onroerende zaak in de zin van artikel 16 van de Wet WOZ. Verweerder stelt dat de [adres 1] en [adres 2] kwalificeren als twee aparte onroerende zaken als bedoeld in voornoemd artikel.

2.1.

Eiseres heeft aangevoerd dat er reeds sprake is van een samenstel, omdat de onroerende zaken één eigenaar en één gebruiker hebben. Anders dan verweerder stelt, behoeft er naar de mening van eiseres geen verzoek tot samenvoeging te worden gedaan. Subsidiair voert eiseres aan dat sprake is van één onroerende zaak, omdat de [adres 1] en [adres 2] één eigenaar en één gebruiker hebben én naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen. Eiseres heeft er in dat kader op gewezen dat zij de onroerende zaken gezamenlijk, als één geheel, exploiteert.

2.2.

Verweerder heeft - samengevat - aangevoerd dat het naar omstandigheden beoordeeld zeer goed mogelijk is om de gehanteerde afbakening overeind te houden. Verweerder wijst er in dat kader op dat blijkens publicaties op de eigen website eiseres zelf de onroerende zaken met aparte huisnummers [adres 1] en [adres 2] aanduidt. Volgens verweerder kan op basis daarvan worden verondersteld dat binnen de eigen organisatie van eiseres, mogelijk wellicht uitsluitend administratief, sprake is van twee objecten met een eigen adres. Verweerder wijst erop dat de objectafbakening tot 2019 heeft nooit tot vragen of problemen heeft geleid. Verweerder concludeert hieruit dat de gehanteerde objectafbakening niet onoverkomelijk, maar mogelijk wenselijk is geweest. Dit heeft ertoe geleid dat verweerder niet zonder meer de objecten heeft aangemerkt als samenstel. Verder wijst verweerder erop dat beide adressen een eigen toegang en een mogelijkheid tot afsluitbaarheid hebben. Daarnaast stelt verweerder dat als de deelobjecten en de waarden worden gevoegd onder één adres en de waarden worden opgeteld, de som ervan gelijk is aan de som van de twee afzonderlijke waarden. Volgens verweerder heeft eiseres om die reden geen belang bij de beroepen.

3.1.

Artikel 16 van de Wet WOZ luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Voor de toepassing van de wet wordt als één onroerende zaak aangemerkt:

a. een gebouwd eigendom;

b. een ongebouwd eigendom;

c. een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

(…).

3.2.

Vanwege het dwingende karakter van artikel 16 van de Wet WOZ, komt aan verweerder bij de objectafbakening geen beoordelingsvrijheid toe.1 Evenmin kan verweerder aan het toepassen van de samenstelbepaling als bedoeld in artikel 16, onderdeel d, van de Wet WOZ de voorwaarde verbinden dat een verzoek tot samenstel moet worden ingediend.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de onroerende zaken elk zijn aan te merken als (zelfstandige gedeelten van) een gebouwd eigendom in de zin van artikel 16 van de Wet WOZ. De rechtbank ziet geen aanleiding partijen daarin niet te volgen.

4.2.

Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van een samenstel van de onroerende zaken in de zin van artikel 16, aanhef en onderdeel d, van de Wet WOZ. Tussen partijen is niet in geschil dat de onroerende zaken op 1 januari 2019 dezelfde eigenaar en gebruiker hadden. Anders dan eiseres stelt, is enkel deze omstandigheid echter niet voldoende voor het toepassen van de samenstelbepaling. De onroerende zaken moeten ook naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren. Dit betekent dat de feiten en omstandigheden objectief bezien tot de conclusie moeten leiden dat er sprake is van een samenstel. In de praktijk kan het bij elkaar behoren met name worden afgeleid uit de feiten en de omstandigheden dat er sprake is van een (voor derden) visueel waarneembare eenheid. Feiten en omstandigheden die voor derden niet waarneembaar zijn dienen echter ook in aanmerking te worden genomen.2

4.3.

De rechtbank acht in dit kader van belang dat eiseres onweersproken heeft gesteld dat zij de onroerende zaken vanuit organisatorisch perspectief als een geheel beschouwt en zij de onroerende zaken ook voor één organisatorisch doel aanwendt. Dit volgt uit de omstandigheden dat eiseres de cliënten willekeurig in een van de onroerende zaken plaatst, het personeel van eiseres de werkzaamheden in beide onroerende zaken uitvoert en niet werkzaam is in één van de onroerende zaken, en de tuinen van de onroerende zaken zijn samengevoegd en als een geheel zijn ingericht ten behoeve van de cliënten van eiseres. Op grond van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de [adres 1] en [adres 2] naar de omstandigheden beoordeeld als één onroerende zaak in de zin van artikel 16, aanhef en onderdeel d, van de Wet WOZ moeten worden aangemerkt. Dat de [adres 1] en [adres 2] visueel voor derden als twee aparte eenheden zouden kunnen worden gezien, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Ook de omstandigheid dat eiseres in publicaties ervoor kiest om de twee huisnummers te noemen leidt niet tot een ander oordeel.

5. De rechtbank volgt verweerder ook niet in zijn standpunt dat eiseres geen belang zou hebben bij onderhavige beroepen. De in geschil zijnde WOZ-beschikkingen missen een wettelijke grondslag, nu deze niet conform artikel 16 van de Wet WOZ zijn vastgesteld. Dat de waarde van de onroerende zaken indien zij als aparte objecten worden beschouwd gelijk is aan de waarde van de onroerende zaken indien zij als een geheel worden beschouwd, zoals volgens verweerder stelt, doet – wat daar overigens ook van zij – daarbij niet ter zake.

6. Het voorgaande betekent dat verweerder bij de objectafbakening ten onrechte verschillende objecten heeft onderscheiden, terwijl voor de toepassing van de Wet WOZ van één groter object had moeten worden uitgegaan, waarvoor één beschikking had moeten worden gegeven. Dat betekent dat de rechtbank de voor elk van de onroerende zaken gegeven WOZ-beschikkingen en opgelegde aanslagen OZB zal vernietigen.3

Conclusie

7. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank zal de uitspraken op bezwaar, de WOZ-beschikkingen ten aanzien van de [adres 1] en [adres 2] en de hierop gebaseerde aanslagen OZB vernietigen.

8. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat de rechtbank alleen voor de zaak met nummer LEE 20/350 griffierecht heeft geheven (€ 354), en niet voor de zaak met nummer LEE 20/1545.

Proceskosten

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.598 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de waardebeschikkingen van de onroerende zaken en de hierop gebaseerde aanslagen OZB voor het jaar 2019;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.598;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. G. Kattenberg, voorzitter, en mr. R.R. van der Heide en mr. J.F.H. van den Belt, leden, in aanwezigheid van R.H. Wolfslag, griffier, op 28 mei 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

1 Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD6058.

2 Hoge Raad 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3060.

3 Hoge Raad van 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD6058.