Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2405

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
18/144653-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte (politieagent) wordt vrijgesproken voor valsheid in geschrifte, nu geen gebruik is gemaakt van een vals en/of vervalst document, als ware het echt en onvervalst, alsmede vrijspraak voor oplichting, nu één enkele onware mededeling onvoldoende is om te kunnen spreken van listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels.Tevens is verdachte vrijgesproken voor het verkopen, afleveren, verstrekken dan wel vervoeren van cocaïne en het aanwezig hebben van 1 kilo cocaïne. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet overtuigend bewezen worden dat verdachte in de ten laste gelegde periode heeft geweten van de aanwezigheid van de kilo cocaïne in zijn auto. Evenmin zijn er concrete aanwijzingen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat op dat moment in zijn auto een kilo cocaïne aanwezig was.

Dat verdachte opzettelijk 2 zakjes cocaïne in zijn auto aanwezig heeft gehad acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van kinder- en dierenpornografisch filmmateriaal.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur van zijn voorarrest, te weten 194 dagen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 240b
Wetboek van Strafrecht 254a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/144653-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 15 juni 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 15 september 2020, 10 december 2020, 9 maart 2021 en 1 juni 2021.

Verdachte is ter terechtzitting van 1 juni 2021 verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Eefting, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting van 1 juni 2021 vertegenwoordigd door mr. dr. P.H. Rest.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 18 maart 2016 tot en met 1 augustus 2016,

te Groningen, althans in de gemeente Groningen, in elk geval in Nederland,

ter verkrijging van een hypotheek voor een woning aan de [straatnaam] te [woonplaats] , opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

te weten een taxatierapport, betrekking hebbende op de (eventuele) verkoop van een woning aan de [straatnaam] te [woonplaats] en/of

een schriftelijke aanbieding van Stichting Lefier strekkende tot het terugkopen van de woning aan de [straatnaam] ,

als ware het echt en onvervalst, door bovenbedoelde aanbieding van Stichting Lefier,

welke aanbieding op 6 mei 2016 was verlopen en (aldus) niet meer geldig was,

als bewijsstuk van der verkoop van de woning [straatnaam] te overleggen

bij de hypotheekaanvraag voor de woning aan de [straatnaam] ;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 18 maart 2016 tot en met 1 augustus 2016,

te Groningen, althans in de gemeente Groningen, althans in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de ING Bank NV heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een schuld,

te weten een hypothecaire lening (van 219.300 euro), door bij de aanvraag van de bedoelde lening een taxatierapport met betrekking tot de waarde van de woning aan de [straatnaam] en/of een schriftelijke aanbieding van Stichting Lefier tot het terugkopen van de woning aan de [straatnaam] , welke aanbieding op 6 mei 2016 zijn geldigheid had verloren, te overleggen aan genoemde bank, waardoor de ING Bank BV werd bewogen tot afgifteverstrekking van een (hypothecaire)lening;

2.

hij op verschillende tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 juni 2020, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal, bevattende cocaine,

in elk geval in de periode van 19 mei 2020 tot en met l juni 2020, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 1029.70 gram en/of 24.64 gram en/of 39.78 gram, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2020 tot en met 1 juni 2020, te Groningen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer afbeeldingen, te weten (digitale) fotobestanden en/of (digitale) filmbestanden in bezit heeft gehad en/of

zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft,

terwijl op die afbeelding(en) een of meer seksuele gedragingen zichtbaar was/waren,

waarbij (telkens) een of meer personen die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had(den) bereikt, was/waren betrokken of schijnbaar was waren betrokken en/of welke voornoemde seksuele gedraging(en) —zakelijk weergegeven- bestonden uit

het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, te weten

- een videobestand met de naam [bestandsnaam] , waarop te zien is dat een meisje met een geschatte leeftijd tussen de 10 en de 14 jaar oud,

oraal en met de hand de penis van een volwassen man stimuleert, en/of

- een videobestand met de naam [bestandsnaam] , waarin een volwassen penis een minderjarige anaal of vaginaal lijkt te penetreren.

Gezien de bouw en de proporties van de minderjarige wordt de leeftijd geschat tussen de 4 en de 10 jaar oud en/of

- een videobestand met de naam [bestandsnaam] , zijnde een compilatie van verschillende pre-puberale meisjes die vaginaal en/of anaal

gepenetreerd Worden met de penis van een volwassen man. De geschatte leeftijden van deze meisjes liggen allen tussen de 6 en de 12 jaar, en/of

- een videobestand met de naam [bestandsnaam] , waarin te zien is dat een meisje met de geschatte leeftijd van tussen de 6 en de 12 jaar oud, vaginaal en of anaal gepenetreerd wordt door een volwassen penis;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2020 tot en met 1 juni 2020, te Groningen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer afbeeldingen, te weten (digitale) fotobestanden en/of (digitale) filmbestanden

in bezit heeft gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft,

terwijl op die afbeelding(en) een of meer ontuchtige handeling(en) zichtbaar was/waren,

waarbij (telkens) een mens en een dier zijn betrokken of schijnbaar zijn betrokken, te weten zes, althans een aantal, bestanden met afbeeldingen/video’s, waarop (ondermeer) te zien is dat

- ( volwassen) vrouwen vaginaal dan wel anaal dan wel oraal worden gepenetreerd door paarden en honden en/of

- Een man met zijn penis een hond anaal penetreert en/of

- Een hond een man anaal penetreert.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 primair ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel de onder 1 primair ten laste gelegde valsheid in geschrifte, als van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde oplichting. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zich in het dossier geen wettig en overtuigend bewijs bevindt dat verdachte op enige wijze stukken heeft vervalst, teneinde de hypotheek bij de ING Bank N.V. te verkrijgen, dan wel dat verdachte de ING Bank N.V. heeft bewogen tot het aangaan van een hypothecaire lening van € 219.300,- door listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat verdachte eveneens moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe gemotiveerd aangevoerd dat er te weinig overtuigend bewijs is dat verdachte opzettelijk cocaïne in zijn auto aanwezig had.

Ook van voorwaardelijk opzet, het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat verdachte cocaïne in zijn auto zou hebben, is geen sprake.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent het al dan niet komen tot een bewezenverklaring van het onder 3 en 4 ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank acht - evenals de officier van justitie en de raadsman - het onder 1 primair ten laste gelegde (valsheid in geschrifte) niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit de inhoud van het dossier niet is gebleken dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst taxatierapport, betrekking hebbende op de (eventuele) verkoop van een woning aan de [straatnaam] te [woonplaats] en een schriftelijke aanbieding van Stichting Lefier strekkende tot het terugkopen van de woning aan de [straatnaam] , als ware het echt en onvervalst.

Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, oplichting, acht de rechtbank evenmin wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte ook hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank dient te onderzoeken of de gedragingen van verdachte zoals ten laste gelegd, oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opleveren.

De Hoge Raad heeft in het overzichtsarrest van 20 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2889) overwogen dat voor veroordeling wegens oplichting onder meer is vereist dat één of meer van de in artikel 326 Sr specifiek aangeduide oplichtingsmiddelen gebezigd worden, te weten voor zover hier van belang: het gebruik van listige kunstgrepen of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels.

Daarmee wordt bewerkstelligd dat niet iedere vorm van bedrog - bijvoorbeeld bestaande uit niet meer dan het doen van een onware mededeling - en niet iedere toerekenbare tekortkoming in civielrechtelijke zin binnen het bereik van het strafrecht wordt gebracht.

Bij listige kunstgrepen dient het te gaan om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen.

Bij een samenweefsel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen.

Uit de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is behandeld volgt dat op 6 mei 2016 de schriftelijke aanbieding van Stichting Lefier voor het terugkopen van de woning aan de [straatnaam] verliep. Verdachte en zijn (toenmalige) vrouw hebben vervolgens op

18 mei 2016 een persoonlijk hypotheek advies (PHA) van de ING Bank N.V. ondertekend. Het PHA is de schriftelijke vastlegging van hetgeen tijdens het hypotheekadviesgesprek op

9 mei 2016 is besproken. In het betreffende advies is - onder meer - opgenomen de opbrengst van de woning aan de [straatnaam] (via een terugkoopregeling).

Daarnaast is in het PHA vermeld dat verdachte een restschuld overhoudt van € 6.835,-, welke bij de overdracht van die woning afgelost dient te worden.

Opgemerkt wordt in het betreffende advies: “Als u dit Persoonlijk Hypotheek Advies ondertekent, dan geeft u aan dat het rapport een getrouwe weergave is van uw adviesgesprek en dat de gegevens in het advies juist zijn.”

Op basis van de door verdachte verstrekte informatie was de ING Bank N.V. bereid om aan verdachte en zijn (toenmalige) vrouw een hypothecaire lening te verstrekken met een hoofdsom van € 219.300,- voor de financiering van de woning aan de [straatnaam] en de verbouwing daarvan.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte met het overleggen van een taxatierapport met betrekking tot de waarde van de woning aan de [straatnaam] en/of
een schriftelijke aanbieding van Stichting Lefier tot het terugkopen van de woning aan de [straatnaam] , welke aanbieding op 6 mei 2016 zijn geldigheid had verloren zich, schuldig heeft gemaakt aan oplichting.

Uitgaande van de hierboven geschetste gang van zaken volgt dat verdachte bij het aangaan van de hypothecaire lening niet de juiste gegevens heeft verstrekt, dan wel niet de waarheid heeft verteld aan de ING Bank N.V. met betrekking tot de verkoop van de woning aan de [straatnaam] . Immers, ten tijde van het adviesgesprek en de ondertekening van het PHA was de schriftelijke aanbieding van Stichting Lefier voor het terugkopen van de woning aan de [straatnaam] reeds verlopen, terwijl de ING Bank N.V. er kennelijk van uit is gegaan dat de woning aan de [straatnaam] was verkocht. Verdachte heeft een en andermaal verklaard dat aan de orde is geweest dat de woning aan de [straatnaam] niet zou worden verkocht en dat de hypotheekadviseur van de bank hiervan op de hoogte was.

Wat hiervan ook zij, de hiervoor geschetste gang van zaken levert naar het oordeel van de rechtbank één enkele onware mededeling op en dat is onvoldoende om te kunnen spreken van listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels. Mogelijk valt verdachte moreel het nodige te verwijten, maar dat is niet voldoende voor een bewezenverklaring van oplichting in de zin van artikel 326 Sr, zoals onder 1 subsidiair ten laste gelegd.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde als volgt.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat de tenlastelegging is opgedeeld in twee tijdvakken, de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 juni 2020 (tijdvak 1) en de periode van 19 mei 2020 tot en met 1 juni 2020 (tijdvak 2). De rechtbank gaat er vanuit dat met de in de tenlastelegging opgenomen woorden ‘in elk geval’ moet worden opgevat als subsidiair, zodat sprake is van een primair en subsidiair ten laste gelegd feit.

Verdachte wordt primair ten laste gelegd het verkopen, afleveren, verstrekken dan wel vervoeren van cocaïne ten laste gelegd. Subsidiair wordt hem het aanwezig hebben van cocaïne ten laste gelegd en wel in verschillende hoeveelheden, ongeveer 1029.70 gram, 24.64 gram en 39.78 gram.

Dat verdachte zich in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met

1 juni 2020 schuldig heeft gemaakt aan het verkopen, afleveren, verstrekken dan wel vervoeren van cocaïne en dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste samenwerking tussen verdachte en een of meer anderen acht de rechtbank gelet op de inhoud van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen.

Hoewel uit de zich in het dossier bevindende tapgesprekken over de periode van 19 mei 2020 tot en met 1 juni 2020 volgt dat verdachte contact onderhield met diverse personen

- waaronder [naam] , [naam] , [naam] , [naam] , [naam] en [naam] - en dat deze gesprekken onder meer druggerelateerd lijken te zijn, is de inhoud van deze gesprekken niet dusdanig dat daaruit kan worden afgeleid dat verdachte zich daadwerkelijk bezig heeft gehouden met de handel in cocaïne. Het aantal drugsgerelateerde gesprekken tussen verdachte en deze personen is daarvoor te beperkt, noch bevatten de inhoud van deze gesprekken én het dossier andere aanwijzingen waaruit betrokkenheid van verdachte bij het verkopen, afleveren, verstrekken dan wel vervoeren van cocaïne in de ten laste gelegde periode kan volgen. De enkele omstandigheid dat verdachte diverse contacten in zijn telefoon(s) had met antecedenten op het gebied van de Opiumwet en het feit dat er contant geld is aangetroffen in de woning van verdachte, te weten € 5.650,- (14 x briefjes van 5 euro en 86 x briefjes van 10 euro), is daartoe onvoldoende. De rechtbank zal verdachte daarom van het primair ten laste gelegde vrijspreken.

Voorts acht de rechtbank evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zoals subsidiair ten laste gelegd “in elk geval in de periode van 19 mei 2020 tot en met 1 juni 2020” (tijdvak 2) opzettelijk 1029,70 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

Daarbij stelt de rechtbank voorop dat voor de vraag of verdachte opzettelijk verdovende middelen aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2 onder C Opiumwet niet doorslaggevend is aan wie de verdovende middelen toebehoren. Van een beschikkings- of beheersbevoegdheid van verdachte hoeft evenmin sprake te zijn, maar de drugs zullen zich wel in zijn machtssfeer moeten bevinden. Ingevolge artikel 10, derde lid, Opiumwet levert het “opzettelijk” aanwezig hebben van een op lijst I bij de Opiumwet genoemd middel een misdrijf op. Voor opzet is vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van het middel, althans de aanmerkelijke kans dat dit middel in zijn machtsmiddel aanwezig is bewust heeft aanvaard. Zie hiervoor -onder meer- het arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1459.

Hoewel de rechtbank aan de hand van de uitkomst van het forensisch sporenonderzoek niet kan uitsluiten dat verdachte op enig moment gelegen vóór de ten laste gelegde periode wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van het blok van 1029,70 gram cocaïne, is gelet op de inhoud van het dossier niet aannemelijk geworden dat verdachte in de ten laste gelegde periode van 19 mei 2020 tot en met 1 juni 2020 wetenschap had van en opzet had op het aanwezig hebben van de in zijn auto aangetroffen 1029,70 gram cocaïne.

Daarbij laat de rechtbank wegen dat uit de inhoud van het dossier en hetgeen is behandeld ter terechtzitting volgt dat verdachte op 20 mei 2020 werd ontboden op het politiebureau te Drachten voor een gesprek met zijn direct leidinggevende. Diezelfde dag werd de auto van verdachte op het afgesloten parkeerterrein behorende bij het politiebureau te Drachten op twee momenten doorzocht, te weten om circa 11:00 uur en 14:30 uur. Tijdens de tweede doorzoeking op 20 mei 2020 om circa 14:30 uur werden twee zakje met 24,64 en 39,78 gram cocaïne aangetroffen in de schuifvakken onder de stoelen van de bestuurder en de bijrijder. Besloten werd om de auto veilig te stellen voor nader onderzoek. De auto is op 20 mei 2020 onder verdachte in beslag genomen.

Vervolgens werd tijdens een forensische doorzoeking op 29 mei 2020 in de betreffende auto, in een papieren zak op de grond achter de stoel van de bijrijder, een blok van 1029,70 gram cocaïne aangetroffen.

Tijdens het verhoor door de politie en ook ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zijn auto regelmatig uitleende (onder meer) aan zijn broer, voor het laatst enkele dagen voor de doorzoeking van de auto op 20 mei 2020. De betreffende broer van verdachte verklaart eveneens dat hij de auto van verdachte wel eens leende. Uit de diverse processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] leidt de rechtbank af dat de auto van verdachte er rommelig uitzag, dat er verschillende voorwerpen in het gehele voertuig lagen, en dat de bewuste papieren zak tijdens de doorzoeking op 20 mei 2020 niet direct in het oog sprong.

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank niet overtuigend worden bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode van 19 mei 2020 tot en met 1 juni 2020, heeft geweten van de aanwezigheid van het blok van 1029,70 gram cocaïne in zijn auto. Evenmin zijn er concrete aanwijzingen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat op dat moment in zijn auto het blok van 1029,70 gram cocaïne aanwezig was. De rechtbank zal verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Dat verdachte in elk geval in de periode van 19 mei 2020 tot en met 20 mei 2020 opzettelijk 24,64 en 39,78 gram cocaïne aanwezig heeft gehad acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank past hiertoe de volgende bewijsmiddelen die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 1 juni 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb wel eens drugs gebruikt in mijn auto. De twee dagen voor 20 mei 2020 heb ik cocaïne gebruikt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 mei 2020, opgenomen op pagina 829 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met Zaaknummer IOONNN201593 d.d. 3 november 2020, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op woensdag 20 mei 2020, omstreeks 14:25 uur werd door mij en [verbalisant 2] een personenauto doorzocht. Dit voertuig was voorzien van het kenteken [kenteken] en van het merk Volkswagen, type Polo en de kleur zwart.

Op woensdag 20 mei 2020 omstreeks 11:00 uur had de gebruiker van dit voertuig, [verdachte] , dit voertuig geplaatst op de binnenplaats van het politiebureau te Drachten.

Door ons, [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , werd het voertuig geopend middels het bestuurdersportier en de bijrijdersportier. Ik opende aan de bestuurderszijde een schuifvak welke zich onder de bestuurdersstoel bevond en ik zag in dit vak twee plastic zakjes liggen met daarin een brok met een witte substantie. Tevens zag ik een klein plastic zakje liggen, een zogenaamd gripzakje, met daarin een opgevouwen papiertje en twee condooms in de verpakking. Hierop opende [verbalisant 2] een zelfde schuifvak welke zich onder de bijrijdersstoel bevond. Hierin trof zij een blauw etui aan met de opdruk Nivea.

In dit etui bevond zich een plastic zakje met een wit poeder. Op dit zakje stond de tekst "cafeïne”. Tevens bevonden zich in dit etui een weegschaaltje, geschikt voor wegingen tot 200 gram, diverse zogenaamde gripzakjes, diverse vouwblaadjes met een beschrijving voor het vouwen van envelopjes en een paar plastic zakjes.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verdovende middelen d.d. 25 mei 2020, pagina 892 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6] :

Goednummer: PL0100-2020137079-1273469

SIN: AANS0887NL

Omschrijving: een dicht geknoopte kleurloze plastic zak met daarin een dicht geknoopte kleurloze plastic zak met daarin een grote witte brok en brokjes

Netto gewicht: 24,64 gram

SIN Monster: AANW3462NL

Indicatieve testen

Positief voor cocaïne.

Identificerend onderzoek

NFiDENT: positief voor cocaïne

Cocaïne staat vermeld op lijst I behorende bij de Opiumwet.

Goednummer: PL0100-2020137079-1273465

SIN: AANS0888NL

Omschrijving: een dicht geknoopte kleurloze plastic zak met dubbele groene streepjes/lijnen aan de bovenzijde met daarin een grote witte brok

Netto gewicht: 39,78 gram

SIN Monster: AANW3463NL

Indicatieve testen

Positief voor cocaïne.

Identificerend onderzoek

NFiDENT: positief voor cocaïne

Cocaïne staat vermeld op lijst I behorende bij de Opiumwet.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 juni, opgenomen op pagina 84 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[verdachte] :

O: Foto 1 wordt getoond aan de verdachte.

V: In de auto werden de volgende goederen aangetroffen (noot griffier: deze goederen zijn te zien op foto 1):

Twee plastic zakjes met daarin witte brokken, enkele gripzakjes en twee condooms in schuifvak aan de bestuurderszijde.

O: Foto 2 wordt getoond aan de verdachte.

V: In het schuifvak onder de bijrijdersstoel een blauwe etui met een plastic tasje met wit poeder. Op dit zakje stond cafeïne. In het etui bevonden zich tevens een weegschaaltje, gripzakjes en vouwblaadjes (noot griffier: deze goederen zijn te zien op foto 2).

A: Dat tasje komt mij wel bekend voor, die lag bij mijn broer thuis.

Ik heb cocaïne gepakt uit het plastic zakje zoals op foto 1 te zien is. Ik heb het tasje wel eens gezien en ook wel in mijn handen gehad. Daarin zaten ook envelopjes. Want als ik cocaïne meenam dan pakte ik zo’n envelopje.

5. Een tapgesprek opgenomen op 19 mei 2020 te 10:31:37 uur in het onderzoek tussen telefoonnummer [telefoonnummer] in gebruik bij [verdachte] en telefoonnummer [telefoonnummer] in gebruik bij [naam] , opgenomen op pagina 843 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend:

Verdachte wordt aangeduid met [verdachte]

[vrouw verdachte] : Je bent al meer dan 48 uur aan de drugs

[verdachte] : Ja klopt

Gelet op de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte in de periode van 19 mei 2020 tot en met 20 mei 2020 wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van 2 zakjes cocaïne in zijn auto.

Ook waren deze verdovende middelen in de machtssfeer van verdachte.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de betreffende hoeveelheid drugs is aangetroffen in de schuifvakken onder de stoelen van de bestuurder en de bijrijder.

Verdachte verklaart dat hij cocaïne meenam van zijn broertje en dat hij cocaïne heeft gepakt uit het plastic zakje zoals op foto 1 is te zien.

Uit de inhoud van het tapgesprek tussen hem en [naam] op 19 mei 2020 volgt dat verdachte in de periode gelegen voor de doorzoeking van de auto op 20 mei 2020 en het aantreffen van deze verdovende middelen veelvuldig drugs heeft gebruikt. Verdachte verklaart daarnaast dat hij ook wel eens drugs gebruikte in zijn auto. Gelet op al deze omstandigheden kan het niet anders dan dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van deze hoeveelheden cocaïne in zijn auto. Verdachte heeft verklaard dat hij wel gek zou zijn om met drugs in de auto naar het politiebureau te rijden. Anderzijds heeft verdachte ook verklaard dat hij er niet vanuit ging dat er een doorzoeking in de auto zou plaatsvinden. Verdachtes verklaring bij de politie dat hij de laatste dagen juist geen drugs had gebruikt acht de rechtbank gelet op de inhoud van het tapgesprek tussen hem en [naam] op 19 mei 2020 niet geloofwaardig.

Ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal bevindingen aantreffen kinderporno en porno tussen mens en dier d.d. 30 juni 2020, opgenomen op pagina 1597 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

De betreffende bestanden stonden op een bij verdachte [verdachte] op 20 mei 2020 in beslag genomen telefoon, zijnde een Samsung GSM GT-19195 Galaxy S4 Mini (AllA90.01.02).

AANTREFFEN KINDERPORNO

Van de aangeleverde bestanden heb ik verbalisant de volgende bestanden geclassificeerd als zijnde kinderpornografisch:

[bestandsnaam]

Alle vier de bestanden betreffen video’s, waarin te zien is dat een minderjarige vaginaal en/of anaal gepenetreerd wordt door een volwassen penis.

BESTAND 1 ( [bestandsnaam] )

Te zien is dat een meisje, met een geschatte leeftijd van tussen de 10 en de 14 jaar oud, oraal en met de hand de penis van een volwassen man stimuleert.

BESTAND 2 ( [bestandsnaam] )

In deze video lijkt een volwassen penis een minderjarige anaal of vaginaal te penetreren.Gezien de bouw en de proporties van de minderjarige, schat ik de leeftijd tussen de 4 en de 10 jaar oud.

BESTAND 3 ( [bestandsnaam] )

Deze video betreft een compilatie van verschillende pre- puberale meisjes die vaginaal en/of anaal gepenetreerd worden met de penis van een volwassen man. De geschatte leeftijden van deze meisjes liggen allen tussen de 6 en de 12 jaar.

BESTAND 4 ( [bestandsnaam] )

In deze video is te zien dat een meisje met de geschatte leeftijd van tussen de 6 en de 12 jaar oud, vaginaal en/of anaal gepenetreerd wordt door een volwassen penis.

AANTREFFEN PORNO TUSSEN MENS EN DIER

Van de aangeleverde bestanden heb ik verbalisant de volgende bestanden beoordeeld als zijnde porno tussen mens en dier:

[bestandsnaam]

Te zien is dat volwassen vrouwen vaginaal dan wel anaal dan wel oraal gepenetreerd worden door paarden en honden. In 1 video is te zien hoe een volwassen men met zijn penis een hond anaal penetreert. In een andere video is te zien hoe een hond een volwassen man anaal penetreert.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal d.d. 30 juni 2020, opgenomen op pagina 1599 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

Alle kinderpornografische video's zijn aangetroffen op dezelfde gegevensdrager, namelijk de Samsung S4 mini met goednummer [nummer] .

Opvallend is dat al het kinderpornografische beeldmateriaal dat is aangetroffen op gegevensdrager met goednummer [nummer] , 'kik' in de bestandslocatie heeft staan.

Ik verbalisant ken 'kik' als een chat-app waarmee berichten, foto's en video's verzonden kunnen worden.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen aliassen [verdachte] op gegevensdragers d.d. 25 juni 2020, opgenomen op pagina 1614 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

In dit proces-verbaal worden de aliassen die [verdachte] gebruikt en tot zo ver bekend zijn benoemd. Deze aliassen zijn uit onderstaande gegevensdragers aangetroffen:

(…)

Samsung Galaxy S4 mini GT-19195 (privétoestel), met Imei [nummer] , telefoonnummer [telefoonnummer] :

- [verdachte] (owner)

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 augustus 2020 met bijlagen, opgenomen op pagina 1616 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :

In het onderzoek BRIDGE is een mobiele telefoon van het merk Samsung, type Galaxy S4 mini, voorzien van Imei nummer [nummer] inbeslaggenomen.

Door mij is de inhoud van dit toestel onderzocht.

Met een contact op KIK, [naam] , is op 10 april 2020 een chatgesprek in het Engels en worden ook filmpjes uitgewisseld waarvan er in ieder geval 2 geclassificeerd zijn als kinderporno. [verdachte] vraagt om zulke filmpjes. In een chatgesprek daarna met [naam] wordt door [verdachte] gevraagd of die gebruiker ook kids heeft, from Younger.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 juni 2020, opgenomen op pagina 1696 e.v., inhoudende als verklaring van [verdachte] :

Ik ben onder meer bekend onder de namen [verdachte] en [verdachte] . Als [verdachte] op die telefoon staat ben ik dat.

De rechtbank stelt op grond van voornoemde bewijsmiddelen vast dat kinder- en dierenpornografisch materiaal is aangetroffen op de onder verdachte op 20 mei 2020 in beslaggenomen Samsung S4 Mini. Deze telefoon behoorde in eigendom toe aan verdachte en werd door hem ook gebruikt. Hoewel verdachte verklaart dat hij voornoemde telefoon deelde met iemand anders (waarvan hij de naam niet wil noemen) stelt de rechtbank eveneens vast dat verdachte - onder meer - bekend is onder de naam [verdachte] . Nu blijkens onderzoek naar de inhoud van voornoemde telefoon onder deze naam expliciet is gevraagd om kinderpornografisch materiaal, leidt de rechtbank hieruit af dat verdachte (minst genomen voorwaardelijk) opzet had op het bezit van zowel kinder- als dierenpornografisch materiaal, in die zin dat hij wetenschap had van deze filmbestanden op zijn telefoon, hij de beschikkingsmacht daarover had en de aanwezigheid daarvan gewild heeft.

De rechtbank acht het onder 3 en 4 ten laste gelegde daarom wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

2.

verdachte in elk geval in de periode van 19 mei 2020 tot en met 20 mei 2020, opzettelijk aanwezig heeft gehad, 24.64 gram en 39.78 gram, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

verdachte omstreeks de periode van 1 mei 2020 tot en met 1 juni 2020, in Nederland, meermalen, afbeeldingen, te weten digitale filmbestanden in bezit heeft gehad en

zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft,

terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar waren,

waarbij personen die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet hadden bereikt,

waren betrokken en welke voornoemde seksuele gedragingen -zakelijk weergegeven- bestonden uit

het oraal en vaginaal en anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, te weten

- Een videobestand met de naam [bestandsnaam] , waarop te zien is dat een meisje met een geschatte leeftijd tussen de 10 en de 14 jaar oud,

oraal en met de hand de penis van een volwassen man stimuleert, en

- een videobestand met de naam [bestandsnaam] , waarin een volwassen penis een minderjarige anaal of vaginaal lijkt te penetreren.

Gezien de bouw en de proporties van de minderjarige wordt de leeftijd geschat tussen de 4 en de 10 jaar oud en

- een videobestand met de naam [bestandsnaam] , zijnde een compilatie van verschillende pre-puberale meisjes die vaginaal en/of anaal

gepenetreerd worden met de penis van een volwassen man. De geschatte leeftijden van deze meisjes liggen allen tussen de 6 en de 12 jaar, en

- een videobestand met de naam [bestandsnaam] , waarin te zien is dat een meisje met de geschatte leeftijd van tussen de 6 en de 12 jaar oud, vaginaal en of anaal gepenetreerd wordt door een volwassen penis;

4.

verdachte omstreeks de periode van 1 mei 2020 tot en met 1 juni 2020, in Nederland, meermalen, afbeeldingen, te weten digitale filmbestanden

in bezit heeft gehad en zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft,

terwijl op die afbeeldingen ontuchtige handelingen zichtbaar waren,

waarbij een mens en een dier zijn betrokken, te weten zes bestanden met afbeeldingen/video’s, waarop (ondermeer) te zien is dat

- ( volwassen) vrouwen vaginaal dan wel anaal dan wel oraal worden gepenetreerd door paarden en honden en

- Een man met zijn penis een hond anaal penetreert en

- Een hond een man anaal penetreert.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

2. subsidiair

het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

3. een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben en zich door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen

4. een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een ontuchtige handeling, waarbij

een mens en een dier zijn betrokken of schijnbaar zijn betrokken, in bezit hebben.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals (aanvullend) geadviseerd door de Reclassering Nederland in de adviezen van 12 februari 2021 en 1 juni 2021.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit, mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring en een strafoplegging, voor het opleggen van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. De raadsman heeft daarbij verzocht in het bijzonder rekening te houden met het feit dat verdachte lange tijd in voorarrest heeft gezeten, hij zijn baan bij de politie is kwijtgeraakt, zijn huwelijk is gestrand en zijn strafzaak reeds breed is uitgemeten in de media. De periode in voorarrest heeft bovendien de negatieve spiraal waarin verdachte zich bevond doorbroken. Verdachte heeft hulp gekregen voor de problematiek waar hij voor detentie mee kampte en is geheel gestopt met het gebruik van drugs. Nu verdachte ten stelligste ontkent een parafilie stoornis te hebben en dit door de Pro Justitia rapportage wordt bevestigd, ziet de raadsman ook geen enkele meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het Pro Justitia rapport van 9 februari 2021, de adviezen van Reclassering Nederland van 12 februari 2021 en 1 juni 2021 en het uittreksel uit de justitiële documentatie van

15 december 2020, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft in zijn auto een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne voorhanden gehad

Het is algemeen bekend dat cocaïne stoffen bevat waarvan het gebruik zeer schadelijk is voor de volksgezondheid en dat deze stoffen leiden tot verslaving bij de gebruikers hiervan. Als gebruiker van cocaïne werkt verdachte mee aan het in stand houden van drugsgerelateerde criminaliteit.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van zowel kinderporno als dierenporno. De betreffende kinder- en dierenpornografische filmbestanden zijn aangetroffen op de onder verdachte in beslaggenomen Samsung S4 mini. Door verdachte is tijdens een chatgesprek via de app KIK expliciet gevraagd naar kinderpornografisch materiaal.

Bij de vervaardiging van kinderpornografische afbeeldingen worden kinderen veelvuldig seksueel misbruikt en geëxploiteerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die seksuele handelingen dienen te verrichten ten behoeve van de kinderporno-industrie aanzienlijke psychische schade kunnen oplopen, die ook vele jaren later nog diepe sporen nalaat. Voor een effectieve bestrijding van kinderporno is het noodzakelijk om niet alleen de personen aan te pakken die kinderporno vervaardigen, maar ook degenen die de afbeeldingen bezitten, zoals verdachte. Verdachte moet dan ook mede verantwoordelijk worden gehouden voor genoemd seksueel misbruik van kinderen, omdat hij door het in het bezit hebben van kinderporno heeft bijgedragen aan de instandhouding van de vraag ernaar.

Daarnaast heeft verdachte een aantal dierenpornografische filmbestanden in zijn bezit gehad.

Voor de vervaardiging van deze films zijn dieren misbruikt en geëxploiteerd ten behoeve van een onzedelijke behoeftebevrediging van personen. Ook hiervoor geldt dat door het bekijken en bewaren van dit soort films de vraag daarnaar blijft bestaan en het vervaardigen wordt bevorderd.

De rechtbank rekent verdachte voornoemde feiten zwaar aan, in het bijzonder omdat verdachte ten tijde van deze feiten werkzaam was als politieambtenaar, en zich hij reeds uit hoofde van zijn functie van het kwalijke van dit materiaal bewust heeft moeten zijn.

Een politieambtenaar neemt, gelet op zijn taak en functie, een bijzondere plaats in de samenleving in. Van een politieagent wordt daarom integriteit en betrouwbaarheid verwacht. Verdachte had zich dan ook, juist als politieambtenaar, verre moeten houden van het plegen van deze strafbare feiten. Bovendien heeft verdachte geen volledige openheid van zaken gegeven en heeft hij geen verantwoordelijkheid voor zijn daden genomen of zelfinzicht getoond. Verdachte heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat hij de Samsung S4 mini waarop de kinder- en dierenporno is aangetroffen, voorafgaand aan zijn aanhouding op 1 juni 2020 heeft weggegooid; dit is echter niet (meer) te controleren. Ook dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het Pro Justitia rapport van 9 februari 2021, opgemaakt door D.R. van der Velden, GZ-psycholoog. Voornoemde psycholoog concludeert dat geen sprake is van duidelijke psychiatrische problematiek en dat de ten laste gelegde feiten volledig zijn toe te rekenen. Het recidiverisico op toekomstig (seksueel) delictgedrag wordt ingeschat als laag.


De rechtbank kan zich verenigen met voornoemde conclusies en maakt die tot de hare.

De bewezen verklaarde feiten worden verdachte derhalve volledig toegerekend.

Blijkens de inhoud van de adviezen van Reclassering Nederland van 12 februari 2021 en

1 juni 2021 schat de reclassering in dat verdachte de komende jaren flink wat problemen het hoofd zal moeten bieden. Zij adviseert daarom een reclasseringstoezicht en interventies op het gebied van het beheersen/voorkomen van middelengebruik, waaronder ambulante behandeling en het meewerken aan middelencontrole.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Tevens heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte meegewogen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest passend en geboden. De rechtbank ziet - mede gelet op de proceshouding van verdachte - geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. De rechtbank legt een lagere straf op dan door de officier van justitie geëist om dat de rechtbank minder feiten bewezen heeft verklaard.

Benadeelde partij

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.200,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hoewel de gevorderde materiële schade van € 1.200,- op geen enkele wijze is onderbouwd, toewijzing tot een bedrag van € 600,-, vermeerderd met wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, redelijk en billijk is.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, nu verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat de vordering op geen enkele wijze is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan, niet wettig en overtuigend bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Beslag

Uit de zich in het dossier bevindende lijst van inbeslaggenomen goederen blijkt dat op

20 mei 2020 onder verdachte een geldbedrag van € 5.650,- in beslag is genomen.

Voornoemd geldbedrag van € 5.650,- dient aan verdachte te worden teruggegeven nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57, 240b en 254a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en subsidiair en 2 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 subsidiair, 3, en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 194 dagen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] niet ontvankelijk.

De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 5.650,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Eelsing, voorzitter, mr. E. Läkamp en mr. B.I. Klaassens, rechters, bijgestaan door mr. H. Wachtmeester-Koning, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 juni 2021.

Mr. E. Läkamp en mr. B.I. Klaassens zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.