Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2364

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
18/039567-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Volgt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 326
Wetboek van Strafrecht 420bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/039567-21

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 juni 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 mei 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2020 tot en met 10 februari 2021, in de gemeente Pekela, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , (telkens) heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoon(s) en/of (een) sim-kaart(en), in elk geval van enig(e) goed(eren) en/of tot het aangaan van een schuld (te weten (een) mobiele telefoonabonnement(en)), immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] via internet benaderd, en/of

- zich voorgedaan als (een) bonafide koper(s) van (een) telefoonabonnement(en) en/of (een)

mobiele telefoon(s) en/of (een) simkaart(en), en/of

- een of meer telefoonabonnement(en) afgesloten op een andere naam en/of adres dan die van verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

- die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] bij het afsluiten van die telefoonabonnement(en) (een) adres(sen) en/of na(a)m(en) en/of (een) bankrekening(en) opgegeven, niet zijnde de naam en/of het adres en/of de bankrekening van verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

- die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] voorgehouden dat het/de telefooncontract(en) voor de op genoemde adres(sen) wonende perso(o)n(en), bestemd was/waren, en/of

- aan die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] een aanbetaling gedaan en/of laten doen voor de

levering van die een of meer mobiele telefoon(s) en/of simkaart(en) en/of

telefoonabonnement(en), waardoor die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2020 tot en met 10 februari 2021, te Nieuwe Pekela, gemeente Pekela, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, voorwerpen, te weten mobiele telefoons en/of sim-kaarten en/of een hoeveelheid geld, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of

van voorwerpen, te weten mobiele telefoons en/of sim-kaarten en/of een hoeveelheid geld,

gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

en/of

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2020 tot en met 10 februari 2021, te Nieuwe Pekela, gemeente Pekela, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, voorwerpen, te weten mobiele telefoons en/of sim-kaarten en/of een hoeveelheid geld, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat genoemde voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk - afkomstig was/waren uit enig eigen misdrijf;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend kan worden bewezen en heeft daartoe verwezen naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, alsmede naar de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht hetgeen verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2021;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 januari 2021 (inclusief bijlagen), opgenomen op pagina 1 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2021076861 d.d. 25 maart 2021, inhoudend de verklaring van [getuige].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 december 2020 tot en met 10 februari 2021, in de gemeente Pekela, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid, [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , telkens heeft bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons en sim-kaarten, en tot het aangaan van een schuld (te weten mobiele telefoonabonnementen), immers hebben verdachte en zijn mededaders telkens met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk:

- die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] via internet benaderd, en

- zich voorgedaan als bonafide kopers van telefoonabonnementen en

mobiele telefoons en simkaarten, en

- een of meer telefoonabonnementen afgesloten op een andere naam en/of adres dan die van verdachte en/of zijn mededaders, en

- die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] bij het afsluiten van die telefoonabonnementen adressen en/of namen en/of bankrekeningen opgegeven, niet zijnde de naam en/of het adres en/of de bankrekening van verdachte en/of zijn mededaders, en

- die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] voorgehouden dat de telefooncontracten voor de op genoemde adressen wonende personen, bestemd waren, en

- aan die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] een aanbetaling gedaan en/of laten doen voor de

levering van die een of meer mobiele telefoons en simkaarten en

telefoonabonnementen, waardoor die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij in de periode van 1 december 2020 tot en met 10 februari 2021, te Nieuwe Pekela, gemeente Pekela, tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen, te weten mobiele telefoons en sim-kaarten, heeft verworven, voorhanden gehad en omgezet, terwijl hij en zijn mededaders wisten, dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

en

hij in de periode van 1 december 2020 tot en met 10 februari 2021, te Nieuwe Pekela, gemeente Pekela, tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen, te weten een hoeveelheid geld, heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededaders wisten, dat dit voorwerp geheel of gedeeltelijk - middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

2. medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van hetgeen hem onder 1 en 2 ten laste is gelegd, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden (met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht).

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ervoor gepleit om verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die in duur gelijk is aan het reeds door verdachte ondergane voorarrest en om hem daarnaast een taakstraf op te leggen. Ten aanzien van de duur van deze op te leggen taakstraf heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de omtrent hem opgemaakte rapportage, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van enkele maanden schuldig gemaakt aan zowel het medeplegen van oplichting als aan het medeplegen van witwassen. Verdachte heeft met valse persoonsgegevens telefoonabonnementen afgesloten bij [benadeelde partij 1] om vervolgens de bij deze telefoonabonnementen geleverde telefoons en simkaarten door te verkopen aan derden en de opbrengsten hiervan te delen met zijn mededaders. Deze mededaders waren veelal personen die, in een poging om snel geld te verdienen, hun eigen identiteitsgegevens en/of bankgegevens beschikbaar hebben gesteld aan verdachte, teneinde voornoemde telefoonabonnementen af te kunnen sluiten op andermans naam.

Verdachte en zijn mededaders hebben zich in hun gedrag louter laten leiden door hun eigen financiële gewin en zich geen enkele rekenschap gegeven van de overlast en ergernis die dergelijke feiten bij de gedupeerden veroorzaken. [benadeelde partij 1] heeft immers veel schade geleden, nu de afgesloten telefoonabonnementen nooit zijn betaald en zij de telefoons en simkaarten ook kwijt zijn. Voor verdachte in het bijzonder geldt daarnaast bovendien ook nog dat hij zich geen moment bekommerd heeft om de problemen waarin zijn mededaders zichzelf brachten met het plegen van deze strafbare feiten, namelijk de schulden van de telefoonabonnementen die zijn afgesloten op hun namen en de eventuele schadeclaim van de leverancier.

Ten aanzien van het witwassen behoeft het tot slot geen betoog dat dit een strafbaar feit is dat een ernstige bedreiging vormt voor de legale economie en de openbare orde. Ook tast het de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Opbrengsten van misdrijven worden hierdoor bovendien aan het zicht van justitie onttrokken, waardoor witwassen een misdrijf is dat andere misdrijven vergemakkelijkt.

De rechtbank rekent dit alles verdachte zeer aan en overweegt – met inachtneming van de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting – dat voornoemde feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder meer rechtvaardigen.

Bij het bepalen van de strafmaat weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee de zeer actieve en organiserende rol die verdachte heeft gespeeld bij het plegen van de strafbare feiten, zoals zojuist al omschreven.

Ten nadele van verdachte houdt de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat voorts rekening met het feit dat verdachte, hoewel hij ter terechtzitting heeft bekend de strafbare feiten te hebben gepleegd, naar het oordeel van de rechtbank nog steeds niet het achterste van zijn tong laat zien daar waar het gaat om zijn verhouding tot voornoemde mededaders. Verdachte blijft de rol spelen van de barmhartige Samaritaan die de strafbare feiten vooral ter bevordering van de financiële positie van zijn mededaders heeft gepleegd, hetgeen volgens de rechtbank niet strookt met de werkelijkheid.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het door Reclassering Nederland opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 29 maart 2021, waarin de reclassering aangeeft dat de enigszins pro-criminele houding van verdachte, in combinatie met zijn manier van denken en zijn eigen moeilijke financiële situatie, er toe hebben geleid dat hij tot dit delictgedrag is gekomen. De reclassering adviseert de rechtbank om verdachte te veroordelen tot een straf zonder bijzondere voorwaarden, nu zij interventies en/of toezicht niet geïndiceerd acht.

Gezien de houding van verdachte ter terechtzitting en hetgeen beschreven is in het rapport van de reclassering acht de rechtbank het van belang dat er naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook een deel voorwaardelijk wordt opgelegd als stok achter de deur.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd voor de duur van acht maanden (met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht), waarvan vier maanden voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld een proeftijd van twee jaren onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van deze proeftijd niet opnieuw schuldig zal maken aan enig strafbaar feit. De rechtbank wijkt hiermee af van de eis van de officier van justitie, nu zij van oordeel is dat met voornoemde straf, in dit geval, voldoende recht wordt gedaan aan de ernst van de bewezen verklaarde strafbare feiten.

Benadeelde partij

[benadeelde partij 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 16.385,71 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, nu uit de door de verdediging overgelegde stukken blijkt dat [benadeelde partij 1] al is aangevangen met het innen van de geleden schade bij degenen op wiens naam de abonnementen zijn afgesloten.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank, mede gelet op de stukken die door de verdediging zijn ingebracht, over onvoldoende informatie om de exacte hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vier maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Ten aanzien van 18/039567-21, feit 1:

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. T.M.L. Veen en mr. S. Zwarts, rechters, bijgestaan door mr. L. van der Weide, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juni 2021.

Mr. Veen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.