Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2358

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
LEE 20/1926
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AW. Beëindiging opleiding tot allround politiemedewerker. Eiseres heeft bepaalde onderdelen van de professioneel fit toets niet behaald. De Politieacademie mocht zich baseren op het MRC-advies, nu dat advies voldoende inzichtelijk is. Eiseres had geen recht op een aangepaste toets of een examenopdracht. Het indirect onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft verweerder objectief gerechtvaardigd geacht. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiseres niet voldoet aan de normen in het kwalificatiedossier. Het behoort tot bevoegdheden van verweerder om de toets op te nemen in het curriculum. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/1926

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2021 in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Chouaibi),

en

de directeur van de Politieacademie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.M.I. Huijts).

Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2020 (het bestreden besluit) is de opleiding van eiseres beëindigd op grond van artikel 35, tweede lid, onder b, van de Onderwijs- en examenregeling Politieonderwijs (OER) 2020.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van 18 maart 2021. Hierbij waren aanwezig eiseres en haar gemachtigde, en namens verweerder zijn gemachtigde, G. [teamchef] teamchef BPO Drachten, en J. [teamchef 1] , teamchef BPO Drachten.

Overwegingen

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beëindiging van haar opleiding tot allround politiemedewerker.

1.1.

Eiseres is in oktober 2016 gediagnosticeerd met de aandoening Fibromyalgie, als gevolg waarvan zij chronische pijnklachten heeft in de spieren en bindweefsel. Eiseres is in mei 2017 gestart met de opleiding niveau 4 ‘Allround politiemedewerker’ aan de Politieacademie te Drachten. Een verplicht onderdeel van die opleiding is de Professioneel fit toets (de toets).

1.2.

Eiseres bleef bij de trainingen lichamelijke klachten houden. Daarom is zij door haar trajectbegeleider naar de bedrijfsarts gestuurd voor een verwijzing naar het Militair Revalidatie Centrum (MRC) in Doorn voor een reguliere Quickscan. In de Eindrapportage Quickscan van 29 januari 2019 concludeert de revalidatiearts dat eiseres door de pijnklachten als gevolg van de fibromyalgie niet in staat is de toets te halen op verschillende onderdelen, en dat gezien de klachten niet valt te verwachten dat zij met aangepaste training de toets zal kunnen halen.

1.3.

Eiseres heeft op 27 mei 2019 (zevende tertiel) een onvoldoende gehaald voor de toets. Op 16 juli 2019 is met eiseres besproken dat zij uiterlijk in het achtste tertiel de toets moet hebben behaald. Op 13 januari 2020 (achtste tertiel) heeft zij opnieuw een onvoldoende gehaald voor de toets.

1.4.

Op 27 januari 2020 is een zienswijzegesprek aan eiseres het voornemen meegedeeld dat haar opleiding zou worden beëindigd.

1.5.

Met het besluit van 4 februari 2020 is de opleiding van eiseres op grond van artikel 35.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de OER 2020 beëindigd, omdat zij niet in staat is gebleken binnen de toegestane tijd de toets met goed gevolg af te leggen. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep voor de Examens (de Commissie). Bij uitspraak van 18 mei 2020 heeft de Commissie het beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 februari 2020 vernietigd en opgedragen dat het sectorhoofd een nieuw zorgvuldig gemotiveerd besluit dient te nemen.

2. Met het bestreden besluit is verweerder bij zijn standpunt gebleven om de opleiding van eiseres met onmiddellijke ingang te beëindigen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het advies van het MRC is vastgesteld dat eiseres vanwege haar beperkingen niet in staat is om (aangepaste) trainingen te volgen om de toets te halen. Het beleid is om het onafhankelijk advies van het MRC te volgen. Verweerder acht het niet verantwoord om eiseres op alle testonderdelen vervangende opdrachten te laten afleggen en haar daarvoor te laten trainen. Het afnemen van vervangende, fysieke minder zware testen zou volgens verweerder afbreuk doen aan de veiligheid.

3. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. De gronden van beroep die zij daartoe heeft aangevoerd, zullen hieronder worden besproken.

4. Beoordeling door de rechtbank.

Het geschil

4.1.

Aan de orde is de vraag of verweerder de opleiding van eiseres tot allround politiemedewerker terecht heeft beëindigd.

4.1.1.

De regels omtrent het volgen en beëindigen van een opleiding aan de Politieacademie

zijn neergelegd in de OER 2020.

4.1.2.

Op grond van artikel 35.2, aanhef en onder b, van de OER 2020 wordt de opleiding van een student beëindigd, indien de student niet binnen de toegestane tijd zoals bedoeld in artikel 28.4 OER een voldoende resultaat heeft behaald.

Advies van het MRC

5.1.

Eiseres voert aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft gesteld dat het beleid is dat het advies van het MRC altijd wordt gevolgd. Voor zover er al sprake is van

beleid, dan wordt dat beleid door verweerder niet altijd consequent nageleefd. Eiseres wijst erop dat in het verleden een politieambtenaar volledig is vrijgesteld van de toets.

5.1.1.

Zoals verweerder onweersproken heeft gesteld, geldt er vanaf 2017 binnen de Politieacademie vast beleid over hoe om wordt gegaan met studenten met fysieke beperkingen in relatie tot de toets. Het beleid houdt in dat een student eerst naar de bedrijfsarts gaat en afhankelijk van het advies van de bedrijfsarts wordt doorverwezen naar het MRC voor een onafhankelijk medisch advies over de (on)mogelijkheden van de student om de toets af te leggen. De te volgen werkwijze staat in het in november 2018 geactualiseerde stroomschema Professioneel Fit Total. Op de zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat het stroomschema dient te worden geduid als een vaste gedragslijn, waarvan niet zomaar kan worden afgeweken.

5.1.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de beëindiging van de opleiding van eiseres heeft gebaseerd op het advies van het MRC van 19 januari 2019. In dat onafhankelijk advies is voldoende en inzichtelijk gemotiveerd waarom eiseres niet in staat is de toets te halen op verschillende onderdelen, en dat gezien haar klachten niet te verwachten is dat zij met aangepaste training de toets wel zal kunnen halen. Eiseres heeft het MRC-advies niet gemotiveerd betwist. Verweerder mocht daarom het MRC-advies volgen en bij de besluitvorming daarvan uitgaan.

5.1.3.

Voor zover eiseres met haar betoog dat in het verleden een politieambtenaar volledig is vrijgesteld van de toets een beroep heeft willen doen op het gelijkheidsbeginsel, slaagt dit niet. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting de verschillen voldoende toegelicht, waaruit naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat geen sprake is van gelijke gevallen. Op de zitting heeft verweerder namelijk uitgelegd dat er ten tijde van het door eiseres aangehaalde voorbeeld nog geen (beleids)kader was en dat de examencommissie in haar besluit van 15 mei 2020 heeft besloten dat het niet (meer) mogelijk is een alternatief diploma af te geven door de student een vrijstelling van de toets te verlenen.

De toets

6.1.

Eiseres voert aan dat zij vanwege haar chronische beperking op grond van de OER 2020 recht had op een aangepaste toets. Met een vervangende opdracht zou zij alsnog aan de gestelde eisen van de toets kunnen voldoen. Zij stelt verder dat politieambtenaren met een chronische ziekte worden benadeeld ten opzichte van gezonde politieambtenaren.

6.1.1.

Op grond van artikel 15, eerste lid, van de OER 2020 kan een student met een functiebeperking bij de examencommissie een verzoek indienen om aanpassing van een examenopdracht. In de daarbij behorende Regeling B (studeren met een functiebeperking) is in artikel 4 opgenomen welke criteria de examencommissie hanteert voor de beoordeling van de aanvraag.

6.1.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet gehouden was eiseres een aangepaste toets te laten maken. Zoals verweerder in het verweerschrift heeft gesteld volgt uit artikel 4 van Regeling B dat een aanpassing van een examenopdracht alleen mogelijk is wanneer met de aanpassing dezelfde competenties worden getoetst als in de oorspronkelijke toets. Dit betekent dat de aangepaste toets dezelfde spiergroepen moet aanspreken en dezelfde zwaarte moet hebben. Voor eiseres is dat niet mogelijk, alleen al omdat het MRC heeft vastgesteld dat eiseres vanwege haar beperkingen de toets ook niet met een aangepaste training zou kunnen halen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres vindt dat studenten met een beperking door de strenge regels die gelden voor de toets worden benadeeld, bestaat daarvoor een rechtvaardiging. Verweerder heeft in het verweerschrift er namelijk terecht op gewezen dat het doel van de toets is het ontwikkelen van professionele weerbaarheid om in stressvolle situaties te kunnen blijven functioneren. Dit maakt dat de eisen die aan de toets worden gesteld functioneel noodzakelijk zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gesteld dat het afnemen van een vervangende, minder zware testen afbreuk zou doen aan de veiligheid. Verweerder heeft er nog op gewezen dat niet bekend is of eiseres bij de examencommissie een verzoek om aanpassing van de examenopdracht heeft ingediend. De stelling van eiseres dat verweerder haar niet heeft begeleid, volgt de rechtbank niet. Hiertoe is van belang dat uit het dossier blijkt dat verweerder voldoende begeleiding heeft geboden aan eiseres. Zo heeft verweerder eiseres toegestaan om onder werktijd bij Fit@NP te trainen voor de toets.

Verboden onderscheid en discriminatie

7.1.

Eiseres voert aan dat het onverkort toepassen van de toets bij een student met een beperking zonder een alternatief aan te bieden in strijd is met de Wet gelijke behandeling op grond van handicap en chronische ziekte (Wgbh/cz). Door het strikt vasthouden aan de eisen van de toets zou eiseres financiële schade kunnen leiden en zou zij worden belemmerd in haar carrièrekansen.

7.1.1.

In artikel 1, aanhef en onder c, van de Wgbh/cz is bepaald dat sprake is van indirect als een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een handicap of chronische ziekte in vergelijking met andere personen bijzonder treft.

7.1.2.

Het maken van onderscheid is niet verboden als hiervoor een rechtvaardiging aanwezig is, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wgbh/cz. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het verbod van onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid als dat onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

7.1.3.

Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat er sprake is van indirect onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte. De rechtbank acht, met verweerder, dit onderscheid objectief gerechtvaardigd en dus niet verboden. Hiervoor is van belang dat verweerder heeft toegelicht dat het halen van de toets als voorwaarde voor het doorlopen van de opleiding noodzakelijk is ter bescherming van de veiligheid en gezondheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wgbh/cz. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat met het toepassen van de toets, als onderdeel van de opleiding, een legitiem doel is beoogd. Dat doel is namelijk het borgen van de veiligheid van politieambtenaren en burgers, door een professionele weerbaarheid te ontwikkelen waarin zij in stressvolle situatie goed kunnen blijven functioneren. Het middel dat wordt gebruik om dat doel te halen is daarom ook passend en noodzakelijk. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiseres door het niet behalen van de toets niet over de fysieke geschiktheid beschikt die noodzakelijk is voor het uitvoeren van het politieambt. De rechtbank volgt eiseres niet in het betoog dat met voldoende inzet en doorzettingsvermogen een positieve beoordeling dient te worden gegeven. Zoals verweerder op de zitting heeft toegelicht is de toets een verplicht onderdeel van de opleiding en moeten studenten aantonen dat zij alle testonderdelen kunnen halen. Eiseres heeft dat echter niet kunnen aantonen.

7.1.4.

Voor zover eiseres stelt dat zij door het vasthouden aan de eisen van de toets financiële schade zou kunnen leiden, slaagt dit betoog niet. Dat standpunt is onvoldoende onderbouwd.

Normen in het kwalificatiedossier

8.1.

Eiseres voert ten slotte aan dat zij voldoet aan de normen die in het kwalificatiedossier voor het politieonderwijs zijn opgenomen. In dat dossier staat dat er jaarlijks een fysieke vaardigheidstoets moet worden afgelegd. Zij is jaarlijks voor die toets geslaagd. Verder stelt eiseres dat de toets niet is opgenomen in het kwalificatiedossier.

8.1.1.

In het kwalificatiedossier zijn eisen opgenomen waaraan de opleiding en de student moeten voldoen om een diploma te halen. In dat dossier is voor de opleiding tot allround politiemedewerker opgenomen dat de studenten jaarlijks een fysieke vaardigheidstoets af moeten leggen. Het behalen van de toets is als vereiste opgenomen in het curriculum voor de opleiding tot allround politiemedewerker. De rechtbank is van oordeel dat het tot de bevoegdheden van verweerder behoort om de toets op te nemen in het curriculum.

8.1.2.

Eiseres voldoet door het niet behalen van de toets niet aan de vereisten van de opleiding tot allround politiemedewerker. Dat eiseres jaarlijks is geslaagd voor de fysieke vaardigheidstoets, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft daarom de opleiding van eiseres terecht beëindigd.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 11 mei 2021 door mr. M.S. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

griffier

De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.