Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2359

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
18-06-2021
Zaaknummer
LEE 20/1424
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AW. Disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag na integriteitsonderzoek. De rechtbank is, met verweerder, van oordeel dat eiseres door het meerdere keren raadplegen van de GBA op gegevens van bewoners in haar straat, in strijd heeft gehandeld met de Gedragscode Rechtspraak en de Gedragscode Integriteit Rijk en daarmee niet integer heeft gehandeld. Niet aannemelijk is dat de raadplegingen in de GBA werkgerelateerd waren. Verweerder was bevoegd eiseres een disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. De rechtbank acht, met verweerder, het onvoorwaardelijk strafontslag evenredig aan de ernst van het plichtsverzuim. Het beroep is ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/1424


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. Eillert),

en

het Gerechtsbestuur van de Rechtbank Overijssel, verweerder

(gemachtigde: mr. P. de Bruijn).

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2019 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan eiseres de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.

Bij besluit van 23 november 2019 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiseres met onmiddellijke ingang geschorst.

Bij besluit van 26 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift, voorzien van bijlagen, ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2021 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig eiseres – vergezeld door haar echtgenoot – en haar gemachtigde, en namens verweerder zijn gemachtigde, B. van Meegen en M. Wagteveld.

Overwegingen

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het aan haar verleende onvoorwaardelijk strafontslag, omdat zij zich schuldig zou hebben gemaakt aan ernstig plichtsverzuim.

1.1.

Eiseres, die aan de [adres] 21 in [woonplaats] woont, was sinds 19 april 2002 werkzaam bij de rechtbank Overijssel, laatstelijk in de functie van [naam functie] bij het team [naam team] . Uit hoofde van haar functie had zij toegang tot de systemen IRIS, KEI [naam team] , de G-schijf - voor zover die ziet op de specifieke werkzaamheden van de afdeling waar eiseres werkzaam was - en de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans de Basisregistratie Personen (BRP).

1.2.

De afdeling personeelszaken van de rechtbank Overijssel heeft een anonieme schriftelijke melding ontvangen, waarin staat dat eiseres met regelmaat in “jullie computer” kijkt naar de persoonlijke en financiële gegevens van de bewoners van de [adres] in [woonplaats] en dat zij hiermee de privacy schendt.

1.3.

Naar aanleiding van die melding heeft op 16 juli 2019 een gesprek plaatsgevonden tussen de teamvoorzitter van het team [naam team] , eiseres en een P&O-adviseur. Eiseres heeft tijdens dat gesprek aangegeven de systemen niet te gebruiken voor het raadplegen van persoonlijke en financiële gegevens van bewoners aan de [straat] te [woonplaats] . Zij heeft toestemming gegeven voor het starten van een technisch onderzoek.

1.4.

Op 22 juli 2019 heeft de president van de rechtbank Overijssel (president) aan IVO-Rechtspraak verzocht informatie te verstrekken ten behoeve van een intern veiligheids-/integriteitsonderzoek naar het raadplegen van de onder 1.1 genoemde systemen op financiële informatie en/of persoonsgegevens door eiseres, voor de periode 1 januari tot 21 juli 2019.

1.5.

Op 20 september 2019 is het rapport onderzoek integriteitsschending uitgebracht. Uit de logbestanden van de GBA is gebleken dat eiseres in de periode van 3 december 2018 tot en met 3 april 2019 acht keer de GBA van bewoners van de [adres] heeft geraadpleegd.

1.6.

Naar aanleiding van de uitkomst van het onderzoek heeft op 16 oktober 2019 een gesprek plaatsgevonden tussen eiseres, haar individueel belangenbehartiger, de president, de teamvoorzitter van het team [naam team] en een P&O adviseur.

1.7.

Nadat verweerder het voornemen daartoe bekend had gemaakt en eiseres haar zienswijze naar voren had gebracht, heeft verweerder bij het primaire besluit met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) aan eiseres met ingang van 22 november 2019 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim. Tevens heeft verweerder bij afzonderlijk primair besluit eiseres met ingang van die datum geschorst.

1.8.

Naar aanleiding van de bezwaren van eiseres heeft op 5 maart 2020 een hoorzitting bij de Landelijke Rechtspraak Adviescommissie bezwaarschriften Awb (de commissie) plaatsgevonden. In haar advies van 23 maart 2020 heeft de commissie geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd in overeenstemming met het advies van de commissie. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim door de GBA te raadplegen op adressen van bewoners in de straat waar zij woont, dat dit plichtsverzuim aan haar is toe te rekenen en dat opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag evenredig is aan het vastgestelde plichtsverzuim.

3. Eiseres heeft de juistheid van het bestreden besluit gemotiveerd bestreden. Een bespreking van hetgeen zij naar voren heeft gebracht, zal hieronder plaatsvinden.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Onvoorwaardelijk strafontslag

4.1.

In beroep is uitsluitend nog in geschil of verweerder eiseres wegens ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag heeft kunnen opleggen.

4.2.

Artikel 50, eerste lid, van het ARAR bepaalt dat de ambtenaar gehouden is de plichten uit zijn functie voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt.

4.2.1.

Artikel 80, eerste lid, van het ARAR bepaalt dat de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair kan worden gestraft. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, wat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

4.2.2.

Artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR bepaalt dat de ambtenaar de disciplinaire straf van ontslag kan worden opgelegd.

Ernstig plichtsverzuim

5.1.

Eiseres stelt dat de aan haar verweten gedragingen geen ernstig plichtsverzuim opleveren. De raadplegingen in de GBA zijn gedaan in het kader van de uitvoering van haar werkzaamheden en niet voor privédoeleinden. Zij had onder meer als taak het opschonen van mentorschapsdossiers en moest in dat kader in de GBA controleren of de in de dossiers opgenomen gegevens nog juist waren. Verder stelt eiseres dat bij een onjuist of incompleet verzoekschrift geen dossier werd aangemaakt en dat de raadplegingen kunnen zijn gedaan bij het controleren van adresgegevens bij het verzenden van beschikkingen. Eiseres bestrijdt dat zij informatie uit de GBA heeft gedeeld met personen buiten de rechtbank Overijssel. Zij stelt hiertoe dat verweerder zijn standpunt dat de raadplegingen buiten de rechtbank Overijssel bekend zijn geworden uitsluitend baseert op twee anonieme verklaringen.

5.2.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire straf aanleiding kan geven, is volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Voorts moet het plichtsverzuim de ambtenaar zijn toe te rekenen en dient de opgelegde straf evenredig te zijn aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Als voorbeeld van deze vaste rechtspraak verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de CRvB van 11 maart 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:569).

5.3.

Eiseres wordt verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. De rechtbank stelt vast dat uit het rapport onderzoek integriteitsschending blijkt dat eiseres in de periode van 3 december 2018 tot en met 1 april 2019 vanuit haar account in de GBA acht raadplegingen heeft gedaan naar persoonlijke gegevens van bewoners in de straat waar zij woont. Dat eiseres die raadplegingen in de GBA heeft gedaan wordt niet door haar betwist.

5.4.

De rechtbank is, met verweerder, van oordeel dat eiseres door het meerdere keren raadplegen van de GBA op gegevens van bewoners van de [straat] , in strijd heeft gehandeld met de Gedragscode Rechtspraak en de Gedragscode Integriteit Rijk. Zij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. In de Gedragscode Rechtspraak staat namelijk dat medewerkers van de rechtbank op een zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde wijze omgaan met middelen die uit hoofde van de functie aan hen ter beschikking zijn gesteld. In de Gedragscode Integriteit zijn verdere normen opgenomen, zoals het op zorgvuldige en integere wijze omgaan met beschikbare informatie. Door de GBA meermalen te raadplegen op gegevens van personen die in haar straat wonen, zonder het daarvoor benodigde functionele doel, heeft zij zich niet aan het beleid gehouden. Dat, zoals eiseres stelt, het gaat om een beperkt aantal raadplegingen, is daarbij niet van belang. Naar het oordeel van de rechtbank had eiseres bij iedere afzonderlijke raadpleging moeten afwegen of die raadpleging legitiem is. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de CRvB van 2 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:887). Met het haar verweten gedrag heeft eiseres zich niet integer gedragen zoals dat van een gerechtsambtenaar mag worden verwacht en heeft zij het vertrouwen van verweerder ernstig geschaad. Verweerder heeft in dat verband terecht gesteld dat van gerechtsambtenaren die werken bij de rechtbank, zoals eiseres, hoge eisen aan integriteit worden gesteld, in verband met de taakstelling van de Rechtspraak binnen de samenleving en het vertrouwen van de burger in de Rechtspraak. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiseres, die werkzaam was binnen het team [naam team] , uit hoofde van haar functie toegang had tot uiterst vertrouwelijke informatie, waaronder persoonsgegevens in het GBA-systeem. Gelet hierop had van eiseres daarom mogen worden verwacht dat zij daar zorgvuldig mee om zou gaan. Dat heeft zij niet gedaan.

5.4.1.

De rechtbank overweegt dat niet aannemelijk is dat de raadplegingen die eiseres in de GBA heeft gedaan, werkgerelateerd zijn. Verweerder heeft in het verweerschrift uitvoerig toegelicht dat het moment van het raadplegen van de GBA door eiseres, niet strookt met de werkwijze, de bijbehorende tijdlijn en het werkrooster voor het opschonen van deze mentorschapsdossiers, zodat het niet aannemelijk is dat deze raadplegingen ten behoeve van dit project zijn gedaan. Dat is door eiseres niet gemotiveerd bestreden. Voorts heeft verweerder in het verweerschrift gesteld dat er van één van de door eiseres in de GBA geraadpleegde personen geen dossier bekend is bij de rechtbank Overijssel en ten aanzien van twee andere personen geen mentorschap is uitgesproken. De enkele verklaring van eiseres op de zitting dat de dossiers van de laatstbedoelde personen bij de verhuizing naar een andere sector zijn meeverhuisd naar een andere rechtbank, acht de rechtbank onvoldoende om tot een andersluidend oordeel te komen.

5.4.2.

Dat de raadplegingen zijn verricht in het kader van een nieuw verzoek tot onderbewindstelling, acht de rechtbank evenmin aannemelijk. De rechtbank overweegt dat verweerder onder verwijzing naar de werkwijze ‘Verzoekschriften’, overtuigend heeft toegelicht waarom hij het standpunt van eiseres op dit punt niet volgt. Dat geldt ook voor de stelling dat de raadplegingen in de GBA zijn gedaan in het kader van het controleren van adresgegevens bij het verzenden van beschikkingen. Het betoog van eiseres slaagt dan ook niet.

5.5.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat verweerder zijn standpunt over het plichtsverzuim niet enkel heeft mogen baseren op de twee anonieme verklaringen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het standpunt van verweerder over plichtsverzuim gebaseerd is op feiten die uit het integriteitsonderzoek naar voren zijn gekomen en niet op de twee ontvangen anonieme meldingen. Het beroep van eiseres op de uitspraak van de CRvB van 10 augustus 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AY6582), kan haar daarom niet baten. Dat het integriteitsonderzoek is gestart naar aanleiding van de ontvangen anonieme meldingen, leidt niet tot een ander oordeel.

5.6.

De rechtbank overweegt dat de toerekenbaarheid van het ernstig plichtsverzuim aan eiseres niet in geschil is. Verweerder was naar het oordeel van de rechtbank daarom bevoegd eiseres een disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen.

Evenredigheid onvoorwaardelijk ontslag aan de ernst van het plichtsverzuim

6.1.

Eiseres voert aan dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet proportioneel en evenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Zij stelt hiertoe dat de in de GBA geraadpleegde personen geen bekenden van haar waren en dat zij met die personen geen contact had. Verder stelt eiseres dat bij de proportionaliteit van de opgelegde straf er rekening mee moet worden gehouden dat op een GBA-uittreksel geen gevoelige persoonsgegevens staan. Daarnaast wijst eiseres op haar staat van dienst, de zwaarte van haar functie en dat aan haar niet eerder een disciplinaire maatregel is opgelegd. Tijdens de zitting heeft eiseres een brief voorgelezen en overgelegd, waarin zij onder meer ingaat op haar persoonlijke omstandigheden, haar gezondheidssituatie en wat het ontslag voor haar betekent.

6.2.

De rechtbank is, met verweerder, van oordeel dat de aan eiseres opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Zoals onder 5.4.1 reeds is overwogen stelt verweerder aan eiseres als administratief medewerker bij het team [naam team] van de rechtbank Overijssel, terecht hoge eisen van betrouwbaarheid, verantwoordelijkheid en integriteit. Dat geldt te meer nu zij in deze functie toegang had tot de GBA en daarmee tot vertrouwelijke persoonsgegevens. Verder acht de rechtbank van belang dat sprake is van meerdere niet-functionele raadplegingen in de GBA, gedurende een langere periode. Ook de houding van eiseres ten aanzien van haar handelen en het geen spijt betuigen, draagt bij aan de ernst van het plichtsverzuim. Daargelaten of eiseres de door haar geraadpleegde personen die in haar straat wonen kende, is de rechtbank, met verweerder, van oordeel dat het handelen van eiseres reeds voldoende grond oplevert voor het opleggen van onvoorwaardelijk strafontslag.

6.3.

Verder heeft verweerder kunnen betrekken dat niet kan worden uitgesloten dat gelet op de ontvangen anonieme meldingen, de gedragingen van eiseres ook buiten de rechtbank bekend zijn geworden en daarmee het vertrouwen in de Rechtspraak mogelijkerwijs is geschaad. Verweerder heeft in dit verband kunnen wijzen op de ontvangststempel op een van de meldingen, waarmee aannemelijk is dat de melding van buiten de rechtbank afkomstig is. Dat wordt door eiseres niet bestreden.

6.4.

Voorts acht de rechtbank van belang dat eiseres al in 2014 is aangesproken op het verrichten van werkzaamheden in dossiers van bekenden. Uit het verslag van het functioneringsgesprek van 27 maart 2014 blijkt dat met eiseres de afspraak is gemaakt dat zij geen zaken behandelt van mensen die zij kent. Weliswaar is er destijds hiervoor geen disciplinaire maatregel opgelegd, verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat eiseres gezien die afspraken wel een gewaarschuwd mens was. Ook na het primaire besluit en gedurende de bezwaarfase heeft eiseres nog registerhandelingen verricht in een bewindsdossier van haar buurjongen, zonder dat aan verweerder te melden.

6.5. Het beroep van eiseres op de uitspraak van de CRvB van 21 januari 2016, (ECLI:NL:CRVB:2016:262), kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen, alleen al omdat het in die uitspraak – anders dan in de onderhavige zaak – ging om een eenmalige overtreding.

6.6.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat de omstandigheden dat eiseres een lange staat van dienst heeft, er niet eerder een disciplinaire maatregel aan haar is opgelegd, zij vanaf

23 september 2019 thuis zat met een burn-out en het ontslag financiële gevolgen voor haar heeft, onvoldoende gewicht in de schaal leggen om tot een ander oordeel te komen.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit dus in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 10 juni 2021 door mr. M.S. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Als de zaak spoedeisend is, kunnen partijen de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om het treffen van een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel).