Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:24

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-01-2021
Datum publicatie
08-01-2021
Zaaknummer
KL 8927638 \ CV EXPL 20-8403 (E)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige uitlatingen.

Columnist.

Vergoeding immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0057
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 8927638 \ CV EXPL 20-8403

Vonnis van de kantonrechter van 5 januari 2021

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R.P. de Vries te Amsterdam

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. T. Bruinsma te Lemmer.

Partijen worden hierna [A] en [B] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 16 december 2020 van de rechtbank, kamer voor handelszaken van deze rechtbank waarin de zaak is verwezen naar de kamer voor kantonzaken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] is een zoon van een bekende advocaat in Amsterdam. Zijn roepnaam is [roepnaam A] .

2.2.

[B] is columnist. Zijn columns worden onder meer gepubliceerd op de website [naam website] . Deze columns zijn telkens gericht aan één persoon, meestal een bekende Nederlander. Op sociaal media is [B] onder andere actief op Twitter. Hij heeft daarop ruim 43.000 volgers. [B] heeft in zijn columns en op Twitter meermalen aandacht gewijd aan de vader van [A] .

2.3.

Op het bericht op Twitter (hierna tweet) van [A] , inhoudende: "Eindelijk heb je me gedeblokkeerd. Pff.. Je had zeker [A] -info nodig voor je briefje…? ps vond je het erg, dat [GeA] in het nieuws steeds?" reageert [B] op 17 december 2017 om 12.59 uur met de tweet: "Sommige mensen checken obsessief of ze nog op block staat. Van die mensen die je 's nachts bellen.".

Om 13:28 uur op diezelfde dag twittert [B] : " [roepnaam A] is de huisstalker. Tevens een laf mietje.".

2.4.

Op 6 maart 2018 publiceert [B] zijn column "Briefje van [voornaam B] - Aan [C] " waarin [B] schrijft:

"Ik weet dat ik nu de kans loop dat een van uw zoons me weer 's nachts telefonisch gaat lastig vallen,[...]".

2.5.

De dag daarna, op 7 maart 2018 om 17:35 uur, twittert [B] : "Een advocaat heeft zes zoons. Een van die zoon, [roepnaam A] , mailt: "Je schrijft steeds dat ik je 's nachts bel". Weet iemand waar ik schreef dat [roepnaam A] [A] mij steeds 's nachts belt? #sneuneus"

Om 17:48 uur twittert [B] een link naar zijn column getiteld "Aan [C] " met daarbij de tekst: "Credits where credits are due: de zoon van [@D] heeft me afgelopen nacht een keer niet lastig gevallen. En mijn telefoon stond uit, dat wel.".

2.6.

In een tweet van 13 april 2018 twittert [B] om 11.33 uur: "O jee, dat wordt weer nachtelijke stalking door een van de zoons".

2.7.

Op 31 mei 2019 om 00:08 uur twittert [B] een link naar een column met daarbij de tekst: "LOL. [C] blijkt de illegale slager. Telefoon maar uit vannacht, want de naam noemen is 's nachts een belletje van een zoon.".

Om 08:00 uur die dag twittert [B] een link naar de column met de tekst "Nieuw 'Briefje van [voornaam B] ' aan [C] op [naam website2] ". Hierop wordt door een volger gereageerd met de tekst "Even kijken, exact 08.00 briefje geplaatst zie ik. Nu 08.14 dat betekent inmiddels 14 oproepen van [A] neem ik aan…". [B] reageert hierop met de tekst "Die belt altijd na middernacht".

2.8.

Op 5 oktober 2019 zegt [B] in een online interview van het tijdschrift Panorama: "[…] de enige die mij ooit hier heeft lastig gevallen is een zoon van advocaat [C] . […] Die belde mij op een gegeven moment elke nacht. Toen heb ik het geluid maar afgezet."

3 Het geschil

3.1.

[A] vordert na wijziging van eis dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. verklaart voor recht dat [B] onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld door [A] op Twitter en in Panorama te beschuldigen van stalking, het stelselmatig 's nachts telefonisch contacteren van [B] en het lastig vallen van [B] bij diens woning;

II. [B] veroordeelt om aan [A] te voldoen een immateriële schadevergoeding van € 3.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf acht dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;

III. [B] gebiedt om binnen 48 uur na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis alle Twitterberichten op de Twitteraccounts die onder het beheer van [B] vallen, waaronder uitdrukkelijk begrepen [naam Twitteraccount] , waarin hij [A] beschuldigt van stalking, dan wel het verrichten van stalkingshandelingen, waaronder uitdrukkelijk begrepen het stelselmatig 's nachts telefonisch contacten van [B] , te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere keer, dag of gedeelte van een dag dat [B] het gebod overtreedt, met een maximum van € 50.000,00;

IV. [B] verbiedt om [A] te beschuldigen van stalking, het verrichten van stalkingshandelingen of delicten en handelingen die daaraan nauw verwant zijn, tenzij [B] deze beschuldigingen met gedegen bewijsmateriaal kan onderbouwen, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 2.500,00 voor iedere keer dat [B] dit verbod overtreedt met een maximum van € 50.000,00;

V. [B] gebiedt om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis de volgende tekst leesbaar en in normale lettergrootte, zonder weglatingen, aanvullingen of commentaar te versturen naar de hoofdredactie van Panorama waarvan een kopie en verzendbewijs van de brief of e-mail binnen voormelde termijn wordt verstrekt aan de advocaat van [A] :

Geachte heer Van de Kraats,

Op 5 oktober 2019 heeft Panorama op haar website een interview gepubliceerd met ondergetekende met de kop:

Buttkicker [B]

In het interview heb ik de heer [roepnaam A] [A] ervan beschuldigd dat hij mij heeft lastiggevallen bij mijn woning en dat hij mij op een gegeven moment iedere nacht belde. Ik wil u erop wijzen dat deze beschuldigingen onvoldoende door feiten worden gedragen en onjuist zijn. De beschuldigingen zijn dan ook schadelijk voor [A] . Ik verzoek u dan ook om de betreffende passage uit het interview van uw website te verwijderen. Ik hoop dat u dit redelijke verzoek in overweging wilt nemen. De Rechtbank Noord-Nederland heeft mij op straffe van een dwangsom geboden om u deze tekst te sturen.

Vriendelijke groet,

[B]

dan wel een in goede justitie te bepalen tekst, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 1.000,00 voor iedere keer, dag of gedeelte van een dag dat [B] het gebod overtreedt, met een maximum van € 50.000,00;

VI. [B] veroordeelt in de kosten van deze procedure, alsook de nakosten.

3.2.

[A] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [B] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. [B] heeft [A] ten onrechte beschuldigd van het plegen van strafbare feiten, te weten stalking. Deze ernstige beschuldigingen van feitelijke aard heeft hij geuit in berichten op Twitter, in columns online en in een online interview van Panorama, een bekend tijdschrift. De beschuldigingen zijn onjuist en vinden geen steun in enig feitenmateriaal. [A] wordt door deze beschuldigen in zijn eer en goede naam aangetast. Er is sprake van een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer als gevolg waarvan [A] schade ondervindt, waarvoor [B] aansprakelijk is.

3.3.

[B] voert verweer en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen. Hij betwist in de eerste plaats dat de beschuldigingen die hij jegens [A] heeft geuit van een dermate buitengewoon ernstige aard zijn dat hij daarmee inbreuk heeft gemaakt op de reputatie en integriteit van [A] . Ook betwist [B] dat hij [A] doelbewust openbaar heeft blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. [B] heeft aangegeven dat [A] hem herhaaldelijk heeft lastig gevallen door hem met name 's nachts mailtjes te sturen en te bellen. Dat heeft [A] ook daadwerkelijk gedaan. [B] heeft voor het laatst een uitlating gedaan op 31 mei 2018. Toen [A] hem in januari 2020 het verzoek deed om te stoppen met het doen van deze uitlatingen waren er dus al bijna twee jaar verstreken. Gelet op de aard van de uitingen die door [B] zijn gedaan, de hoedanigheid van [B] van columnist en het tijdsverloop sinds de gewraakte uitlatingen, heeft [B] met zijn uitlatingen geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [A] gemaakt. Ten slotte betwist [B] dat de uitlatingen gevolgen hebben gehad voor [A] waardoor hij schade heeft ondervonden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt in deze zaak voorop dat [B] niet heeft betwist dat hij in de berichten die hierboven onder 2.3. tot en met 2.9 zijn opgenomen refereert aan [A] .

4.2.

Bij de in deze zaak te beantwoorden vraag of de op sociale media gedane uitlatingen onrechtmatig zijn geweest tegenover [A] spelen twee grondrechten een cruciale rol. Aan de zijde van [B] , degene die de uitlatingen heeft gedaan, het recht op vrijheid van meningsuiting. Aan de zijde van [A] , degene over wie de uitlatingen gaan, het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Tussen deze twee fundamentele rechten bestaat geen rangorde. Welk recht in dit geval zwaarder weegt, hangt af van de in onderling verband te beschouwen specifieke omstandigheden van het geval. Het gaat dan onder meer (maar niet uitsluitend) om

- de aard van de uitlatingen van [B] en in hoeverre deze bijdragen aan een debat over zaken van algemeen (publiek) belang

- de ernst en de impact van de uitlatingen voor [A] ,

- de mate waarin ten tijde van de publicatie de uitlatingen steun vinden in het toen beschikbare feitenmateriaal,

- de lengte van de periode waarover en de regelmaat waarmee de persoonlijke levenssfeer werd aangetast,

- de aard en de werkwijze van het medium waarin de uitlating is gedaan,

- het doel van de uitlatingen,

- de maatschappelijke positie van [A] en of zijn gedrag aanleiding gaf tot de publicatie.

4.3.

Gelet op de afweging van het belang van [A] dat zijn reputatie, eer of goede naam niet zomaar wordt aangetast en dat hij als individuele burger door publieke uitlatingen niet lichtvaardig verdacht mag worden gemaakt tegenover het belang van [B] om zich in het openbaar kritisch, informerend en/of waarschuwend te kunnen uitlaten zodat misstanden in de samenleving niet verborgen blijven1, is de kantonrechter van oordeel dat in deze zaak het belang van [A] prevaleert en dat de uitlatingen van [B] onrechtmatig zijn tegenover [A] . Hierna is te lezen hoe de kantonrechter tot dit oordeel komt.

4.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter schenden de hiervoor onder 2.3 en 2.6. geciteerde tweets van [B] , inhoudende " [roepnaam A] is de huisstalker." en "O jee, dat wordt weer nachtelijke stalking door een van de zoons" de eer en goede naam van [A] . Ook de overige hierboven genoemde uitlatingen van [B] , wanneer deze in samenhang worden bezien, maken naar het oordeel van de kantonrechter inbreuk op [A's] reputatie. Uit het samenstel van alle uitlatingen volgt immers dat [B] [A] ervan beschuldigt dat hij [B] opzettelijk herhaaldelijk lastig valt door hem 's nachts telefonisch ongewenst te benaderen waardoor een inbreuk wordt gemaakt op zijn privacy, oftewel van belaging (stalking) strafbaar gesteld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Hierbij is relevant dat de uitlatingen niet zijn voorzien van voldoende feitelijke grond, terwijl het tot de verplichtingen en verantwoordelijkheden van [B] behoort om, als hij gebruik wil maken van zijn uitingsvrijheid, een dergelijk aanval op de reputatie van [A] alleen te doen bij voldoende feitelijke grond. Het feit dat [B] columnist is, maakt dit niet anders. Uitgangspunt2 is inderdaad dat de grenzen van het toelaatbare voor een columnist ruimer liggen dan voor een journalist, maar dat betekent niet dat een columnist iemand lichtvaardig mag beschuldigen of dat de door hem gebruikte bewoordingen nodeloos grievend mogen zijn. Ook beschuldigingen geuit door columnisten moeten met andere woorden steun vinden in beschikbaar feitenmateriaal3. Voor zover [B] dergelijke gronden heeft aangevoerd, staan zij naar het oordeel van de kantonrechter niet dan wel onvoldoende vast. Voor bewijslevering is geen plaats, omdat [B] hiervoor onvoldoende heeft gesteld.

[B] heeft zich met de uitlatingen in samenhang met termen als "huisstalker", "laf mietje" en "sneuneus" bovendien onnodig grievend tegenover [A] uitgelaten. Het mag voor columnisten een bekende stijlfiguur zijn om te provoceren en te choqueren maar in dit geval is de kantonrechter van oordeel dat het niet te plaatsen valt tegen de achtergrond van wat [B] in zijn columns aan de orde wil stellen, waarover hierna meer.

4.5.

De kantonrechter heeft bij haar oordeel ook betrokken dat het, anders dan [B] wil doen voorkomen, niet slechts om een enkele uitlating gaat die [B] zou hebben gedaan enkel in reactie op tweets van [A] . Uit de hierboven opgenomen feiten blijkt dat [B] ruim anderhalf jaar met enige regelmaat heeft gerefereerd aan vermeend hinderlijk stalkgedrag van [A] . Dit heeft hij zowel in één van zijn columns als in tweets waarin hij zijn columns presenteert gedaan en dus niet enkel in reactie op berichten van [A] . De laatste beschuldiging is bovendien niet op 31 mei 2018 maar op 5 oktober 2019 geuit in een online interview van [B] met de Panorama. In dit interview werd ingezoomd op het gevaar voor de veiligheid van columnisten in het huidige klimaat in Nederland, in welk verband [B] [A] heeft genoemd als de enige persoon die hem recent heeft lastig gevallen door [B] iedere nacht op te bellen. De kantonrechter leest in de antwoorden die [B] in dit interview geeft overigens niet dat hij [A] ervan beschuldigt dat hij [B] ook bij zijn woning heeft opgezocht, zodat dat deel van de vordering onder I zal worden afgewezen. Dit doet echter niets af aan de door [B] geuite beschuldiging dat [A] hem hinderlijk zou hebben lastig gevallen, omdat dit - zoals [B] ook zelf bij dupliek - opmerkt, ook via internet of telefoon kan plaatsvinden.

De ernst van de aard van de beschuldigingen aan het adres van [A] blijken naar het oordeel van de kantonrechter eveneens uit het feit dat [B] [A] aanwijst als de enige die hem op zijn woonadres in Friesland waar hij op advies van de politie naartoe is verhuisd, hinderlijk heeft weten lastig te vallen.

4.6.

Voor haar oordeel dat de uitlatingen onrechtmatig zijn tegenover [A] acht de kantonrechter tenslotte doorslaggevend dat niet valt in te zien in hoeverre de uitlatingen van [B] over [A] bijdragen aan het debat over de zaak van publiek belang die [B] volgens eigen zeggen in zijn columns aan de kaak wilde stellen, namelijk (zoals onder 9 in de conclusie van dupliek gesteld) "de rol die [C] . speelde (en wellicht nog speelt) bij het besnijden van joodse jongentjes". Ook is [A] , anders dan zijn vader, geen publiek figuur waarvan kan worden verdedigd dat deze een zekere mate van inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer moet dulden.

4.7.

Voor wat betreft het verweer dat de tweets niet meer zijn te achterhalen omdat deze waarschijnlijk al lang en breed van zijn Twitteraccounts zijn verwijderd, overweegt de kantonrechter het volgende. Indien en voor zover de betreffende berichten reeds zijn verwijderd heeft [B] niets te vrezen van het aan hem op te leggen gebod daartoe. Indien en voor zover de berichten nog wel zijn terug te vinden op zijn Twitteraccounts, is hij, nu deze onder zijn beheer vallen, de aangewezen persoon om deze te verwijderen. De kantonrechter passeert dit verweer dan ook.

Immateriële schadevergoeding

4.8.

In het oordeel dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, meer in het bijzonder van het recht op eer en goede naam van [A] zwaarder weegt dan het recht van [B] op vrijheid van meningsuiting, ligt besloten dat door de gepubliceerde uitlatingen inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [A]4. Daarmee is de aanspraak op schadevergoeding wegens het schenden van [A's] eer of goede naam zoals bepaald in artikel 6:106 lid 1 onder b Burgerlijk Wetboek gegeven. Voorts is de kantonrechter van oordeel dat [B] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [A] immateriële schade heeft ondervonden als gevolg van het handelen van [B] , zodat dit is komen vast te staan. De kantonrechter moet de immateriële schadevergoeding vervolgens naar billijkheid begroten, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval.

4.9.

De kantonrechter overweegt als volgt. De uitlatingen van [B] impliceren een beschuldiging van stalkgedrag aan het adres van [A] . De aard en toonzetting en ook de grievende woorden die [B] daarbij heeft gebruikt zijn voldoende ernstig om van een aantasting van de persoon te spreken. Verder weegt mee dat het Twitteraccount van [B] ( [naam Twitteraccount] ) ruim 43.000 volgers heeft. Daar komt bij dat het meerdere publicaties betreft over een periode van ruim anderhalf jaar waardoor de aantasting in de persoon van [A] is herhaald.

Aan de andere kant neemt de kantonrechter in aanmerking dat [A] niet een publieke figuur is zodat het publieke effect van de uitlatingen verwaarloosbaar zal zijn. Daarnaast neemt de kantonrechter mee dat is gebleken dat [A] zich niet geheel onbetuigd heeft gelaten en zelf ook de confrontatie niet heeft geschuwd door [B] te adresseren in een bericht op Twitter (zie hiervoor onder 2.2.). Alles afwegend wordt de immateriële schadevergoeding die [B] aan [A] moet betalen, naar billijkheid begroot op € 1.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente.

Slotsom

4.10.

Concluderend oordeelt de kantonrechter dat [B] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [A] met zijn uitlatingen op Twitter en online in een interview met Panorama en dat hij de immateriële schade die [A] hierdoor heeft geleden, moet vergoeden. Gelet hierop worden de vordering onder I en II toegewezen zoals in het dictum aangegeven.

Ook de vordering onder III strekkende tot het (doen) verwijderen en verwijderd houden van alle Twitterberichten op de Twitteraccounts die onder het beheer van [B] vallen, zal worden toegewezen, alsmede het onder IV gevorderde verbod om in de toekomst vergelijkbare beschuldigingen aan het adres van [A] te uiten. De onder III en IV gevorderde dwangsommen zullen eveneens worden toegewezen, zij het dat zij worden beperkt en gemaximeerd zoals in het dictum aangegeven.

De kantonrechter acht ook de vordering onder V toewijsbaar, zij het dat de kantonrechter daarvoor de formulering zoals in het dictum weergegeven passend acht.

Proceskosten

4.11.

[B] zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden vastgesteld op:

- dagvaardingskosten € 101,06

- griffierecht € 236,00

- salaris advocaat € 360,00punten x € 180,00)

Totaal € 697,06

4.12.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten nu al kunnen worden vastgesteld. Deze nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing te melden.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat [B] onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld door [A] op Twitter en in Panorama te beschuldigen van stalking door het stelselmatig 's nachts telefonisch contacteren van [B] ,

5.2.

veroordeelt [B] tot betaling van een bedrag van € 1.500,00 aan [A] ter zake immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf acht dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van voldoening,

5.3.

gebiedt [B] om binnen 48 uur na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis alle Twitterberichten op de Twitteraccounts die onder het beheer van [B] vallen, waaronder uitdrukkelijk begrepen [naam Twitteraccount] , waarin hij [A] beschuldigt van stalking, dan wel het verrichten van stalkingshandelingen, waaronder uitdrukkelijk begrepen het stelselmatig 's nachts telefonisch contacten van [B] , te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere keer, dag of gedeelte van een dag dat [B] het gebod overtreedt, met een maximum van € 10.000,00,

5.4.

verbiedt [B] om [A] te beschuldigen van stalking, het verrichten van stalkingshandelingen of delicten en handelingen die daaraan nauw verwant zijn, tenzij [B] deze beschuldigingen met gedegen bewijsmateriaal kan onderbouwen, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 250,00 voor iedere keer dat [B] dit verbod overtreedt met een maximum van € 10.000,00,

5.5.

gebiedt gedaagde binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis de volgende tekst leesbaar en in normale lettergrootte, zonder weglatingen, aanvullingen of commentaar te versturen naar de hoofdredactie van Panorama waarvan een kopie en verzendbewijs van de brief of e-mail binnen voormelde termijn wordt verstrekt aan de advocaat van [A] :

Geachte heer Van de Kraats,

Op 5 oktober 2019 heeft Panorama op haar website een interview gepubliceerd met ondergetekende met de kop:

Buttkicker [B]

In het interview heb ik de heer [roepnaam A] [A] ervan beschuldigd dat hij mij op een gegeven moment iedere nacht belde. Ik wil u erop wijzen dat deze beschuldigingen onvoldoende door feiten worden gedragen en onjuist zijn. De beschuldigingen zijn dan ook schadelijk voor [A] . Ik verzoek u dan ook om de betreffende passage uit het interview van uw website te verwijderen. Ik hoop dat u dit redelijke verzoek in overweging wilt nemen. De kantonrechter Noord-Nederland heeft mij op straffe van een dwangsom geboden om u deze tekst te sturen.

Met vriendelijke groet,

[B]

bepaalt dat [B] een dwangsom van € 250,00 per afzonderlijke overtreding verbeurt aan [A] voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [B] het gebod overtreedt, met een maximum van € 10.000,00,

5.6.

veroordeelt [B] in de kosten van het geding, aan de zijde van [A] tot op heden vastgesteld op een bedrag van € 697,06,

5.7.

veroordeelt [B] in de na dit vonnis ontstane kosten, vastgesteld op € 90,00 (half salarispunt met maximum van € 120,00) aan salaris gemachtigde,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2021

1 HR 24 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AD2221, NJ 1984/801

2 HR 29 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6731, NJ 2012/37, Hof Amsterdam 31 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2007

3 vgl. Hof Den Haag 5 december 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3375 en Hof Amsterdam 31 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2007

4 HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:851, NJ 2013/479