Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2391

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
18/048176-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland veroordeelt een 35-jarige man tot een gevangenisstraf van 18 maanden en een geldboete van € 200,- voor poging zware mishandeling, wederspannigheid, handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel. Verdachte is vrijgesproken van poging doodslag en poging zware mishandeling richting een BOA.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 180
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafrecht 304
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer 18/048176-21

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 15 juni 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 juni 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.C. Jonge Vos, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 20 februari 2021 te Assen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1]

opzettelijk

van het leven te beroven,

- haar in haar gezicht heeft geslagen, en/of (vervolgens)

- aan haar haren heeft getrokken, en/of (tegelijkertijd)

- meermalen met een mes, althans met een puntig voorwerp, in de richting van haar

buik, althans haar lichaam heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 februari 2021 te Assen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 1]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

die [slachtoffer 1]

- in haar gezicht heeft geslagen, en/of (vervolgens)

- aan haar haren heeft getrokken, en/of (tegelijkertijd)

- meermalen met een mes, althans met een puntig voorwerp, in de richting van haar

buik, althans haar lichaam heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij op of omstreeks 20 februari 2021 te Assen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 2]

opzettelijk

van het leven te beroven,

meermalen met een mes, althans met een puntig voorwerp, in de richting van zijn

hoofd, althans zijn lichaam heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 februari 2021 te Assen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 2]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

meermalen met een mes, althans met een puntig voorwerp, in de richting van zijn

hoofd, althans zijn lichaam heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3

hij op of omstreeks 20 februari 2021 te Assen,

zich met geweld en/of bedreiging met geweld,

heeft verzet

tegen een of meerdere ambtenaren, te weten

- [slachtoffer 2] (BOA NS), en/of

- [slachtoffer 3] (BOA NS), en/of

- [slachtoffer 4] (BOA NS), en/of

- [slachtoffer 5] (BOA NS), en/of

- [slachtoffer 6] (hoofdagent politie Noord-Nederland)

allen werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten

belast met handhaving en/of de aanhouding van hem, verdachte, en/of het

overbrengen van hem, verdachte, naar het politiebureau,

door meermalen

- met een mes snijdende bewegingen te maken, en/of

- zich los te rukken, en/of

- zich (met kracht) in tegengestelde richting te bewegen, en/of

- in de richting van die ambtenaren te spugen, en/of

- door zich te laten hangen en/of niet mee te lopen, en/of

- om zich heen te trappen en/of naar die ambtenaren te trappen, en/of

- op/tegen de deur van de politiebus te trappen;

4

hij op of omstreeks 20 februari 2021 te Assen

een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie,

te weten een zakmes

zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden

waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen

dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen

heeft gedragen;

5

hij op een of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 4 januari 2021 tot

en met 9 januari 2021 te Hoogeveen,

telkens

zijn levensgezel, [slachtoffer 1] ,

heeft mishandeld door haar meermalen

- in haar gezicht, althans tegen haar hoofd te slaan, en/of

- tegen haar ribben te slaan;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5. Met betrekking tot feit 5 heeft de officier van justitie aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat sprake is geweest van slaan tegen de ribben van aangeefster [slachtoffer 1] , zodat verdachte van dit deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 acht de officier van justitie het primair ten laste gelegde (poging tot doodslag) wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de camerabeelden. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte een krachtige stekende beweging heeft gemaakt met een mes van 19 cm richting de buik van aangeefster [slachtoffer 1] . Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm had verdachte (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van dodelijk letsel.

Ten aanzien van feit 2 acht de officier van justitie eveneens het primair ten laste gelegde (poging tot doodslag) wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte van [slachtoffer 2] , de camerabeelden en de verklaringen van de getuigen. De aangifte is duidelijk en de getuigen verklaren dat verdachte tijdens en na de worsteling het mes bleef vasthouden. De officier van justitie is van mening dat voldoende vaststaat dat verdachte een stekende beweging heeft gemaakt richting het hoofd van aangever [slachtoffer 2] . Het hoofd is een kwetsbaar onderdeel van een mens. Verdachte had bijvoorbeeld de aorta kunnen raken in de nek van aangever. Daarom had verdachte ook ten aanzien van aangever [slachtoffer 2] (voorwaardelijk) opzet op de dood.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman is - net zoals de officier van justitie - van mening dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte tegen de ribben van aangeefster [slachtoffer 1] heeft geslagen, zodat verdachte van dit deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde en het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling niet bewezen kan worden. Uit het dossier volgt namelijk niet met hoeveel kracht verdachte richting de buik van aangeefster [slachtoffer 1] heeft gestoken. Het staat daarnaast niet vast dat met het gebruik van dit relatief kleine mes ook daadwerkelijk een aanmerkelijk kans aanwezig was op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel en dat verdachte deze kans heeft aanvaard. Het opzet kan derhalve niet bewezen worden geacht. Gelet op het vorenstaande dient verdachte vrij te worden gesproken voor feit 1 primair en subsidiair.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden omdat uit de camerabeelden blijkt dat verdachte geen stekende beweging heeft gemaakt richting aangever [slachtoffer 2] . Enkel aangever verklaart dat verdachte een stekende beweging heeft gemaakt richting zijn hoofd. Nu deze verklaring op zichzelf staat dient verdachte hiervan te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, hetgeen hieronder nader zal worden gemotiveerd.

Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 februari 2021, opgenomen op pagina 21 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2021047326 d.d. 9 maart 2021, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op zaterdag 20 februari was ik op het perron van het treinstation Assen. Mijn ex-partner [verdachte] stond ook op het perron. Toen ik de trein in stapte stond [verdachte] ineens ook in de trein. Ik zag dat hij achter mij stond. Toen ik mij omdraaide keek ik hem recht in het gezicht. Ik voelde dat [verdachte] mij in mijn gezicht sloeg. Dit veroorzaakte direct hevige pijn. Vervolgens viel ik door de treindeuren achterover naar buiten als gevolg van deze klap en belandde ik met mijn achterhoofd op het beton. Dit veroorzaakte ook veel pijn in mijn hoofd.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 februari 2021, opgenomen op pagina 24 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik had zaterdag 20 februari 2021 dienst. Omstreeks 17.16 uur waren wij bij Station Assen, perron 1. Ik zag dat een man zijn rechterarm strekte en zijn rechterhand tot een vuist balde. Ik zag dat de man vervolgens met deze tot vuist gebalde rechterhand met kracht sloeg in het gezicht van de vrouw.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 maart 2021, opgenomen op pagina 44 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Ik heb de beelden bekeken van het geweldsincident op het station in Assen.

17:17:54 uur: Ik zag dat via de rechterdeur van de trein een persoon de trein binnenkomt. Ik zag dat het om een vrouw ging. Ik zag dat de vrouw met haar rechterarm een afschermende beweging maakt en ik zag vervolgens dat direct hierop haar arm vast werd gepakt door een man. Ik zag dat deze man vervolgens ook de trein in stapte. Ik kan deze man als volgt omschrijven: blanke huidskleur en ik zag dat deze man een grijs/zwarte jas droeg met daaronder een hoody. Onder deze jas droeg de man een spijkerbroek en donkerkleurige schoenen.
17:17;59 uur: Ik zag dat de man inmiddels een arm om de vrouw heen probeerde te slaan en het lijkt alsof de man met zijn linkerhand de haren van de vrouw vast pakte.
17:18:00: Ik zag dat de man die inmiddels met zijn hand het haar van de vrouw vast hield iets uit zijn rechter jaszak probeerde te halen. Direct hierop zag ik dat de man die nog steeds de vrouw vast hield een voorwerp in zijn rechterhand had en hier met snelheid een stekende beweging mee maakte in de richting van de vrouw. Het voorwerp had de vorm van een mes en was tevens zilverkleurig.

4. De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 1 juni 2021

De rechtbank heeft ter terechtzitting de videobeelden van het incident op 20 februari 2021 bekeken. De rechtbank heeft waargenomen dat verdachte aan de haren heeft getrokken van aangeefster [slachtoffer 1] en met een mes een stekende beweging heeft gemaakt richting de buik van aangeefster [slachtoffer 1] .

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 februari 2021, opgenomen op pagina 41 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Bij de aanhouding van verdachte [verdachte] is het mes in beslag genomen. Ik zag dat het een zilverkleurig, metalen zakmes betrof met een donkerkleurig handvat. Ik heb het mes opgemeten middels een meetlat. Ik zag dat het mes uitgeklapt een lengte had van 19.5 cm.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt. Uit (de beschrijving van) de camerabeelden volgt dat verdachte in een schermutseling met een mes een niet gerichte en snel uitgevoerde stekende beweging heeft gemaakt richting aangeefster. Dat verdachte de intentie had om aangeefster te doden en daarop dus vol opzet had, volgt niet uit het dossier. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter ook niet worden vastgesteld dat verdachte door zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden en daarop voorwaardelijk opzet had. Dat verdachte aangeefster met het mes in de buik had kunnen raken, betekent immers niet zonder meer dat er ook een aanmerkelijke kans bestond dat aangeefster zou komen te overlijden.

Er kan dan ook niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte richting aangeefster heeft gestoken met het opzet om haar van het leven te beroven, zodat verdachte van het hem onder 1 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de vraag naar het risico op zwaar lichamelijk letsel komt de rechtbank tot een andere conclusie, namelijk dat verdachte wel de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster heeft aanvaard. Door met een mes in een schermutseling met een snelle beweging, niet gericht maar wel richting de buik van aangeefster [slachtoffer 1] te steken bestond er een aanmerkelijke kans dat verdachte permanent letsel bij aangeefster zou veroorzaken (zoals bijvoorbeeld schade aan de organen in de buik) waarbij medisch ingrijpen nodig zou zijn geweest en er blijvende littekens waren ontstaan. Het gevaar van het handelen van verdachte moet voor verdachte, net als voor ieder ander, duidelijk zijn geweest. Door richting de buik van aangeefster te steken heeft hij de kans op dit letsel dan ook willens en wetens aanvaard, zodat de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde bewezen acht.

Feit 2

De rechtbank acht het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt. Uit de camerabeelden volgt niet dat verdachte richting aangever [slachtoffer 2] heeft gestoken. Het steken richting het hoofd van aangever [slachtoffer 2] volgt enkel uit de verklaring van aangever [slachtoffer 2] zelf. Nu de

verklaring van aangever niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen en de rechtbank het steken richting het hoofd ook zelf niet op de beelden heeft waargenomen, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt, zodat verdachte van het hem onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Feit 3

De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 februari 2021, opgenomen op pagina 24 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2021047326 d.d. 9 maart 2021, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik had zaterdag 20 februari 2021 dienst. Omstreeks 17.16 uur waren wij bij Station Assen, perron 1. Ik zag dat een man een vrouw sloeg en vastpakte. Ik wilde voorkomen dat hij nog meer klappen zou verkopen. Ik heb de man met kracht naar achteren kunnen trekken en om zijn as gedraaid en heb hem met zijn buik op de grond kunnen drukken. Met zijn allen hebben wij de man kunnen fixeren. Uiteindelijk heb ik zijn rechterarm in de transportboeien kunnen krijgen en achter op zijn rug weten te plaatsen. Ik zag dat de man zich meerdere malen probeerde los te rukken. Hij bleef zich hevig verzetten.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 20 februari 2021, opgenomen op pagina 27 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :

Ik had zaterdag 20 februari 2021 dienst. In Assen zijn we uit de trein gestapt. Mijn andere collega's [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] waren ook ter plaatse en met elkaar probeerden wij een man te fixeren in de trein en hem de handboeien aan te leggen. We kregen één pols in de handboei maar de man lag op zijn andere hand en die kregen wij niet direct te pakken. Al met al heeft deze man zich behoorlijk verzet.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 februari 2021, opgenomen op pagina 35 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [slachtoffer 6] :

Op zaterdag 20 februari 2021 was ik in de gemeente Assen. Ik zag meerdere handhavers NS boven op een man liggen. Ik zag dat de rechterarm van de man in een transportboei zat en de andere hand niet. Ik hoorde dat hij op zijn linkerarm lag en niet mee wilde werken. Ik zag verdachte op zijn buik op het bankje liggen en ineens rolde hij er af en leek

hij te willen opstaan, dan wel te willen schoppen in de richting van de handhavers.

Ik wilde de man mee hebben naar ons dienstvoertuig en pakte hem samen met een

handhaver op om hem mee te nemen. Ik voelde aan het gewicht

dat hij niet wilde meewerken en dat hij zijn lichaam in de strijd gooide. Ik had het idee dat

we doodgewicht moesten verplaatsen. De man werd op de grond van de bus gezet en ik vroeg hem in de Engelse taal om te gaan zitten op het bankje. Dit had geen effect. Ik probeerde hem meerdere malen op de bank te plaatsen en voelde dat hij wederom zijn lichaam in de strijd gooide. Hierop deed ik eerst de deur dicht in afwachting wat wij gingen doen. Ik hoorde ineens een bons en had meteen door dat dit uit ons dienstvoertuig kwam. Ik hoorde nog een bons en zag de schuifdeur van het dienstvoertuig bewegen. Ik zag dat collega [naam 1] de deur open deed en ik zag de deur op mij af komen. Ik zag de man op de grond van de bus liggen en met zijn benen aan het trappen was. Hierop ben ik met collega [naam 2] achterin gestapt. Ik hoorde dat collega [naam 2] zeggen dat hij spanning voelde in de benen van de verdachte en dat hij tegen de schuifdeur van de politievoertuig drukte. Omdat hij iets schreeuwde/zei over problemen met de luchtwegen wilden wij hem op zijn buik draaien. Verdachte lag half op zijn rug. Bij het omdraaien wilde verdachte wederom niet mee werken. Wij wilden hem van zijn rug/zij naar de buik hebben en verdachte wilde de andere kant op draaien en ik hoorde van collega [naam 2] dat hij voelde dat hij weer met zijn benen tegen de schuifdeur zat en ik hoorde de wind suizen wat ik herkende als zijnde tocht tijdens het autorijden als een deur niet goed dicht zit. Aangekomen bij de Balkengracht stapte ik samen met collega [naam 2] uit en trok ik verdachte aan zijn benen de bus uit. Toen de benen uit het dienstvoertuig waren en hij met zijn rug ter hoogte van de deur opening lag zei ik in het Engels dat hij moest gaan staan. Ik zag dat hij bleef liggen en samen met collega [naam 2] trokken wij hem aan de armen omhoog en hebben hem met enige kracht naar de ingang van het cellencomplex begeleidt en zijn hoofd naar beneden gedrukt. Ik wilde samen met de collega's uit de ophoudkamer stappen. Ik wilde langs de verdachte lopen, ik stond tussen het bankje en de verdachte in en ik voelde op mijn rechterbeen iets. Ik voelde dat iets mijn been raakte en ik zag dat een van de benen van de verdachte uit de richting van mijn been kwam waar ik iets had gevoeld en ik zag dat de verdachte in beweging was gekomen.

Feit 4

De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 1 juni 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het aangetroffen mes heb ik dagelijks bij mij.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 februari 2021, opgenomen op pagina 41 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2021047326 d.d. 9 maart 2021, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Bij de aanhouding van verdachte [verdachte] is het mes in beslag genomen. Omdat verdachte ermee heeft gestoken, kan redelijkerwijs worden aangenomen dat het bestemd is om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Ik zag dat het een zilverkleurig, metalen zakmes betrof met een donkerkleurig handvat. Ik heb het mes opgemeten middels een meetlat. Ik zag dat het mes uitgeklapt een lengte had van 19.5 cm. Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2 lid 1, Categorie IV onder 7° van de Wet wapens en munitie, hetgeen is strafbaar gesteld in artikel 27 lid 1 juncto artikel 54 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 20 februari 2021, opgenomen op pagina 29 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4] :

Op zaterdag 20 februari 2021 was ik aan het werk op het station in Assen. Ik zag dat de man in zijn linker hand een mes vast had. Ik ben eerst met mijn voet op zijn vrije hand gaan staan en vervolgens heb ik zijn hand vastgepakt waar het mes in zat. Uiteindelijk lukte het mij om het mes los te krijgen doordat het mes hem zelf begon te verwondden. Ik heb het mes vervolgens op het perron gegooid.

Feit 5

De rechtbank acht tevens het onder 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2021;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 10 januari 2021, opgenomen op pagina 56 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2021047326 d.d. 9 maart 2021, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de onder 1 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1

verdachte op 20 februari 2021 te Assen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 1]

- in haar gezicht heeft geslagen, en vervolgens

- aan haar haren heeft getrokken, en

- met een mes in de richting van haar buik heeft gestoken

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3

verdachte op 20 februari 2021 te Assen zich met geweld heeft verzet tegen meerdere ambtenaren, te weten:

- [slachtoffer 2] (BOA NS), en

- [slachtoffer 3] (BOA NS), en

- [slachtoffer 4] (BOA NS), en

- [slachtoffer 5] (BOA NS), en

- [slachtoffer 6] (hoofdagent politie Noord-Nederland)

allen werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten belast met handhaving en de aanhouding van verdachte, en het overbrengen van verdachte naar het politiebureau, door meermalen

- zich los te rukken, en

- zich met kracht in tegengestelde richting te bewegen, en

- door zich te laten hangen en niet mee te lopen, en

- om zich heen te trappen en naar die ambtenaren te trappen, en

- tegen de deur van de politiebus te trappen;

4

verdachte op 20 februari 2021 te Assen een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een zakmes zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen

dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen;

5

verdachte op 9 januari 2021 te Hoogeveen, zijn levensgezel, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door haar in haar gezicht te slaan.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling

Feit 3: wederspannigheid

Feit 4: handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Feit 5: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier ziet geen aanleiding voor het opleggen van een contactverbod nu verdachte aangeeft dat aangeefster [slachtoffer 1] nog steeds contact met hem zoekt.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor het opleggen van een deels voorwaardelijke straf aan verdachte. Er moet bij de strafbepaling verder in het bijzonder rekening worden gehouden met het feit dat verdachte een first offender is. Verdachte was ten tijde van de delicten een verwarde man die volledig door het lint is gegaan.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de reclassering Verslavingszorg Noord Nederland d.d. 18 mei 2021, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Verdachte heeft in een kort tijdsbestek meerdere strafbare feiten gepleegd, waarbij steeds het gebruik van geweld een grote rol heeft gespeeld. Verdachte heeft zijn toenmalige vriendin mishandeld op 9 januari 2021 en gepoogd zwaar te mishandelen met een mes op 20 februari 2021. Voorts heeft verdachte zich bij de aanhouding op 20 februari 2021 hevig verzet.

De rechtbank rekent dit verdachte aan, in het bijzonder nu de feiten op 20 februari 2021 plaatsvonden in het openbaar (het treinstation) in het bijzijn van meerdere getuigen. De feiten hebben veel indruk gemaakt op de aanwezige buitengewone opsporingsambtenaren, hetgeen blijkt uit de inhoud van de vordering tot schadevergoeding en de toelichting daarvan ter terechtzitting. Daarnaast rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij zich zeer onverantwoordelijk heeft gedragen door het - naar zijn zeggen - dagelijks voorhanden hebben van een mes. Het voorhanden hebben van een mes en dit tijdens een conflict daadwerkelijk gebruiken brengt binnen de samenleving gevoelens van onveiligheid met zich mee.

De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan dat hij in ernstige mate geweld heeft gebruikt tegen zijn voormalige partner, die bij het incident op 9 januari letsel heeft opgelopen. Dat dit haar op 20 februari 2021 bespaard is gebleven, is niet aan verdachte te danken.

De rechtbank heeft acht geslagen op het advies van de reclassering Verslavingszorg Noord Nederland d.d. 18 mei 2021, waaruit volgt dat verdachte een ernstige alcoholverslaving heeft. De reclassering adviseert een onvoorwaardelijke straf met contactverbod op te leggen. De reclassering ziet vanwege de taalbarrière geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf in het voordeel van verdachte meegewogen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank verder gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (de LOVS-oriëntatiepunten).

Gelet op de ernst van de feiten die verdachte heeft gepleegd, kan naar het oordeel van de rechtbank slechts worden volstaan met een vrijheidsbenemende straf.

Alles afwegende is de rechtbank met betrekking tot feit 1 subsidiair, feit 3 en feit 5 van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden is. De rechtbank legt een lagere straf op dan de officier van justitie heeft gevorderd nu de rechtbank tot een aanzienlijk andere bewezenverklaring komt. De verdediging heeft verzocht om een deel van de straf in voorwaardelijke vorm aan de verdachte op te leggen. De rechtbank ziet - gelet op het reclasseringsadvies - geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen.

Alles afwegende is de rechtbank met betrekking tot feit 4 (overtreding) van oordeel dat een geldboete ter hoogte van € 200,-, subsidiair 4 dagen hechtenis, passend en geboden is.

De rechtbank ziet - net zoals de officier van justitie - geen aanleiding om een contactverbod met aangeefster [slachtoffer 1] op te leggen, nu aangeefster en verdachte nog contact met elkaar zoeken.

Beslag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen zakmes verbeurd wordt verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen van 11 mei 2021 onder nummer 1 vermeld voorwerp (zakmes), met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan, zal worden verbeurd verklaard.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 10.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 550,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding van aangeefster [slachtoffer 1] op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en om die reden niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

De officier van justitie heeft zich met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding van aangever [slachtoffer 2] op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding van aangeefster [slachtoffer 1] - net zoals de officier van justitie - op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat om die reden de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding van aangever [slachtoffer 2] heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard aangezien vrijspraak is bepleit voor feit 2. Subsidiair refereert de raadsman - bij een bewezenverklaring voor feit 2 - zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Vordering schadevergoeding [slachtoffer 2]

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit, het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan, niet wettig en overtuigend bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Vordering schadevergoeding [slachtoffer 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 en 5 bewezen verklaarde. De benadeelde partij heeft een bedrag gevorderd van € 10.000,- ter vergoeding van de immateriële schade. Dit bedrag heeft de benadeelde partij niet onderbouwd.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij letsel heeft opgelopen door het handelen van verdachte, te weten een gebroken neus op 9 januari 2021 en het letsel dat is ontstaan na het slaan en het vallen uit de trein op 20 februari 2021. De benadeelde partij heeft daarom op grond van artikel 6:106 lid 1 BW recht op immateriële schadevergoeding.

De rechtbank zal het schadebedrag op basis van de thans bekende gegevens naar redelijkheid en billijkheid vaststellen op € 1.500,-. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 20 februari 2021.

Nu vaststaat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag van € 1.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het onder feit 1 en 5 bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 23, 24c, 33, 33a, 36f, 45, 57, 180, 300, 302, 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 27, 54 Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feiten 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder feiten 1 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Ten aanzien van feiten 1 subsidiair, 3 en 5

een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van feit 4

betaling van een geldboete ten bedrage van € 200,- (zegge: tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen zakmes.

Ten aanzien van feit 2:

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair en 5:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.500,- (zegge: vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2021. Dit bedrag bestaat uit € 1.500,- aan immateriële schade.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 1.500,- (zegge vijftienhonderd euro), te verhogen met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2021. Dit bedrag bestaat uit € 1.500,- aan immateriële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 25 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P van Sloten, voorzitter, mr. J. Edgar en mr. H. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. J.D. Zwaagstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 juni 2021.

Mr. E.P. van Sloten en mr. H. Brouwer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.