Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2496

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
01-07-2021
Zaaknummer
C/19/133420 / HA ZA 20-197
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers maken aanspraak op hun legitieme porties in de nalatenschap van moeder en op hun erfdeel in de nalatenschap van vader. In dat kader hebben zij verzocht om afgifte van stukken. Zij hebben hun eis voor de zitting vermeerderd met een verklaring voor recht dat gedaagde de nalatenschap door hun gedragingen zuiver hebben aanvaard. Over dat deel geeft de rechtbank in dit tussenvonnis alvast een oordeel. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is beschikkingshandelingen die zo ingrijpend zijn dat gedaagden X en Y als heer en meester over de nalatenschap hebben beschikt. De rechtbank overweegt dat artikel 4:192, eerste lid, BW sinds de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden op 1 september 2016 is gewijzigd en dat die wetswijziging een ander licht werpt op de door eisers aangehaalde jurisprudentie. Het gaat om vier transacties van een beperkte omvang. Twee daarvan gaan over het betalen van schulden van de nalatenschap. Dat zijn kosten van beheer van de nalatenschap. Dat geldt ook voor de factuur voor werkzaamheden door de notaris, moet naar het oordeel van de rechtbank ook onder beheershandelingen worden geschaard. Op het moment dat gedaagden deze kosten hebben gemaakt, beraadden zij zich nog op hun keuze. De benzinekosten van Y zijn van de dag van overlijden, maar haar verklaring dat zij op dat vroege tijdstip nog niet wist dat moeder overleden was, acht de rechtbank niet onwaarschijnlijk. In elk geval is niet komen vast te staan dat Y met de enkele transactie bewust gelden aan de nalatenschap heeft willen onttrekken en als 'heer en meester' over de nalatenschap heeft beschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0190
Jurisprudentie Erfrecht 2021/138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Assen

zaaknummer / rolnummer: C/19/133420 / HA ZA 20-197

Vonnis van 30 juni 2021

in de zaak van

1 A.,

wonende te E.

2. B.,

wonende te E.

3. C.

wonende te E.

4. D.

wonende te O.,

5. E.

wonende te A.

6. F.

wonende te A.,

eisers,

advocaat mr. F.P. van Dalen te Leeuwarden,

tegen

1 X.

wonende te L.,

2. Y.

wonende te E.

gedaagden,

advocaat mr. S.G. Rissik te Roden.

Partijen zullen hierna A c.s. en X. c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 23 december 2020
    - de akte vermeerdering van eis van A c.s. van 12 april 2021
    - de aanvullende producties van X c.s. van 12 april 2021
    - de brief van A c.s. van 15 april 2021

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 22 april 2021

  • -

    de antwoordakte van X c.s. op de rol van 19 mei 2021.

1.2.

Ten slotte is (tussen) vonnis bepaald.

2 De beoordeling

Waar het om gaat in deze zaak
2.1. A c.s. en X c.s. zijn broers en zussen (en door plaatsvervulling ooms, tantes en nichten). A c.s. maken aanspraak op de legitieme portie in de nalatenschap van hun moeder en op hun erfdeel in de nalatenschap van hun vader. Zij vorderen in deze procedure afgifte van stukken. X c.s. menen dat zij aan hun informatieplicht hebben voldaan en dat er niets meer valt af te geven.


Procedurele perikelen en procesafspraken
2.2. A c.s. hebben hun vorderingen tot afgifte van de stukken kort voor de mondelinge behandeling aanzienlijk uitgebreid met een verklaring voor recht dat X c.s. de nalatenschap van moeder zuiver hebben aanvaard. Hierop hebben X c.s. zich niet voldoende kunnen voorbereiden. Ook de rechtbank ging ervanuit dat het op de zitting alleen zou gaan om de afgifte van de stukken en vanwege de coronamaatregelen zijn daarom niet alle partijen uitgenodigd. Vanwege het recht op hoor en wederhoor heeft de rechter daarom ter zitting de volgende procesafspraken met partijen gemaakt:
- X c.s. mogen zich bij akte uitlaten over de vermeerdering van eis,
- daarna zal de rechtbank in een tussenvonnis oordelen over de door A c.s. in de akte van 12 april 2021 voor het eerst opgeworpen kwestie of de nalatenschap door X c.s. zuiver is aanvaard door gedragingen,
- ondertussen zullen X c.s. een boedelbeschrijving op laten stellen en indienen en zullen A c.s. mogen reageren op de ingebrachte schuldbekentenis en de stelling van A c.s. dat die lening is afbetaald, mogen onderbouwen,
- daarna zal een datum voor de voortzetting van de mondelinge behandeling worden bepaald.

De achtergrond
2.3. In dit tussenvonnis zal de rechtbank dus alleen een oordeel geven over de kwestie zuivere of beneficiaire aanvaarding. Daarbij gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

2.4.

Uit het huwelijk van W (vader) en Z (moeder) zijn zeven kinderen geboren: A, B, C, D, O, X en Y. Vader is op 29 oktober 1992 overleden. In zijn testament van 19 februari 1991 heeft hij moeder en de kinderen tot erfgenamen benoemd en moeder het vruchtgebruik van de nalatenschap gelegateerd. O is op 2 mei 2014 overleden zodat haar kinderen E en F in haar plaats zijn getreden. Moeder is op 13 maart 2020 overleden. Zij heeft bij testamenten van 1 december 2008 en 19 maart 2009 over haar nalatenschap beschikt. Zij heeft X c.s. tot enig erfgenamen benoemd en haar andere kinderen een bedrag in geld gelegateerd gelijk aan hun legitieme aanspraak.

2.5.

Nadat de kantonrechter op verzoek van A c.s. bij beschikking van 29 juni 2020 een termijn heeft gesteld, hebben X c.s. volgens het uittreksel van het boedelregister de nalatenschap van moeder op 14 augustus 2020 beneficiair aanvaard.

De vordering van A c.s. en het standpunt over zuivere aanvaarding
2.6. Na vermeerdering van eis, vorderen A c.s., verkort weergegeven:
- veroordeling van X c.s. om de in de dagvaarding opgesomde stukken af te geven op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag dat zij hieraan niet voldoen met een maximum van € 50.000,00 (oorspronkelijke vordering I en II)
- een verklaring voor recht dat X c.s. de nalatenschap van moeder zuiver hebben aanvaard (vordering I en II),
- voorwaardelijk, voor het geval die verklaringen worden afgegeven, te bepalen dat Xc.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor betaling aan A, [A c.s.] elk en [A c.s.] samen een bedrag van € 13.794,05 te vermeerderden met de wettelijke rente (vordering II, IV, V, VI, VII, VIII),
- X c.s. te veroordeling in de proceskosten (vordering IX).

2.7.

A c.s. stellen, samengevat, dat X c.s. door hun handelingen na het overlijden en vóór de verklaring van beneficiaire aanvaarding, de nalatenschap al zuiver hadden aanvaard doordat zij betalingen voor zichzelf hebben gedaan van de rekening van moeder. Volgens A c.s. zijn X c.s. daarom in persoon aan te spreken op de vorderingen. A c.s. noemen een aantal gedragingen die volgens hen maken dat X c.s. de nalatenschap zuiver hebben aanvaard:
a. Y heeft na moeders overlijden met het pasje met nummer 009 van de bankrekening van moeder getankt voor € 50,04,
b. Aan X is op 29 april 2020 aan een reiskostenvergoeding overgemaakt voor in totaal € 142,36 waarbij met de hand is vermeld dat het gaat om kosten tot aan het overlijden,
c. de declaratie van 7 mei 2020 van boekhouder Kootstra van € 127,05 is van de rekening van moeder betaald,
d. de nota van 2 juni 2020 van notariskantoor Holland van der Woude van € 290,40 is van de rekening van moeder betaald.

Het verweer van X c.s. tegen de stelling dat sprake is van zuivere aanvaarding
2.8. X c.s. betwisten dat sprake is van zuivere aanvaarding. Zij voeren aan dat ze op 11 april 2011 van moeder een algemene volmacht hebben gekregen om haar zaken te beheren en dat de betalingen die tijdens de periode van beraad plaatsvonden, zijn gedaan in het kader van het beheer van de nalatenschap. Verder is volgens hen geen sprake van overeenkomsten strekkende tot bevreemding of bezwaring van goederen van de nalatenschap. X c.s. hebben niet als heer en meester over de nalatenschap beschikt maar zij hebben slechts een beperkt aantal beheerhandelingen verricht, die vallen onder de algemene volmacht of onder het beheer van de nalatenschap.
Het oordeel van de rechtbank: geen zuivere aanvaarding
2.9. Artikel 4:192, eerste lid, BW, bepaalt dat een erfgenaam de nalatenschap zuiver aanvaart wanneer hij zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt doordat hij overeenkomsten aangaat strekkende tot vervreemding of bezwaring van goederen van de nalatenschap of deze op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers onttrekt.

2.10.

Dit wetsartikel is bij de inwerkingtreding van de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden op 1 september 2016 opnieuw geformuleerd omdat er veel onduidelijkheid bestond over welke gedragingen leidden tot zuivere aanvaarding van een nalatenschap.
Alleen gedragingen die leiden tot benadeling van schuldeisers (door nalatenschapsgoederen te verkopen, te bezwaren of anderszins aan het verhaal van schuldeisers te onttrekken), hebben een zuivere aanvaarding van de nalatenschap tot gevolg. Bij handelingen in het belang van de nalatenschap is sprake van goed beheer van de nalatenschap en niet van zuivere aanvaarding. Het enkele verrichten van betalingen ten laste van de rekening van de erflater is niet voldoende om een zuivere aanvaarding aan te nemen. Het gaat erom of sprake is van zulke ingrijpende beschikkingshandelingen die een erfgenaam bewust verricht dat de erfgenaam daarmee als "heer en meester" over de nalatenschap heeft beschikt (Zie bijvoorbeeld parlementaire geschiedenis, nota naar aanleiding van het eindverslag,Kamerstuk 34224, nr. 5). In zoverre gaat het beroep van A c.s. op het door hem genoemde arrest van het hof Den Haag van 28 juni (ECLI:NL:GHDHA:2016:1985) niet op. Dit arrest dateert van voor de wetswijziging en het valt niet uit te sluiten dat de wetswijziging een ander licht op de zaak werpt.

2.11.

Van beschikkingshandelingen die zo ingrijpend zijn dat geoordeeld moet worden dat X c.s. als heer en meester over de nalatenschap hebben beschikt, is geen sprake. Het gaat om vier transacties van een beperkte omvang. Twee daarvan gaan over het betalen van schulden van de nalatenschap, te weten de factuur van de boekhouder en de reiskosten van X. De factuur van de boekhouder is voor werkzaamheden van vóór het overlijden van moeder. Ook de reiskosten van X zijn van de periode voor het overlijden.
Voor deze transacties geldt dat het gaat om handelingen in het kader van beheer van de nalatenschap. Het is immers in het belang van de nalatenschap dat schulden zo spoedig betaald worden.

2.12.

De factuur voor werkzaamheden door de notaris, moet naar het oordeel van de rechtbank ook onder beheershandelingen worden geschaard. Op het moment dat X c.s. deze kosten hebben gemaakt, beraadden zij zich nog op hun keuze. Ondertussen hebben zij wel kosten gemaakt om de nalatenschap af te wikkelen dan wel te vereffenen of zich daarop voor te bereiden. Dat dit op een goede manier gebeurt, is ook in het belang van de schuldeisers.

2.13.

De benzinekosten van Y zijn van de dag van overlijden, maar haar verklaring dat zij op dat vroege tijdstip nog niet wist dat moeder overleden was, acht de rechtbank niet onwaarschijnlijk. In elk geval is niet komen vast te staan dat Y met de enkele transactie bewust gelden aan de nalatenschap heeft willen onttrekken en als 'heer en meester' over de nalatenschap heeft beschikt.

2.14.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een zuivere aanvaarding door X c.s. Dat betekent dat de vorderingen om voor recht te verklaren dat X c.s. de nalatenschap zuiver hebben aanvaard, moeten worden afgewezen. Dat geldt ook voor de daarvan afhankelijke, voorwaardelijke vorderingen III tot en met VIII.

Het vervolg van de procedure
2.15. A c.s. handhaven de eerder ingestelde vorderingen. De rechtbank zal, zoals ter zitting afgesproken, bepalen dat de mondelinge behandeling wordt voortgezet. Daarvoor verwijst de rechtbank naar de overwegingen 2.1 tot en met 2.4 van het tussenvonnis van 23 december 2020. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing in afwachting van de mondelinge behandeling aan.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

wijst de bij akte vermeerdering van eis ingestelde vorderingen I tot en met X af,

3.2.

beveelt een nadere verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de mondelinge behandeling van mr. J. de Vroome in het gerechtsgebouw te Assen aan de Brinkstraat 4 op een nader te bepalen datum en tijdstip;

3.3.

bepaalt dat partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn;

3.4.

bepaalt dat de partijen voor 1 juli 2021 opgave moeten doen van verhinderdata (september tot en met december 2021) voor beide partijen waarna een voortgezette mondelinge behandeling zal worden vastgesteld;

3.5.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen;

3.6.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd;

3.7.

wijst partijen er op, dat voor de zitting ongeveer anderhalf uur zal worden uitgetrokken;

3.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Vroome en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2021.1

1 type: CvdD coll: